Dagelijks archief: februari 5, 2019

Gezond fruit: aalbes

Standaard

Categorie : Gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

 

 

 

Gezond fruit: aalbes

 

 

Onder rode bessen verstaan we de kleine rode aalbessen, die met meerdere besjes aan lange, kleine trossen groeien en die vooral in het voorjaar en de vroege zomer vers verkrijgbaar zijn.

In andere landen is de term trouwens algemener, en kunnen er allerlei rode bessen mee aangeduid worden, van vossenbessen tot cranberries en gojibessen. Maar bij ons mag je ervan uitgaan dat er eigenlijk altijd de aalbes mee bedoeld wordt.

Rode bessen hebben een wat zure, frisse smaak. We eten ze vooral door de yoghurt of bij ijs, of samen met ander fruit in sappen en smoothies. Ook als garnering doen de vrolijke rode bessen het goed. Maar ze geven je toetjes en tussendoortjes niet alleen net dat frisse extraatje; ze zijn ook nog eens ontzettend gezond.

 

 

 

 

 

 

De voedingswaarde van rode bessen

 

Rode bessen zijn rijk aan vezels en bevatten rond de 45 tot 50 kilocalorieën per 100 gram. Dat is ongeveer net zoveel als er in de meeste soorten appels, grapefruit en kersen zit. Maar, wat veel belangrijker is, is waar die calorieën vandaan komen. De calorieën in voeding komen voor rekening van de macronutriënten: de vetten, eiwitten en koolhydraten die in voedingsmiddelen zitten.

In rode bessen zit nauwelijks vet: met minder dan een kwart gram per 100 gram is die hoeveelheid nagenoeg verwaarloosbaar. Daar staat ongeveer 1,1 gram eiwit tegenover, wat vooral is toe te schrijven aan de kleine zaadjes in de rode bessen, die je ook gewoon op eet.

Die hoeveelheid eiwit is dan ook behoorlijk hoog vergeleken met veel andere fruitsoorten waarbij je de zaden niet eet. De meeste calorieën in rode bessen zijn echter afkomstig van de koolhydraten: daar bevatten ze tussen de 8 en 10 gram per 100 gram van. En daar weer van bestaat het grootste deel uit suikers.

Naast de macronutriënten zijn natuurlijk vooral de micronutriënten van belang: de vitamines en mineralen die ons lichaam hard nodig heeft om goed te functioneren. Rode bessen bevatten veel vitamine C, meer dan de meeste andere soorten rood fruit maar minder dan bijvoorbeeld sinaasappels en kiwi’s.

Andere noemenswaardige vitamines in rode bessen zijn een aantal B-vitamines en vitamine K (die laatste wordt in ons land overigens niet als essentieel beschouwd). Belangrijke mineralen in rode bessen zijn onder andere calcium, kalium, ijzer en mangaan. Rode bessen zijn daarnaast rijk aan caroteen, een stof waaruit ons lichaam vitamine A kan aanmaken.

 

 

 

 

 

 

Wat doen rode bessen nu voor je gezondheid?

 

Al de voedingsstoffen die hierboven aan bod kwamen, hebben uiteenlopende gezondheidsvoordelen. Rode bessen bevatten belangrijke vitamines die je helpen een goede weerstand op te bouwen en stoffen die bijdragen aan een gezond hart- en vaatstelsel en sterke botten.

Een aantal voedingsstoffen in rode bessen hebben bovendien een anti-oxidante werking en sommige worden zelfs in verband gebracht met een verlaagde kans op bepaalde vormen van kanker. Al met al zijn rode bessen dus een ideaal fruit waar je met een gerust hart best een beetje meer van mag eten.

 

 

 

Medicinale werking van rode bes

 

De rode bes heeft net als zwarte bes een medicinale werking. Het eten van de bessen werkt koortsreducerend, eetlustopwekkend, bloedstelpend en het vergroot de neiging om afvalstoffen uit te zweten. Over het algemeen bevordert rode bessen de spijsvertering en werkt het licht laxerend. Het rode besje helpt gifstoffen beter uit het lichaam af te voeren. Het pas in een detox-dieet.

 

 

 

 

 

 

Medicinale thee van rode bessenstruikblad

 

Thee van de gedroogde bladeren van de rode bessenstruik wordt gezet om jicht en reumatische aandoeningen zoals artritis en artrose te verlichten. Voor mond- en keelinfecties wordt aangeraden om koude of lauwe thee van deze bladeren te gebruiken om mee te gorgelen. Je kunt een kompres maken van deze thee om slecht helende wonden mee te behandelen.

 

 

 

 

12 Indicaties voor rode bes als medicijn

 

Er zitten antioxidanten in groenten en fruit. Rode bessen kennen medicinale werking door de fytonutriënten anthocyaninen, die vaak in rode vruchten voorkomen als antioxidant. Hierdoor is het een natuurlijke preventie tegen kanker, diabetes, hartziekten en ouderdomsverschijnselen in het algemeen. Daarnaast wordt door kruidendeskundigen in Europa de rode bes voorgeschreven bij de volgende 12 ziekten:

Obesitas,

Reuma,

Miltproblemen,

Pijn aan de urinewegen,

Anorexia,

Blaasproblemen,

Cirrose,

Lage Bloeddruk

Leverproblemen,

Vermoeidheid,

Algemene verschijnselen van zwakte,

Galproblemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Man died during surgery and met God / Man sterft gedurende operatie en ontmoet God

Standaard

Category / categorie : Video

 

 

 

 

 

Man died during surgery and met God 

.

Man sterft gedurende operatie en ontmoet God

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Kruidnagel : etherische olie

Standaard

categorie :  Gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

 

Kruidnagel etherische olie

 

 

 

 

 

 

Kruidnagel etherische olie komt van de Kruidnagelboom, Caryophyllus aromaticus of Eugenia caryophyllata. Het is een kleine piramidevormige, altijd groene boom die behoort tot de Mirte-familie.

 

 

Er worden verschillende etherische oliën gewonnen uit de bladeren, bloemknoppen en stelen.

De bladolie is een donkerbruine olie met een ruwe geur die doet denken aan verbrand hout en heeft een hoog eugenol gehalte (82-88 %). Er zijn 50 kilo bladeren nodig voor 1 kilo olie.

 

 

 

 

 

 

 

Na het plukken worden de bloemknoppen in de zon (of boven een vuurtje) gedroogd. De bloemknopolie (kruidnagels) is een licht gele olie met een zoet-pikante geur. Het eugenolgehalte is lager (60-80%) waardoor de olie beter voor de aromatherapie geschikt is. 6 tot 8 kilo kruidnagels leveren 1 kilo olie.

 

 

De gedroogde bloemknoppen, kruidnagels, worden al vele eeuwen als specerij gebruikt. In de Middeleeuwen werd kruidnagel al aanbevolen bij hoofdpijn, doofheid en waterzucht, evenals bij kiespijn een toepassing die nu al eeuwenlang stand houdt.

 

 

Ook tegenwoordig wordt Kruidnagel olie nog veelvuldig toegepast in tandheelkundige preparaten.

In de aromatherapie wordt kruidnagel etherische olie hoofdzakelijk gewaardeerd om de krachtige antiseptische/desinfecterende en pijnstillende eigenschappen.  Kruidnagels verzachten onder meer  reumatische klachten en zenuwpijnen.

Kruidnagel etherische olie verdrijft motten, muggen, wespen en muizen.

Kruidnagelolie is een stimulerende olie met antibacteriële en antiseptische werking. Het is een goede olie om preventief te gebruiken en zodoende infecties te verhinderen. De lokaal verdovende eigenschap werkt zeer goed bij tand- en kiespijn.

Kruidnagel wordt in de aromatherapie onder meer gebruikt bij: tand- en kiespijn, ontstoken tandvlees, reumatische klachten, darm- gassen en krampen, diarree, schimmelinfecties, blauwe plekken, schaafwonden, zwemmerseczeem, acne, artritis, verstuikingen, verrekkingen, zweren, slechte spijsvertering, infecties, griep en verkoudheid.

 

 

Kruidnagelolie verdampen helpt om geestelijke en lichamelijke oude wonden te genezen en knagende pijnen te verlichten.

Versterkt de zelfhelende krachten in de mens en het gevoel van eigenwaarde. Kruidnagel werkt op het materialisme, hij maakt begrip van vergankelijkheid.

Kruidnagelolie maakt het gemakkelijker oude bagage achter te laten en maakt ontvankelijk voor nieuwe ervaringen en indrukken.

 

 

 

 

 

 

 

De olie geeft het heel sterke besef dat hier op aarde alles wat ontstaat ook weer moet vergaan. Zij biedt de mogelijkheid met deze waarheid ook te leven.

Deze olie heeft een zeer sterke en beschermende werking op de psyche van de mens.

contra-indicatie: nooit onverdund op de huid gebruiken, kan ernstige irritaties veroorzaken. niet gebruiken tijdens zwangerschap.

Kruidnagel olie kan goed gecombineerd worden met Roos, Bergamot, Lavendel, Citronella, Nootmuskaat, Citroen, Limoen, Pepermunt, Rozemarijn, YlangYlang en Geranium.

 

 

 

 

Gebruik van kruidnagel etherische olie

 

  • Bij tand- of kiespijn: 1 druppel Kruidnagel olie op de pijnlijke tand/kies werkt verdovend.
  • Bij ontstoken tandvlees: 1 druppel Kruidnagel op de tandenborstel en hiermee voorzichtig borstelen.
  • Tegen muggen en insecten: een mengsel van 2 druppels Kruidnagel, 2 druppels Eucalyptus, 4 druppels Geranium en 2 druppels Ceder etherische olie in een aromadiffuser of aromalamp verdrijft muggen en andere insecten.
  • Bij reumatische klachten: maak een massage olie van 90 ml. plantaardige olie en 10 ml. Sint Janskruid olie en 5 druppels Kruidnagel, 20 druppels Geranium, 10 druppels Lavendel en 10 druppels Eucalyptus. Met dit mengsel dagelijks de pijnlijke plekken masseren.

 

 

 

 

 

 

 

De weg van mystieke wijsheid

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

.

 

.

 

 

.

 

In haar boek Scivias maakt Hildegard von Bingen duidelijk dat men niet

zomaar in de mystieke wijsheid kan  worden ingewijd,

maar dat daar een rijpingsweg aan voorafgaat die stap 

voor stap moet worden afgelegd.

Zij hoort Gods stem de volgende woorden zeggen:

 

 

HET GEESTELIJKE KOMT NIET VANZELF:

.

‘Velen willen een spel met Mij spelen. Zonder enige inspanning van hun ziel en hun verstand
willen ze tot Mij naderen. Zij staan er niet bij stil dat ze Mij eerst moeten aanroepen, zich
moeten bezinnen op wat hun lichaam vraagt. Zij willen Mij alleen maar in bezit nemen. Als
iemand die uit een diepe slaap ontwaakt, storten ze zich naar eigen goeddunken, in een
plotselinge, misleidende opwelling op de weg van de heiligheid. 

Zij willen gemak: God moet hun dienaar zijn, en al hun wensen vervullen. Aan dergelijke
aanmatiging verleen Ik geen genade. Ik wil niet zaaien in de lege akker van een mens die zo
zelfingenomen zoekt zich met Mij te verenigen, als een vreemdeling die Mij niet kent. 
Mens, waarom heb je de akker van je ziel niet geïnspecteerd, en het onkruid, de doornen
en de distels uitgerukt?

Je had Mij moeten aanroepen, en jezelf moeten onderzoeken, voordat je zonder zelfkennis,
als een beschonkene en waanzinnige tot Mij kwam, want zonder mijn hulp ben je niet in staat
een lichtend werk te volbrengen. Wanneer je Mij zo onbezonnen, als in de slaap, hebt gezocht,
zul je door verveling worden aangegrepen. 

.

 

 

WAT DE GEESTELIJKE WEG KAN GEVEN:

.

Waartoe ben je met Mij in staat? De stralendste werken, die feller stralen dan de glans van
de zon en zoeter zijn dan honing en melk voor wie ernaar verlangt. Wees volhardend in je zoeken naar Mij en ik zal je helpen. Ik zal rozen en lelies en andere welriekende kruiden der deugd in je akker zaaien. En ik zal hem voortdurend bevochtigen door de inspiratie van de Heilige Geest.

Ik wil Mij met jou verenigen en jouw pijn delen. Jouw schepper heeft je de beste schat
gegeven, een levende schat: je verstand. Vervuld van de troost van de Heilige Geest zul je in wijsheid onderscheiden wat goed is, en nog grotere werken volbrengen. Met een fel brandende liefde zul je je Vader verheerlijken, die je dit alles in zijn goedheid heeft gegeven.’

 

 

.

VOORBEELD OVER DE ‘(ON)DEUGDEN’: ONGEHOORZAAMHEID – GEHOORZAAMHEID

.

Ook in de tijd van Hildegard was er kennelijk sprake van aanvechting van het geloof en onzekerheid, zoals blijkt uit de volgende dialoog in haar boek ‘Liber Vitae Meritorum’:

.
De Ongehoorzame (‘Inobedientia’) zegt daarin:

.
“Wij zijn de rechtmatige filosofen en wij zijn wijzer dan alle anderen. Zo veel meesters hebben  ons voorschriften opgelegd naar hun eigen goeddunken; moeten wij handelen naar hun wil? Wat een onzin. Wat ik mijzelf voorschrijf, daarvan weet ik precies wat ik eraan heb en welk nut het heeft. Ik moet datgene doen wat ik kan zien en bevatten en waarvan ik het nut inzie’.

 

.
Ook het Ongeloof (‘Infidelitas’) spreekt zich op een dergelijke wijze uit:

.
‘Ik ken geen ander leven dan dit hier wat ik kan zien, voelen en begrijpen.  Hoe ik verder ook zoek en speur, en wat ik ook te zien, te horen en te weten kom, ik vind geen andere werkelijkheid. Alleen dat wat ik zie, dat weet ik’.

.
Het valt niet mee een dergelijke opvatting te weerleggen, men kan hoogstens proberen de
eenzijdigheid van deze zienswijze aan te tonen.

 

.

Zo zegt de Gehoorzaamheid (‘Obedientia’) :

‘Ik weerklink als een citer op het bevel van zijn Woord.  Ik streef niets na dan wat van God komt, daar ik van Hem uitging. Uit Hem ben ik gegroeid en ik wil geen andere God’.

Ook het Geloof ( ‘Fides’) probeert niet de ongelovige van zijn opvatting af te brengen; zij
verweert zich alleen tegen het gerationaliseer, en bekent dat zij ‘een spiegel van God’ zou
willen zijn.

 

.

 

afbeelding-6

Oproep tot geloof

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

.

DE JUISTE MAAT

.

Hildegard is zeer sceptisch over de uitwassen van ascese, waarbij mensen door een verkeerd
opgevatte vroomheid hun lichaam tiranniseren:

‘De mateloosheid van deze houding leidt hem (de mens) vervolgens tot het onverdraaglijke, en voert de onthouding in hem op tot in het overdrevene, zodat hij zich dan in zijn mateloosheid ook geoorloofde dingen onthoudt en tenslotte ook een afkeer van andere deugden krijgt.

In de waan dat hij terugkeert tot de gerechtigheid en dat hij overloopt van nauwgezetheid, zet hij voor zichzelf de valstrik van de vermoeidheid, omdat hij met een dergelijke buitensporige onthouding de breekbaarheid van de moed en de achtzaamheid negeert. Tenslotte twijfelt hij eraan of hij zich noch wel staande kan houden, en loopt zo in de valkuil van de vertwijfeling’.

 

.

 

LOFZANG OP HET JUISTE EVENWICHT

.

‘O hoe heerlijk is de Godheid, die, terwijl Zij schept en werkt door haar schepselen, zelf haar werkelijkheid openbaart! Als de mens zijn vlees met mate voedt, is ook zijn gedrag vrolijk en aangenaam. Wanneer hij er echter op los leeft in schranspartijen en drankgelagen, dan legt hij de kiem voor elke schandelijke ondeugd.

Maar wie zijn lichaam door dwaze onthouding schaadt, loopt altijd met een nors gezicht
rond. Hoe zou de liefde in jou kunnen wonen wanneer jij niets wilt weten van medelijden met de
ziekten van andere mensen? Houd je tempel zorgvuldig op orde, zodat de groene levenskracht, waarmee jij God in liefde omgeeft, geen schade lijdt, want God heeft jouw ziel intens lief.’

.

.

 

GOD IS OOK IN JE DAGELIJKSE BESLOMMERINGEN

.

Aan bisschop Eberhard van Salzburg, die bij haar om raad vraagt, omdat oververmoeid
raakt doordat er van alle kanten aan hem werd getrokken schrijft zij:

 

‘De lichte kanten van datgene wat u wilt, beschouwt u als een huisgenoot, maar de
schaduwzijde van de moeite van de wereld als een vreemdeling. Gij laat niet toe dat zij
samenkomen en daardoor is uw geest vaak vermoeid.

Want ge ziet uw zoeken naar God en uw inspanningen voor het volk niet als een eenheid. En toch kunnen beide, zowel het hemelse als uw inzet voor het volk, gezien worden als één
deugd. Zo hing ook Christus het hemelse aan en was hij tegelijkertijd begaan met het volk’.

 

 

.

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

.

 

voorpagina openbaring a4

 

.

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

.

 

JOHN ASTRIA

 

 

Boodschap 366 van ” Boodschappen uit de kosmos ”

Standaard

categorie : Boodschappen uit de kosmos 

 

 

 

 

afbeelding 15

Pasteltekening van John Astria

 

 

JEZUS CHRISTUS IS ALMACHTIG

EN WEET ALLES OVER HET VERLEDEN,

HEDEN EN TOEKOMST

VAN EEN ZIEL

 

 

 

SATAN IS MACHTIG

EN WEET ALLEEN HET VERLEDEN,

HEDEN EN TOEKOMST

VAN ZIJN EIGEN ZIEL

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

 

De zondvloed: een wereldgroot probleem voor revisionisten

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 De grootste catastrofe (op de zondeval na) die onze planeet ooit getroffen heeft, is ongetwijfeld de zondvloed, die in Genesis 6 – 9 uitvoerig wordt besproken. Deze wereldwijde overstroming, die ruim een jaar duurde, vernietigde alle mensen en door hun neus ademende landdieren (Genesis 7:22) die niet in de ark waren.

 

 

 

noah-s-ark.preview

 

 

 

Zo’n waterramp moet gepaard zijn gegaan met buitengewoon veel watererosie van het landoppervlak, en het afgeschaafde materiaal (sediment) moet elders weer afgezet zijn in dikke lagen (aardlagen). In deze aardlagen verwachten we de fossiele overblijfselen te vinden van vele planten en dieren die tijdens de vloed door het sediment bedolven zijn.

En dat is natuurlijk exact wat we waarnemen: op grote delen van alle continenten treffen we inderdaad aardlagen met fossielen aan. Sterker nog, in deze aardlagen vinden we vele aanwijzingen dat deze snel en op catastrofale wijze gevormd moeten zijn, bijvoorbeeld:

  1. Fossielen duiden op snelle sedimentatie: als dode organismen niet snel van de buitenlucht afgesloten worden, vergaan ze. Vele fossielen zijn zelfs uitstekend bewaard gebleven.
  2. Er zijn vele fossielen die extra nadrukkelijk getuigen van razendsnelle sedimentatie, zoals van vissen die net bezig waren een andere vis op te eten, toen ze door sediment bedolven werden.
  3. Als (bijna) complete skeletten van dinosauriërs en vogels worden gevonden, laten die vaak het verschijnsel opisthotonus zien: de nek is ver naar achteren (of omhoog) getrokken. Opisthotonus kan bij warmbloedigen optreden wanneer ze sterven door verstikking. Dat is precies wat we zouden verwachten in het kader van een overstroming.
  4. Fossiele schelpdieren worden vaak in gesloten positie gevonden. Veel soorten schelpdieren openen zich automatisch wanneer ze sterven. Gesloten fossiele schelpen wijzen op een snel en catastrofaal proces, waarbij de schelpdieren levend begraven zijn.
  5. Veel aardlagen strekken zich uit over enorme oppervlakten, soms wel honderden of duizenden vierkante kilometers. Dat toont aan dat de gebeurtenis waarbij deze lagen gevormd zijn, zeer grootschalig is geweest.
  6. Gebrek aan sporen van erosie en bodemvorming tussen de verschillende aardlagen, geeft aan dat de lagen snel na elkaar afgezet zijn.
  7. Soms zijn hele pakketten aardlagen sterk geplooid / verbogen, zonder dat ze gebroken of gebarsten zijn. Het is waarschijnlijk dat de lagen nog zacht en dus vervormbaar waren toen dat gebeurde. Dat duidt op een snelle afzetting van de aardlagen en korte tijd later tektonische verschuivingen die zorgden voor horizontale samenpersing.

 

 

Dit zijn nog maar een paar van de vele geologische argumenten voor de zondvloed. Je zou zeggen: christenen hebben alle reden om uit te gaan van de historische betrouwbaarheid van het zondvloedverhaal.

Maar sinds zo’n twee eeuwen gaat de meerderheid van de geologen er vanuit dat de aardlagen gevormd zijn over lange perioden van miljoenen jaren. De meeste van deze aardlagen en fossielen zouden dan veel ouder zijn dan de aarde volgens de Bijbel is (zo’n 6000 jaar). Dit is zo’n dominante stroming geworden, dat verhalen over ‘miljoenen jaren’ ons bijna wekelijks bereiken via de media, het onderwijs en musea.

 

 

 

 

 

 

 

Revisionistische interpretaties van Genesis

 

Gezien de monopoliepositie van evolutionisten in de media en het onderwijs, en aangezien bijna niemand goed op de hoogte is van de argumenten voor een wereldwijde zondvloed en een jonge aarde, is het niet verwonderlijk dat velen denken dat de wetenschap heeft aangetoond dat de aarde miljoenen jaren oud is. En het is dan ook niet onbegrijpelijk dat veel christenen het historische verslag in Genesis proberen te herinterpreteren om deze in overeenstemming te brengen met de heersende opinie onder wetenschappers.

Er zijn verschillende van deze herinterpretaties van Genesis in omloop (omdat het revisies van de oorspronkelijke interpretatie zijn, zal ik deze herinterpretaties hier revisionistische modellen noemen, en de aanhangers ervan revisionisten). Sommigen zeggen dat er tussen de eerste twee verzen van Genesis 1 een groot tijdsgat zit, waarin van alles gebeurd is. Anderen denken dat de scheppingsdagen in feite lange perioden waren, in plaats van dagen van 24 uur.

 

Weer anderen stellen dat Genesis 1 helemaal niet als historisch verslag moet worden gelezen, en dat er uit de Bijbel dus helemaal niet afgeleid kan worden hoe en wanneer de wereld en de mensheid zijn ontstaan. Binnen deze laatste categorie vallen theïstisch evolutionisten, zoals Cees Dekker, René Fransen en Francis Collins.

 

Maar wat bijna alle revisionistische modellen gemeen hebben, is dat ze stellen dat de aardlagen (met fossielen van bijvoorbeeld trilobieten en dinosauriërs erin) inderdaad miljoenen jaren oud zijn. Eén van de vele problemen die deze revisionistische interpretaties creëren, is dat er geen ruimte meer is voor Noachs zondvloed. Revisionisten accepteren het algemene verhaal over de geschiedenis van de aarde dat geologen ons vertellen, en binnen dat verhaal is er geen plaats voor een zondvloed. Geen enkel aardlaagje wordt toegeschreven aan een wereldwijde zondvloed.

Dus hoe gaan revisionisten met deze situatie om? Er zijn grofweg drie stromingen.

 

 

 

Revisionistisch model 1: de wereldwijde zondvloed heeft amper sporen achtergelaten

 

Volgens dit model was de zondvloed zó kalm, dat het amper heeft geleid heeft tot enige erosie en sedimentatie. Om een aantal redenen is dit model totaal onhoudbaar:

  • Het is simpelweg onmogelijk dat een wereldwijde overstroming weinig tot geen geologisch werk verricht. Zelfs de tsunami die in december 2004 de kustgebieden van de Indische oceaan teisterde heeft enkele aardlagen neergelegd, die door geologen onderzocht worden. En dat vloedgolfje was niks vergeleken met een wereldwijde overstroming. Dit kan niet genoeg benadrukt worden: een wereldwijde vloed (die ook nog eens een jaar duurde) moet gigantische hoeveelheden geologisch werk verricht hebben.
  • De Bijbelse omschrijving past niet bij een ‘kalme’ vloed. Er staat dat ‘alle fonteinen des groten afgronds’ openbraken.
  • Aldus revisionisten zijn bergketens uiterst langzaam omhoog gedrukt, doordat tektonische platen tegen elkaar aanduwen. De Himalaya zou dus al hebben bestaan voordat de zondvloed plaatsvond. Waar kwam al het water vandaan om de Himalaya blank te zetten? Bijbelgetrouwe creationisten hebben dit probleem niet, omdat ze niet geloven dat bergketens reeds miljoenen jaren oud zijn. Bergketens zijn ontstaan doordat aardschollen tijdens de zondvloed op catastrofale wijze tegen elkaar aan botsten.
  • Volgens de gangbare theorieën leven kangoeroes al miljoenen jaren in Australië, lemuren al miljoenen jaren in Madagaskar, reuzenmiereneters al miljoenen jaren in Zuid Amerika, et cetera, zonder dat ze enkele duizenden jaren geleden zijn uitgestorven door een wereldwijde zondvloed. De ‘kalme zondvloed’-hypothese is dus niet in overeenstemming met de gangbare theorieën die haar aanhangers zo graag willen accepteren.

Goed, de meeste revisionisten zien ook wel in dat de ‘kalme zondvloed’-hypothese onwerkbaar is, dus laten we naar het volgende model gaan.

 

 

 

 

Revisionistisch model 2: de vloed was slechts plaatselijk, en niet alle mensen kwamen om

 

Volgens sommigen was de zondvloed slechts een regionale gebeurtenis, waarbij dan ook niet alle mensen omkwamen. De problemen met dit model zijn legio:

  • Dit gaat gewoon rechtstreeks tegen het Bijbelse verslag in. Ik ga niet eens specifieke teksten aanhalen om dit te onderbouwen; iedereen kan het zelf nalezen in Genesis 6 tot 9, en ik raad de lezer dan ook graag aan dit te doen.
  • In Genesis 9:11 belooft God nooit meer een zondvloed te sturen. Maar als de zondvloed slechts lokaal was, heeft God zijn belofte heel vaak verbroken! Er zijn immers regelmatig plaatselijke overstromingen, waarbij mensen en dieren omkomen. Dit model maakt van God een leugenaar.
  • In Genesis 10 worden de afstammelingen van Noachs zonen Jafet, Cham en Sem opgesomd, en deze opsomming wordt besloten met (vers 32): ‘En van dezen verdeelden zich de volken op de aarde na de vloed.’ De NBV 2004 zegt het voor de moderne lezer nog iets duidelijker: ‘Van hen stammen de verschillende volken af die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.’ Met andere woorden, alle volken stammen af van Noach, en niet van mensen die de zondvloed elders overleefd hebben.
  • Dat alleen Noach en zijn familie overleefden wordt ondersteund door 2 Petrus 2:5 en 1 Petrus 3:20.
  • Dat alle volken afstammen van Noach en zijn familie wordt ondersteund door de wereldwijde verspreiding van zondvloedlegenden.

Er valt nog veel meer tegen dit model in te brengen. Sommige van de argumenten die tegen het volgende revisionistische model ingebracht zullen worden, zijn ook op dit model van toepassing.

 

 

 

 

Revisionistisch model 3: de vloed was slechts plaatselijk, maar alle mensen kwamen om

 

Van de verschillende ideeën die revisionisten hebben over de zondvloed, is dit het meest verfijnde. Maar zoals we zullen zien kleven er ook aan dit model onoverkomelijke bezwaren.

Dit model behelst dat de mensheid zich ten tijde van de zondvloed nog maar over een beperkt deel van de wereld verspreid had, wellicht ergens in het Midden Oosten. Dus kon de hele mensheid uitgeroeid worden met slechts een plaatselijke overstroming. We zullen nu eerst kijken op welke manier revisionisten het zondvloedverhaal proberen te herinterpreteren om er een lokale overstroming uit af te leiden. Daarna zullen we een aantal problemen met deze interpretatie behandelen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Wie het zondvloedverslag leest, valt het op dat er herhaaldelijk in universele termen gesproken wordt:

 

 

full29015186zondvloed

 

 

 

Genesis 6
7  En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.
11 De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij.
12  En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven.
13 Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen.
17  Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen.
20  Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal een paar tot u komen om het in het leven te behouden.

 

Genesis 7
4  Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat, hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.
11 In Noachs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend.
15  zij kwamen dan tot Noach in de ark twee aan twee, van al wat leeft, waarin een levensgeest is.
18  Toen de wateren zeer toenamen en sterk wiesen boven de aarde, dreef de ark op de wateren.
19  En de wateren namen geweldig sterk toe over de aarde, en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt.
20  Vijftien el daarboven stegen de wateren, en de bergen werden overdekt.
21 En al wat leeft, dat zich op de aarde roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte en alle wemelend gedierte, dat op de aarde wemelt, benevens alle mensen, kwamen om.
22  Alles, in welks neus de adem van de levensgeest was, alles wat op het droge was, stierf.
23  Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden van de aarde; Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was.

 

Twee Hebreeuwse woorden die ons in deze passages het gevoel van universaliteit overbrengen zijn erets (vertaald met ‘aarde’) en kol (meestal vertaald met ‘al’ of ‘alles’). Revisionisten stellen dat de woorden erets en kol ook een beperktere betekenis kunnen hebben. En daarin hebben ze natuurlijk gelijk. Om een voorbeeld te noemen, in Genesis 3:20 wordt Eva ‘de moeder van alle [kol] levenden’ genoemd. Iedereen begrijpt dat ‘alle levenden’ hier alleen betrekking heeft op mensen, niet op andere organismen. Het woordje kol heeft hier dus een ingeperkte betekenis. En wat te denken van de volgende tekst?

Genesis 41:57
En de gehele [kol] wereld [erets] kwam naar Egypte om bij Jozef koren te kopen, want de honger was sterk op de gehele aarde.

Het moge duidelijk zijn dat de Amerikaanse Indianen en Australische Aboriginals niet naar Egypte gingen om graan te kopen. Kol erets heeft hier dus een beperktere betekenis. En zo zijn er nog wel meer voorbeelden aan te dragen.

Erets kan zowel ‘aarde’ betekenen als ‘land’ (bijvoorbeeld het land waar een volk leeft). Dat een woord meerdere betekenissen kan dragen, wil natuurlijk niet zeggen dat we naar eigen voorkeur een betekenis kunnen kiezen. De betekenis moet uit de context worden afgeleid.

Revisionisten redeneren dat de mensheid hier een centrale rol speelt, en dat de geografische verspreiding van de mensheid dus de limiterende specificatie is voor de term erets. Met andere woorden, als de mensheid zich nog maar over een beperkt deel van de wereld verspreid had, bijvoorbeeld alleen over Mesopotamië, dan kan het zo zijn dat erets alleen dát gebied aanduidt, niet de hele wereld. En dan zal iedere verwijzing naar ‘al wat leeft’ in de bovenstaande passages slechts al het leven in dit beperkte deel van de wereld op het oog hebben.

Nogmaals: revisionisten stellen dat de reikwijdte van erets wordt bepaald door de geografische verspreiding van de mensheid, en dat erets op zijn beurt de reikwijdte van kol aangeeft. Met ‘al [kol] wat leeft’ wordt dus alleen al het leven binnen de regio [erets] bedoeld.

Revisionisten stellen dus dat de vertalers van alle Bijbelvertalingen het woordje erets onjuist vertaald hebben in ‘aarde’, en dat het eigenlijk ‘land’ of ‘regio’ moet zijn. Ik zal nu eerst betogen dat de Bijbelvertalers zich niet vergist hebben. Daarna zal ik ingaan op andere problemen met dit revisionistische model.

 

 

 

 

 

 

 

1. De context geeft aan dat erets de hele aarde aanduidt

 

Als we de context van het zondvloedverhaal in ogenschouw nemen, wordt duidelijk dat erets in dit geval gewoon ‘aarde’ betekent. Het zondvloedverhaal bevindt zich namelijk in de bredere context van de schepping van de wereld vóór de vloed, en de rekolonisatie van diezelfde wereld ná de vloed.

Aan het begin van het zondvloedverslag wordt ons de reden voor de catastrofe medegedeeld:

Genesis 6
5  Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6  berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7  En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.

In deze passage wordt drie keer duidelijk een link gelegd met de schepping. ‘Dat Hij de mens op de aarde [erets] gemaakt had’ is overduidelijk een verwijzing naar Genesis 1, en we kunnen er redelijkerwijs niet aan twijfelen dat erets hier gewoon aarde betekent. In Genesis 1 komt het woord erets 16 maal voor, en daar duidt het de hele aarde aan (vanaf 1:10 al het droge land), niet slechts een gedeelte ervan. Het is dus zeer waarschijnlijk dat erets in Genesis 6 dezelfde betekenis draagt.

De bedoeling van de zondvloed was om de levende wezens die God gemaakt had uit te roeien. In dit verband worden ook de landdieren en vogels genoemd, waarvan niemand betwijfelt dat die een wereldwijde verspreiding hadden.

Verderop in het verhaal komen we opnieuw een verwijzing naar de schepping tegen:

Genesis 7:4 (NBG ’51)
Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat, hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.

Genesis 7:4 (NBV 2004)
Want over zeven dagen zal ik het veertig dagen en veertig nachten op de aarde laten regenen; dan zal ik alles wat er bestaat van de aardbodem wegvagen, alles wat ik heb gemaakt.

In dit vers komt heel duidelijk naar voren dat erets niet de limiterende specificatie is die ‘alles wat bestaat’ inperkt. De frase ‘wat Ik heb gemaakt’ specificeert waar het woordje ‘alles’ over gaat. Dus op de vraag ‘wat heeft God weggevaagd?’ luidt het antwoord ‘alles wat God heeft gemaakt’.

Ook na de vloed zijn er sterke parallellen met het scheppingsverhaal. In deze tabel worden een aantal verzen uit Genesis 1 en Genesis 9 naast elkaar gezet.

Na de schepping  Na de zondvloed
Gen 1:28 – En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde [erets] en onderwerpt haar … Gen 9:1 – En God zegende Noach en zijn zonen en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde [erets].
Gen 1:28 – … heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. Gen 9:2 – En de vrees en de schrik voor u zij over al het gedierte der aarde en over al het gevogelte des hemels, al wat zich op de aardbodem roert en alle vissen der zee; in uw hand zijn zij gegeven.
Gen 1:29 – En God zeide: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. Gen 9:3 – Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven evenals het groene kruid.

Deze duidelijke parallellen tussen de schepping en de rekolonisatie na de zondvloed onderstrepen eens te meer de bredere context waarin het zondvloedverhaal gelezen moet worden. Na de schepping kreeg de mensheid de opdracht de erets te vullen (Gen 1:28), en na de zondvloed kreeg de mensheid wederom de opdracht de erets te vullen (Gen 9:1). Het is duidelijk dat de betekenis van erets in beide gevallen dezelfde moet zijn: aarde.

Nog een stukje context dat aangeeft dat de zondvloed wereldwijd was, en erets de hele aarde aanduidt, is het verbond dat God met alle opvarenden van de Ark sluit:

Genesis 9
8 En God zeide tot Noach en tot zijn zonen met hem: 9 Zie, Ik richt mijn verbond op met u en met uw nageslacht, 10 en met alle levende wezens die bij u zijn: het gevogelte, het vee en het wild gedierte der aarde bij u, allen, die uit de ark gegaan zijn, alle gedierte der aarde. 11 Ik dan richt mijn verbond met u op, dat voortaan niets dat leeft, meer door de wateren van de zondvloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen zondvloed meer wezen zal, om de aarde te verderven. 12 En God zeide: Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en u en alle levende wezens, die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: 13 mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen Mij en de aarde. 14 Wanneer Ik dan wolken over de aarde breng en de boog in de wolken verschijnt, 15 zal Ik mijn verbond gedenken, dat tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees bestaat, zodat de wateren niet weer tot een vloed zullen worden om al wat leeft te verderven. 16 Als de boog in de wolken is, dan zal Ik hem zien, zodat Ik mijn eeuwig verbond gedenk tussen God en alle levende wezens van alle vlees, dat op aarde is. 17 En God zeide tot Noach: Dit is het teken van het verbond, dat Ik heb opgericht tussen Mij en al wat op de aarde leeft.

God sluit dit verbond met alle mensen en dieren die uit de Ark kwamen (vers 10), en dat is ‘al wat op aarde leeft’ (verzen 10 en 17). Moeten we geloven dat God dit verbond alleen maar sloot met de paar dieren die uit de Ark kwamen, maar niet met de miljarden andere dieren in andere delen van de wereld, die nooit iets van het plaatselijke overstrominkje gemerkt hebben? Natuurlijk niet. God sloot dit verbond inderdaad met alle levende wezens die op dat moment bestonden, en die kwamen allemaal uit de Ark, want de vloed was wereldwijd.

We kunnen dus concluderen dat de contextuele gegevens erop wijzen dat erets in de Bijbelvertalingen terecht vertaald is met ‘aarde’. Genesis vertelt ons dus inderdaad dat de zondvloed wereldwijd was. Daarnaast zijn er nog andere problemen met het idee dat de zondvloed slechts plaatselijk was, maar wel alle mensen omkwamen. Deze problemen zullen we nu bespreken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2. ‘Alle hoge bergen onder de ganse hemel…’

 

Laten we eens even stilstaan bij één specifieke passage:

Genesis 7
19 En de wateren namen geweldig sterk toe over de aarde, en alle [kol] hoge bergen onder de ganse [kol] hemel werden overdekt. 20  Vijftien el daarboven stegen de wateren, en de bergen werden overdekt.

Dit vers alleen is al genoeg om een einde te maken aan alle pretenties van revisionisten om de zondvloed terug te schalen tot een lokaal overstrominkje. Hoewel het woordje kol een beperktere betekenis kán hebben, gaat die vlieger in dit geval niet op. Ten eerste wordt kol hier dubbel gebruikt binnen hetzelfde zinsdeel. Zoals in zoveel talen, betekent herhaling in het Hebreeuws dat er extra nadruk op gelegd wordt. Wat hier staat komt eigenlijk neer op: ‘alle, maar dan ook echt alle bergen…’

Ten tweede is het niet het woordje erets dat specificeert over welke hoge bergen hier gesproken wordt. Het is de frase ‘onder de ganse hemel’ die aangeeft over welke bergen gesproken wordt. Revisionisten kunnen dus onmogelijk beweren dat het hier alleen gaat over de bergen in het gebied waar de mensheid woonde. Vraag: “Welke hoge bergen stonden onder water?” Antwoord: “De hoge bergen onder de ganse hemel.”

Conclusie: ‘alle bergen onder de ganse hemel’ zijn echt alle bergen ter wereld.

Zelfs als we hier de woorden ‘alle’ en ‘onder de ganse hemel’ negeren, en er even van uitgaan dat het alleen de bergen in het Midden Oosten betreft, zitten revisionisten alsnog met een onoplosbaar probleem. De berg Ararat is 5137 meter hoog, en als deze berg ten tijde van de zondvloed al zo hoog was (hetgeen revisionisten geloven, i.t.t. creationisten), moet het water dus ook minstens zo hoog gestaan hebben.

Zelfs als we Ararat negeren, zijn er in het Midden Oosten nog een groot aantal andere bergpieken die behoorlijk hoog zijn. De Hermonberg, op de grens van Israël, Syrië en Libanon, is 2814 meter hoog. De welbekende berg Sinaï is 2285 meter hoog. Als de Sinaïberg ooit onder water heeft gestaan, moeten we alsnog te maken hebben met een gigantische overstroming, die de grootste delen van Eurazië en Afrika moet hebben aangetast. Water blijft immers niet op één locatie staan, maar stroomt alle kanten op, totdat overal ongeveer hetzelfde waterpeil bereikt is.

 

Water blijft niet op één locatie staan, maar spreidt zich uit, totdat overal waar het naartoe kan stromen ongeveer hetzelfde waterpeil bereikt is. Water kan onmogelijk een lokale berg bedekken, zonder tevens alle lagere delen van het continent te overstromen.

Dus ook een lokaal waterrampje in het Midden Oosten moet op continentale schaal verwoestingen hebben aangericht, en zal zéker veel geologisch werk hebben verzet. Om dit probleem te omzeilen, moeten revisionisten voor de locatie van hun plaatselijke zondvloedje dus op zoek gaan naar een wel zéér beperkt gebiedje, waar de ‘alle hoge bergen onder de ganse hemel’ slechts kleine heuveltjes zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Een lokale zondvloed: hoe, wat en waar?

 

Dit brengt ons bij het volgende punt. Als de zondvloed slechts lokaal was, waar heeft deze dan plaatsgehad? En moeten er geen sporen van te vinden zijn?

Uiteraard zijn er in de loop der geschiedenis vele duizenden lokale overstromingen geweest, met allerlei oorzaken (hevige regenval, buiten hun oevers tredende rivieren, tsunami’s, damdoorbraken, smeltijs, veranderingen in zeeniveau, orkanen, et cetera). En vele van die plaatselijke overstromingen hebben sporen nagelaten.

Het ligt dus in de lijn der verwachting dat geologen en archeologen die in het Midden Oosten op zoek zijn naar ‘de zondvloed’ (die in hun ogen slechts een lokale aangelegenheid was), zo nu en dan een modderlaagje vinden waarvan ze denken dat het een overblijfsel van Noachs zondvloed is (terwijl het in feite afkomstig is van een klein overstrominkje dat ná de zondvloed heeft plaatsgevonden).

En inderdaad hebben (christelijke) archeologen die in een oude aarde geloven inmiddels al een hele reeks kandidaat-locaties naar voren geschoven, zoals de Mesopotamische Vallei, een vlakte in oost Turkije, het stroomgebied van de Kaspische Zee en de oostelijke Jordaanoever. Maar bij nader onderzoek blijkt keer op keer dat de zondvloed onmogelijk in het voorgestelde gebied plaatsgevonden kan hebben. Een bekend voorbeeld is een drie meter dikke kleilaag die in 1929 door Leonard Wooley werd gevonden tijdens opgravingen in Ur der Chaldeeën.

Later werd bij Kis, enkele honderden kilometers verderop, een zelfde soort kleilaag gevonden. Wooley, en velen met hem, trokken de conclusie dat ze de zondvloed gevonden hadden. Dit werd breed uitgemeten in de pers, en werd ook vermeld in Werner Kellers beroemde boek De Bijbel heeft toch gelijk (1955). In de geheel herziene vierde druk van dit boek (1978) moest dit echter weer herroepen worden. Om verschillende redenen konden de kleilagen onmogelijk van de zondvloed afkomstig zijn.

Zo bleek Ur zowel vóór als na de overstroming een bewoonde plaats te zijn geweest. Als de overstroming de zondvloed was, zou het wel heel toevallig zijn als Noachs nakomelingen, eeuwen later, op precies dezelfde plaats wederom een stad zouden bouwen. En ook al zou zoiets gebeuren, zouden we op z’n minst een onderbreking in de bewoning van Ur verwachten, en zelfs dat werd niet gevonden. Verder bleken de kleilagen van Ur en Kis in heel verschillende tijden te zijn afgezet, en dus niet het gevolg te zijn geweest van dezelfde overstroming.

Een ander voorbeeld is de theorie van William Ryan en Walter Pitman (al zijn dat seculiere geologen, geen christelijke revisionisten). Zij stelden in 1997 voor dat de Zwarte Zee duizenden jaren geleden aanzienlijk kleiner was dan tegenwoordig, totdat deze op catastrofale wijze volliep met water vanuit de Middellandse Zee, waarbij de Bosporus uitgesleten werd. Grote stukken land die eerst droog waren, vormen nu de bodem van de Zwarte Zee.

Op de zeebodem van de Zwarte Zee werden bovendien sporen van bewoning gevonden. Deze overstroming zou de basis zijn geweest voor het zondvloedverhaal. Maar ofschoon het heel goed mogelijk is dat de Bosporus op deze manier is ontstaan, kan deze overstroming onmogelijk de vloed geweest zijn waar Genesis over spreekt, zelfs als je de zondvloed onterecht interpreteert als een plaatselijke waterramp. Om maar iets te noemen: Genesis zegt dat het water aan het eind van de vloed weer wegstroomde. De Zwarte Zee is nog steeds een zee.

Het idee van een plaatselijke zondvloed heeft onderzoekers meer dan eens op een dwaalspoor gebracht. En nog altijd kunnen revisionisten niet de locatie van hun vermeende plaatselijke zondvloed aanwijzen. Het is enigszins ironisch dat revisionisten op zoek zijn naar dunne modderlaagjes van een plaatselijk zondvloedje, terwijl zich in het Midden Oosten honderden meters sedimentgesteente bevinden die door de echte (wereldwijde) zondvloed zijn afgezet.

Welbeschouwd is het sowieso moeilijk om je een plaatselijke zondvloed voor te stellen die in overeenstemming is met zowel het ‘miljoenen jaren’-paradigma als het zondvloedverslag in Genesis. Enerzijds mag de vloed niet te groot geweest zijn, want als er ook maar één bergje van bijvoorbeeld 1500 meter hoogte binnen dit gebied lag, moet het water ook zo hoog gestaan hebben. En als het water zo hoog gestaan heeft, moeten grote delen van Azië blank gestaan hebben. En dat is een onacceptabele conclusie voor revisionisten, die immers kritiekloos de standaard geologische modellen accepteren (en binnen die modellen is beslist geen plaats voor zo’n grote en zo’n recente catastrofe).

Anderzijds mag de overstroming niet te klein geweest zijn, om recht te doen aan de Bijbelse tekst (maar zoals we hierboven gezien hebben, doet eigenlijk geen enkele lokale vloed recht aan de tekst):

  • Het gebied moet zó groot geweest zijn, dat alle mensen zich erbinnen bevonden.
  • Het moet voor Noach nodig geweest een 150 meter lange Ark te bouwen. Als de vloed slechts regionaal was, had God hem (en de dieren) net zo goed de opdracht kunnen geven uit het gebied weg te trekken, net zoals Lot weg moest trekken uit Sodom. Alleen bij een wereldwijde zondvloed zou een Ark noodzakelijk zijn.
  • De vloed moet een jaar geduurd hebben (zeer ongebruikelijk voor waterrampen).

 

Overigens maakt de Bijbel heel duidelijk dat alle dieren omkwamen. Als de overstroming slechts lokaal was, kunnen veel dieren die op de grens van het ondergelopen gebied leefden de vloed overleefd hebben, door simpelweg een wandelingetje te maken richting het iets hoger gelegen gebied dat droog bleef.

 

 

 

 

.

.

.

4. Wanneer was de zondvloed?

 

Door de Bijbelse geslachtsregisters en chronologieën te combineren met archeologische dateringen van de ballingschap, valt te berekenen dat de zondvloed ongeveer 4500 jaar geleden plaatsvond. Dit plaatst revisionisten voor een dilemma: accepteren ze deze datering van de zondvloed, of niet? Beide opties zijn problematisch.

Revisionistisch model 3A: de vloed was slechts plaatselijk, maar alle mensen kwamen om. De vloed vond enkele duizenden jaren geleden plaats.

Wat was ook al weer de reden dat revisionisten Genesis moeten herinterpreteren? Oh ja! Ze accepteren kritiekloos de miljoenen jaren die aan de aardlagen en fossielen worden toegedicht. Ze twijfelen niet aan de dateringtechnieken waarmee die hoge leeftijden vastgesteld zijn. Het probleem is dat, volgens de dateringsmethoden die revisionisten accepteren, de mensheid zich lang vóór de zondvloed al over de wereld verspreid had. Zo zouden de Aboriginals 40.000 jaar geleden Australië al hebben bewoond (en dit is slechts één van de voorbeelden). Als dat zo is, kunnen de Aboriginals niet van Noach afstammen.

Revisionistisch model 3B: de vloed was slechts plaatselijk, maar alle mensen kwamen om. De vloed vond meer dan 40.000 jaar geleden plaats.

Om dat probleem te omzeilen, kiezen veel revisionisten ervoor de zondvloed te herdateren op meer dan 40.000 jaar geleden, zodat het nog steeds mogelijk is dat alle mensen van Noach afstammen. Maar om de zondvloed zo ver naar het verleden te schuiven, is het noodzakelijk om de geslachtsregisters in Genesis 11 extreem op de rekken. Genesis 11 vermeldt acht namen tussen Sem en Abraham. Revisionisten veronderstellen dat niet alle generaties zijn vermeld, maar dat er namen weggelaten zijn. En niet zomaar één of twee namen. Nee, vele honderden!

Het is echter niet waarschijnlijk dat het geslachtsregister in Genesis 11 gaten bevat, zoals in een toekomstig artikel uiteengezet zal worden. Het belangrijkste punt om nu te onthouden is dat revisionisten de Bijbelse tekst opnieuw naar hun eigen voorkeuren moeten herinterpreteren, om het in overeenstemming te brengen met de momenteel populaire theorieën.

Wat geldt voor de datering van de zondvloed, geldt ook voor de datering van de spraakverwarring. Er zijn echter goede argumenten voor een recente datering van de spraakverwarring (d.w.z. ongeveer 4000 tot 6000 jaar geleden) en tegen een datering van 40.000 jaar of langer geleden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Conclusie

 

Christenen die de Bijbel in overeenstemming proberen te brengen met het idee van miljoenen jaren, moeten niet alleen Genesis 1 herinterpreteren. Ze komen ook in conflict met Genesis 2 (de schepping van Adam en Eva), Genesis 3 (de zondeval), Genesis 6-9 (de zondvloed), Genesis 11 (de spraakverwarring) en Genesis 5 en 11 (de geslachtsregisters).

De meeste revisionisten zien in dat het geloof in miljoenen jaren niet te verenigen is met een wereldwijde zondvloed, en proberen deze daarom terug te schalen tot een regionale gebeurtenis. Aan het idee dat niet alle mensen door de zondvloed omkwamen kleven grote theologische bezwaren, en de meest verstandige revisionisten kiezen dan ook voor een model waarin de zondvloed, ofschoon lokaal, tóch alle mensen uitroeide.

Maar ook dat model kent een aantal dodelijke problemen. Ten eerste kan het Hebreeuwse woordje erets (in alle Bijbelvertalingen terecht vertaald met ‘aarde’) gezien de context niet een beperkt gebied aanduiden. Ten tweede geeft Genesis 7:19 aan dat alle hoge bergen onder de ganse hemel onder water stonden, hetgeen overduidelijk aangeeft dat het om een wereldwijde overstroming gaat.

Ten derde is een al te kleine overstroming niet in overeenstemming te brengen met de Bijbelse omschrijving (alle mensen moeten in het gebied geleefd hebben, de noodzaak van een Ark, en de duur van de vloed). Ten vierde staan revisionisten voor een dilemma wat betreft de datering van de zondvloed.

Er is geen twijfel over mogelijk: de Bijbel spreekt over een wereldwijde zondvloed, en is daardoor onverenigbaar met de momenteel populaire ideeën over de extreme ouderdom van de aardlagen. Dat er een conflict is tussen wat de meerderheid der geologen zegt en wat de Bijbel zegt, betekent niet dat de Bijbel het bij het kortste eind heeft. Er zijn overtuigende aanwijzingen dat de aardlagen helemaal niet het product zijn van langzame (miljoenen jaren durende) processen, maar dat ze juist snel gevormd zijn, tijdens een gigantische overstroming: de zondvloed.

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

 

God is de Alfa en de Omega.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Alfa en Omega

Alfa en Omega

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Alfa  en Omega  zijn de eerste en de laatste letter van het Grieks alfabet. In het laatste Bijbelboek zegt God / de Heer Jezus dat Hij de Alfa en Omega is, dat wil zeggen het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste‘ (Opb. 22:13).

Opb 1:8 Ik ben de alfa en de omega, zegt de Heer, God, Hij die is en die was en die komt, de Almachtige.
Opb 21:6 En Hij zei tot mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.
Opb 22:13 Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.

Deze korte, majestueuze, betekenisvolle naam geeft de Heer Jezus zichzelf als één met God, die in Jes. 44:6 spreekt: “Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is geen God” (verg. 41 : 4; 43: 10).

In onze Nederlandse taal zouden wij eigenlijk moeten zeggen: ik ben de A en de Z. Deze twee letters, de eerste en de laatste van het alfabet, zijn wel geschikt om het geheimenis van de eeuwige Godheid van Christus en Zijne wezenseenheid met de Vader, niet alleen Zijn eeuwigheid, maar ook Zijn scheppende almacht aan te duiden.

Dat de verheerlijkte Heiland zichzelf zo noemt, betekent dat Hij er was vóór de wereld en eer de wereldgeschiedenis begon en dat Hij er zijn zal, wanneer de wereldgeschiedenis eindigt, het vergankelijke ophoudt, en alles eeuwig en onvergankelijk zal zijn. Die naam bewijst, dat Hij niet geschapen is, maar dat Hij hetzelfde goddelijke Wezen met de Vader deelachtig is. Jahweh spreekt in het Oude Testament ook aldus: Ik, de Heere, Die de Eerste ben en met de laatste ben Ik Dezelfde” (Jes. 41 : 4). Vgl. Jes. 44 : 6; 48 : 12.

Zoals de Zoon als de Alfa de grond en het aanvangspunt van alle schepselen is, die vóór alle dingen was en in en door Wie alles bestaat (Kol. 1: 17), door wiens bemiddeling alles is geschapen (Joh. 1: 1, 3), zo is Hij als de Omega ook het einddoel van het gans heelal. Alles moet in Hem, tot Wie alles naar zijn diepste grond zich neigt, zijn rust, bevrediging en voleinding vinden. Hij is de Vorst en Koning over alle schepselen in hemel en op aarde, het hoofd, in Wie al het gescheidene herenigd en door Wie al het losgerukte tot zijn oorsprong moet teruggebracht worden, de eerstgeborene uit de doden (Kol. 1: 18) en de sluitsteen van al Gods openbaringen.

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

 

 

Zegen en vloek in de Bijbel

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Koning Balak vraagt aan Bileam om het machtige volk Israël te vervloeken. Hij gaat ervan uit dat deze vloek een negatieve uitwerking zal hebben op het volk; het lijkt de enige kans dat de Moabieten de strijd zullen winnen (Num.22). Is dit bijgeloof of heeft een vloek echt zoveel macht? De Israëlieten moeten in het beloofde land naar de bergen Ebal en Gerizim. Op elk van de bergen komen zes stammen te staan en zij moeten de zegen en de vloek uitspreken (Deut.27). Wat is de betekenis van deze ceremonie?

 

 

 

 

 

 

We kunnen deze vragen uit historische interesse stellen, maar het is ook duidelijk dat ‘zegen en vloek’ in
onze samenleving steeds actueler worden. In de christelijke gemeente wordt vaak een zegen uitgesproken, bijvoorbeeld aan het eind van een dienst of bij een huwelijkssluiting. Maar hoe komt het dat er bijna nooit een vervloeking klinkt?

Uit contacten met beoefenaars van occulte praktijken en aanhangers van andere godsdiensten blijkt dat er soms veel waarde gehecht wordt aan vervloekingen. Men gelooft in de werking van deze zwarte magie, en zelfs dat deze kan doorwerken in de generaties. En aan de andere kant is er ook de witte magie die mensen genezing en voorspoed moet brengen.

We geven aandacht aan dit onderwerp door met name stil te staan bij de eerste Bijbelboeken. Daarbij ligt de nadruk meer op ‘vervloeking’ dan op ‘zegening. Het is van belang te beseffen dat het woord ‘vloek’ in de Bijbel niet hetzelfde betekent als wat er in onze maatschappij meestal onder wordt verstaan: het oneerbiedig en profaan gebruiken van de naam van God.

Een vloek in de Bijbel betekent een vervloeking in de naam van God of andere goden, met de bedoeling dat Gods straf een bepaalde persoon zal treffen. Het lichtvaardig en ongeoorloofd gebruik van de naam van God valt onder het verbod van Ex.20:7, maar wordt met andere woorden omschreven dan ‘vloek’.

Uit de Bijbel wordt duidelijk dat het van groot belang is de zegen van God te ontvangen. Die is nodig voor vruchtbaarheid, voorspoed, bescherming, bevrijding, genezing, bewaring, kracht en om verhoogd en begunstigd te worden. Het ideaal is een gezegend leven; daarentegen is een leven zonder Gods zegen, of een leven onder Gods vervloeking het ergst denkbare (Ps.129:8; Jer.17:5-6; 20:14), want dat betekent hongersnood, ziekte en alle mogelijke tegenslagen, zodat het niet meer mogelijk is om te leven (Deut.28).

Mensen kunnen ook elkaar vervloeken, maar omdat in Israël het eigenlijke subject van de zegen en vloek
de Heer is (Num.6:27; 23:8,26), kan Hij in zijn vrijheid de zegen in een vloek (Mal.2:2) en de vloek in
een zegen veranderen (Deut.23:5 en Neh.13:2).

 

 

 

 

 

 

 

De priesterlijke zegen (Num.6)

 

Uit diverse geschiedenissen kunnen we opmaken dat allerlei personen een zegen kunnen en mogen uitspreken. Noach, de aartsvaders, Mozes, Jozua, David en Salomo. Maar in bijzondere mate zijn het de priesters, de zonen van Aäron, die een zegen mogen uitspreken en daarmee de naam van JHWH op het volk leggen (Num.6:22-27). Volgens Deut.10:8 is het één van de hoofdfuncties van de priesters om de Israëlieten te zegenen :

‘Toen zonderde de HERE de stam van de Levieten af om de ark van het verbond des Heren te dragen, voor de Here te staan om Hem te dienen, en in zijn naam te zegenen tot op deze dag.’ De macht van de zegen is direct verbonden met de bereidheid en de macht van God om de zegen te verstrekken.

In 2Kr.30:27 staat :

‘Toen stonden de Levitische priesters op en zegenden het volk, en hun stem werd gehoord; hun gebed kwam tot in zijn heilige woning, tot in de hemel.’

Hier worden zegen en gebed parallel geplaatst en daardoor tot op zekere hoogte gelijkgeschakeld. Het is een spreken vanuit een goddelijke opdracht, waarbij verwacht wordt dat de woorden effect hebben. Daarom staat er ook in het volgende vers dat deze handeling betekent ‘mijn naam op de Israëlieten leggen’ en de belofte ‘en Ik zal hen zegenen’ (vs.27). De vervulling is echter geen automatisme, maar hangt mede af van de gehoorzaamheid van de Israëlieten.

 

 

 

 

Woorden voor zegen en vloek

 

De woorden voor zegen en zegening komen maar liefst 516 keer voor in de Bijbel, terwijl de begrippen
die verband houden met vervloeken 199 keer aangetroffen worden. De laatste categorie is 180 keer aanwezig in het OT, terwijl het NT slechts aan een aantal van 19 komt. Deze getallen vormen een belangrijke aanwijzing voor de belangrijkheid van de woorden die nu onderzocht worden.

Het boek Job gebruikt ‘zegenen’ zeven maal in het raamwerk (hfst. 1, 2 en 42), waarvan vier keer in de betekenis van ‘vervloeken’. De SV vertaalt de uitspraak van de vrouw van Job heel letterlijk met ‘Zegen God en sterf’, terwijl de NV de bedoeling weergeeft met: ‘Zeg God vaarwel en sterf!’ (2:9; vgl. 1:5).

De houding van Job, in het zegenen van God, is een aanzet tot een latere ontwikkeling dat de zegen niet gelijk is aan voorspoed; zegen behoeft het lijden niet uit te sluiten.  Soms heeft de vloek de vorm van een gebed voor goddelijk ingrijpen, zoals in Jer.18:21-23. Tevensmoet er iets zijn bij het slachtoffer, waardoor de vloek geldigheid kan krijgen, want een onverdiende vervloeking werkt niet:

‘Gelijk een mus wegfladdert en een zwaluw heenvliegt, zo is een ongegronde vloek: hij treft geen doel’ (Spr.26:2). Een niet te rechtvaardigen vloek kan zelfs terugkeren op de persoon die hem heeft uitgesproken (Ps.109:17-20).

 

 

 

 

 

 

 

 Gods vervloekende uitspraken

 

Zoals reeds aangegeven, is het van belang dat de vervloeking in naam van God uitgesproken wordt. Maar het is ook mogelijk dat God zelf een negatieve, vervloekende uitspraak over iemand doet. De eerste keer dat we dit tegenkomen in de Bijbel, is de uitspraak over de slang die Adam en Eva verleid heeft. De slang krijgt te horen:

‘Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte van het veld’ (Gen.3:14). Het is opmerkelijk dat Adam en Eva wel gestraft, maar niet vervloekt worden. Ze zullen voortaan moeten zwoegen op de aarde die vervloekt wordt en doornen en distels voortbrengt (3:17; vgl. 5:29).

Het feit dat de eerste mensen niet vervloekt worden, is een teken van hoop te midden van alle donkere gebeurtenissen. In het volgende hoofdstuk staat de doodslag van Kaïn op zijn broer Abel beschreven. Als straf krijgt de moordenaar het volgende oordeel te horen:

‘Vervloekt bent u, ver van de bodem die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen’ (4:11).

Maar als Kaïn bezwaar maakt tegen de zware straf, krijgt hij goddelijke bescherming.

‘Ieder, die Kaïn doodt, zal zevenvoudig boeten’ (4:15).

Hoewel het woord hier niet gebruikt wordt, kan deze uitspraak als een voorwaardelijke vloek opgevat worden.

Wanneer later Abram geroepen wordt om naar Kanaän te gaan, krijgt hij van Godswege mee :

‘wie u vervloekt/verwenst, zal Ik vervloeken’ .

In Lev.26 en Deut.28 staan zegeningen en vervloekingen die gekoppeld zijn aan de houding van de Israëlieten tegenover het verbond. Deze uitspraken worden door Mozes in Gods naam gedaan.

 

 

 

 

 

 

 Mensen vervloeken anderen in Gods naam

 

De eerste keer dat een mens een vervloeking uitspreekt over een ander, is gedocumenteerd in de geschiedenis van Noach. Hij spreekt:

‘Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders’ (9:25).

De latere geschiedenis bevestigt de uitwerking ervan. Isaak zegent zijn beide zonen, en spreekt een vloek uit over wie Jakob zou vervloeken (Gen.27:29; vgl. 12:3). De Filistijn Goliat vervloekt David bij zijn goden (1Sam.17:43). Simi vervloekt David tijdens diens vlucht uit Jeruzalem (2Sam.16:5- 14). Beide verwensingen en vervloekingen blijken echter niet te werken ten opzichte van Gods verkoren koning. Dit is een belangrijke aanwijzing dat zegen en vloek niet magisch werken, maar afhankelijk zijn van goddelijke activiteit.

In het boek Richteren staat beschreven dat de moeder van de leviet Micha een vervloeking heeft uitgesproken over de dief van elfhonderd zilverstukken. Micha heeft die uitspraak gehoord en gaat naar zijn moeder toe om te erkennen dat hij het geld weggenomen heeft. Daarop verandert de moeder de vervloeking in een zegen:

‘Gezegend zij mijn zoon door de HERE’ en zij besluit om het geld voor de dienst van God te besteden, al doet ze dat op haar eigen manier (Ri.17:1-3).

Spr.26:2 geeft aan dat een vloek zonder grond geen schade zal doen (zie par. 3; vgl. ook Ez.13:18-23). Wanneer Israël leeft naar Gods wil, zal Hij beschermen tegen kwade machten en wie Hij zegent, zal gezegend zijn. Dus theoretisch was het mogelijk dat Bileam, een afgodendienaar in het Oude Testament, vervloekingen had uitgesproken die toch geen uitwerking hadden.

Het is onjuist een magische opvatting van vloeken te hebben, waardoor God wel ‘verplicht’ is geweest het uitspreken van deze negatieve woorden te verhinderen. God laat in de geschiedenis van Bileam zien dat Hij regeert, en kwade voornemens kan ombuigen, maar zelfs wanneer de vervloekingen geuit worden, kan Hij zijn volk behoeden. Problemen ontstaan uiteraard als Hij zijn bescherming terugtrekt, gewoonlijk vanwege zonden van de Israëlieten. Dan krijgen kwade machten meer mogelijkheden.

 

 

 

 

 Verbondszegen en -vloek in verbondsteksten

 

Er zijn veel overeenkomsten met zegen- en vloekbepalingen van oude verdragsteksten. De zegen en de vloek worden op mensen gelegd en de verwerkelijking van deze bepalingen is afhankelijk van hun gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Het is duidelijk de God van Israël die de zegen verleent of straft. Wanneer later koning Josia de profetes Chulda om raad vraagt met betrekking tot het gevonden wetboek, zegt zij:

‘Zo zegt de HERE: zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners: al de vervloekingen die geschreven staan in het boek dat men de koning van Juda heeft voorgelezen’ 

De inwoners hebben de wetten overtreden, de inzetting ontdoken en het eeuwig verbond verbroken.
Daarom verslindt een vloek de aarde en moeten haar bewoners boeten (vgl. ook Dan.9:11 en Zach.5:3).
De uitwerking van de vloek betekent hier oordeel en onheil dat mensen treft. Overigens is het na uitvoering van de straf, die zelfs tot ballingschap kan leiden, mogelijk dat het volk tot inkeer komt en dat het weer gezegend wordt. Dit gebeurt op grond van Gods trouw aan zijn verbond met de aartsvaders (Lev.26:40-45 en Deut.30:1-10). De Here zal dan zelfs de vervloekingen op hun vijanden leggen.

.

.

 

 

 

 

 

Zegen- en vloekceremonie

 

Mozes geeft opdracht dat Israël in het beloofde land naar de bergen Ebal en Gerizim moet gaan voor een
speciale ceremonie, om hun verantwoordelijkheden te benadrukken. Het volk moet een keuze maken tussen de zegen en de vloek (Deut.11:26-30). Bij de plaats Sichem moeten zes stammen op de berg Gerizim gaan staan om het volk te zegenen en zes op de berg Ebal voor de vloek (Deut.27:11-26). De inhoud ervan wordt niet genoemd, maar wel staan er twaalf vervloekingen die door de Levieten uitgesproken moeten worden.

Het gehele volk moet deze uitspraken beamen. Later leidt Jozua de Israëlieten naar de Ebal en de Gerizim, en daar wordt de ceremonie uitgevoerd (Joz.8:30-35). De twee bergen zijn voor altijd het zichtbare symbool van de twee mogelijkheden die God het volk voorhoudt. Het volk neemt door het uitspreken van ‘amen’ de inhoud van het verbond op zich en spreekt zelf uit dat een vervloeking mag komen wanneer men ongehoorzaam is.

 

 

 

 

Het Nieuwe Testament

 

Jezus spreekt in Mat.25:31-46 over het toekomstige oordeel. Dan zal Hij ‘de gezegenden’ welkom heten en ‘de vervloekten’ van zich stoten. Hun bestemming heeft te maken met de manier waarop ze zich in dit leven opgesteld hebben ten opzichte van zijn minste broeders en daarmee ten opzichte van Hem. De Heiland roept zijn volgelingen op om hun vijanden lief te hebben, te zegenen wie hen vervloeken en te bidden voor hen die smadelijk tegen hen handelen (Luc.6:27-28). De apostelen trekken die lijn door ten
opzichte van vervolgers en kwaaddoeners (Rom. 12:14; 1Pet.3:9).

Maar tegen dwaalleraren met valse leringen en praktijken of mensen onder invloed van een kwade macht (bv. Hand.13:6-12), die het Evangelie tegenwerken en verdraaien, worden wel vervloekingen uitgesproken. In 1Kor.16:22 staat het anathema:

‘Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt’.

 

 

 

 

zegening door het bloed van Christus

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

Actualiteit

 

Mensen mogen niet zomaar een zegen en vloek uitspreken. In de eerste plaats is van belang in wiens naam (met welk gezag) deze woorden gezegd worden en in de tweede plaats zijn geloof en leven van de ontvanger belangrijk. Wat de zegen betreft: in de eenheid van spreken en aanvaardend luisteren wordt de aanwezigheid van God op de levensweg beloofd. De zegen is met Gods gebod verbonden.

In de actuele discussie over inhoud en zin van zegenhandelingen is het daarom nodig een grens te trekken, omdat eis en belofte niet van elkaar te scheiden zijn. Net zo min als er ‘goedkope genade’ is, is er een ‘goedkope zegen’. Het zegenen van ongeoorloofde oorlogen, en het zegenen van ongeoorloofde relaties is daarom een innerlijke tegenstrijdigheid. Wie een zegen wil ontvangen, zal ook rekening moeten houden met de mogelijkheid van vervloeking. De werking van de zegen en vloek hebben immers alles te maken met de houding tegenover God.

De vloek heeft in de theorie en praktijk van het protestantisme bijna geen betekenis meer, maar de interesse in zegenhandelingen neemt sterk toe. Om magisch misverstand te voorkomen, is de zegen vanaf de 17e eeuw vaak als zegenwens of zegenbede opgevat. Echter, een zegenwens is geen zegen in de eigenlijke zin van het woord, want hij richt zich niet op de medemens maar op God, en wordt niet meegedeeld.

De laatste jaren komt er wel meer belangstelling voor de doorwerking van vloeken die te maken hebben met occulte praktijken. Wanneer mensen de door God gegeven grens overschrijden en zich bezighouden met verboden praktijken (Deut.18:9-14) kan dat een occulte belasting met zich meebrengen. Ook kunnen mensen in de naam van allerlei goden ( demonen ) of van satan een vervloeking over anderen uitspreken. Ook een zelfvervloeking komt voor, bijvoorbeeld in de eden die leden van de Vrijmetselarij zweren; wanneer men uit deze beweging stapt en geheimen verraadt, rusten zelfvervloekingen op hen en hun nageslacht.

In het NT staan geen teksten die de vloek direct verbinden met de opeenvolging van de geslachten, maar het is wel zo dat de zonde van Adam doorwerkt in alle volgende generaties (Rom.5) en dat Paulus bij de heidenen een proces ziet waarin de waarheid in ongerechtigheid ten onder is gehouden, waardoor daar de meest verkeerde handelingen plaatsvinden (Rom.1).

We moeten voorzichtig zijn om de veroordeling ‘tot in het derde en vierde geslacht’ (Ex.20:5; Deut.5:9) en de uitsluiting van zelfs het tiende geslacht (Deut.23:2-3) ongewijzigd over te brengen naar onze tijd, maar de zojuist genoemde gedeelten uit de brief aan de Romeinen en de pastorale praktijk maken wel duidelijk dat er een langdurige doorwerking in de generaties kan plaatsvinden.

Bestudering van de gehele Bijbel leert ons, dat in Genesis (voor de tijd van het verbond aan de Sinaï) en ook in het NT, God zijn normen stelt die zegen met zich meebrengen, maar dat ongehoorzaamheid straf en vervloeking opleveren.

De kern van de zaak is in de gehele Schrift terug te vinden, maar het is waar dat de sterk aards gekleurde zegen en vloek in het NT een andere gedaante krijgen. Daar is het lijden om Christus’ wil, en daarmee
verdrukt worden door een vijand, een erezaak geworden (Mat.5:11). We moeten oppassen om ‘het lijden
van deze tegenwoordige tijd’ (Rom.8:18) niet uitsluitend negatief te zien. God wil voor zijn kinderen alles
laten meewerken ten goede (8:28).

Omdat in het NT het leven na de dood een veel grotere plaats inneemt dan in het OT, komen veel zaken in een ander perspectief te staan. Het NT verscherpt in zekere zin zegen en vloek. Want de onrechtvaardigen zullen niet slechts gestraft worden met honger of ballingschap, maar worden uitgesloten uit het Koninkrijk van God (1Kor.6:9-10).

Terwijl Paulus elders eerst schrijft dat zij die zich door de Geest laten leiden niet onder de wet zijn, voegt hij eraan toe, dat zij die de werken van het vlees doen, zoals onreinheid, toverij, nijd en dronkenschap, het Koninkrijk niet zullen beërven (Gal.5:18-21). Petrus roept op tot een levenswandel van liefde en barmhartigheid, en om geen kwaad met kwaad te vergelden, ‘maar zegent integendeel, omdat u hiertoe geroepen bent, dat u zegen zou beërven’ (1Pet.3:8-9). Een christen zal op deze wijze dus zeker zegen ontvangen.

Wie vertrouwt op God en de geestelijke wapenrusting aandoet (Ef.6), zal veilig zijn tegen de vele vurige pijlen die de boze op ons afvuurt. Dan geldt de belofte van 2Tes.3:3 :

‘Getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze’.

Maar wie zich met verboden zaken inlaat en zondigt, zal daar de negatieve gevolgen van ervaren. Terwijl tot de zondaren gezegd wordt ‘Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler’ klinkt tot de gelovigen:

‘wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’.

De reden daarvoor is, dat Christus spoedig komt en zijn loon bij Hem is, om een ieder te vergelden naar dat zijn werk is (Op.22:11-12). Zegen en vloek komen zo in eeuwigheidsperspectief te staan.