Onkruid soorten in ons land – letter W

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Walstrosoorten (Rubiaceae)

 

Aan de vier Walstro soorten die we hier behandelen is het gemakkelijk te zien dat ze tot dezelfde groep behoren. De gemeenschappelijke kenmerken zijn de bladeren – in kransen rond de stengel; de bloemen – altijd met vier bloemblaadjes en gerangschikt in bijschermen die uit de bladoksels ontspringen; de ronde groene vruchten – harig of met harige borstels, waardoor ze de gewoonte hebben zich vast te hechten aan alles wat ze aanraakt. Het zijn alle vier lage kruiden, hoewel vooral Kleefkruid soms een dichte wirwar van stengels vormt die over andere planten heen groeit en ze verstikt. Het wortelstelsel dat deze uitbundige groei schraagt is opvallend klein en bestaat slechts uit enkele vertakte haar-dunne wortels.

 

 

Kruisbladwalstro

 

KRUISBLADWALSTRO (Galium cruciata) is een overblijvende plant met kleine gele bloemen die in bijschermen boven de uit vier bladen bestaande bladkransen staan. De stengels zijn behaard en vierkant. De langwerpig-elliptische bladeren met hun drie nerven zijn tot 2,5 cm lang, aan beide zijden ruw behaard en geelachtig-groen. Kruisbladwalstro bloeit in de periode april-juni en soms opnieuw in augustus. Deze soort komt in geheel Europa voor, behalve in het noorden. In ons land zullen we hem slechts zelden als een echt onkruid tegenkomen. In het wild is hij vooral te vinden langs de grote rivieren en in Limburg, zowel op zand als op klei.

 

kruisbladwalstro

 

 

 

 

 

 

Kleefkruid

 

Galium aparine heeft als officiële Nederlandse naam KLEEFKRUID, een zeer toepasselijke naam voor dit meest algemene lid van de Walstrogroep. De stengels worden tot 1,5 m lang en klimmen met behulp van omlaag gerichte weerhaakjes op en over andere planten heen. Kleefkruid is door zijn lastig gedrag een van de vervelendste onkruiden en groeit langs heggen en op gestoorde grond. Zijn voorkeur gaat echter uit naar ene goed bewerkte leem- of kleigrond met voldoende voedingsstoffen en humus.

De lancetvormige bladeren staan met zes tot acht bijeen in een krans; ze zijn het breedst boven het midden, hebben één duidelijke nerf en zijn aan de rand voorzien van naar achteren gerichte stekeltjes. De bloemen staan in tegenstelling tot de meeste andere Walstro-soorten met weinige (2-5) bijeen. Toch kan iedere plant wel zon 300-400 zaden voortbrengen. Kleefkruid is een- of tweejarig en bloeit van mei tot diep in de herfst. Het groeigebied omvat geheel Europa, het aangrenzende deel van Azië en Noord-Amerika.

 

kleefkruid

 

 

 

 

 

 

Liggend Walstro

 

LIGGEND WALSTRO (Galium hercynium) is een klein, zoden-vormend plantje dat van nature vrij algemeen voorkomt op droge hei-, zand- en veengrond en in droge zure bossen. De bladeren staan meestal met zessen bijeen in een krans; de vorm ervan is aan niet-bloeiende stengels omgekeerd lancetvormig. Langs de rand dragen de bladeren kleine, schuin naar voren gerichte voren gerichte stekeltjes. De bloeiende stengels liggen op de grond en staan aan het einde rechtop. De kleine witte bloemen staan in dichte bijschermen en verschijnen in juni tot september. Bij het drogen wordt de plant zwart. Liggend walstro komt in de meeste delen van Europa voor, met uitzonderen van het zuidoosten.

 

 

 

 

 

 

 

Echt of geel Walstro

 

Tenslotte hebben we dan nog ECHT WALSTRO (Galium verum), een overblijvende plant die in hoogte varieert van 5 cm tot 1.20 m (meestal echter niet hoger dan zo’n 60 cm). De bladeren zijn eennervig en lijnvormig, ze staan in kransen van 8-12 en hebben een omgerolde rand. Ze hebben een donkergroene kleur, zijn van boven ruw en aan de onderkant vaak behaard.  De vele kleine, gele bloempjes, die samen een opvallende, slanke pluim vormen, verschijnen van juni tot in de herfst en geuren in verse toestand naar honing. Worden ze gedroogd dan krijgen ze de geur van cumarine, een anti-stollingsmiddel, dat ruikt naar hooi.

Vreemd genoeg bevatten de bloemen van Echt walstro ook een stof die in omgekeerde richting werkt en gebruikt werd (en wordt) als bloedstelpend middel en voor het stremmen van melk bij de bereiding van kaas. In de Schotse Hooglanden werden de wortels samen met aluin gebruikt om stoffen rood te verven. De plant komt in vrijwel geheel Europa voor, in ons land alleen op droge zand- en kalkgrond en op grazige plaatsen in de duinen.

 

 

 

 

 

 

 

De Weegbreesoorten (Plantaginaceae)

 

 

Grote Weegbree

 

GROTE WEEGBREE (Plantago major) is een overblijvende plant met eironde of ellipsvormige bladeren die in een rozet bij elkaar staan. De bladeren zijn kaal of verspreid behaard en hebben een tamelijk lange steel. De kleine, bruinachtige bloemetjes zitten in een lange, cilindervormige aar en verschijnen van mei tot en met november. Grote weegbree is misschien wel het meest verspreide onkruid ter wereld: ‘het voetspoor van de blanke’. Komt vooral voor op plaatsen waar veel gelopen wordt. In ons land zeer algemeen.

 

 

 

 

 

 

 

Smalle Weegbree

 

Zoals de naam al aangeeft is SMALLE WEEGBREE (Plantago lanceolata) gemakkelijk van de vorige soort te onderscheiden. Deze overjarige plant heeft lancetvormige bladeren met opvallende nerven; ze liggen in een rozet op de grond of staan min of meer rechtop. De aren zijn veel korter: eivormig-langwerpig, later zelfs rolrond. De bloemkroon is doorschijnend, de helmdraden geelachtig wit. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. Dit onkruid is haast net zo verspreid als de vorige soort en in ons land eveneens zeer algemeen, vooral langs wegen en dijken en in grasland.

 

Smalle weegbree

 

 

 

 

 

 

Wikkes (Papilionaceae)

 

 

Voederwikke

 

VOEDERWIKKE (Vicia sativa var. Sativa) is een eenjarige, kruipende of klimmende plant met stengels die 30 tot 90 cm hoog of lang worden. De vlinderbloemen, met blauw-paarse vlag en purperen zwaarden, staan in de bladoksels, afzonderlijk of in paren. De steunblaadjes onder de bloem zijn getand en meestal voorzien van een donkere honingklier. De in een punt uitlopende peulen zijn meestal kort behaard, 4-8 cm lang en 7-8 mm breed, met tien of twaalf gladde, ronde zaden.

De bloeitijd is mei-juli. Sativa betekent gekweekt of gezaaid; deze plant is dan ook al lang in cultuur als voederplant en hij is in gematigde luchtstreken wijd verbreid. De bladeren zijn geveerd, met 4-7 paren ovale blaadjes met stompe of enigszins ingekerfde toppen. In plaats van een topblaadje is er een in drieën gevorkte hechtrank die de plant gebruikt bij het klimmen.

 

 

 

 

 

 

 

Smalbladige wikke

 

De SMALBLADIGE WIKKE lijkt veel op de voorgaande en dat is geen wonder, want het is een ondersoort van dezelfde Vicia sativa (Vicia sativa ssp. Angustifolia). Bij deze ondersoort zijn de bloemen kleiner en de peulen meestal korter en smaller. De blaadjes waaruit de onderste bladeren zijn opgebouwd zijn gewoonlijk omgekeerd eirond tot omgekeerd hartvormig, die van de bovenste echter lancet- of lijnvormig (vandaar de naam). De bloemen zijn roodpaars van kleur, of ze hebben een paarse vlag en rode zwaarden. De bloeitijd is mei, juni.

 

 

 

 

 

 

 

Vogelwikke

 

VOGELWIKKE (Vicia cracca) is een overblijvende klimplant met veelbloemige trossen van mooie blauw-paarse bloemetjes. De trossen staan op lange stelen uit de oksels van de bladeren. Deze staan afwisselend en zijn geveerd; ze hebben 6-12 of meer paren heel smalle blaadjes (lancetvormig bij de onderste, lijnvormig bij de bovenste bladeren) en een in twee tot vijf delen gevorkte hechtrank. De bloeitijd is juni-augustus en de plant kan tot 1,20 m hoog klimmen. Het verspreidingsgebied omvat geheel Europa en Noord-Amerika. In ons land algemeen in heggen, in kreupelhout, op akkers, langs wegen en aan de waterkant.

 

 

 

 

 

 

 

Vierzadige of Ringelwikke

 

VIERZADIGE WIKKE (Vicia tetrasperma) is nog zo’n tengere, eenjarige klimmer. Bij deze soort staan de bloemen echter meestal met 3-5 bijeen (soms 1-2, een enkele maal tot 10). De bloemkroon is blauwachtig wit. De peul is behaard en bevat gewoonlijk twee zaden. De lang-gesteelde, afwisselend staande bladeren hebben 4-8 of zelfs tien paar lijnvormige tot langwerpige blaadjes en een 2-4 delige hechtrank. Ringelwikke wordt 30 tot 60 cm hoog en bloeit van mei tot en met augustus. Komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land algemeen op zandige akkers, tussen kreupelhout en in ruigten.

 

 

 

 

 

 

 

Wilde cichorei (Compositae)

 

De WILDE CICHOREI (Cichorium intybus) behoort tot de familie der Samengesteldbloemigen en vertoont zijn fraaie helderblauwe bloemen in juli en augustus, soms ook nog wel later in het jaar. Ondanks de mooie bloemen is deze plant echter niet zo welkom in de tuin, vooral niet in het gazon, waar zijn diepe penwortel en ruwe taaie stengels hem tot een geduchte tegenstander maken. In de border kunnen deze penwortels evenwel nuttig werk verrichten doordat ze de ondergrond voor andere planten toegankelijk maken. Wilde cichorei wordt 15 tot 120 cm hoog, in goed bewerkte grond echter wel tot bijna 2,5 m!

De laagste bladeren zijn lang en getand met een stevige middennerf en lijken daardoor veel op die van de Paardenbloem. De bladeren op de bloeistengels zijn stengelomvattend en worden naar boven toe steeds smaller. De bloemen gaan ’s morgens open en sluiten zich ‘s middags weer, maar iedere uitgebloeide wordt door een nieuwe opgevolgd.

Cichorei wordt sinds vele eeuwen ook gekweekt; de gedroogde wortels leveren surrogaatkoffie. De wortels worden door de Arabieren gegeten en het is van hun woord chicouyeh dat de Nederlandse naam is afgeleid. De Romeinen gebruikten de plant als salade, zoals wij nog wel doen met het Witlof dat eveneens van deze plant afkomstig is. Kruidendokters gebruiken Cichorei tegen reumatiek en leverkwalen.

Wilde cichorei komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. Bij ons in het wild vooral te vinden in het rivierengebied langs wegen en dijken en op droge grasgrond.

 

 

 

 

 

 

 

Wilgeroosjes en verwanten (Onagraceae)

 

Wilgenroosje

 

WILGENROOSJE (Chamaenerion angustifolium) heeft een voorkeur voor plaatsen waar door bepaalde omstandigheden stikstof vrijkomt. We moeten dan denken aan kapvlakten in het bos, plaatsen waar hout verbrand is en dergelijke. In de sombere dagen van de Tweede Wereldoorlog en de jaren daarna was Wilgenroosje een bekende verschijning in de gebombardeerde steden. Het is een mooie plant met zijn lange bloemtrossen van vrolijke lila bloemen in de maanden juni-september.

Op een gunstige plaats kan deze overblijvende plant wel 1,50 m hoog worden. De langwerpige lancetvormige bladeren, die soms kleine tandjes langs de rand hebben, staan afwisselend en spiraalsgewijs langs de stengels; aan de top veranderen ze in schutblaadjes en in de oksel van elk daarvan groeit een bloem. De bloemen zijn de moeite van het bekijken waard: vier ongelijke bloembladen met een donkerder lila vlek die als honingmerk dient en lange lila meeldraden die in een groepje neerhangen. Het vruchtbeginsel is zeer lang en lijkt op het eerste gezicht op een bloemsteel.

Wilgenroosje komt voor in het noordelijk deel van Europa, in Noord-Amerika en in Noord-Azië (tot in het poolgebied). In ons land plaatselijk zeer algemeen. Vanwege zijn schoonheid werd de plant in vroeger tijd als sierplant gekweekt, maar door de sterk woekerende wortels, die overal nieuwe scheuten doen ontstaan, is het wat we noemen een onkruid geworden. Ook door middel van zaad gaat de verspreiding snel in zijn werk. De openbarstende vruchten laten een wolk van parachutes vrij, gemiddeld 380 per vrucht ofwel 80.000 per plant.

 

 

 

 

 

 

Harig Wilgenroosje

 

HARIG WILGEROOSJE draagt de wetenschappelijke naam Epilobium hirsutum. Vroeger werd Wilgenroosje tot ditzelfde geslacht gerekend, maar meestal wordt die soort tegenwoordig bij een ander geslacht ondergebracht, zoals we hierboven gezien hebben. Harig wilgenroosje kan eveneens een hoogte van 1,50 m bereiken. De betiteling harig is heel toepasselijk: de stengels zijn bezet met lange, afstaande haren; de afwisselende, lancetvormige, stengelomvattende bladeren zijn aan beide zijden behaard, speciaal op de nerven.

De bloemen zijn groot, 2-2,5 cm in doorsnee; de vier purperkleurige bloembladen zijn aan de top iets ingekeept. Deze overblijvende plant bloeit van juni tot en met oktober. De verspreiding vindt plaats door middel van de vlezige, ondergrondse uitlopers en de grote hoeveelheden zaad. De plant komt voor in geheel Europa en in delen van Noord-Amerika. Bij ons algemeen in vochtige bossen, langs de waterkant en op moerassige plaatsen.

 

harig wilgenroosje

 

 

 

 

 

 

Kleinbloemige Basterdwederik

 

KLEINBLOEMIGE BASTERDWEDERIK (Epilobium parviflorum) is in alle delen kleiner en de bladeren zijn smaller dan bij de vorige soort. De hoogte is 15 tot 60 cm. Er zijn nog andere verschillen tussen deze soort en de vorige: in plaats van kruipende, ondergrondse stengels heeft Kleinbloemige Basterdwederik bovengrondse, bebladerde uitlopers en de haren op de stengels zijn zacht en de stempels staan op ongeveer dezelfde hoogte als de meeldraden, terwijl die van Harig wilgenroosje boven de langste meeldraden uitsteken. Het verspreidingsgebied omvat Europa, West-Azië en Noord-Afrika. In ons land algemeen op ongeveer dezelfde plaatsen als de vorige soort.

 

 

 

 

 

 

Bergbasterdwederik

 

BERGBASTERDWEDERIK (Epilobium montanum) heeft kleine roze, een enkele maal witte bloemen. Deze staan aan de top van de vaak roodachtige, kort behaarde stengel; de bloemblaadjes zijn diep ingesneden. De bladeren zijn meestal tegenoverstaand, soms in kransen van drie; ze zijn kort gesteeld, eirond of eirond-lancetvormig en getand. Deze plant wordt 30-60 cm hoog en bloeit van juni tot en met september. Het verspreidingsgebied omvat Europa, Noord- en Midden-Azië. Hier te lande vrij algemeen op vochtige plaatsen, onder hakhout, aan heggen en in bossen.

 

bergbasterwederik

 

 

 

 

 

 

 

Windes (Convolvulaceae)

 

Onder de naam Winde wordt een aantal zeer lastige en moeilijk te bestrijden onkruiden samengevat. Ze overgroeien en verstikken allerlei andere planten en uit hun diepe penwortels komen ontelbare ondergrondse uitlopers die weer nieuwe planten vormen. Ze bloeien de hele zomer en maken overvloedig zaad. Als u Windes de baas kunt worden mag u zich tot de goede tuinlieden rekenen.

 

 

Haagwinde

 

HAAGWINDE (Calystegia sepium) is een plant die algemeen voorkomt in heggen, tussen kreupelhout en in rietlanden. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van Europa via Azië tot in Noord-Amerika. De Engelse naam Hedge lily ofwel Heggelelie verwijst naar de mooie witte, soms roze, trompetvormige bloemen, die bijna 5 cm in doorsnee zijn. De Haagwinde is een stevige klimmer, die verscheidene meters hoog kan worden als hij een geschikte steun vindt. De groei kan zo sterk zijn dat de dichte bedekking van pijlvormige bladeren een struik die er onder schuilgaat bijna kan verstikken.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gestreepte Winde

 

Een nauw verwante soort is de GESTREEPTE WINDE (Convolvulus silvatica), oorspronkelijk afkomstig uit het oostelijk Middellandse-zeegebied, maar soms verwilderd voorkomend. Deze heeft nog grotere bloemen (5-7 cm doorsnee) en grote bladeren, die vaak ook donkerder en meer blauw-groen van kleur zijn. Het kenmerkendste verschil tussen de twee soorten zit echter in de schutbladen onder de bloemen. Bij Haagwinde zijn deze niet of nauwelijks opgeblazen en ook overlappen ze elkaar niet, waardoor de kelk zichtbaar blijft. Bij de Gestreepte winde zijn ze sterk opgeblazen, waardoor ze de kelk geheel verbergen. Beide soorten hebben dezelfde bloeitijd.

 

gestreepte winde

 

 

 

 

 

 

Akkerwinde

 

AKKERWINDE (Convolvulus arvensis) is een van de dertig onkruiden in de Verenigde Staten die door de Amerikaanse onkruiddeskundige M.A. McCall werd beschreven als in ieder opzicht schadelijk. Hij ontwierp een tabel met tien kenmerken die ieder op zich voldoende waren om een plant tot onkruid te bestempelen. Akkerwinde vertoonde alle tien de kenmerken! Toch is het een aardige plant om te zien, met zijn roze-en-wit gestreepte trechterbloemen.

Het is een overblijvende soort waarvan de ondergrondse stengels in één seizoen een oppervlakte van zo’n vierkante meter in beslag kunnen nemen. De wortels kunnen wel 7 m diep de grond in gaan. Een enkele plant kan ongeveer 550 zaden produceren, dus het is zaak de bloemen af te plukken voor ze zaad kunnen zetten. Daarnaast moet u de plant uitputten door voortdurend de bladeren weg te nemen en de wortels te verwijderen. Het is gewoon een kwestie wie het ’t langst volhoudt, de Akkerwinde of u.

De stengels klimmen tegen de wijzers van de klok in rond de stengels van andere planten. De bladeren staan afwisselend, zijn hoogstens 5 cm lang en hebben een pijlvorm. De 2,5 cm diepe bloemen zijn welriekend en voorzien van honing; ze staan op lange stelen in de bladoksels. De schutbladeren laten de kelk vrij. Het verspreidingsgebied is ongeveer als dat van de Haagwinde.

 

 

akkerwinde

 

 

 

 

 

Zwaluwtong

 

De ZWALUWTONG (Polygonum convolvulus) hoort niet thuis in de Windefamilie maar wordt toch op deze plaats besproken, omdat hij het gedrag en het uiterlijk van een winde heeft, zoals ook tot uiting komt in de wetenschappelijke benaming. Ook het verspreidingsgebied is ongeveer hetzelfde las van Akker- en Haagwinde. Vooral te vinden op bouwland, maar ook op ruige plaatsen en in hegge. Zwaluwtong heeft een voorkeur voor kleigrond die veel voedingsstoffen bevat en licht zuur is.

De bloemen laten onmiddellijk zien dat het geen echte Winde is. Ze zijn heel klein, onopvallend witachtig groen en kort=gesteeld, met 2-6 bijeen in een losse bloeiwijze. De bladeren, bijna glad van boven en als met meel bestoven aan de onderkant, zijn echter weer net als bij de Windes afwisselend geplaatst en pijlvormig. De bloeitijd is van juli tot de herfst en iedere plant brengt tot 200 zaden voort.

 

 

 

 

 

 

 

Wolfsmelk en Bingelkruid (Euphorbiaceae)

 

De Wolfsmelk-soorten zijn bekend vanwege het (meestal) giftige melksap dat tot hevige irritatie kan leiden wanneer het in een wondje of in de ogen terechtkomt. Bij enkele buitenlandse soorten kan dit zelfs tot blindheid leiden! Een ander kenmerk van deze groep is de gelig-groene kleur van de bladeren en de bijzonder bloembouw. De planten vormen namelijk geen gewone bloemen maar de bloemen zijn naakt, dat wil zeggen niet voorzien van bloembladeren.

Ze zitten in een kleine bloeiwijze, het zogenaamde cyathium; dit wordt gevormd door één vrouwelijke bloem (alleen bestaande uit een vruchtbeginsel op een steeltje dat bij rijpheid in de lengte uitgroeit), omringd door een aantal mannelijke bloemen, die alleen bestaan uit een meeldraad op een steeltje. Het geheel is omgeven door een omwindsel. De botanische naam is afgeleid van Euphorbus, de lijfarts van koning Juba II van Mauritanië, die waarschijnlijk als een van de eersten de medicinale eigenschappen van het melksap toepaste.

 

 

Tuinwolfsmelk

 

Een van de meest algemene soorten in ons land, zowel in het wild als in de tuin, is TUINWOLFSMELK (Euphorbia peplus), een tot 30 cm hoog wordende eenjarige plant met een vertakte stengel. De bladeren zijn kort-gesteeld, kaal en eirond tot cirkelrond. De bloemen staan in een drie-stralig scherm; onder het geheel zit een krans van drie bladeren en onder iedere vertakking zitten twee bladeren. De plant bloeit van juli tot in de herfst en is verspreid over geheel Europa en in Noord-Amerika. Bij ons algemeen op akkers, in moestuinen en langs heggen. Iedere plant brengt ongeveer 1200 zaden voort.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kroontjeskruid

 

KROONTJESKRUID (Euphorbia helioscopia) is inheems in Europa en West-Azië. De bladeren zijn omgekeerd eirond, naar de voet toe versmald en aan de top fijn getand. De bloemschermen zijn meestal vijf-stralig; aan het eind van iedere straal zit onder de bloemen een krans van drie bladeren. De plant wordt 5 tot 30 cm hoog. Bloeit van mei tot in de herfst. In ons land algemeen op akkers en in moestuinen.

Overblijvend Bingelkruid en Eenjarig Bingelkruid  behoren wel tot dezelfde familie, maar tot een ander geslacht. Ze hebben geen melksap.

 

 

 

 

 

 

 

Overblijvend of Bosbingelkruid

 

OVERBLIJVEND BINGELKRUID of BOSBINGELKRUID (Mercurialis perennis) is een behaarde overblijvende plant met lange kruipende ondergrondse uitlopers waaruit rechtopstaande stengels tevoorschijn komen van 20-40 cm hoog. De lange ovale bladeren hebben getande randen. In ons land zeldzaam voorkomend.

 

 

 

 

 

 

 

Tuinbingelkruid

 

EENJARIG BINGELKRUID  of TUINBINGELKRUID (Mercurialis annua) is net als de vorige soort sterk giftig. De plant heeft een rechtopstaande kale stengel met vertakkingen en wordt eveneens 20-40 cm hoog. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst. De ovaal-lancetvormige, getande bladeren zijn tegenoverstaand; de kleur is glanzend lichtgroen. De plant verspreidt een zeer onaangename geur. De bloemetjes zijn groen; de mannelijke staan in lange aren die uit de oksels tevoorschijn komen, de vrouwelijke staan meestal met twee tezamen  in de oksels. Eenjarig bingelkruid is in tuinen en bij bebouwing meer algemeen dan in het wild. In ons land vooral voorkomend in het zuiden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.