Categorie : mode en kledij
Christian Dior – 2017 – spring ready to wear






































































































































De Jugendstil was een reactie op het eclecticisme van de 19de eeuw. Deze stijl met vloeiende lijnen en gestileerde bloemen werd na 1900 toegepast op meubels, vazen, sieraden, stoffen en affiches. Iets dergelijks zien we in de ontwikkeling van het kostuum. Na een eeuw van kostuums met een fraaie buitenkant over een ongemakkelijke binnenkant zou de vrouwenkleding in de 20ste eeuw steeds meer rekening gaan houden met het comfort en de persoonlijkheid van de draagster. Een begin hiervan werd gemaakt met de reformkleding
De kleding van de vrouw was een weerspiegeling van de luxueuze levensstijl in het begin van deze eeuw. De reformjapon werd spottend ‘hobbezakjurk’ genoemd , want hij was recht van snit en werd vaak zonder korset gedragen. De enige garnering was opgestikt band in slingermotieven. Een groot contrast hiermee vormden de luxueuze namiddagjaponnen in pasteltinten met veel kant en elegante tailleurs in de S-lijn. Deze lijn werd verkregen door het gezondheidskorset of droit- devant. Het was even weinig gezond als de vroegere korsetten; het maakte de buik plat, achterwerk en boezem staken uit.
De mantel: vooral driekwartmantels met ruime mouwen.
De onderkleding: hemd en onderbroek of combination, droit- devant korset. Voor jonge meisjes het zg. schoolkorset.
Het haar: opgestoken haar, bol rondom het hoofd.
De hoed: platte hoed met veel kunstbloemen. Ook kinderen droegen buitenshuis altijd iets op het hoofd, jongens een pet, meisjes een hoed.
De accessoires: paraplu, handschoenen, kam van schildpad, kragen en shawls van bont, waaiers van veren boord.
De schoenen: elegante instapschoenen met strikjes. Knooplaarsjes onder voetvrije sportsokken
De kleding van de man had als kleine verandering dat het costume-veston, het gewone pak voor overdag, wat meer zakken met zakkleppen vertoonde.
De mantel: de rechte overjas was iets korter dan vroeger en werd vaker gedragen dan de pardessus. Warme bontjassen voor autorijdende mannen.
De sportkleding: steeds meer speciale kleding voor bepaalde sporten. Bijvoorbeeld: voor tennis een lange lichte flannel broek in een streepdessin, gedragen met wit hemd met slappe boord en witte pet met grote klep. Roeien, hardlopen en voetballen werd gedaan in kniebroek en flanellen hemd.
Accessoires bij het sportieve pak waren strohoed en felgekleurde wollen das.
Het haar: tamelijk kort. Opvallend grote snorren.
De hoed: voor overdag vooral de bolhoed en de Homburghoed.
De schoenen: voor ’s zomers tweekleurige molières (bruin met wit of zwart met wit). Minder knooplaarzen, meer veterschoenen.
De opvoering van Rimski-Korssakovs Sheherazade door het Russische ballet in Parijs, heeft een onmiskenbare invloed gehad op de mode na 1910. De door Leon Bakst ontworpen exotische, fel gekleurde kostuums vormden voor Paul Poiret een nieuwe inspiratiebron. Zijn ontwerpen zoals tunieken en kimono’s gaven blijk van oosterse invloeden en hij creëerde een nieuw silhouet: slank en soepel.
De kleding van de vrouw kreeg een volledig ander silhouet: van boven breed, naar onder toe smal uitlopend. Het lichaam werd niet langer in de taille ingesnoerd. Japonnen hadden een hoge taille, een ‘strompelrok’ en dikwijls een tunica (lampekapsilhouet).
De mantel: minder mantels maar veel mantelkostuums met een tamelijk lang jasje en een zeer nauwe rok, vaak voorzien van splitten. Zeer modieus: het kimonojasje dikwijls afgezet met bont of struisveren.
De sportkleding: voor het eerst badkostuums uit één stuk, met pijpen tot de knieën, gemaakt van wollen tricot en gedragen met zwarte kousen en badschoentjes.
Het haar: losjes opgestoken, soms gekrulde pony.
De hoed: aanvankelijk erg groot met veel garnering. Poiret bracht ook kleine tulbandkapjes met aigrettes.
De accessoires: ceintuurs, hoedenspelden, Jugendstil sieraden van vensteremail. De eerste lippenrouge uit een potje. Poiret creëerde een eigen parfum.
De schoenen: nog veel knooplaarsjes, maar meer en meer laag uitgesneden schoentjes met halfhoge hakken (pumps).
De kleding van de man onderging slechts summiere veranderingen. Het kostuum bestond nog steeds uit jasje, broek en vest van dezelfde stof, een wit hemd met losse boord en een strikje of geknoopte das .
De mantel: voor op reis een lange, rechte jas; voor de stad een wat kortere, getailleerde jas.
De hoed: bolhoed, Homburghoed, hoge hoed en strohoed. Petten voor sportieve doeleinden en op reis.
De accessoires: dasspeld, horlogeketting, manchetknopen, wandelstok met ivoren of zilveren knop, handschoenen.
In deze periode was West-Europa in beroering door de Eerste Wereldoorlog. De afwezigheid van de mannen vereiste van de vrouwen zelfstandigheid. Dit had uiteraard invloed op de mode. We zien dan ook na 1914 dat de strompelrok werd vervangen door een meer praktische wijde, kortere rok. Voor het eerst zien we Amerikaanse invloeden op de Europese cultuur, vooral uit de wereld van het amusement. De dixiland jazz en de stomme film werden snel populair.
De kleding van de vrouw was in enkele jaren volledig van silhouet veranderd. De japon had brede schouders, brede revers aan een kraag die opvallend hoog in de nek opstond, een wijde rok en een slanke taille. Omdat veel vrouwen in de rouw waren lag in de modetijdschriften de nadruk vooral op zwarte kleding, rouwsluiers enz.
Coco Chanel werkte tijdens de Eerste Wereldoorlog in een veldhospitaal in Deauville, Frankrijk.
De donkerblauwe wollen jakken en pullovers van de mariniers inspireerden haar. Ze versierde ze met stiksels en hier en daar een broche en flaneerde ermee op de Promenade de Deauville. Veel dames uit die tijd volgden haar voorbeeld en schaften de oorlogscrinolines af. Ook al omdat ze in de shawlkraagjasjes met ceintuur en wollen jakken gemakkelijker hun werk konden doen. Een nieuw type jasje met een shawlkraag en een ceintuur werd veel gedragen.
De mantel: wijd model met hoog opstaande kraag, soms gedragen met een ceintuur.
Het haar: losjes opgestoken haar door een permanent gekruld.
De hoed: hoge toque of grote platte hoed met lint.
De accessoires: grote paraplu, handschoenen, mof.
De schoenen: onder de kortere rokken veel knooplaarzen. Schoenen met hakken en vetersluiting.
De kleding van de man kreeg in deze oorlogsperiode nog minder de aandacht dan al tientallen jaren het geval was geweest. Het jasje van het meestal grijze, zwarte of gestreepte costume-veston kon zowel van één als twee rijen knopen zijn voorzien. De lange pantalon had pijpen met ingeperste plooien en met omslagen.
De hoed: deukhoed, bolhoed, strohoed en (geruite) pet. Voor het eerst zag men mannen zonder hoofddeksel buitenshuis.
De accessoires: zie vorige periode.
De schoenen: veterschoenen, soms tweekleurig.
.
In tien jaar tijds was in het modebeeld niets meer te bespeuren van de wat decadente elegance van het begin van de twintigste eeuw. De vereenvoudiging die in de oorlog noodzaak was geweest, groeide nu uit tot een nieuwe stijl waarin de nadruk werd gelegd op bewegingsvrijheid.
De kleding van de vrouw was recht en sluik, met het accent op de heupen . De roklengte reikte aanvankelijk tot de enkel, na 1921 tot de kuit en werd na 1923 geleidelijk korter. De japon was meestal kraagloos met een V-hals, een ronde of een vierkante hals. Veelgedragen: het deux-pièces, dat bestond uit een rechte of geplooide rok met een lange blouse óver de rok.

De mantel: recht en lang. Meer mantelpakken, vaak gegarneerd met bont.
De avondjurk: rechte halflange japon, laag decolleté of alleen maar schouderbanden, de rok in ongelijke punten vallend.
Het haar: losjes opgestoken of strak weggekamd in een knotje op het hoofd .
De hoed: grote, platte hoed met garnering van bloemen of ver
De accessoires: kraag en mof van vossenbont , imitatiesieraden, bijvoorbeeld lange glazen of parelkettingen in combinatie met goudkleurige schakelkettingen, lange oorhangers.
De schoenen: laag uitgesneden pumps met spitse neuzen en banden over de wreef.
De mode van de jaren twintig werd sterk beïnvloed door de kunst en de architectuur. De golvende lijnen van de Jugendstil waren onder invloed van het kubisme (Picasso, Mondriaan) vervangen door strakke, rechthoekige vormen.n De nieuwe stijl heette: art déco.
De kleding van de vrouw was recht en kort. In 1927 was de rok het kortst, en wel tot op de knie.
De mantel: eveneens kort, met een brede schouderlijn, een diepe shawlkraag en vaak gegarneerd met vos.
De avondjurk: in deze periode werden voor het eerst korte avondjurken gedragen. Meestal een recht hemdjurkje met schouderbanden, vaak van doorzichtige stof. Avondmantels waren van zijde met struisveren; typerend voor deze tijd: het smokingjasje gedragen over de avondjapon.
De sportkleding: wollen badpak zonder mouwen, met halve pijpen. De eerste speciale skibroeken, een lang of driekwart pofbroekmodel.
Het haar: omstreeks 1925 hebben alle jonge en zich jong voelende vrouwen hun haar afgeknipt. Voor het eerst werd een door de zon gebruinde huid mode.
De hoed: cloche (pothoed) of helmhoed. Bij zomerjaponnen grote doorzichtige hoeden.
De accessoires: zeer belangrijk vanwege de eenvoudige kleding.
Lange shawls, art déco broches en poederdozen in email. Broches en armbanden van schildpad en ivoor. Lange Chanel-kettingen, oorhangers, enveloppetas (afb. 3), sigarettenpijpje. Klein model paraplu met geometrische motieven. De schoenen: iets minder puntige bandschoenen.
Door de belangstelling voor uitheemse culturen kwam slangen- en krokodillenleer in de mode .
.
De kleding van de man begon voor het eerst sinds honderd jaar wat meer variatie te vertonen. Het colbertjasje was korter en getailleerd. Men droeg veel blazers met grijze broeken..
Het haar: midden- of zijscheiding; smalle snor.
De hoed: vilten deukhoed, geruite wollen of linnen pet.
De accessoires: leren broekriem met gesp, vlinderdasje, pochet, zegelring met monogram, sigarettenkoker en sigarettenpijpje.
De schoenen: molières met ronde neuzen, vaak tweekleurig.
De ineenstorting van Wall Street (1929) en de economische noodsituatie waarin daarmee ook West-Europa kwam te verkeren, maakte een einde aan de ‘gay twenties’. Sterren werden geïdealiseerd en geïmiteerd. Kenmerkend voor de mode was dat de natuurlijke lichaamsvormen werden geaccentueerd en niet veranderd, zoals de modegeschiedenis tot dusver liet zien.
De kleding van de vrouw had een slank silhouet verkregen. De schouders waren enigszins verbreed.
Omstreeks 1939 japonnen met draperieën over boezem en heupen. Het driedelige Chanelpak was nu vaker van tweed dan van jersey en afgebiesd met tress.
De mantel: lang en smal, met een brede, schuine overslag.
De avondjurk: altijd langer dan de japon voor overdag.
De sportieve kleding: voor het eerst een tweedelig badpak.
Het haar: golven en krullen, halflang haar, ook opgestoken of gepermanent. Veel platinablond haar, weggeschoren wenkbrauwen en grote rood gestifte mond.
De hoed: klein, schuin op het hoofd geplaatst hoedje. Veel baretten. Herenhoed à la Garbo.
De accessoires: lange shawl, grote broches en oorknoppen, sieraden van email, ivoor en bakeliet. Met het zonnebaden kwam de zonnebril in de mode.
De schoenen: minder bandschoenen, meer pumps met dunne hakken. Slangenleer, krokodillenleer en suède Schoenen met open hiel en teen .
De kleding van de man was breed in de schouders en smal in de heupen. Het geklede pak met vest had een getailleerd jasje, sportieve colberts waren rechter van model.
De mantel: rechte wollen jas of demi (dunnere stof); gabardine regenjas met ceintuur.
Het haar: kort haar zonder scheiding of met een zijscheiding, glad gekamd met brillantine.
De hoed: deukhoed, pet.
De accessoires: dasspeld, handschoenen, sigarettenkoker, broekriem, polshorloge.






















































































































.
Johannes 17 : 3 > ‘’dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de enige ware God en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus.‘’
Openbaring 1 : 3 > ‘’gelukkig is hij die deze profetische woorden van de Here voorleest; en dat geldt ook voor de mensen die ernaar luisteren en het zullen onthouden. Want de tijd dat deze dingen werkelijkheid worden, komt steeds dichterbij.‘’
Openbaring 22 : 7 > Jezus zegt: ‘’ ja, ik kom gauw. Gelukkig is hij die de profetische woorden van dit boek onthoudt.‘’
.
.
.





De mens wordt naakt geboren, maar krijgt meteen een dekentje rond gewikkeld en tegenwoordig krijgt een pasgeboren baby dadelijk de eerste kleedjes aangetrokken die door de ouders werden meegebracht. Kledij heeft hier een dubbele functie: het biedt het pasgeboren kindje bescherming tegen de koude en het kan gezien worden als een verwelkomingsritueel.
Kledij beschermt de mens niet alleen tegen de kou of tegen schaamtegevoelens, maar onderscheidt mensen ook van elkaar. Kleding biedt groepsonderscheid wat men ziet bij sportteams, schooluniformen en jeugdverenigingen. Er is ook aparte kleding voor rechters, advocaten, soldaten, verpleegkundigen, bouwvakkers, etc.
Bovendien bestaat er ook gelegenheidskleding voor bruiloften, begrafenissen en vakantie. In de kerk is er ook liturgische kleding en hebben verschillende kleuren een eigen betekenis. Kleren maken de man. Kleding is heel belangrijk als je alleen al nagaat hoeveel spreekwoorden en gezegden er bestaan in verband met een hoed, pet, das, hemd, jas, broek, sokken of schoenen.
Kledij heeft doorheen de geschiedenis een functionele evolutie doorgemaakt waarbij het niet langer de beschermende factor tegen koude en andere weersomstandigheden is die primeert. Kledij is in de huidige westerse samenleving een uithangbord van de persoon geworden. In de straten en op school worden we geconfronteerd met de meest uiteenlopende klederdrachten.
We bemerken onmiddellijk een diversiteit aan stijlen. Mensen experimenteren met kledij, schoenen, juwelen en de gekste gadgets die ze vinden in modebladen, affiches langs de weg, etalages van de meest hippe of exclusieve winkels. Achter elke stijl kan een bepaalde levenswijze schuilgaan waarmee de persoon zich vereenzelvigt, al hoeft dat niet altijd zo te zijn.

Met kleding die bij je past, kun je jezelf zijn. Dat besef begint al op jonge leeftijd. Nadenken over het uiterlijk doet iedereen. Op school wordt men dikwijls op zijn uiterlijk beoordeeld. Het zijn meestal de kinderen die mooie kleren aan hebben die de groep leiden. Zij zijn ‘stoer’ en ‘cool’.
Jongens proberen heel erg op te vallen. Dat doen ze voor de meiden. De meiden proberen ook heel erg op te vallen. Jongeren zijn vaak sterk met hun kledij begaan. Opmerkelijk is dat binnen de vriendenkring dezelfde kledingstijl voorkomt. Om als adolescent geaccepteerd te worden binnen een bepaalde subcultuur moet er aangesloten worden bij het achterliggende van die groep.
De identiteit van de jongeren wordt grotendeels bepaald door de groep waarbinnen ze zich profileren. Er wordt van hen verwacht dat ze zich vereenzelvigen met de gangbare opinies van de groep. Jongeren bevinden zich constant in de spanning van het uniek zijn., Zich bewegen in een groep is vaak een ‘heen en weer’ tussen het eigen denken en dat van de groep. Dergelijk proces van meegaan en verzet is spanningsvol en belangrijk om zichzelf te leren kennen.
Een identiteit vormen zonder daarbij rekening te houden met de ander en het beeld dat de ander over ons heeft, is onmogelijk. Het uiterlijk van de ander zet (on)bewust aan tot het vormen van vooroordelen tegenover die persoon. Zo zie je bij jongeren dat de ene subcultuur de leden van een andere subcultuur vaak beschouwt als helemaal anders en zelfs als onverstaanbaar, tegenstrijdig en minderwaardig. Identiteitsbepaling door middel van kledij bevat een dubbel proces: een positieve identificatie met de ene subcultuur en een negatieve identificatie met de andere subcultuur, waarvan men zich absoluut wil onderscheiden.


Ook tussen religie en kledij is er een nauwe band. Denken we maar aan de burka’s of de hoofddoek, het traditionele kleed dat moslimmannen ook hier in Vlaanderen vaak dragen, aan het zwarte pak met boordje waaraan het meisje in de Coca-Cola-reclame in de aantrekkelijke surfer meteen een priester herkende. Door middel van kledij gaat men zich hier identificeren met de religieuze gemeenschap waartoe men behoort en zich onderscheiden van de anderen.
Dit zorgt al eens voor problemen. Denken we maar aan de hoofddoekenkwestie die in verschillende westerse landen op dit moment met pieken en dalen aan de orde van de dag is. Maar ook binnen religieuze gemeenschappen kan kledij gebruikt worden om zich te onderscheiden. Bijvoorbeeld de verschillende klederdracht van broeder- en zustergemeenschappen, de kledij waardoor de priester zich tijdens de liturgische dienst onderscheidt van het volk, etc.



Een aantal modefabrikanten doen meer dan kleding maken. Achter sommige kledingmerken zit een bepaalde filosofie. Het bekendste merk met een duidelijke boodschap is ongetwijfeld Benetton, dat op tijd en stond de wereld opschrikt met choquerende reclamecampagnes, zoals de copulerende paarden, de kussende priester en non en het met bloed doordrenkte pak van een Servische soldaat.
Maar ook de Nederlandse ontwerpster Cora Kemperman wil meer doen dan enkel en alleen kleding ontwerpen. Zij heeft de stichting Amma opgericht, een goede doelen stichting waarmee financiële hulp gegeven wordt aan de ontwikkelingslanden waar hun kledij ook voor een stuk geproduceerd wordt.


ECO meisjes – Amma stichting