Dagelijks archief: december 22, 2019

Message 294 from ” messages from the cosmos “

Standaard

category :  messages from the cosmos / boodschappen uit de kosmos 

 

 

 

 

 

 

 

 

THE AMERICAN DREAM IS BASED

 

ON INDIVIDUAL SUCCES.

 

 

THIS IS NOT THE DREAM OF GOD

 

.

 

 

 

Boodschap 293 van ” Boodschappen uit de kosmos “

Standaard

categorie : Boodschappen uit de kosmos

 

 

 

.

spiritueel evenwicht

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

DE REGENBOOG AAN DE HEMEL IS EEN SYMBOOL VAN HET

EEUWIGDUREND VERBOND TUSSEN GOD EN ALLE LEVENDE WEZENS

OP AARDE.

( Genesis 9 : 16 )

 

 

 

 

 

 

De Koran.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Al Qur’an is een Arabisch woord dat letterlijk betekent “lezen, reciteren”. Het is één van de Heilige Boeken van de islam, naast de andere aan de profeten geopenbaarde boeken in hun oorspronkelijke vorm (zoals het Boek der Psalmen, de Thora, de Evangeliën enz.).

 

 

koran-heilig-boek-19485836

 

 

De Koran brengt geen nieuwe godsdienst, maar bevestigt de boodschappen die voordien reeds neer gezonden werden aan andere profeten.

“Hij heeft u het Boek met de waarheid tot jou neergezonden, ter bevestiging van wat er voordien al was en Hij heeft ook de Thora en de Evangeliën neergezonden, vroeger al, als leidraad voor de mensen en Hij heeft het reddend onderscheidingsmiddel neergezonden…” (Koran 3:3-4)

Moslims geloven dat de Koran letterlijk het Woord van God (in het Arabisch: Allah) is zoals dat in het Arabisch stuk per stuk aan Mohammed geopenbaard werd gedurende een periode van 23 jaar. Het is geen geheel van absolute regels, maar een leidraad om in alle mogelijke omstandigheden in het leven de best mogelijke keuze te kunnen maken, om een onderscheid te kunnen maken tussen opties die men heeft, en daaruit de best mogelijke te kiezen. In de afgelopen 1400 jaar is er geen letter, zelfs geen leesteken, aan gewijzigd.

De taal van de oorspronkelijke boodschap was Arabisch en de woorden zijn letter per letter in goddelijke orde vastgelegd. Daar kan niets aan veranderd worden want dan is het geen Koran meer. Merk op dat een vertaling van de Koran geen Koran is maar een interpretatie door de vertaler van de Koran.

De Koran werd volgens moslims aan de mensheid doorgegeven via een keten die begon bij God via de Aartsengel Gabriël naar de Profeet Mohammed. De Koran wordt door de meeste moslims aanzien als laatste Boodschap van God aan de gehele mensheid, voor alle tijden, zonder beperkingen van ras of nationaliteit, als baken en gids voor iedereen die dat zelf wil tot het Einde der Tijden.

De geschreven woorden van de Koran worden als heilig beschouwd. Moslims worden dan ook geacht erg zorgzaam om te gaan met een afdruk van deze heilige woorden.  Met de opkomst van de moderne, vluchtige, media is dat wel enigszins veranderd.

 

 

Structuur van de Koran

 

De hoofdstukken van de Koran zijn gerangschikt volgens lengte, de langste hoofdstukken staan eerst, de kortste laatst. Mohammed kreeg zijn eerste Openbaring in het jaar 610 na Christus. Gedurende de daaropvolgende 23 jaar werd de Koran vers per vers aan hem geopenbaard.

Het eerste dat aan Mohammed geopenbaard werd waren de eerste vijf verzen van Surah Al-Alaq:

“Lees voor in de naam van jouw Heer die heeft geschapen”
Geschapen heeft Hij de mens uit een klonter.
Lees voor! Jouw Heer is de Edelmoedigste,
die onderwezen heeft met de pen.
Hij heeft de mens onderwezen wat hij niet wist.”(Koran 96:1-5)

Het allerlaatste laatste geopenbaarde vers luidt:

“Heden heb ik jullie godsdienst voor jullie voltooid” (Koran 5:3)

Daarmee is volgens een grote meerderheid van de moslims een einde gekomen aan de boodschappen van God aan de mensen, zoals ook de Profeet Mohammed zei tijdens zijn bekende Laatste Preek: “Geen Profeet of Apostel zal nog komen na mij.”

Volgens moslims is Mohammed  de laatste Profeet in de islam, en de Koran is dan ook het laatste geopenbaarde boek van God. Na Mohammed kunnen volgens de meeste Moslims geen openbaringen en profeten meer volgen tot aan het Einde der Tijden.

Surah Al-Fatiha, ook wel het Onze Vader van de islam genoemd, was het eerste volledig hoofdstuk dat geopenbaard werd, Surah an-Nasr het laatste. De Koran is onderverdeeld in 30 gelijke stukken die in het arabisch “juz” genoemd worden.

Er zijn 114 hoofdstukken van verschillende lengte. Het langste hoofdstuk is Al-Baqarah (286 verzen), het kortste Al-Kwathar (3 verzen). De verzen die geopenbaard werden voor de migratie worden Mekkaans genoemd, de verzen erna Medinish.

 

 

Bewaring van de Koranische Boodschap

 

De Koranische Boodschap wordt bewaard op twee manieren: via data-dragers (papier, CD enz) en via mensen die de Koran volledig memorizeren, wat als erg verdienstelijk wordt aanzien in de islam. Een Hafeez (meervoud: Huffaz) is een persoon die de Koran volledig van buiten kent.

Naar schatting zijn er vandaag de dag zo’n 10 miljoen Huffaz. Op die manier wordt ook voorzien voor noodgevallen, zoals grote overstroming of andere rampen waardoor gedrukte versies verloren zouden kunnen gaan.

 

 

DE ISLAM IS DE GOEDSCHIKSE

TEGENBEWEGING VAN SATAN,

ALS ENGEL VAN HET LICHT,

TEGEN HET WARE CHRISTENDOM

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Genezingen van Pater Pio

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Genezingen

 

 

padre_pio

 

 

 

 

In 1919 was er een 62-jarige man uit Foggia die steunde op twee stokken om te lopen. Door van een koets te vallen had hij zijn benen gebroken en de dokters slaagden er niet in hem te genezen. Pater Pio hoorde zijn biecht en zei hem daarna: “Sta op en vertrek! Die stokken moet je wegwerpen”. De man gehoorzaamde terwijl allen met verbazing toekeken.

 

 

 

 

 

Een opzienbarende gebeurtenis die alles in rep en roer zette overkwam een veertienjarige in 1919. Op vierjarige leeftijd getroffen door tyfus, was hij slachtoffer gebleven van een vorm van Engelse ziekte (rachitis) die zijn lichaam misvormde en twee opzichtige bochels veroorzaakte. Op een dag hoorde pater Pio hem de biecht en raakte hem daarna aan met zijn gestigmatiseerde handen. De jongen stond op van de bidstoel, kaarsrecht, zoals nooit tevoren.

 

 

 

 

 

Een jonge boerin van 29 jaar, genaamd Grazia en die blind geboren was, bezocht al een tijdje regelmatig de kleine kerk van het klooster. Op een dag vroeg Pater Pio haar of ze niet graag zou zien. “Natuurlijk zou ik dat willen,” zei ze, ” indien dat me niet tot de zonde zou brengen.” Hij antwoordde haar: “Dan zal je genezen.”

En hij stuurde haar naar Bari (Italië) om de vrouw van een briljant oogarts te ontmoeten. Na Grazia onderzocht te hebben, zei de oogarts aan zijn vrouw: “Ik kan niets doen voor dit meisje. Als Pater Pio een mirakel wil vragen, kan hij haar genezen. Maar ik moet haar naar huis sturen zonder een operatie.” De vrouw van de dokter stelde voor: “Aangezien Pater Pio haar gestuurd heeft, kan je niet één oog opereren?”

De dokter liet zich overtuigen en opereerde eerst één oog, daarna het anderen en Grazia was genezen. Terug in San Giovanni Rotondo, liep Grazia naar het klooster en wierp zich aan de voeten van Pater Pio. Deze zweeg een ogenblik, starend in de verte, terwijl hij het meisje geknield liet zitten; daarna zei hij haar recht te staan. Maar het meisje vroeg hem onophoudelijk: “Zegen mij, vader, zegen mij.”

Zelfs nadat Pater Pio een kruisteken over haar gemaakt had, wachtte Grazia onbeweeglijk. Toen ze blind was, zegende Pater Pio haar door haar de handen op te leggen. Omdat ze bleef herhalen: “Zegen mij, vader, zegen mij.” zei hij tot haar: “Wat wil je als zegening, meisje? Een emmer water over je hoofd?”

 

 

 

 

 

Een vrouw vertelde: “In 1947 was ik 38 jaar en op de radiografie hadden ze een tumor in mijn ingewanden vastgesteld. Een chirurgische ingreep was noodzakelijk. Alvorens naar het ziekenhuis te gaan, ging ik te biechten bij Pater Pio. Mijn man, mijn dochter en haar vriendin gingen mee naar San Giovanni Rotondo. Ik wou mijn probleem aan Pater Pio toevertrouwen, maar op een gegeven moment verliet hij de biechtstoel en ging weg.

Teleurgesteld omdat ik niet had kunnen biechten bij hem, begon ik te wenen. Mijn man vertelde aan een andere monnik de reden van onze pelgrimstocht. De monnik beloofde er met Pater Pio over te praten. Kort daarna, in de gang van het klooster, riep men mij. Pater Pio, omringd door velen, luisterde aandachtig naar mij. Hij vroeg naar de reden van mijn bezoek en stelde me gerust, zeggend dat ik in goede handen was en dat hij voor mij zou bidden, wat me verwonderde want Pater Pio kende me niet noch de chirurg.

Ik onderging de ingreep met hoop en sereniteit. De chirurg was de eerste die van een mirakel sprak. Met de radiografie in de handen, nam hij de appendix uit want er was geen spoor meer van de tumor. De chirurg, die niet gelovig was, bekeerde zich en liet in alle kamers van het ziekenhuis kruisbeelden plaatsen. Na een korte herstelperiode ging ik terug naar San Giovanni Rotondo om Pater Pio te zien.

Hij was op weg naar de sacristie maar toen hij me zag, draaide hij zich om en zei glimlachend: “Zoals je ziet, ben je teruggekeerd…” Ik kuste zijn hand en door de emotie hield ik zijn hand tussen de mijne.

 

 

 

 

Een man vertelde: “ik had al enkele dagen een zeer pijnlijke zwelling aan mijn linkerknie. De dokter had me gezegd dat het vrij gecompliceerd was en had me een reeks injecties voorgeschreven. Vooraleer aan deze behandeling te beginnen, kwam ik op het idee Pater Pio te consulteren. Na gebiecht te hebben, vertelde ik hem over mijn knie en vroeg hem voor mij te bidden.

Tegen het einde van de namiddag, toen ik bijna ging vertrekken, verdween de pijn plots. Ik bestudeerde mijn knie. Hij was niet meer gezwollen en zag er net hetzelfde uit als mijn rechterknie. Ik keerde terug al lopend om Pater Pio te bedanken. “Je moet mij niet bedanken, maar God.” zei Pater Pio. En met een glimlach voegde hij erbij: “Zeg aan je dokter dat hij zijn injecties aan zichzelf toedient.”

 

 

 

 

Een vrouw vertelde: “In 1952, na een normale zwangerschap, waren er bij de geboorte wat complicaties zodat men de forceps moest gebruiken om mijn zoon ter wereld te brengen. Men diende me in allerijl een bloedtransfusie toe die van een verkeerde bloedgroep bleek te zijn: men gaf me bloed van de groep A terwijl ik bloedgroep O heb. Deze vergissing bracht serieuze complicaties met zich mee: hoge koorts, stuipen, een longembolie, flebitis aan de onderste ledematen en bloedvergiftiging.

Een priester kwam me de laatste sacramenten toedienen. Ik ontving de H. Communie die ik met een beetje water moest nemen. Mijn ouders vergezelden de priester tot aan de uitgang en ik bleef alleen achter in mijn kamer. Pater Pio verscheen aan mij en zei: “Ik ben Pater Pio. Je zal niet sterven. Bid het Onze Vader en kom me later eens opzoeken.” Zieltogend deed ik de moeite me rechtop te zetten. Toen mijn ouders terugkeerden, vertelde ik hen over mijn visioen en ik vroeg hen samen met mij het Onze Vader te bidden.

Vanaf dat moment begon ik me beter te voelen. De dokters onderzochten me en oordeelden, rekening houdend met de ernst van mijn toestand, dat er een mirakel gebeurd was. Enkele maanden later ging ik naar San Giovanni Rotondo om Pater Pio te bedanken die me zijn hand gaf om te kussen. Terwijl ik hem bedankte, nam ik een doordringende viooltjesgeur waar.

Pater Pio zei: “Je hebt een mirakel verkregen, maar je moet mij niet bedanken, maar het H. Hart van Jezus die jou aan mij heeft toevertrouwd omdat je Hem trouw bent en je je devoties van de eerste vrijdag van de maand gedaan hebt.”

 

 

 

 

 

Een dame vertelde : “Wegens buikpijn moest ik in 1953 onderzoeken ondergaan. De resultaten toonden aan dat een dringende chirurgische ingreep noodzakelijk was. Een vriendin, die ik van mijn ziekte op de hoogte had gesteld, raadde me aan om naar Pater Pio te schrijven om zijn advies en gebed te vragen. Pater Pio raadde me aan om naar het ziekenhuis te gaan, en voegde eraan toe dat hij voor mij zou bidden.

Vooraleer ze de ingreep uitvoerden, voerden de artsen nog andere tests uit en stelden, tot hun grootste verbazing, vast dat ik niets meer mankeerde. Dit gebeurde veertig jaar geleden en niet alleen bedank ik Pater Pio nogmaals hiervoor, ik raad ook iedereen aan deze heilige, van wie de bemiddeling geen enkele twijfel lijdt, te aanroepen.”

 

 

 

 

 

Een vrouw vertelde:  “In 1954 werkte mijn vader, toen 47 jaar, als spoorwegbeambte. Hij werd door een vreemde ziekte getroffen die hem het gebruik van zijn onderste ledematen deed verliezen. De zorgen die hij ontving brachten geen enkele verbetering en, na twee jaar, vreesde mijn vader om zijn job te verliezen. Aangezien de situatie steeds verslechterde, raadde een van mijn ooms aan om naar San Giovanni Rotondo te gaan, naar een kapucijn, die, naar zijn mening, van de Heer uitzonderlijke krachten had ontvangen.

Met veel moeite, trok mijn vader, vergezeld van en geholpen door mijn oom, naar het kleine centrum in Gargano. Aan de kerk gekomen zag hij Pater Pio. Deze merkte op dat mijn vader zich met moeite door de menigte bewoog en zei hardop: “Laat deze spoorwegbeambte voorbijgaan!” Nochtans kende Pater Pio mijn vader niet, en evenmin wist hij dat hij een spoorwegbeambte was.

Gedurende ongeveer een uur onderhield Pater Pio zich broederlijk met mijn vader. Hij legde de hand op zijn schouder, troostte hem met een glimlach en gaf hem enkele bemoedigende woorden. Toen hij wou vertrekken, merkte mijn vader niet onmiddellijk dat hij was genezen, maar mijn oom, totaal verrast, volgde hem, terwijl hij zijn beide stokken droeg!”

 

 

 

 

 

In Puglia, in Italië, stond een heel materialistisch ingestelde man bekend voor zijn heftigheid waarmee hij de godsdienst bestreed. Zijn echtgenote was religieus, maar hij had haar formeel verboden om naar de kerk te gaan, of zelfs hun zonen over God te spreken. In 1950 werd deze man ziek. De diagnose was verpletterend: “ongeneeslijk gezwel aan de hersenen en aan het rechteroor”. De zieke vertelt: “Ik werd naar het ziekenhuis van Bari gebracht. Ik had schrik om te lijden en om te sterven.

Ik was zo bang dat mijn ziel begon te verlangen zich tot God te wenden, iets wat ik niet meer had gedaan sinds mijn kinderjaren. Van Bari werd ik naar Milaan gebracht om er een chirurgische ingreep te ondergaan die mij misschien het leven ging redden. Mijn arts deelde me mee dat het om een heel gewaagde ingreep ging, waarvan het onmogelijk was om de afloop te voorzien. Terwijl ik in Milaan was, droomde ik op een nacht van Pater Pio.

Hij legde me de handen op en zei me: “Binnen afzienbare tijd zul je genezen.” ’s Ochtends voelde ik me beter. De artsen waren verbaasd om me in een betere toestand te zien, maar oordeelden toch dat een tussenkomst absoluut noodzakelijk was. Even  voor de ingreep sloeg ik in paniek en ik vluchtte het ziekenhuis uit. Ik ging naar mijn ouders in Milaan, waar mijn vrouw zich eveneens bevond. Na enkele dagen kwam de pijn terug en die werd zo hevig dat ik naar het ziekenhuis moest terugkeren.

De artsen, die verontwaardigd waren over mijn vlucht, wilden me niet behandelen, maar volgden tenslotte hun professionalisme. Niettemin, alvorens de ingreep te beginnen, voerden ze nog enkele tests op me uit. Tot hun grote verbazing stelden zij geen enkel spoor meer vast van het gezwel. Ik was eveneens verrast, hoewel minder verbaasd dan de artsen, want terwijl ik de onderzoeken onderging, had ik een hevige geur van violettes, het teken van de aanwezigheid van Pater Pio, waargenomen.

Alvorens het ziekenhuis te verlaten, vroeg ik de rekening van de honoraria. Men antwoordde me: “U moet ons niets betalen, aangezien wij niets gedaan hebben om u te genezen.” Na mijn ontslag uit het ziekenhuis, besloot ik naar San Giovanni Rotondo te gaan, samen met mijn echtgenote, om Pater Pio te bedanken. Ik was er zeker van dat hij het was die me had genezen. Maar toen ik de kerk van het klooster van Notre-Dame-de-Grâces binnenging, verloor ik door een helse pijn het bewustzijn.

Twee mannen droegen me naar de biechtstoel van Padre Pio. Toen ik weer bij bewustzijn was, zei ik hem, nauwelijks ziende en nog altijd heel zwak: “Ik heb vijf zonen en ik ben zeer ziek; red mij, Pater, red mijn leven.” Hij antwoordde me: “Ik ben God niet – ik ben evenmin Jezus Christus; ik ben een priester zoals de anderen, niet meer en niet minder. Ik verricht geen wonderen.” Maar ik smeekte en huilde: “Alstublieft, Pater, red mij…” Pater Pio hield een moment stilte, hief vervolgens de ogen ten hemel en ik zag dat hij bad.

Opnieuw nam ik een hevige geur van violettes waar. Vervolgens zei Pater Pio me: “Keer naar huis terug en bid. Ik zal voor jou bidden. Je zult genezen.” Ik keerde naar huis terug en mijn ziekte verdween.”

 

 

 

 

 

Een man vertelde: “Verschillende jaren geleden, in 1950, werd mijn schoonmoeder in het ziekenhuis opgenomen met de bedoeling een kwaadaardig gezwel chirurgisch te verwijderen in de linker zijde. Enkele maanden later, moest zij een andere ingreep ondergaan, deze keer aan de rechterzijde. Aangezien het gezwel zich begon uit te zaaien, gaven de artsen van het ziekenhuis van Milaan de zieke nog slechts drie of vier maanden te leven. In Milaan sprak iemand ons over Padre Pio en over de wonderen die aan zijn bemiddeling worden toegekend.

Ik vertrok onmiddellijk naar San Giovanni Rotondo. Wanneer het mijn beurt om te biechten was, vroeg ik Padre Pio om de gunst van de genezing voor mijn schoonmoeder. Padre Pio zuchtte tweemaal en zei “Laten we allemaal bidden en zij zal genezen”. Zo gebeurde het ook. Na de tussenkomst herstelde mijn schoonmoeder  en ze ging Padre Pio bedanken die haar glimlachend zei: “Ga in vrede, meisje! Ga in vrede!”

In plaats van drie of vier maanden die de artsen haar hadden gegeven, leefde mijn schoonmoeder nog negentien jaar, Padre Pio voor eeuwig dankbaar.”

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

† 1253 Clara van Assisi

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Clara (ook Chiara, Clare of Klara) van Assisi, Italië; abdis; † 1253

 

 

SaintClare

 

.

 

 

Feest 11 (& 12) augustus

 

Volgens de jongste onderzoekingen werd zij geboren in 1195 en was afkomstig uit een adellijke familie te Assisi. Ze was een jaar of achttien op het moment dat Franciscus daar met zijn aanstekelijke beweging begon. Naar diens voorbeeld brak ze met thuis, wist aan de greep van haar familie te ontsnappen, huwde net als Franciscus met Vrouwe Armoede en liet zich door hem het kloosterhabijt aantrekken.

Spoedig voegden zich andere vrouwen bij haar, onder wie haar zus Agnes die zij op spectakulaire wijze had helpen ontsnappen uit het ouderlijk huis. Veertig jaar lang stond zij aan het hoofd van het kloostertje van San Damiano, even buiten Assisi. Intussen groeide er tussen Franciscus en haar een hechte en diepe geestelijke vriendschap. Als hij niet zeker was van een bepaalde beslissing of niet wist hoe te handelen, liet hij zuster Clara om raad vragen, ook in zaken van gebed, boete, geestelijke leiding en apostolaat.

Franciscus stierf al in 1226 op 42-jarige leeftijd, luid beweend door zuster Clara en haar medezusters. Zij ging voort in de geest van Broeder Franciscus. Zo wist zij rond 1240 door het innige gebed dat ze deed geknield voor een monstrans met de Heilige Hostie erin, een dreigende inval van de Saracenen in Assisi te verhinderen. Vanaf dat moment wordt zij beschouwd als de redster van Assisi en van San Damiano.

Latere legendes weten zelfs te vertellen, dat zij bij die gelegenheid met de monstrans in de hand, onverschrokken de Saracenen tegemoet gegaan zou zijn, waarop dezen onverwijld de vlucht zouden hebben genomen. Zij stierf op 59-jarige leeftijd.

 

.

 

Legende

 

Dit alles vinden wij als volgt terug in een middeleeuws legendeboek Passional, uitgegeven te Augsburg in 1471-1472.

In de stad Assisi woonde een rijke edelman met een zalige, vrome vrouw; zij heette Torculana. Zij werd zwanger van het heilige kind Clara. Toen de tijd van baren nabij was, stapte zij een kerk binnen en ging voor een kruisbeeld staan en bad in grote ernst tot God dat Hij haar zou helpen bij de komende geboorte. Toen klonk er een stem: “Vrouwe, u zult een heilzaam licht baren dat de wereld verlichten zal.”

Daar was die vrouw heel blij over. En toen het kind eenmaal geboren was, wilde zij dat het Clara zou heten, want zij leefde in de hoop dat het de wereld zou verlichten, zoals de stem in de kerk haar beloofd had. Toen het kind de volwassen leeftijd had bereikt, leidde het een deugdzaam leven; ze nam een minimum aan voedsel tot zich.

De kleren die zij droeg, waren aan de buitenkant heel elegant en sierlijk, maar op het lijf droeg zij een ruw haren hemd. Haar hart was zuiver en haar lichaam kuis. Ze leidde kortom een goed leven. Toen kwam de tijd dat haar vrienden voor haar een geschikte huwelijkspartner gingen uitzoeken, maar zij deed er niet aan mee.

Sint Clara hoorde van de heilige levenswandel van Sint Franciscus. Ze verlangde ernaar hem eens te zien. Op zijn beurt hoorde Sint Franciscus van haar heilige levenswandel. Ook hij verlangde ernaar haar eens te zien en met haar te kunnen spreken. Hij zocht haar dus op.

Zij was daar blij mee. Sint Franciscus sprak heel vriendelijk met haar. Hij maakte haar duidelijk dat zij de wereld de rug moest toekeren en God tot echtgenoot moest kiezen. Zij hield ijverig vast aan dit woord. Ze zocht hem regelmatig op om nog meer van hem te leren. Aldus begon ze ernaar te verlangen alleen God te dienen; voor de wereld had ze geen oog.

Zo was Clara eens bij Franciscus in het bos bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk, die Portiuncula heet. Ze spraken met elkaar over het zielenheil. Bij die gelegenheid zagen de mensen dat vurige stralen uit de hemel op hen neerdaalden. Het was toen vlak voor Palmzondag. Hij zei tot haar: “Op Palmzondag moet je in je mooiste kleren naar de kerk gaan, maar diezelfde avond moet je je vaders huis verlaten en je aan God toewijden.”

Clara deed wat hij zei: zij ging in haar mooiste kleren naar de kerk. Terwijl iedereen naar voren liep om een palmtakje in ontvangst te nemen, bleef zij heel devoot op haar plaats zitten. Dat zag de bisschop. Hij kwam het altaar af en gaf haar het palmtakje persoonlijk in de hand.

Diezelfde avond ontglipte zij uit het huis van haar vader. Zij liet al haar vrienden achter en kwam bij het Onze-Lieve-Vrouwekerkje van Portiuncula. Daar werd zij opgewacht door de broeders, die haar vol vreugde ontvingen.

Ze schoren haar de haren af. Vervolgens geleidde hij haar naar de Pauluskerk en beval haar daar voorlopig te blijven. Maar toen dit alles tot haar vrienden begon door te dringen, werden zij heel kwaad. Ze zochten haar daar op en zeiden: “Je moet de schande die je op je geladen hebt, onmiddellijk opheffen, want zoiets past niet bij een familie van adel!”

Daarop zei Sint Clara: “Niemand kan mij afbrengen van de dienst aan de almachtige God.” Ze liet hun zelfs haar afgeschoren haren zien. Kortom, ze voegde zich niet naar de woorden van haar vrienden. Hoopvol richtte zij haar hart op God en bad dat de woede bij haar vrienden zou wegebben.

Toen verhuisde zij op aanraden van Franciscus naar het kerkje van San Damiano. Daar bracht zij een groep tezamen en zette een orde op van veel vrouwen. Van toen af prees ieder haar zalig; haar roep drong overal door, zodat hertoginnen en gravinnen door haar heiligheid werden bewogen en intraden in haar orde.

Sint Clara was een nederige vrouw. Zij was vol lof over Franciscus en gehoorzaamde hem altijd. Zij droeg hem in haar hart, maar niet op de wereldse manier. Ze stond klaar voor al haar zusters, ze droeg eenvoudige kleren, ze waste haar zusters de voeten en bediende ze aan tafel. Ook vroeg ze aan de paus, Innocentius, of hij haar orde officieel wilde goedkeuren. Die was daar heel blij mee. Hij schreef haar eigenhandig de gevraagde brief.

Eens op een vastenavond had Sint Clara heel graag haar medezusters iets lekkers voorgezet. Zij riep dus de kelderzuster en vroeg of ze nog iets hadden. Maar zij zei: “Ik heb niets.” Toen dekte Sint Clara toch de tafel en knielde erbij neer; vervolgens vroeg zij God in haar gebed of Hij iemand de gedachte in wilde geven een brood en twee vissen naar het kloostertje te brengen.

Op datzelfde moment verscheen er inderdaad een vrouw; haar aangezicht straalde als de zon. Ze ging goed gekleed en ze droeg een mandje op haar hoofd. Dat mandje overhandigde zij aan de portierster met de woorden: “Geef dit maar aan Sint Clara.” De zuster vroeg haar toen: “Wie heeft u hierheen gestuurd?” Waarop die vrouw antwoordde: “Clara weet wel wie dit naar jullie gestuurd heeft.”

Toen verdween de mooie vrouw. De portierster bracht nu het mandje naar Sint Clara, en vertelde haar wat de mooie vrouw erbij gezegd had. Toen Sint Clara het mandje openmaakte, vond zij er twee gebraden vissen in en wat brood. Ze was heel blij en dankte God om zijn goede gaven. Vervolgens deelde zij het onder haar zusters uit; ze hadden meer dan genoeg.

De lieve maagd Sint Clara at alleen maar water en brood, terwijl ze op maandag, woensdag en vrijdag nooit schoenen droeg. Ze sliep ook niet in een bed met zachte veren, maar gewoon op de grond. In plaats van een hoofdkussen had ze een stuk hout.

Dat deed ze zo gedurende de lange vasten. Na Sint Maarten vastte ze elke dag door alleen water en brood te eten, terwijl ze drie dagen in het geheel niets at. Ze tuchtigde haar lichaam dermate dat ze er doodziek van werd.  Daarop schreef de bisschop van Assisi haar voor, tezamen met Franciscus, dat ze geen enkele dag meer geheel in vasten door mocht brengen.

De heilige maagd besteedde veel tijd aan de lof van God; ze bad heel vurig en langdurig, waarbij ze vaak huilde. Toen ze eens ’s nachts zo aan het bidden was, verscheen haar de duivel in de gedaante van een zwart kindje met de woorden: “Je moet niet zoveel huilen, anders word je nog blind.” Waarop zij antwoordde: “Wie God wil zien, is niet blind.” Toen verdween de boze geest.

In die tijd had je een graaf, die Vitalis heette en heel flink was in het vechten. Hij had het op de stad Assisi gemunt. Hij had gezworen dat hij haar zou veroveren, en nu trok hij tegen haar op. De burgers waren doodsbenauwd. Toen Sint Clara ervan hoorde, sprak zij tot al haar dochters: “Wij hebben veel aan de stad te danken; we moeten dus vurig tot God bidden dat Hij haar spaart.”

Ze strooide as op haar hoofd; dat deden de anderen ook. “Nu bidden we allemaal vurig tot God, dat Hij de stad spaart voor haar vijanden.” Zij baden vurig. En God verhoorde hun gebed. Hij kwam te hulp, zodat de vijanden meteen al de dag erop ertussenuit gingen.

Sint Clara had een zus die rijk was en van wie ze veel hield. Zij bad nu vurig voor die zus bij Onze Lieve Heer dat Hij haar zou weten te bewegen tot een geestelijk leven. Dat deed Onze Lieve Heer. Op de zestiende dag koos zij voor het klooster. Die zus, Agnes, werd door de Heilige Geest geroepen en ze meldde zich bij haar zus met de woorden: “Mijn allerliefst zusje, ik wil van nu af Onze Lieve Heer dienen.” Daar verheugde Sint Clara zich over. Zo kwam Agnes bij haar in het klooster.

Toen dat doordrong tot haar vrienden, kwamen er twaalf van hen naar het klooster. Ze spraken haar heel vriendelijk aan: “Waarom ben je hier naar toe gegaan? Kom vlug weer met ons mee, terug naar huis!” Daarop zei Agnes: “Ik wil niet meer weg bij mijn lief zusje. Daarop werd één van de ridders zo kwaad dat hij handtastelijk werd en haar een vuistslag toediende.

Desnoods zou hij haar het klooster uitslepen, waarop hij haar aan haar haren vastpakte. Doodsbenauwd smeekte zei: “Toe lief zusje, help mij!” Sint Clara riep nu vurig de hulp in van Onze Heer. Nu bleek Sint Agnes ineens zo zwaar te zijn geworden, dat een hele mensenmenigte haar nog niet over het kleinste beekje zou hebben kunnen dragen.

Toen ze dat bemerkten, begonnen ze de spot met haar te drijven: “Ze heeft natuurlijk lood gegeten; daarom is ze zo zwaar.” Een neef hief al de vuist om haar desnoods een doodklap te verkopen. Toen vloeide er een ontzettende pijn in zijn arm. En dat bleef zo. Daarop smeekte Sint Clara dat ze zouden verdwijnen en haar zusje Agnes rustig bij haar zouden laten.

Die lag intussen voor lijk op de grond. Grommend gingen haar vrienden inderdaad weg. Toen stond ze vrolijk op. En Sint Franciscus gaf ook haar zijn zegen om in de orde te treden. Eens was Sint Clara ziek. Ze liet zich rechtop zetten met een steuntje in de rug. Ze vouwde een doek uit, waaruit men vijftig corporales moest maken ter ere Gods.

In de kerstnacht gingen alle vrouwen naar de metten, maar Sint Clare was er te ziek voor en bleef alleen achter. Toen bracht zij zich voor ogen hoe het kleine kind, onze Heer Jezus Christus, geboren werd. Ze had ook dolgraag de metten bijgewoond om God lof te brengen. Op datzelfde moment klonk het gezang dat de broeders van Franciscus ten gehore brachten, haar in de oren.

En ook het orgel hoorde ze, terwijl de kerk toch ver weg was. De volgende ochtend vertelde zij het haar dochters. En ze weende veel tranen, toen ze dat vertelde. Sint Clara had veertig jaar in het klooster doorgebracht, toen God besloot haar uit de wereld weg te nemen. Een maagd uit het Sint-Paulusklooster ontving er een visioen over: het was haar alsof zij zich in het klooster van Sint Clara bevond en ze zag hoe al haar dochters om haar huilden.

Toen verscheen er een bijzonder mooie vrouw aan het hoofdeinde van Sint Clara’s ziekbed met de woorden: “Je hoeft niet te huilen om Sint Clara, want zij zal niet sterven, totdat God zelf komt met zijn leerlingen.” Daarop verscheen de paus die haar het Lichaam van Christus uitreikte. Nu vroeg Sint Clara aan hem of hij zich persoonlijk het lot van de zusters zou willen aantrekken. Dat beloofde hij, en hij heeft zijn belofte ook gehouden. Zo lag zij daar doodziek achterover. Haar dochters zeiden haar dat ze iets moest eten.

Daarop antwoordde zij: “Als er wat kersen waren, zou ik het proberen.” Maar het was kerstmis. Dus die hadden ze niet. De broeder had een kersenboom, en hij zag er een tak aan vol met rijpe kersen. Die brak hij af en bracht hem haar. Zij at ervan, en liet er ook van brengen aan andere zieken. Hoewel zij alles bijeen zeventig dagen zo ziek gelegen had zonder te eten, wist zij toch haar zusters te bemoedigen en haar broeders te bevestigen in de dienst aan God en ze gaf ze allen haar zegen.

Spoedig daarna verschenen er vele maagden in witte gewaden aan haar bed met gouden kruisjes op. Onder hen bevond zich Onze Lieve Vrouw; ze droeg een kroon; er ging een zachte lichtglans van haar uit, met het gevolg dat het kloostertje midden in de nacht hel verlicht was. Toen boog Onze Lieve Vrouwe zich tot Clara voorover. Op dat moment gaf zij de geest; deze werd opgevoerd naar de eeuwige vreugde.

Haar dochters waren zeer verdrietig, ja alle mensen in de stad die ervan hoorden. Er kwamen veel mensen toelopen. Zes dagen daarna kwam de paus met zijn kardinalen; ze bezongen Sint Clara met grote devotie, en droegen haar naar de Sint-Joriskerk. Dan hadden de burgers van de stad haar dichter bij zich. Daar werd ze met grote plechtigheid begraven.

Later hoorde paus Alexander de Vierde van alle wondertekenen die Sint Clara bewerkstelligde. Hij kwam dus met het kollege van kardinalen, bisschoppen en priesters en verhief haar plechtig tot de eer der altaren. Dat gebeurde twee jaar na haar dood. Er werd vastgelegd dat men haar elk jaar zou vieren op de derde dag na Sint Laurentius.

 

.

 

Verering & Cultuur

 

Haar lichaam is nog steeds te zien in een glazen schrijn in haar basiliek te Assisi. Zij is medepatrones van Assisi (Italië) en van Santa-Clara op Cuba; in Nederland is er een St-Claraziekenhuis in Rotterdam; in Gorkum zijn een tehuis en een school naar haar genoemd. In Californië zijn er een plaats, een gebergte (‘sierra’) en een rivier naar haar genoemd; Bahia kent een stadje Santa Clara; Ecuador een eiland Isla Santa Clara en Utah een rivier.

 

 

08-11-1253-clara_6

 

 

Zij wordt afgebeeld als claris (met bruin- of zwartwollen habijt, dat om het middel enigszins is opgebonden), met de staf van de abdis, met een kruis, een lelie (symbool van maagdelijkheid), regelboek, en zeer vaak met een monstrans en soms met een brandende lamp (verwijzing naar haar naam en naar Jezus’ verhaal van de wijze maagden).

Zij is patrones van de wasvrouwen, naaisters en borduursters, en van de vergulders. Zij wordt ook aangeroepen tegen oogkwalen en koorts (zelf had zij daar 27 jaar last van). In 1958 werd zij door Paus Pius XII uitgeroepen tot patrones van de televisie: in het jaar voor haar dood was zij al zo verzwakt dat zij zelfs met kerstmis haar cel niet kon verlaten om in Assisi, drie kilometer verderop, de nachtmis bij te wonen.

Het verhaal vertelt dat zij vanaf het ziekbed in haar cel voor haar ogen de kerstplechtigheden in de kerk van Assisi zag gebeuren. Mede op grond van deze legende wordt haar voorspraak ingeroepen tegen oogkwalen; daar wordt ook de betekenis van haar naam (‘klaar’, ‘helder’) mee in verband gebracht. Zij helpt ook koortslijders; dat komt omdat het water uit haar bron, de ‘Fontaine de Sainte Claire’ in het Franse plaatsje Guéret geneeskrachtige werking bleek te hebben vooral voor koortspatiënten.

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

                                                          

mijne kop a4 JOHN ASTRIA

 

 

Zit Satan in de hel?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

5339082038a10416626799l.jpg-1

 

 

Veel christenen denken dat Satan in de hel is, maar het is niet het geval, en het is zelfs gevaarlijk zo te denken. De realiteit is dat hij erg actief aanwezig is, onder ons, om mensen én zelfs christenen kwaad te berokkenen, en we doen er goed aan ons daarvan bewust te zijn.

 

 

 Satan is niet in de hel maar onder ons actief

 

Satan zal pas bij zijn vierde (en laatste) val in de hel (gehenna, poel van vuur) terechtkomen. Hier
een overzicht van zijn toestand en zijn capaciteiten.

 

 

 

1ste Val

 

Satan zondigde vóór de zondeval (Genesis 3). Vermits hij Adam en Eva wilde aftrekken van God, was hij reeds in een zondige toestand gekomen. De Bijbel noemt Satan de eerste zondaar (1 Johannes 3:8). Deze val van Satan was eerder een “morele” dan een “geografische” val. Eigenlijk is er maar één val van Satan, zijn oorspronkelijke morele daad van opstand tegen God.

Daarna is hij nog drie keer gevallen, maar dat moet gezien worden als het gevolg van zijn aanvankelijke opstand. De volgende keren val valt hij nog louter ‘geografisch’. Zijn tweede val gaat van hemel naar aarde, zijn derde van aarde naar abyssos en zijn vierde van abyssos naar de hel (poel van vuur), stapsgewijs in neergaande lijn dus.

Hij viel moreel van God af maar hij bleef toegang krijgen tot Gods troon en de engelen (Job 1:6; 2:1). Hij werd toen niet neergeslagen en verwijderd uit de hemel, maar bleef operatief in de “hemelse gewesten” (Efeziërs 2:2; 6:12).

Hij kan daar nog steeds de broeders aanklagen (Openbaring 12:10). Alhoewel Satan in de hemel geen gezag meer heeft, heeft hij dat wel m.b.t. de aarde (Mattheüs 4:8-9; Efeziërs 2:2; 6:12; 1 Johannes 5:19). Op te merken valt echter dat Satans macht door God wel gelimiteerd is, zoals we kunnen lezen in Job 1:12 en 2:6. Hij is niet gelijk aan God (1 Johannes 4:4).

Wat Satan niét verloor weten we nu ongeveer, maar wat hij bij zijn eerste val wèl verloor is zijn schoonheid, luister, wijsheid, en zijn positie van cherub. Hij en zijn afvallige engelen verloren ook niet de capaciteit om op aarde in een lichaam te verschijnen om de mens te misleiden. Pater Pio, één van de grote heiligen, kreeg bezoek van de duivel in een mensengedaante. Ook getrouwe engelen kunnen dat.

Over Satans eerste val wordt geschreven in Ezechiël 28:11-19 en Jesaja 14:3-23. De eerste val van Satan vond dus plaats in de tijd van het aardse paradijs, in Eden, vóór de zondeval (Ezechiël 28:13). Hij werd ter aarde geworpen, een oosterse uitdrukking voor ‘hij viel op zijn bek’ (Ezechiël 28:17).

Later zal hij echter geheel letterlijk uit de hemel verwijderd worden (Openbaring 12:9). Zijn ondergang is sinds zijn eerste zonde eigenlijk al onomkeerbaar: het zaad (Jezus Christus) van de vrouw (Israël) zal hem uiteindelijk de kop vermorzelen (Genesis 3:15). Hij zal uiteindelijk in de “poel van vuur” belanden (Openbaring 20:10; Ezechiël 28:18, 19).

Na zijn val kon Satan zich blijkbaar niet meer materieel-lichamelijk op aarde vertonen. Dit is niet hetzelfde als ‘materialiseren’. Dat laatste veronderstelt een overgang van niet-materie (in casu geest) naar materie, terwijl engelen een (hoger) hemels lichaam bezitten dat ook materieel op de (lagere) aarde kan verschijnen.

Echter, om krachtig te kunnen zijn moet hij op aarde over een lichaam beschikken, en daarom bezet hij (en zijn demonen) graag het lichaam van andere levende wezens. Dit deed hij in Eden door in een slang te varen (Genesis 3), om zich zo aan Eva te vertonen en haar te misleiden. Later voer hij in Judas (Johannes 13:27) en nog later zal hij in de Antichrist varen.

Sommigen spreken nogal eens van ‘incarneren’ wanneer het om de duivel (of de demonen) gaat. Dit is een onjuiste uitdrukking. Incarnatie komt van het kerklatijn incarnatio (van caro, gen. carnis = vlees). In de christelijke terminologie is dit de aanduiding voor de menswording van Gods Zoon. Letterlijk betekent deze term ‘vleeswording’. Van de duivel (of de demonen) kan men niet zeggen dat zij ‘vlees worden’, dat kunnen zij niet. Zij hebben geen vleselijk lichaam ( Lk 24:39), zij bezetten andermans lichaam of vlees.

In Jesaja 14:12 wordt Satan “morgenster” genoemd. In Job 38:4, 7 lezen we dat bij de schepping “de morgensterren tezamen juichten”. Satan was vóór zijn val bij de schepping aanwezig. Maar hij pleegde opstand tegen Gods troon (Jesaja 14:13-14), waarbij hij ten val kwam. Later zal hij voor duizend jaren gebonden worden in de “afgrond” (Jesaja 14:15; Openbaring 20:1-3), en uiteindelijk zal hij in de poel van vuur geworpen worden (Openbaring 20:10).

Als gevolg van zijn opstand kwam Satan ten val. In Jesaja 14:12 wordt gezegd: “Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster”. Hij wordt vergeleken met een ster die uit de hemel is “gevallen”. Hij werd afvallig. Ook in de betekenis van: ‘hij viel op zijn bek’. Een vallende ster is in Openbaring iemand die uit zijn hoge positie afvalt of die uit zijn machtspositie omvergeworpen wordt.

 

 

hoofdstuk 13 ; de komst van de antichrist en de valse profeet

hoofdstuk 13 ; de komst van de antichrist en de valse profeet

 

pasteltekening van John Astria

 

 

 

2de Val

 

Satans 2de val is toekomstig en betekent zijn verbanning naar de aarde. Hij verdwijnt daardoor geheel
en al uit alle hemelen (Openbaring 12:7-9). In Openbaring 12:9 wordt Satan volstrekt uit de hemel verwijderd, hij wordt neergeworpen na een felle strijd, en hem wordt dan èlke toegang tot àlle hemelen ontzegd. Dat zal zijn in de helft van de 70ste jaarweek of het begin van de eigenlijke Grote Verdrukking.

De Heer Jezus heeft dit in Lukas 10:18 in een visioen gezien en aangekondigd: “Ik zag de Satan als een bliksem uit de hemel vallen”, zijn tweede val. Satan zal na zijn uitwerping uit de hemelse gewesten, onmiddellijk in de Antichrist varen. Zijn demonen zullen evenzo in de lichamen varen van de handlangers van de Antichrist en die van het herstelde Romeinse rijk.

Hoe verschrikkelijk zullen deze duivelse machthebbers dan op aarde tekeer gaan! Het is van belang om telkens op te merken hoeveel bewijzen er zijn dat de Gemeente vóór de Grote Verdrukking in de hemel zal zijn opgenomen. Zo ook hier. Als de duivel op de aarde geworpen is, kan de Gemeente niet meer beneden zijn, want dan zou het niet meer waar zijn dat wij een strijd hebben tegen de machten in de hemelse gewesten (Efeziërs 6:12).

 

 

 

3de Val

 

De derde val van Satan is zijn verbanning naar de “afgrond” (Gr. abyssos). Hij wordt daar voor duizend
jaren gebonden en opgesloten (Openbaring 20:1-3).

 

 

 

4de Val

 

De vierde val van Satan is zijn verwijdering naar de “poel van vuur” (Gr. limnen tou furos), om er voor
eeuwig te verblijven (Openbaring 20:10). Uit dit schema van de viervoudige val van Satan besluiten wij dat hij nog lang niet in de hel is, maar actief op aarde, als nasleep van zijn eerste val.

 

 

hoofdstuk 20 ; de eerste opstanding en de tweede dood

hoofdstuk 20 ; de eerste opstanding en de tweede dood

 

pasteltekening van John Astria

 

 

 

De Tartarus en Abyssos

 

Daarnaast is het wel zo dat er opstandige engelen (demonen) in voorhechtenis zitten, in wat de Schrift
de “Tartarus” (Gr. tartaroo) en “Afgrond” (Gr. abyssos) noemt. Deze zijn daar gevangen en kunnen
ons in deze tijd geen kwaad aandoen.

 

 

1. Tartarus

 

Tartarus is een ander woord voor afgrond – Grieks abyssos.

Het gaat om de BEWAARPLAATS VAN DE ONGEHOORZAME ENGELEN UIT DE TIJD VAN DE VLOED. We moeten hier ruwweg denken aan zoiets als de bewaarplaats van de onrechtvaardige menselijke doden (vgl. ‘de rijke’ uit Lukas 16:19-31) waar die bepaalde afvallige engelen (afzonderlijk) bewaard worden tot aan hun oordeel. Zie 2 Petrus 2:4.

 

 

 

2. Abyssos

 

Abyssos betekent afgrond, diepte, bodemloze put. Het is een BEWAARPLAATS VOOR DEMONEN.
We kunnen hier denken aan wat onder tartarus werd gezegd. Hierna de Schriftplaatsen waar dit woord voorkomt: Lukas 8:31; Romeinen 10:7; Openbaring 9:11; 11:7; 17:8; 20:1,3. Deze demonen zijn voor ons inactief en we hoeven ze dan ook niet te vrezen. Dit is echter niet het geval met Satan en zijn vrije demonen! Hieronder een schema van alle hemelse schepselen. In het rood omcirkeld hun toestand van activiteit, dan wel gebondenheid, met betrekking tot onze tijd:

 

enegelen en demonen

.

.

De missie van Satan

 

Nadat God de mens gemaakt had en Hij alles als heel goed beschouwde (Genesis 1:31), zien we de Satan (zie zijn eerste val hierboven) ruïneren wat God had gemaakt met betrekking tot de eerste twee levende mensen (Genesis 3). Nadat de duivel aanzette tot de val van Adam en Eva zien we verder in de Bijbel het duivelse missiewerk, te beginnen in het boek Job. Dit verhaal brengt ons achter de schermen, naar een kijk vanuit Gods perspectief.

Job 1:6-12: “Het gebeurde op een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken
bij de Heere, dat ook de satan in hun midden kwam. 7 Toen zei de Heere tegen de satan:
Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de Heere en zei: Van het rondtrekken over de
aarde en van het rondwandelen erover. 8 De Heere zei tegen de satan: Hebt u ook acht geslagen
op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is
godvrezend en keert zich af van het kwaad. 9 Toen antwoordde de satan de Heere en zei: Is het
zonder reden dat Job God vreest? 10 Hebt Ú niet voor hem en voor zijn huis en alles wat hij heeft,
een beschutting gemaakt? Het werk van zijn handen hebt U gezegend en zijn vee breidt zich steeds
verder uit in het land. 11 Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal
U in Uw aangezicht vaarwel zeggen. 12 De Heere zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in
uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht
van de Heere”.

We zien hier dat Satan nog steeds in de hemel kan komen. God vraagt de duivel of hij had gezien dat Job het goede deed in de ogen van de Heer. De duivel merkte op dat God Job en zijn familie te goed beschermde en hem alles gaf en vroeg nu Job op de proef te stellen om te zien of hij nog trouw zou blijven als hem alles werd afgenomen.

De Heer accepteert de uitdaging en verwijdert zijn bescherming rond Job tot op zekere hoogte zodat Satan toegang heeft tot Jobs levensomstandigheden. We weten allen wat er toen gebeurde. Wat wij hieruit leren is dat de rechtvaardigen beschermd worden door God tenzij Hij toelaat dat zij op de proef gesteld worden.

In zo’n tijd van beproeving verwacht God van ons een antwoord volgens de aansporing die we vinden in Spreuken 27:11: “Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader [= Satan] wat te antwoorden heb” (Spreuken 27:11).

Alhoewel dit vers eerst en vooral op de Heer Jezus slaat, moeten christenen die in Zijn voetsporen stappen in zulke beproevingen, ten aanzien van de hemel, getrouw blijven en geduldig vertrouwen op de Heer. Bij de onrechtvaardigen heeft de duivel gemakkelijker toegang dan bij rechtvaardigen. De tijd passeert en opnieuw komt de duivel voor de Heer om rapport uit te brengen en zijn bedoelingen te ventileren:

Job 2:1-9: “Opnieuw was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken
bij de Heere, dat ook de satan in hun midden kwam om zijn opwachting te maken bij de
Heere. 2 Toen zei de Heere tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de
Heere en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover. 3 De Heere
zei tegen de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde
zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is godvrezend en keert zich af van het kwaad. Hij houdt
nog steeds vast aan zijn vroomheid, hoewel u Mij tegen hem opgezet hebt om hem zonder reden te
verslinden. 4 Toen antwoordde de satan de Heere en zei: Huid voor huid! Alles wat iemand
heeft, zal hij geven voor zijn leven. 5 Steek Uw hand maar eens uit en tref zijn beenderen en zijn
vlees. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen. 6 En de Heere zei tegen de satan:
Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven. 7 Toen ging de satan weg van het aangezicht van de
Heere en hij trof Job met vreselijke zweren, van zijn voetzool af tot aan zijn schedel. 8 En Job
nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij midden in de as zat. 9 Toen zei zijn
vrouw tegen hem: Houd je nog steeds vast aan je vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf.

De Heer stelt andermaal dezelfde vraag over Zijn dienaar Job. De duivel kon Job in zijn vorige aanval niet bewegen en wil nu meer toegang. Nu wil Satan de gezondheid van Job. Job wordt op de proef gesteld, erg gelijkend op Adam en Eva in de Hof van Eden. Jobs vrouw bezweek eerst in een emotioneel betoog wegens zijn kwellende pijn. Maar Job is getrouw aan God en heeft zijn principes, hij diende de Heer niet voor wat hij had gekregen maar voor wie de Heer is.

We weten hoe dit verhaal afloopt en op het eind wordt Job gezegend, dubbel zoveel als tevoren. Wat we hier leren is hoe de duivel achter de scène bezig is met het beïnvloeden van omstandigheden en hoe hij de rechtvaardigen aanvalt. Het woord duivel (Gr. diabolos) betekent lasteraar, en het woord Satan betekent tegenstander, aanklager. Hij daagt telkens weer op om zij die in Gods dienst staan uit te dagen en aan te klagen.

Zacharia 3:1-2: “Daarna liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel
van de Heere stond, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. 2 De Heere zei echter tegen de satan: De Heere zal u bestraffen, satan! De Heere, Die Jeruzalem verkiest, zal u bestraffen. Is deze Jozua niet een stuk brandhout dat aan het vuur ontrukt is?

We kunnen zien dat de duivel in Gods aanwezigheid kan verschijnen. Het is enkel de Heer die hem kan berispen vermits God hem tot het machtigste schepsel van het universum maakte. Daarom zegt

Zacharia 3:2 “De Heere zal u bestraffen, satan!”, en zie vooral Judas 9: “Michaël, de aartsengel, echter durfde, toen hij met de duivel redetwistte en een woordenwisseling had over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uit te brengen, maar zei: Moge de Heere u bestraffen!”

We vinden de duivel actief doorheen de geschiedenis. 1 Kronieken 21:1: “Toen stond de satan op tegen Israël, en hij zette David ertoe aan om Israël te tellen”.

De duivel beïnvloedt leiders, zowel goede als slechte, door hen bv. aan te zetten tot trots. Toen Jezus aan Israël Zijn Messiasschap aankondigde, en geleid werd naar de wildernis om beproefd te worden in het vlees, werd Hij drie maal geconfronteerd met de duivel. Dit is de derde keer:

Mattheüs 4:8-11: “Opnieuw nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg, en hij liet Hem al de koninkrijken van de wereld zien, met hun heerlijkheid, 9 en zei tegen Hem: Dit alles zal ik U geven, als U knielt en mij aanbidt. 10 Toen zei Jezus tegen hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heere, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen. 11 Toen liet de duivel Hem gaan; en zie, engelen kwamen en dienden Hem.

Satan claimt de wereld voor zich en hij zou deze aan Jezus geven in zijn verleidingspoging. Het is na deze laatste gefaalde verleiding, en Jezus Zijn onwankelbaarheid bewijst, dat hij geen vat kreeg op Jezus’ leven. Ons wordt gezegd hetzelfde te doen wat Jezus deed opdat de Satan zou wegvluchten.

Jakobus 4:7: “Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten”.

Later in Jezus’ onderricht aan Zijn disipelen legt Hij hen uit: “Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen” (Lukas 10:18). Dit slaat op Openbaring 12:7-10. In een visioen zag Jezus de engel uit de hemel vallen, in het midden van de Verdrukking (70ste jaarweek) op aarde, zijn tweede val, die we hiervoor al behandeld hebben. Dan pas zal hij helemaal uit de hemel verdwijnen, maar o wee de aarde in de Grote Verdrukking!

Pas na het eind van die verdrukking en aan het begin van het duizendjarige vrederijk zal hij gebonden worden – zijn derde val – en dan voor duizend jaren opgesloten worden in de Abyssos of Afgrond. De duivel heeft dus nog steeds toegang tot de hemel, waar hij daar komt bij de Heer, en de heiligen aanklaagt, tot de bestemde tijd.

Wegens Jezus’ gehoorzaamheid als mens aan de Vader lezen we in Handelingen: “Deze Jezus heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël bekering te geven en vergeving van zonden” (Handelingen 5:31).

Ook Satan wordt een “vorst” of “overste” genoemd: “In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar de overste van de macht der lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid” (Efeziërs 2:2).

Satan is nu de vorst of god van de lucht, de heerser van deze wereld. Hij is beslist niet in de hel, zijn plaats is hier binnen de aardse atmosfeer van de aarde, met al zijn activiteiten.

 

 

hoofdstuk 9 uit de Openbaring; de vijfde en zesde bazuin

hoofdstuk 9 uit de Openbaring; de vijfde en zesde bazuin

 

pasteltekening van John Astria

 

 

 

Satans huidige activiteit jegens ongelovigen, en hen die geloven:

 

Jegens ongelovigen:

 

“Van hen, de ongelovigen, geldt dat de god van deze eeuw hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen” (2 Korinthiërs 4:3-4).

Enkel het Evangelie kan mensen bevrijden van de blindheid met betrekking tot de invloed van de duivel en het systeem waarmee hij hen persoonlijk controleert.

“In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar de overste van de macht der lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid” (Efeziërs 2:2).

De koers van deze wereld is zondig, en op hen die de wereld en haar zonden liefhebben (“de kinderen der ongehoorzaamheid”) heeft de duivel grote invloed. Jezus beschrijft een tijdperk van zaaien door God maar ook door de duivel:

“Hij antwoordde en zei tegen hen: Hij die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen. 38 De akker is de wereld, het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk en het onkruid zijn de kinderen van de boze. 39 De vijand die het gezaaid heeft, is de duivel; de oogst is de voleinding van de wereld en de maaiers zijn engelen. (Mattheüs 13:37-39)

Elke ziel op onze aarde is verwikkeld in een geestelijke strijd en zal ofwel aan de kant van de duivel, ofwel aan de kant van God staan. Satan controleert het wereldsysteem, want dat valt onder zijn jurisdictie, zoveel als God het toelaat. Jahweh wordt de God van hemel en aarde, Schepper van deze wereld en het universum genoemd. God zal Zijn controle niet verliezen maar Hij staat tot op zekere hoogte Satans werking toe om de wereld te beïnvloeden.

 

 

Jegens de gelovigen:

 

“Wees nuchter en waakzaam; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden. 9 Bied weerstand aan hem, vast in het geloof, in de wetenschap dat hetzelfde lijden ook aan al uw broeders in de wereld opgelegd wordt” (1 Petrus 5:8-9). “En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht. 15 Het is dus niets bijzonders als ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars van gerechtigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken” (2 Korinthiërs 11:14-15).

Satan gebruikt vermomming, bedrog, misleiding om zijn zaak van rebellie en zonde te bevorderen.

“En opdat ik mij door het allesovertreffende karakter van de openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen” (2 Korinthiërs 12:7).

Satan valt ook rechtstreeks aan. Dit is de reden waarom ons een geestelijke wapenuitrusting is gegeven, niet om agressors te zijn maar opdat de Heer onze strijd zou leiden:

“Bekleed u met de hele wapenrusting van God, opdat u stand kunt houden tegen de listige verleidingen van de duivel. 12 Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten. 13 Neem daarom de hele wapenrusting van God aan, opdat u weerstand kunt bieden op de dag van het kwaad, en na alles gedaan te hebben, stand kunt houden” (Efeziërs 6:11-13).

Wij voeren strijd tegen hun invloeden in onze wereld waarbij zij de mensen wegtrekken van de waarheid door hun bedrog en verblinding (met betrekking tot het Evangelie: 2 Korinthiërs 4:3-4), en wij kunnen die omkeren en hen vrijmaken door de waarheid te verkondigen. Er komt een tijd (de verdrukking van de 70ste jaarweek) dat er een oorlog zal komen in de hemel, die uitgevochten wordt door de heilige engelen tegen de gevallen engelen, en dan zullen Satan en zijn demonen uit de hemel gestoten worden en op aarde nog een korte tijd verblijven:

“Toen brak er oorlog uit in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, ook de draak en zijn engelen voerden oorlog. 8 Maar zij waren niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. 9 En de grote draak werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt. Hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen. 10 En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is gekomen de zaligheid, de kracht en het koninkrijk van onze God en de macht van Zijn Christus, want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen.”(Openbaring 12:7-10).

Zeker, dit is wat er bedoeld wordt met “de god van deze wereld” (2 Korinthiërs 4:4), die de naties misleidt door zijn bestuur. Hij zal in de verdrukking een namaak-Christus, de Antichrist, induceren om nog grotere controle te verwerven. Pas in die tijd zal hij geen toegang meer hebben tot de hemel en tot God en zal hij begrensd zijn tot de aarde. Dit zal hem er echter niet van weerhouden God uit te dagen met behulp van hen die in zijn macht zijn:

“En het opende zijn mond om God te lasteren, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tent en hen die in
de hemel wonen” (Openbaring 13:6).

 

 

hoofdstuk 12 ; de vrouw en de draak, strijd in de hemel

de vrouw en de draak ; strijd in de hemel Openbaring 12

 

pasteltekening van John Astria

 

 

 

Het einde van Satans invloed

 

Wanneer Jezus fysisch naar de aarde is teruggekomen verwijdert Hij eerst de wetteloze, de mens der zonde uit de mensheid. In 2 Thessalonicenzen lezen we over die wederkomst van Christus:

“En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn
mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst” (2 Thessalonicenzen 2:8).

De Heer “verteert” deze wetteloze als eerste, met Zijn woord, en werpt het “beest” en de “valse profeet” (dat is de Antichrist) in de hel, de poel van vuur (Openbaring 19:20). Maar toch blijft de mens, los van de invloed van duivel en demonen op het wereldsysteem, nog steeds verantwoordelijk voor zijn zonde. Na de wetteloze komt ook de slang aan de beurt, nadat Jezus is wedergekomen:

“En ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. 2 En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en bond hem voor duizend jaar, 3 en wierp hem in de afgrond [= Abyssos], en sloot hem daarin op en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer zou misleiden, totdat de duizend jaar tot een einde gekomen zouden zijn. En daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten” (Openbaring 20:1-3).

De duivel zal verwijderd zijn uit het duizendjarige vrederijk, wanneer Christus regeert (Jesaja 9:6-7) vanaf Davids troon over de naties. Maar allen die in die duizend jaar geleefd hebben (Jesaja 65) zullen nadien op de proef gesteld worden door de Satan die losgelaten zal worden om te doen wat voor hem natuurlijk is: bedriegen en oorlog stoken.

“En wanneer die duizend jaar tot een einde gekomen zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. 8 En hij zal uitgaan om de volken te misleiden die zich in de vier hoeken van de aarde bevinden, Gog en Magog, om hen te verzamelen voor de oorlog. En hun aantal is als het zand van de zee. 9 En zij kwamen op over de breedte van de aarde, en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen. 10 En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid” (Openbaring 20:7-10).

De duivel zal in de Abyssos duizend jaar verblijven terwijl Jezus regeert op aarde. Daarna zal zal hij bevrijd worden om een laatste maal te misleiden, en daarna wordt hij gegrepen en in de hel geworpen, voor eeuwig. Een gepast einde voor degene die zowel engelen als mensen deed afwijken van God.

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria