Categorie archief: Beroemde mensen

Archimedes

Standaard

categorie : beroemde mensen

 

 

 

Archimedes, Gr.: Archimèdès (Syracuse, Sicilië, 287 v.C. – aldaar 212 v.C.), de grootste Griekse wiskundige, heeft volgens de overlevering in Alexandrië gestudeerd en heeft verder in Syracuse als adviseur aan het hof van Hiero II vertoefd. Hij is een van de weinige wetenschappelijke persoonlijkheden van de Oudheid van wier leven enige details zijn overgeleverd.

 

 

Zo verhaalt Vitruvius dat hij, nadat hij in het bad de zgn. wet van Archimedes over ingedompelde lichamen had gevonden, ongekleed naar huis liep, roepend: ‘Heurèka’ (Ik heb het gevonden). Plutarchus en anderen vermeldden dat hij gedurende het beleg van Syracuse door de Romeinen (214–212) oorlogsmachines samenstelde (o.a. grote katapulten en brandspiegels) en dat hij bij de inneming van de stad door een soldaat werd gedood, ondanks het bevel van de Romeinse bevelhebber Marcellus hem te sparen.

.

 

 

 

Archimedes verenigde in zijn werk de strengheid van het Grieks meetkundige denken met de rekenvaardigheid van de Oosterse wiskunde. Zijn betekenis ligt in de eerste plaats in zijn behandeling van vraagstukken die nu tot de integraalrekening worden gerekend.

In de verhandeling Over de bol en de cilinder bewees hij o.a. dat de inhoud van de bol gelijk is aan die van de omschreven cilinder. In ‘Over conoïden en sferoïden’ (twee boeken) bewees hij vele stellingen over inhouden van omwentelingsoppervlakken van kegelsneden. In ‘Over spiralen’ vindt men theorema’s over raaklijnen aan en oppervlakken gevormd door de spiraal van Archimedes. Zijn bekendste verhandeling is Cirkelmeting.

Archimedes is een van de grondleggers van de statica van vaste en vloeibare lichamen. In zijn twee boeken ‘Over het evenwicht van vlakken’ vinden wij de wet van de hefboom en beschouwingen over zwaartepunten; in zijn twee boeken ‘Over drijvende lichamen’ wordt niet alleen de ‘wet van Archimedes’ afgeleid, doch ook een aantal eigenschappen over het gedrag van omwentelingsparaboloïden die in een vloeistof zijn gedompeld.

In de Zandrekening wordt een methode gegeven om grote getallen uit te drukken; zijn methode is decimaal en berust op eenheden van hogere orde. Archimedes benoemde ook de bepaling van de dertien zgn. halfregelmatige lichamen (Archimedische lichamen).

Aan Archimedes zijn ook verscheidene uitvindingen toegeschreven, o.a. de schroef van Archimedes. Met zijn onderzoekingen over de hefboom is zijn (onderstelde) gezegde verbonden: ‘Geef mij een standplaats en ik kan de aarde bewegen’ (dos moi pou sto kai kino tèn gèn). Ook wordt aan hem een planetarium toegeschreven, waarvan men bij Cicero een beschrijving vindt.

 

 

Archimedes
Archimedes door Domenico Fetti, 1620[1]
Archimedes door Domenico Fetti, 1620
Algemene informatie
Volledige naam Archimedes van Syracuse
Geboren Syracuse287 v.Chr.
Overleden Syracuse212 v.Chr.
Beroep Wiskundigenatuurkundigeingenieuruitvinder en sterrenkundige
Bekend van Wet van ArchimedesSchroef van Archimedeshydrostaticastatica

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moeder Teresa

Standaard

categorie: beroemde mensen

 

 

Moeder Teresa, geboren in Macedonië (1910), geeft jarenlang les in Calcutta in India. In 1946 besluit zij zich in te zetten voor arme en zieke mensen. Ze sticht de orde van de Missionarissen van Naastenliefde. De organisatie is inmiddels een grote wereldwijde hulpverlener. Voor haar werk ontving Moeder Teresa vele onderscheidingen, zoals de Nobelprijs voor de Vrede. Toch was er ook kritiek op haar religieuze ideeën.

 

 

92ed2-mother-teresa1

 

 

Moeder Teresa werd geboren op 26 augustus 1910 in Skopje, in het huidige Macedonië, als Agnes Gonxha Bojaxhiu. Zij kwam uit een Albaanse familie en raakte op 12-jarige leeftijd overtuigd van haar roeping als missionaris van God. Toen zij achttien jaar oud was sloot zij zich aan bij de orde van de Zusters van Loreto en koos voor de naam Teresa, als eerbetoon aan de Heilige Theresia.

 

 

 

Moeder Teresa geeft les in Calcutta

 

Na enkele maanden scholing in Dublin vertrok Teresa in 1928 naar India. Op 24 mei 1931 werd zij daar officieel non en stuurden de Zusters van Loreto haar naar Calcutta. Daar ging zij lesgeven op de St. Mary’s school voor arme meisjes uit de sloppenwijken van de stad. Teresa leerde er zelf Bengaals en Hindi spreken en onderwees de kinderen in aardrijkskunde en geschiedenis.

In 1937 legde Teresa voor de tweede keer haar gelofte af dat zij zich in armoede en volgens de regels van de orde in zou zetten voor de samenleving, iets dat zij bij haar benoeming tot non ook al had moeten doen. Vanaf dat moment ging zij ‘Moeder’ Teresa heten.

 

 

 

Roeping van Moeder Teresa

 

Tijdens een treinreis naar Darjeeling, waar de orde haar hoofdvestiging had, kreeg Teresa naar eigen zeggen van God de opdracht om voor de armen te zorgen. Doordat zij gehoorzaamheid had gezworen aan de orde duurde het nog anderhalf jaar voor zij in 1948 toestemming kreeg. Ze volgde zes maanden een medische opleiding en ging in augustus 1948 de sloppenwijken van Calcutta in.

 

 

 

Orde van de Missionarissen van Naastenliefde

 

In de begindagen werkte Moeder Teresa voornamelijk alleen. Ze gaf op straat les aan kinderen en begeleidde stervende mensen in een oud gebouw dat zij van de stad mocht gebruiken. Ondertussen probeerde ze bij de katholieke kerk erkenning te krijgen voor een eigen religieuze orde, de Missionarissen van Naastenliefde. In oktober 1950 kreeg zij die toestemming.

De orde groeide snel doordat leden van Zusters van Loreto zich bij haar aansloten. Er kwam internationale aandacht voor het werk van Moeder Teresa en met de vele donaties die zij ontving kon zij onder meer een weeshuis, mobiele doktersposten en woonruimte voor mensen met lepra financieren.

 

 

 

Wereldwijde erkenning

 

De aandacht voor het werk van Moeder Teresa steeg nog verder doordat paus Paulus VI haar orde in 1965 een ‘decretum laudis’ gaf, wat inhield dat de paus de organisatie onder direct bestuur van het Vaticaan stelde. Deze hoge eer leidde er toe dat Moeder Teresa besloot haar orde internationaal te verspreiden.

Sindsdien groeide de organisatie uit tot een orde met afdelingen in Oost-Europa, Azië, Latijns-Amerika en Afrika. In de jaren ’90 had de orde vierduizend leden in meer dan honderd landen en werd het werk ondersteund door bijna één miljoen vrijwilligers.

 

 

 

Nobelprijs en controverse over Moeder Teresa

 

Moeder Teresa ontving in 1979 de Nobelprijs voor de Vrede vanwege haar hulp aan mensen in armoede en nood. Toch was Moeder Teresa niet geheel onomstreden. Veel mensen namen aanstoot aan haar streng katholieke ideeën over bijvoorbeeld geboortebeperking en abortus. Moeder Teresa overleed op 5 september 1997. De katholieke kerk is daarna een proces gestart dat tot een heiligverklaring kan leiden.

Daarvoor moet worden aangetoond dat zij minstens twee wonderen heeft verricht. Het eerste wonder, de genezing van een Indiase vrouw met kanker, wordt door medici sterk betwijfeld, omdat zij de vrouw een jaar lang intensief behandelden, maar vooral omdat artsen twijfelden of de vrouw überhaupt wel kanker had.

Daarnaast kwam uit een recent Frans onderzoek naar voren dat Moeder Teresa waarschijnlijk enkele miljoenen euro’s aan donaties heeft achtergehouden. Die controverse doet echter niet af aan de jarenlange inzet van Moeder Teresa voor armen en zieken wereldwijd.

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

Martin Luther King : i have a dream

Standaard

categorie: beroemde mensen

 

 

 

 

Martin Luther King

 

 

26 May 1966 --- Reverend Dr. Martin Luther King Jr. --- Image by © Bettmann/CORBIS

26 May 1966 — Reverend Dr. Martin Luther King Jr.

 

 

“Ik heb een droom dat mijn vier kinderen op een dag zullen leven in een natie waar ze niet beoordeeld zullen worden op de kleur van hun huid, maar naar de inhoud van hun karakter.” Met deze beroemde ‘I have a dream’ toespraak groeide Martin Luther King Jr. op 28 augustus 1963 uit tot een van de belangrijkste leiders van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.

 

 

Rosa Parks

 

Martin Luther King werd op 15 januari 1929 geboren in Atlanta. Nadat hij zijn doctoraat behaalde in theologie werd hij in 1955 dominee in Montgomery. Nog geen jaar later werd deze stad het toneel van een nationale rel toen de zwarte vrouw Rosa Parks op 1 december 1955 weigerde haar plaats voor in de bus af te staan aan een blanke passagier.

Die besloot er vervolgens de politie bij te halen, waarop Parks gearresteerd werd en een boete van 10 dollar kreeg. Zwarten waren namelijk volgens de wet verplicht om achter in de bus te zitten. Op 20 december 1956, 385 dagen na het begin van de boycot, besloot de staat Alabama een einde te maken aan de rassensegregatie in de bussen.

 

 

Amerikaanse burgerrechtenbeweging

 

Door zijn betrokkenheid bij de boycot in Alabama groeide King in één klap uit tot een van de meest prominente leiders van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. In 1957 zette hij vervolgens de Southern Christian Leadership Conference (SCLC) op, een belangengroepering die de rechten van zwarte Amerikanen in de gehele Verenigde Staten moest verbeteren.

King richtte zich, in navolging van zijn grote idool Mahatma Gandhi, voornamelijk op het geweldloze protest. Zo organiseerde hij demonstraties, vredesmarsen en zogeheten sit-ins. In 1963 gaf hij leiding aan een vreedzame mars naar Washington, waarbij tussen de 200.000 en 300.000 mensen demonstreerden voor burger- en economische rechten voor zwarten.

 

 

 

I have a dream-speech

 

In Washington hield King zijn beroemde ‘I have a dream’-speech. Een jaar later kreeg hij als jongste persoon ooit de Nobelprijs voor de Vrede toegewezen. De vreedzame protesten van King leidden tot resultaat en veel van de eisen werden in 1965 door president Johnson ingewilligd. Op 4 april 1968 kwam er een vroegtijdig einde aan het leven van Martin Luther King jr. toen hij werd neergeschoten op het balkon van het Lorraine Motel in Memphis.

“Ik heb een droom dat op een dag dit land zal opstaan en de ware betekenis van haar credo zal naleven: ‘Wij vinden de volgende waarheden vanzelfsprekend: dat alle mensen gelijk geschapen zijn’. Ik heb een droom dat op een dag, op de rode heuvels van Georgia, de zonen van voormalige slaven en de zonen van voormalige slavenhouders in staat zullen zijn samen aan te schuiven aan een tafel van broederschap.  Ik heb een droom dat mijn vier kinderen op een dag zullen leven in een land waar zij niet beoordeeld zullen worden op hun huidskleur, maar naar de inhoud van hun karakter. Ik heb een droom vandaag.”

 

Het is één van de beroemdste toespraken uit de geschiedenis, de hierboven geciteerde woorden die (uiteraard in het Engels) op 28 augustus 1963 werden uitgesproken door Martin Luther King Jr. (1929-1968). Zijn publiek bestond uit 250.000 zwarte demonstranten die naar Washington waren gekomen om burgerrechten te eisen. De woorden, uitgesproken op de trappen van het Capitool, het regeringsgebouw van de Verenigde Staten, vormden een geïmproviseerde aanvulling op een eerdere toespraak, maar werden legendarisch.

 

 

 

Moord op Martin Luther King

 

In 1968 ging King naar Memphis om stakende vuilnismannen te steunen. Op 3 april hield hij een toespraak waar 20.000 mensen naar luisterden. De dag erop, op 4 april 1968, werd hij op zijn balkon van het Lorraine Motel doodgeschoten door een sluipschutter.

In 1969 bekende James Earl Ray de moord, maar nam deze verklaring later weer in. Desondanks werd hij veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De familie van King geloofde niet dat hij de dader was en dacht eerder aan een complot van de FBI of CIA. Ray overleed in 1998 aan de gevolgen van Hepatitis C.

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

Waarom de Openbaring lezen ?

 

Johannes 17 : 3 > ‘’dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de enige ware God en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus.‘’

Openbaring 1 : 3 > ‘’gelukkig is hij die deze profetische woorden van de Here voorleest; en dat geldt ook voor de mensen die ernaar luisteren en het zullen onthouden. Want de tijd dat deze dingen werkelijkheid worden, komt steeds dichterbij.‘’ 

Openbaring 22 : 7 > Jezus zegt: ‘’ja, ik kom gauw. Gelukkig is hij die de profetische woorden van dit boek onthoudt.‘’

 

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Ferdinand Von Zeppelin

Standaard

categorie : beroemde mensen

 

 

 

Ferdinand Von Zeppelin

 

Op 8 juli 1838 wordt in de Duitse stad Konstanz Ferdinand Adolf Heinrich August Graf von Zeppelin geboren. De zoon van hofmaarschalk Friedrich von Zeppelin en Amélie Macaire d’Hogguer zou een Duits uitvinder en luchtvaartpionier worden. Hij bouwt een luchtschip dat nu nog zijn naam draagt.

 

Von Zeppelin studeert Polytechnische studies en start in 1855 een militaire carrière die zeer succesvol zou worden. De graaf gaat in 1895 als generaal met pensioen.

 

 

 

         De stuurloze luchtballon

 

Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861-1865 wordt Von Zeppelin als waarnemer naar de Verenigde Staten gestuurd. Daar ziet hij hoe het leger de heteluchtballon gebruikt om verkenningen uit te voeren. Zeppelin geraakt gefascineerd. Terug in Europa stelt de graaf vast dat de heteluchtballonnen door de Fransen, in de Frans -Duitse oorlog, ingezet worden om bombardementen uit te voeren.

De graaf constateert dat de heteluchtballonnen tekortkomingen hebben. Ze zijn volledig afhankelijk van de wind en niet of nauwelijks bestuurbaar. Von Zeppelin besluit om dat probleem op te lossen en werkt vanaf 1891 aan de bouw van een luchtschip.

 

 

De Zeppelin

 

Hij patenteert in 1895 de naar hem genoemde Zeppelin, een sigaarvormig vliegend tuig, gevuld met waterstof. Het is zijn bedoeling om de bestuurbare luchtballon voor massatransport van commerciële lasten en personen in te zetten. De zeppelin is vóór de Eerste Wereldoorlog, ondanks vele tegenslagen, bijzonder populair.

Het Duitse leger krijgt interesse in zijn toestellen en zet ze tijdens de oorlog in om Engeland te bombarderen. De luchtschepen blijken echter te langzaam en te log en worden daardoor een gemakkelijk doelwit voor vliegtuigen. Zeppelin sterft in 1917.

 

 

De Hindenburgramp

 

Op 6 mei 1937 crasht de Duitse zeppelin Hindenburg, het grootste luchtvaartuig ooit gebouwd, op de marineluchthaven Lakehurst in de Verenigde Staten. Een terugblik op de ramp die het einde betekent van het 30 jaar durende gouden tijdperk van de luchtschepen.

 

 

Een ‘zwevend paleis’ wordt het luxe luchtschip genoemd. De zeppelin legt honderdduizenden kilometers af in iets meer dan een jaar tijd en steekt meerdere malen veilig de Atlantische Oceaan over met een maximumsnelheid van 135 km/uur. Elke reis is er ruimte voor vijftig welgestelde passagiers die kunnen genieten van de royale voorzieningen en het panoramische uitzicht. Tot op 6 mei 1937 het noodlot toeslaat.

Als het luchtschip met vertraging in Lakehurst arriveert, voelt kapitein Max Pruss zich genoodzaakt de landing snel in te zetten. Door het stormachtige weer en de scherpe bochten die hij neemt, knapt een kabel, die vervolgens een van de waterstofzakken openscheurt. Een klein vonkje is genoeg om de uiterst brandbare waterstof te doen ontvlammen en het hele schip in as te leggen.

Omstanders kijken machteloos toe en vluchten voor het neerstortende skelet. Onder hen is radioverslaggever Herbert Morrison, die verslag doet van het drama dat hij voor zijn ogen ziet gebeuren. Er vallen 36 doden. Met de Hindenburg-ramp geraakt de rol van de Zeppelin uitgespeeld.

.

 

 

 

Tegenwoordig worden kleinere Zeppelins nog gebruikt om reclame te maken bij grote evenementen. Sinds het ongeluk met de Hindenburg is een commercieel vliegbedrijf van enig belang met zeppelins niet meer van de grond gekomen.  Er bestaan in Duitsland en de Verenigde Staten nog een paar firma’s die aan het project werken.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

 

 

Spartacus, de slavenleider

Standaard

categorie : beroemde mensen

 

 

In Ben Kane´s ´Spartacus´ belandt de gelijknamige Thraciër als krijgsgevangene in Capua, waar hij wordt getraind tot gladiator. Samen met zijn lotgenot Crixus de Galliër bereidt hij een ware slavenopstand voor die hen moet bevrijden uit de gladiatorenschool. Hoewel er weinig bekend is over Spartacus zijn historici het over een aantal dingen eens.

 

 

spartacus

 

 

Spartacus werd geboren rond 109 voor Christus. Als krijgsgevangen kwam hij terecht in de gladiatorenschool van Lentulus Batiatus. Daar wist hij met een leger van gladiatoren rond 73 voor Christus met veel moeite te ontsnappen. In de historische roman van Ben Kane is te lezen hoe Spartacus versteld staat van zijn overwinning:

“De aanblik van de achtergelaten kostbare voorwerpen doordrong Spartacus ervan wat een idiote prestatie ze hadden geleverd. Terwijl de zegevierende gladiatoren zich aan plunderingen overgaven stond hij alleen en verwonderd in Glabers weelderige paviljoen. ‘Als mijn droom niet mijn dood aankondigt, wat betekent hij dan in godsnaam?’

 

.

Spartacus traint een groot slavenleger

 

Na de ontsnapping uit de gladiatorenschool van Batiatus zou Spartacus zich hebben voorbereid op een enorme slavenopstand tegen het Romeinse leger. Hij trok naar de Vesuvius om daar een leger om te bouwen van zo’n 70.000 ontsnapte gladiatoren en slaven, die hij aan zware trainingen onderwierp. Spartacus leerde zijn mannen vechten zoals de Romeinen deden, omdat ze anders niet opgewassen zouden zijn tegen de Romeinse legioenen:

“Elke dag, met schild en zwaard, tot ze als legioensoldaten in een linie kunnen staan en bevelen opvolgen in plaats van als maniakken in de aanval te gaan”, zegt Spartacus in de roman van Kane. Historici zijn er erover eens dat Spartacus een talentvolle en strijdlustige legeraanvoerder moet zijn geweest.

 

 

 

Slavenopstand onder leiding van Spartacus

 

De slavenopstand onder leiding van Spartacus zou uiteindelijk duren tot 71 voor Christus. Tijdens deze opstand versloeg Spartacus verschillende Romeinse legioenen, waaronder een aantal onder leiding van Marcus Licinius Crassus, een beruchte en rijke Romeinse politicus die zijn geld onder andere verdiende met de slavenhandel.

Ondanks de vele overwinningen maakte Spartacus’ leger tijdens de slagvelden ontelbare slachtoffers. In het werk van Kane wordt Spartacus’ strijdlust er echter niet minder om: “Ik zal die hufters in Rome eens duidelijk maken dat wij slaven kunnen doen wat we willen. Dat we in elk opzicht hun gelijken zijn.”

Nadat het leger van Spartacus, onderweg naar Sicilië, vanuit verschillende kanten werd aangevallen door Romeinse legioenen, vluchtte hij naar Brundisium. Daar haalde het leger van Crassus hem in, waarbij Spartacus in de slag die volgde rond 71 voor Christus uiteindelijk werd gedood.

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

Waarom de Openbaring lezen ?

 

Johannes 17 : 3 > ‘’dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de  enige ware God en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus ‘’.

Openbaring 1 : 3 > ‘’ gelukkig is hij die deze profetische woorden van de Here voorleest; en dat geldt ook voor de mensen die ernaar luisteren en het zullen onthouden. Want de tijd dat deze dingen werkelijkheid worden, komt steeds dichterbij ‘’.

Openbaring 22 : 7 > Jezus zegt: ‘’ ja, ik kom gauw. Gelukkig is hij die de profetische woorden van dit boek onthoudt ‘’.

 

 

 

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

 

 

 


Aristoteles

Standaard

categorie : Beroemde mensen

 

 

 

Aristoteles (Stagira 384 – Chalcis 322 v.C.), één van de grootste

wijsgeren uit de oudheid



Aristoteles was in de oudheid, waar filosofie en wetenschap nog niet van elkaar gescheiden waren, een veelzijdig wetenschapper. Vooral zijn logica heeft een grote invloed gehad op de latere filosofie. Het belangrijkste element van deze logica is de leer van de oordelen. Aristoteles ging ervan uit dat alle zintuiglijke kennis in principe waar is. Pas in ons verstand leggen wij echter verbanden tussen de ervaringen, in de vorm van oordelen. Wij zien bijvoorbeeld: vrouw, zwart haar. En we vormen ons vervolgens het oordeel, de vrouw heeft zwart haar. Waarover wij spreken (vrouw) is het subject, wat wij ervan zeggen (zwart haar) is het predicaat.

Het meest algemene predicaat is ‘zijn’. Van alle dingen kan men immers zeggen dat ze zijn. Verder introduceerde Aristoteles de termen syllogisme, inductie en deductie. Van de logica zei Aristoteles dat hij deze opvatte als een leerschool voor het denken. Het is de leer van de principes waarop ons denken gebaseerd moet zijn, willen wij de juiste conclusies trekken uit onze waarnemingen. Aristoteles hield zich ook bezig met biologie. Ook dacht hij na over de wetmatigheid waaraan de natuur onderworpen is (hetgeen wij nu natuurkunde zouden noemen). Zo stelde hij bijvoorbeeld dat ‘worden’ niet de overgang is van niets naar iets, maar van potentie (het zaadje) naar verwerkelijking (de boom).

 

 

 

 

 

1.Leven

 

Zijn vader Nicomachus schreef  boeken over medische en fysische onderwerpen. Aristoteles is vroeg wees geworden. Op zijn zeventiende jaar vertrok hij naar Athene en werd in de Academie van Plato opgenomen, die hij na Plato’s dood (347) verliet. Daarna kwam hij aan het hoofd van een platonische gemeenschap in Assos te staan, trok echter spoedig naar Lesbos, en werd in 342 door koning Philippus naar Macedonië ontboden om de opvoeding van de veertienjarige Alexander te verzorgen. Hij keerde in 335 naar Athene terug, waar hij dertien jaar lang in de Peripatos (wandelgang) van het Lykeion heeft gedoceerd.

Ten gevolge van een anti-Macedonische reactie na Alexanders dood (323) werd hij als collaborateur beschouwd en aangeklaagd wegens goddeloosheid. Anders dan Socrates, die de gifbeker dronk, verliet hij de stad, zeggende dat hij de Atheners een tweede vergrijp aan de filosofie wilde besparen. Een jaar later stierf hij in Chalcis.
Persoonlijke bijzonderheden over hem zijn nauwelijks bekend. Uit zijn testament leren wij hem als een zorgzaam huisvader kennen en als een humaan meester voor zijn slaven. Van enkele vrienden weten wij alleen dat zij hem zijn leven lang trouw gevolgd hebben.

De overgeleverde briefwisseling met Alexander is vermoedelijk een vervalsing, en ongeloofwaardig is het bericht dat de koning zijn studies met een enorm bedrag steunde en op zijn expedities een staf van geleerden meenam om dieren en planten voor hem te verzamelen. De twee boeken die Aristoteles aan Alexander opdroeg, zijn verloren gegaan, maar wel is bekend dat hij daarin o.a. schreef dat het voor een koning niet nodig was om filosoof te zijn (dit tegen Plato), maar wel om naar het advies van een wijsgeer te luisteren.

 

2. Leer

 

De wijsbegeerte van Aristoteles draagt een sterk speculatief karakter en toont voortdurend de invloed van Plato, maar daarnaast is een uitgesproken belangstelling voor de empirische werkelijkheid merkbaar, die hem ertoe bracht om vrijwel alle gebieden van wetenschap in zijn filosofie te betrekken (wis- en geneeskunde zijn opvallende uitzonderingen).

 

 

 

2.1 De logica 

 

De logica beschouwt Aristoteles zelf niet als onderdeel van de filosofie: het is een leerschool voor het denken, en de daarop betrekking hebbende geschriften hebben later de naam Organon (= werktuig) gekregen. Evenals Plato heeft ook Aristoteles de sofisten bestreden, maar hij deed dat door een systematisch overzicht te geven van de oorzaken van hun valse redeneringen. Hij gaat ervan uit dat het oog de dingen ziet zoals zij zijn, dat het gehoor de werkelijke geluiden hoort, enz. Onze waarnemingen zijn op zichzelf waar, en zij geven ons een afbeelding van de werkelijkheid; fouten ontstaan doordat wij die waarnemingen verkeerd met elkaar verbinden en daardoor foute conclusies trekken.

Voor een adequate kennis van de werkelijkheid moeten de begrippen in hun samenhang met de werkelijkheid overeenkomen. De niet verder te herleiden elementen van de kennis zijn de Categorieën, dwz. de verschillende vormen waarin men zich uitspreekt over het bestaande. Wanneer wij een oordeel uitspreken, is datgene waarover wij spreken ‘subject’, wat wij ervan zeggen is het predicaat. Om dat predicaat tot uitdrukking te brengen beschikken wij over een aantal categorieën:

de substantie (ousia), bijv. mens of paard;

de kwantiteit, bijv. twee ellen lang;

de kwaliteit, bijv. rood of blauw;

de relatie, bijv. dubbel, groter;

en verder de categorieën: plaats, tijd, handelen en ondergáán.

Wanneer zij zonder verbinding gebruikt worden, drukken zij geen bevestigend of ontkennend oordeel uit (man, blank, gisteren); daartoe moeten zij verbonden worden (de man is blank), en het oordeel is waar of onwaar naarmate de verbinding overeenkomt met de verbindingen in de werkelijkheid. De eenvoudigste vorm van een oordeel is: A is B (kataphasis, bevestiging) of: A is niet B (apophasis, ontkenning). Uit twee oordelen (premissen genaamd), die één term (de ‘middenterm’) gemeen hebben, kan een syllogisme gevormd worden (= sluitrede bijv. A is B; B is C: ± A is C).

De mogelijkheden van het syllogisme zijn door Aristoteles zorgvuldig afgebakend, en het zeer verfijnde systeem van vormen van syllogismen heeft zich nog tot na Immanuel Kant kunnen handhaven. Steeds gaat hij van het algemene naar het bijzondere (deductie). Van de omgekeerde weg, die van het bijzondere uitgaat om tot conclusies ten aanzien van het algemene te komen (inductie), heeft hij in zijn natuurwetenschappelijke geschriften gebruikgemaakt. Strikt genomen zou alleen volledige inductie, waarbij alle bijzondere gevallen bekend zijn, geldig zijn.

Hij redeneert dat de afzonderlijke dingen uit algemene oorzaken zijn ontstaan; om ze te leren kennen moet men daarom eerst kennis van de algemene oorzaken verwerven. Die kennis is met het verstand door redenering te bereiken. De meest algemene oorzaken zijn onherleidbaar, anders zouden zij een nóg algemenere oorzaak hebben, en zo tot in het oneindige voort. In overeenstemming daarmee zijn de eerste, algemene premissen onbewijsbaar; zij zijn echter zonder meer duidelijk.

De voornaamste is het principium identitatis: A is A en kan niet op hetzelfde ogenblik en ten aanzien van hetzelfde niet-A zijn. Alleen dan is er sprake van een strikt bewijs als het syllogisme uitgaat van ware premissen. Dikwijls moet men echter uitgaan van meningen, waarvan de waarheid niet volstrekt zeker, maar wel waarschijnlijk is. De zgn. praktische filosofie, ethiek, politiek en redekunst, maakt van min of meer waarschijnlijke redeneringen gebruik, en kan daarom niet als strenge wetenschap gelden.

 

 

 

 

 

 

2.2 Ontologie 

 

Het meest algemene kenmerk van alle dingen is het Zijn, en het Zijn als zodanig is het onderwerp van wat Aristoteles de ‘eerste filosofie’ noemde, die thans metafysica heet. Het woord ‘zijn’ wordt in vele betekenissen gebruikt ( ‘de man is blank’: koppelwerkwoord; ‘de man is’ duidt op het bestaan, enz.). Het blijkt dat kwaliteit, kwantiteit en alle andere categorieën niet kunnen zijn in de betekenis van bestaan: dat kan men alleen zeggen van een ousia (substantie, of wezen); een mens bestaat op zichzelf, maar blank op zichzelf bestaat niet.

Nu is ons weten volgens Aristoteles afhankelijk van de waarneming die aan het weten voorafgaat. Wij nemen echter alleen afzonderlijke dingen waar (de eigenlijke substanties). Dus zou ons weten slechts betrekking kunnen hebben op afzonderlijke dingen. Plato had gesteld dat het algemene (de Idee) het wezenlijke was en dat de afzonderlijke dingen daar deel aan hadden. Volgens Aristoteles bestaat het algemene niet buiten de dingen (als idee), maar in de dingen; het is voor het verstand te begrijpen.

 

 

2.3 Natuurfilosofie 

 

De dingen om ons heen zijn in een voortdurend wordingsproces betrokken. Worden is een beweging van de ene toestand naar de andere. Fysica is de leer van de bewegingen en de oorzaken daarvan. Oorzaken (aitia) zijn materie, vorm, bewegende oorzaak en doel. Bij een huis kan men de vorm onderscheiden van het doel (beschutting van de bewoners), bij een levend wezen vallen vorm en doel samen. Anderzijds is de bewegende oorzaak van een huis de vorm in de gedachte van de architect, die dezelfde is als de actuele vorm van het huis.
Vandaar dat de vier oorzaken vaak gereduceerd worden tot twee: vorm en materie. De eerste is actief, de tweede passief, en de ongevormde materie staat tot de gevormde als potentie, mogelijkheid (dynamis) tegenover actualiteit (energeia): worden is een overgang (beweging) van potentialiteit naar actualiteit (zie ook act).

Parmenides van Elea krijgt daardoor een afdoend antwoord: worden is niet de ondenkbare overgang van het niets naar het iets, maar van nog-niet-iets-zijn naar verwezenlijking. Uit zaad + voedsel ontstaat de actuele boom. De vier elementen: aarde (droog en koud), water (vochtig en koud), lucht (vochtig en warm), vuur (droog en warm) kennen ook voortdurende overgangen. Zij hebben hun eigen bewegingen: aarde en water rechtlijnig naar beneden, lucht en vuur evenzo naar boven, en daar zij ieder een eigen ‘plaats’ hebben, bestaat er een natuurlijke stratificatie. Door verandering van één van de twee eigenschappen (bijv. van koud naar warm) kunnen zij in elkaar overgaan. Die verandering wordt o.a. door reflectie van de zonnewarmte op aarde en door afkoeling in de hogere lagen veroorzaakt, en daardoor ontstaan de weersverschijnselen.

Boven de sfeer van de maan heerst een ander element, de aether, dat niet verandert (de aether wordt ook ‘vijfde lichaam’ genoemd, de quinta essentia van de middeleeuwen). Om die maansfeer heen ligt een groot aantal sferen, wier gecompliceerde kringlopen de voor ons ongelijkmatig schijnende bewegingen van de planeten veroorzaken; zij worden alle omsloten door de gelijkmatig bewegende uiterste sfeer van de vaste sterren, en het rustend middelpunt is de aarde. De hemellichamen, ‘goddelijk’ geheten, zijn uit aether gevormd, maar hun goddelijkheid is niet volmaakt, omdat zij bewegen.

Beweging is altijd een overgang van potentialiteit naar actualiteit, en de godheid kan niets potentieels meer hebben: dat zou aan zijn volmaaktheid afdoen. God is dus buiten de sferen en Hij is indirect de oorzaak van hun bewegingen. De sferen bewegen zich uit verlangen naar God, die de Onbewogen Beweger is. De enige activiteit die God kan uitoefenen, is het denken. Niet aan andere dingen – want dan zou Hij zich met materie bezighouden: Hij denkt de volmaakte actualiteit, en dat is Hij zelf: zijn denken is denken van het denken.

Terwijl Aristoteles de ruimte als begrensd denkt door de buitenste hemelsfeer, poneert hij dat de tijd oneindig is. Daar tijd en beweging onafscheidelijk samengaan, heeft de beweging van de kosmos geen begin gehad en zal nooit ophouden. Deze leer van de eeuwigheid van de wereld is voor latere Aristotelici een schooldogma geweest, dat zowel in het christendom als in de islam aanleiding was tot polemieken. Hier op aarde kan door de beperkte mogelijkheden van de materie een ononderbroken kringloop niet plaatsvinden, maar de natuur tracht deze zo goed als het in haar vermogen ligt te imiteren. Door de zon is er dag en nacht, door de ecliptica (de cirkel aan de hemel die de zon in één jaar schijnt te doorlopen) de wisseling van de seizoenen. Vandaar de mutatie van elementen en de weersverschijnselen. Het leven kent opgang en neergang, geen complete kringloop, maar de ononderbroken opeenvolging van ontstaan en vergaan is de best mogelijke nabootsing daarvan.

 

 

 

2.4 Biologie 

 

In de levende natuur zijn de individuen vergankelijk, maar de soorten eeuwig en onveranderlijk. Wel kent Aristoteles de geleidelijke overgang van het net-niet-meer-levenloze, via planten, tussenvormen tussen planten en dieren, naar hogere dieren, tot de mens toe. Maar hij verwerpt de mogelijkheid van het ontstaan van nieuwe soorten: kruisingen, zoals muildieren, kunnen zich als soort niet handhaven. Lager en hoger gaan samen met de aard van de psychè (ziel, in de zin van levensbeginsel). De laagste vorm is de plantenziel (alleen voeding en voortplanting); dieren hebben de waarnemende ziel, de mens daarenboven het verstand. In de hogere ziel zijn de lagere altijd aanwezig.

Centrum van de levensfuncties én van de waarneming is het hart: de (koude) hersenen dienen als regulateur om de bloedtemperatuur gelijkmatig te houden. Volgens Aristoteles is het mannelijke warm en actief, het vrouwelijke koud en passief. Bij de voortplanting is het mannelijke de vormgever, en in het sperma is de ziel in potentie aanwezig. Het vrouwelijke draagt alleen de materie bij. Toch weet Aristoteles van parthenogenese (voortplanting zonder bevruchting).

In het algemeen komt hij in de nadere uitwerking vaak veel verder dan een star dogmatisme. Hij heeft ruim 500 dieren beschreven en observaties gedaan die soms in onze eigen tijd pas bevestigd zijn, bijv. de beschrijving van de levendbarende gladde haai (Mustelus laevis). In zijn nauwkeurig uitgewerkte erfelijkheidstheorie anticipeert hij op Gregor Mendel met een goed begrip voor dominerende en recessieve factoren. Hij geeft een opmerkelijke schets van een indeling van de dierenwereld op grond van de embryologie. Ook heeft hij herhaaldelijk bepaalde soortkenmerken aangewezen, en is hij zijn tijd vooruit geweest door bijv. sponsen, zeeanemonen e.d. van planten, en walvisachtigen van vissen te onderscheiden.

 

 

 

 

 

2.5 Waarneming 

 

Uitvoerig is de behandeling van de zintuigen, en vooral ook van de vraag hoe verschillende waarnemingen gecoördineerd worden (de waarnemingen van een roos bijv. gaan langs totaal verschillende wegen: men ziet de bloem, ruikt de geur en voelt de doornen). Volgens Aristoteles is dit coördineren het werk van een gemeenschappelijk waarnemingsorgaan. Het complex van de waarnemingen vormt het materiaal voor de herinnering.

Opvallend is in dit verband zijn inzicht in het associatieproces. De mens beschikt niet over natuurlijke wapens (slagtanden, klauwen, horens) en ook het waarnemingsvermogen is slechter dan dat van sommige dieren. Maar alleen de mens bezit verstand. Zeer betwist is de leer van het passieve intellect dat de denkinhoud aan voorafgaande waarnemingen ontleent, en het actieve intellect, dat het denken activeert. Het passieve intellect is met de andere delen van de ziel aangeboren, maar het actieve ‘komt van buiten af’ en is alleen onsterfelijk.

 

 

 

2.6 Ethiek 

 

Het doel ‘waarnaar alles streeft’ is het goede, en het gemeenschappelijk einddoel is de eudaimonia, het geluk. Dat ligt niet in het verwerven van rijkdom, eer of genot, en ook niet in werkloosheid, maar in activiteit. Het hoogste goed is activiteit van de ziel in overeenstemming met haar eigen deugd, en als er meer deugden zijn, met de hoogste. Aristoteles’ leer dat een deugd in het midden ligt tussen twee ondeugden (le juste milieu) is beroemd geworden. Dapperheid bijv. ligt tussen roekeloosheid (te veel) en lafheid (te weinig) in. Dapper zijn is niet: alles te wagen zonder vrees; men dient ook te weten wanneer men moet wijken. Wie goed wil handelen moet een keuze (prohairesis) maken, en wel een meervoudige keuze, die rekening houdt met persoon, tijd, plaats en omstandigheden.

Boven de karakterdeugden staan de verstandelijke. De wijze kiest de hoogst mogelijke deugd die ligt in de intellectuele activiteit, dwz. contemplatie. Het zuivere denken plaatst hem boven het menselijke niveau: de mens bereikt dat niet als mens, maar door het goddelijke in hem. Op de hoge waarde van de vriendschap wordt veel nadruk gelegd, en sociale deugden, zoals de rechtvaardigheid, staan bovenaan, in overeenstemming met de opvatting dat de leer van de samenleving (politikè) in het verlengde van de ethiek ligt. De mens is een gemeenschapswezen (zooion politikon): de staat streeft naar het geluk van de burgers.

Aristoteles wil toezicht op het gezin met het oog op eugenese (verbetering van de erfelijke eigenschappen van het menselijk ras) en geboortebeperking, maar ziet anderzijds de slavernij als een door de natuur gegeven noodzakelijk instituut. Hij overweegt de voor- en nadelen van de verschillende mogelijke constitutievormen, maar blijft merkwaardigerwijze in de tijd waarin door de veroveringen van Alexander enorme statencomplexen ontstonden, staan bij de oude, beperkte stadstaat.

 

 

 

2.7 De retorica 

 

Deze ligt, als verhandeling over de redekunst, gedeeltelijk in het verlengde van de logica, maar komt herhaaldelijk op het terrein van de literatuurbeschouwing. Dit laatste onderwerp is uiterst beknopt behandeld in de Poetika, die van alle werken van Aristoteles het meest gelezen is, en vooral door de leer van de drie eenheden (tijd, plaats en handeling) een verreikende invloed heeft gehad.

 

 

 

3. Werken 

 

Naar het voorbeeld van Plato schreef Aristoteles een aantal dialogen, die in de oudheid druk gelezen zijn, maar verdrongen werden door de wetenschappelijke werken (de fragmenten zijn verzameld door R. Walzer, 21963, en W.D. Ross, 1955). Ook van de grote, onder zijn leiding tot stand gebrachte documentenverzamelingen (o.a. lijsten van opvoeringen van tragedies in Athene, staatsinstellingen van 158 steden, atlas van vergelijkende anatomie, en andere) is alleen een studie over de Staat van de Atheners in 1891 op een papyrus gevonden. De rest is, op een aantal meestal zeer korte fragmenten na, verloren gegaan (laatstelijk uitgegeven door V. Rose in 1886).

Bewaard gebleven zijn de wetenschappelijke werken, die geen literair karakter dragen, maar als min of meer uitgewerkte leerstof voor zijn colleges dienden. Uit een aantal citaten naar niet meer vertegenwoordigde werken blijkt dat de door Andronicus geredigeerde verzameling niet volledig meer is, terwijl anderzijds dictaten en excerpten van leerlingen, geschriften van latere peripatetici (o.a. de Problemata) en opzettelijke vervalsingen (zoals De mundo) erin zijn opgenomen. De bewaard gebleven hoofdwerken van Aristoteles zijn de volgende:

Logica: Categoriae; De interpretatione; Analytica priora en posteriora; Topica.

Ontologie: Metaphysica.

Natuurfilosofie: Physica; De caelo; De generatione et corruptione; Meteorologica; Historia animalium; De partibus animalium; De generatione animalium; De anima, Parva Naturalia.

Praktische filosofie: Ethica Nicomachea; Politica; Rhetorica; Poetica.

 

 

Plato-Socrates-Aristoteles

 

 

 

 

 

 

Hugo Claus

Standaard

categorie : Beroemde mensen

 

 

 

De beeldende kunstenaar, filmmaker en de meest bekroonde auteur uit het Nederlands taalgebied Hugo Claus, werd geboren te Brugge op 5 april 1929 en overleed op 19 maart 2008 te Antwerpen.

 


Debuut: Kleine reeks (1947, poëzie)
Genres: Poëzie, roman, novelle, kort verhaal, toneel, scenario
Bijzonderheid:in 1997 ontving hij voor De Geruchten de Libris Literatuurprijs en in 1998 de Aristeionprijs; de hoogste Europese literaire onderscheiding
Citaat: ‘Ik heb vijftig jaar doorgebracht met het aanbrengen van allerlei subtiele dingetjes in mijn werk die misschien niemand eruit heeft gehaald. Dat is toch om verdrietig van te worden. (Haarlems Dagblad, 17-1-1998)
Recent werk: De Komedianten (Pas de deux II) (1997, toneel), Onvoltooid verleden, (1998, roman), Het laatste bed (1998, novelle), Het huis van de liefde (1999, poëzie), Wreed geluk (1999, poëzie), Een andere keer, de andere verhalen (2000), Een slaapwandeling (novelle, 2000)

 

 

 

 

 

Levensloop

 

Hugo Maurice Julien Claus wordt geboren te Brugge op 5 april 1929. Hij verblijft vanaf zijn 18 maanden tot 11-jarige leeftijd in een pensionaat. Hij woont thuis van 1940 tot 1946. Hij verlaat het ouderlijk huis en de school en maakt reizen naar verschillende landen. Van 1950 tot 1953 woont hij in Parijs waar hij in contact komt met surrealisme, existentialisme en Cobra-modernisme.

Van 1953 tot 1955 verblijft hij in Rome in het filmmilieu. In 1955 huwt hij met de filmactrice Elly Overzier, met wie hij in Gent gaat wonen (tot 1965). Vervolgens neemt hij gedurende vijf jaar zijn intrek op een boerderij in de Vlaamse Ardennen. In 1970 gaat hij in Amsterdam wonen, waar hij een verhouding heeft met de actrice Kitty Courbois. Van 1973 tot 1978 woont hij in Parijs samen met de actrice Sylvia Kristel. Uiteindelijk verhuist hij opnieuw naar Gent. Hij huwt in 1993 met Veerle De Wit.

Hugo Claus’ werk is even veelzijdig en wisselvallig als zijn leven zonder rode draad. Na in 1947 zijn debuut te hebben gemaakt met de lyrische “Kleine reeks”, evolueert hij in zijn poëzie naar het modernisme van de jaren vijftig met als hoogtepunt zijn “Oostakkerse gedichten” uit 1955. Zijn later dichtwerk mag dan weer klassiek genoemd worden, echter steeds getuigend van een kenmerkende eigenheid en een matriarchale mythologie.

Op toneelgebied wordt hij internationaal bekend met de tragikomedie  “Een bruid in de morgen” (1955). Zijn populairste toneelstuk wordt het naturalistische “Suiker” (1958). Zijn navolgende toneelwerken zijn in hoofdzaak historische bewerkingen zoals o.a. “Thyestes” (1966), “Het spel Masscheroen” (1968) en “Orestes” (1976). Het succesvolle “Vrijdag” uit 1969, door Claus zelf verfilmd in 1980, raakt het delicate incestthema aan en doet denken aan het naturalisme van Cyriel Buysse.

Dezelfde verscheidenheid vindt men ook terug in zijn romans. In romans zoals “De hondsdagen” (1952) en “Schaamte” (1972) vindt men mytische elementen. In de roman het “Verlangen” (1978) zien we een duidelijk realisme. Zijn lijvige roman “Het verdriet van België” uit 1983 is een semi-biografische familiekroniek waarin op subtiele wijze het politieke en sociale leven tijdens Wereldoorlog II beschreven wordt. Deze roman wordt voor televisie bewerkt in 1994.

In zijn geheel genomen kan men stellen dat Claus’ werk een mengeling is van het beschrijven van tragische gebeurtenissen, klassieke verhalen en een expressie van een heimwee naar verheven waarden, dit alles doorweven met het banale, ja soms het vulgaire van het menselijk bestaan. De veelzijdige Hugo Claus is niet alleen schrijver van gedichten, romans, filmscenario’s, toneelstukken en essays, maar tevens schilder, librettist, film- en toneelregisseur. Hij schreef zelfs chansons voor de zangeres Liesbeth List. Hij kreeg talrijke literaire prijzen, waaronder de “Henriette Roland Holstprijs”.

 

 

 

Overlijden

 

Claus overleed op woensdag 19 maart 2008, kort voor zijn 79ste verjaardag in het Middelheim-ziekenhuis te Antwerpen. De schrijver leed zo’n twee jaar aan de ziekte van Alzheimer en koos daarom zelf het moment van zijn dood door middel van euthanasie via de organisatie Recht Op Waardig Sterven. Kort voor zijn overlijden gaf de filosoof Etienne Vermeersch Claus nog advies over euthanasie.

 

 

 

Euthanasiedebat laait op

 

Vele voorpagina’s van kranten werden ingenomen door het overlijden van Claus. Ook zijn euthanasiebeslissing werd uitvoerig belicht en geduid. In katholieke kringen reageerde men afwijzend met deze ‘mediatisering van de euthanasie’. René stockman, hoofd van de organisatie Broeders en Liefde, verklaarde op de katholieke nieuwssite Kerknet: “De wijze waarop sommigen deze daad niet alleen proberen goed te praten maar zelfs als het summum van edelmoedigheid de hemel in prijzen, stoot tegen de borst. Dit is pas het echte verdriet van België.”Hij werd gevolgd in zijn kritiek door Wouter Beke, interim-voorzitter van CD&V. Kardinaal Daneels sprak er in zijn Paaspreek: “Door zomaar uit het leven te stappen, antwoordt men niet op het probleem van lijden en dood. Men loopt er in een boog omheen en omzeilt het. Omzeilen is geen heldendaad, geen voer voor frontpaginanieuws.”

 

 

Claus en Sylvia Kristel

 

 

 

Lijst met onderscheidingen en prijzen

 

 

1950 – Leo J. Krynprijs voor De eendenjacht (later De Metsiers)

1952 – Arkprijs van het Vrije Woord voor De Metsiers

1955 – Driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneelliteratuur voor Een bruid in de morgen

1955 – Prix Lugné-Poë voor de Franse vertaling van Een bruid in de morgen

1955 – Prix Bonjour Promesse (of ‘Prix Françoise Sagan’) voor De hondsdagen

1956 – Letterkundige Prijs van de Stad Gent voor De getuigen

1957 – Ridder in de Orde van Leopold II (3 april)

1959 – Referendum der Vlaamse Letterkunde voor De zwarte keizer

1959 – Ford Foundation Grant

1960 – Koopalprijs voor zijn Dylan Thomas vertaling Onder het melkwoud

1963 – Referendum der Vlaamse Letterkunde voor De Verwondering (geweigerd)

1964 – Referendum der Vlaamse Letterkunde voor Omtrent Deedee (geweigerd)

1964 – August Beernaertprijs voor De Verwondering

1964 – Prijs voor het visualiseren van poëzie voor de tv-film Antologie

1965 – Henriette Roland Holst-prijs voor zijn gehele toneeloeuvre

1967 – Driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneelliteratuur voor De dans van de reiger

1967 – Edmond Hustinx-prijs voor Nederlandstalige toneelschrijvers voor zijn gehele toneeloeuvre

1971 – Ridder in de Kroonorde (18 oktober)

1971 – Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie voor Heer Everzwijn

1973 – Driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneelliteratuur voor Vrijdag

1978 – Driejaarlijkse Cultuurprijs van de Stad Gent voor literatuur

1979 – Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre

1979 – Driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneelliteratuur voor Jessica en z’n Euripides-bewerking Orestes

1984 – Driejaarlijkse Staatsprijs voor Verhalend Proza voor Het verdriet van België

1985 – Cestoda-prijs

1986 – Prijs der Nederlandse Letteren voor zijn gehele oeuvre

1986 – Herman Gorterprijs voor Alibi

1987 – Achilles Van Acker-prijsvoor de “sociale bewogenheid van zijn oeuvre”

1987 – Prijs van de Vlaamse Lezer voor Het verdriet van België

1989 – Humo’s Gouden Bladwijzer voor Het verdriet van België

1989 – Grand Prix de l’humour noir Xavier Fonneret

1994 – Gouden Erepenning van de Vlaamse Raad voor zijn gehele oeuvre

1994 – Prijs voor Meesterschap voor zijn gehele oeuvre

1994 – VSB Poëzieprijs voor De Sporen

1997 – Libris Literatuur Prijs voor De geruchten

1997 – Prix International Pier Paolo Pasolini

1997 – Humo’s Gouden Bladwijzer voor De geruchten

1998 – Aristeionprijs van de Europese Unie voor De geruchten

1999 – Driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap voor zijn gehele oeuvre

2000 – Premio Nonino voor de Italiaanse vertaling van Het verdriet van België

2000 – Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies voor zijn gehele oeuvre

2001 – Preis der Stadt Münster für Europäische Poesie voor zijn gehele oeuvre

2002 – Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies voor de verzenbundel Wreed geluk

2002 – Prix de consécration Herman Closson voor zijn gehele oeuvre

2002 – Leipziger Buchpreis zur Europäischen Verständigung voor zijn gehele oeuvre

2005 – Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Algemene Culturele Verdienste

 

 

 

.

.

Bibliografie

 

Gedichten

 

1947 – Kleine reeks

1948 – Registreren

1950 – Zonder vorm van proces

1951 – Vierendelen

1952 – Drie blauwe gedichten voor Ellie

1952 – Tancredo Infrasonic

1953 – Een huis dat tussen nacht en morgen staat

1955 – De Oostakkerse gedichten

1955 – Paal en perk

1961 – Een geverfde ruiter

1963 – De man van Tollund

1963 – Het teken van de hamster

1963 – Love Song (poëzie op werk van Karel Appel)

1964 – Oog om oog

1965 – Gedichten

1965 – Het landschap

1967 – Relikwie

1969 – Genesis

1970 – Heer Everzwijn

1970 – Van horen zeggen

1971 – Dag jij

1973 – Figuratief

1974 – De wangebeden

1975 – Het Jansenisme

1977 – Emblemata

1977 – Het graf van Pernath

1978 – Cobra Revisited

1978 – Van de koude grond

1979 – Zwart (poëzie bij werk van Karel Appel en Pierre Alechinsky)

1979 – Claustrum

1979 – Gedichten 1969-1978

1979 – Fuga

1980 – 63 Kwatta-rijmen voor Gans België

1981 – Fiesta

1981 – Jan de Lichte

1982 – Almanak (verzamelbundel)

1982 – Het hooglied van Salomo

1985 – Halloween (gedichten bij tekeningen van Sylvia Kristel)

1985 – Gezegden

1985 – Het weerzinwekkend bezoek

1985 – Alibi

1985 – De dief van liefde

1985 – Gevulde contouren

1986 – Mijn honderd gedichten

1986 – Sonnetten

1986 – Bewegen

1986 – Evergreens

1987 – Sporen

1987 – Hymen (gedichten bij tekeningen van Corneille)

1987 – Imitaties

1990 – Steeds / Cité

1990 – Gedichten

1992 – Geplette gedaanten

1993 – 10 manieren om naar P.B.S. te kijken

1993 – De Sporen

1993 – Zij

1994 – Gedichten 1948-1993

1995 – Ach Clemens

1995 – Et voilà, le travail!

1995 – Zoek de zeven

1997 – Impromptu

1998 – Oktober 43

1998 – De aap in Efese

1998 – Voor de reiziger

1999 – Het huis van de liefde (bloemlezing)

1999 – Wreed geluk

2000 – Made in Belgium

2001 – De groeten (ter gelegenheid van Gedichtendag)

2002 – Sans Merci

2002 – Mijn hart en ik (bloemlezing)

2002 – Ik schrijf je neer

2002 – De tafel is leeg

2003 – Zeezucht

2004 – In geval van nood

2004 – Flagrant, bij etsen van Pierre Alechinsky

 

 

 

 

 

Toneelstukken

 

1952 – De Getuigen (eenakter)

1953 – Een bruid in de morgen

1954 – (M)oratorium (eenakter)

1954 – In een haven (eenakter)

1955 – De Geliefden (eenakter)

1956 – Het lied van de moordenaar

1957 – Dantons dood (Georg Büchner, vertaling)

1957 – Onder het Melkwoud (Dylan Thomas, vertaling)

1958 – Suiker

1959 – Woyzeck (Georg Büchner, vertaling)

1959 – Mama, kijk, zonder handen!

1960 – Quat-Quat (Jacques Audiberti, vertaling)

1961 – Antigone (Christopher Logue, vertaling)

1961 – Zannekin

1962 – De dans van de reiger

1963 – Allen die vallen (Samuel Beckett, vertaling)

1964 – Scherts, satire, ironie en diepere betekenis (Christian Dietrich Grabbe, vertaling)

1964 – Hendrik V (William Shakespeare vertaling)

1965 – De legende en de heldhaftige, vrolijke en roemrijke avonturen van Uilenspiegel en van Lamme Goedzak in Vlaanderen en elders (massaspel, naar Charles de Coster)

1966 – Thyestes (naar Seneca)

1966 – Het huis van Bernarda Alba (Federico Garcia Lorca vertaling)

1966 – Het Goudland (naar Hendrik Conscience)

1967 – Masscheroen (naar Mariken van Nieumeghen)

1968 – Wrraaak! (naar The Revenger’s Tragedy van Cyril Tourneur)

1969 – Vrijdag

1970 – De Spaanse hoer (naar La Celestina van Fernando de Rojas)

1970 – Tand om tand

1970 – Het leven en de werken van Leopold II

1971 – Interieur (naar zijn Omtrent Deedee)

1971 – Oedipus (naar Seneca)

1971 – Warm en Koud (Fernand Crommelynck, vertaling)

1972 – De vossejacht (naar Volpone van Ben Jonson)

1972 – De Advertentie/Theresa (Natalia Ginzburg, vertaling)

1973 – Pas de deux

1973 – Blauw blauw (naar Private Lives van Noël Coward)

1975 – Thuis

1976 – Orestes (naar Euripides)

1977 – Jessica

1977 – Het huis van Labdakos

1979 – Macbeth (William Shakespeare, vertaling)

1980 – Phaedra (naar Seneca)

1980 – Rashomon (Fay & Michael Kanin, vertaling)

1980 – Jan zonder Vrees (naar Giorgio Gaber)

1981 – Een hooglied

1981 – Een winters verhaal (William Shakespeare, vertaling)

1981 – Pantagleize (Michel de Ghelderode, vertaling)

1982 – Het haar van de hond

1982 – Lysistrata (Aristophanes, vertaling)

1982 – De Jood van Malta (Christopher Marlowe vertaling)

1982 – De Verzoeking

1983 – Hamlet (naar William Shakespeare)

1984 – Serenade

1984 – Droom van een Zomernacht (William Shakespeare, vertaling)

1985 – Goddelijke Woorden (Ramón María del Valle-Inclán, vertaling)

1985 – Blindeman (naar zijn eigen bewerking van Oidipus)

1986 – In Kolonos (naar Sofokles)

1987 – Romeo en Julia (William Shakespeare, vertaling)

1987 – De Golven van de Liefde en van de Zee (Franz Grillparzer, vertaling)

1987 – Koning Lear (William Shakespeare, vertaling)

1988 – Gilles!

1988 – Het huis van Bernarda Alba (Federico Garcia Lorca, vertaling)

1988 – Het schommelpaard

1989 – Gilles en de nacht

1991 – Richard Everzwijn (naar Richard III van William Shakespeare)

1991 – Het mondeling verraad

1991 – Visite

1991 – Winteravond

1992 – Verroeren

1993 – De repetitie (Jean Anouilh, vertaling)

1993 – Onder de torens

1994 – Requiem

1995 – De eieren van de kaaiman

1996 – De verlossing

1997 – De komedianten (Pas de deux II)

1997 – Salome (Oscar Wilde, vertaling)

1998 – Borgerocco of de dood in Borgerhout

2000 – De man van het toeval (Yasmina Reza, vertaling)

???? – X

 

 

Een bruid in de morgen

 

 

Verhalen

 

1954 – Natuurgetrouw

1958 – De zwarte keizer

1958 – Als een jonge hond

1966 – De dans van de reiger (verhaal naar eigen filmscenario)

1969 – Natuurgetrouwer (uitgebreide uitgave van Natuurgetrouw)

1972 – Gebed om geweld

1974 – De groene ridder I: In het Wilde Westen

1974 – De groene ridder II: De paladijnen

1974 – De groene ridder VII: Aan de evenaar

1977 – De vluchtende Atalanta

1984 – Een bijzondere cirkel (uit Natuurgetrouwer, in Vlaamse verhalen na 1965)

1985 – De mensen hiernaast

1987 – Château Migraine

1988 – Een andere keer

1999 – Verhalen

2000 – Een andere keer (bloemlezing)

2000 – De schrijver. Een literaire estafette

2000 – De avondzon

 

 

 

 

 

Romans

 

1950 – De Metsiers

1952 – De hondsdagen

1956 – De koele minnaar

1962 – De Verwondering

1963 – Omtrent Deedee

1971 – Schola nostra (onder het pseudoniem Dorothea van Male)

1972 – Schaamte

1972 – Het jaar van de kreeft

1977 – Jessica

1978 – Het verlangen

1983 – Het verdriet van België

1988 – Een zachte vernieling

1994 – Belladonna

1996 – De geruchten

1998 – Onvoltooid verleden

 

 

 

 

 

Essays

 

1951 – Over het werk van Corneille

1954 – Cinq lithographies en couleur (essay bij werk van Karel Appel)

1962 – Karel Appel, schilder

1964 – Louis Paul Boon

1979 – Treize manières de regarder un fragment d’Alechinsky / Dertien manieren om een fragment van Alechinsky te zien

 

 

 

 

 

Filmscenario’s

 

1958 – Dorp aan de rivier, naar Antoon Coolen; regie: Fons Rademakers

1960 – Het mes, naar een eigen verhaal; regie: Fons Rademakers

1967 – De vijanden, tevens regie

1968 – Speelmeisje, tevens regie

1971 – Mira, naar Stijn Streuvels; regie: Fons Rademakers

1973 – Niet voor de poezen, naar Nicolas Freeling; regie: Fons Rademakers

1976 – Pallieter, naar Felix Timmermans; regie: Roland Verhavert

1977 – Rubens, schilder en diplomaat; regie: Roland Verhavert

1981 – Vrijdag, naar zijn eigen toneelstuk; tevens regie

1982 – Menuet, naar Louis Paul Boon; regie: Lili Rademakers-Veenman

1984 – De Leeuw van Vlaanderen, naar Hendrik Conscience; tevens regie

1986 – Het gezin van Paemel, naar Cyriel Buysse; regie: Paul Cammermans

1987 – Mascara; regie: Patrick Conrad

1989 – Het sacrament, naar een eigen roman; tevens regie

1995 – Escal-Vigor, naar de gelijknamige roman van Georges Eekhoud

2000 – De verlossing, naar een eigen toneelstuk; tevens regie

 

 

De Leeuw van Vlaanderen

 

 

 

Libretti

 

1956 – De witte Zee (M: François de la Rochefoucauld)

1957 – Van de Vikings tot Keizer Karel (M: Daan Sternefeld)

1965 – De Mattheuspassie (vertaling; M: E.P. De Brabandere)

1968 – Morituri (M: Bruno Maderna)

1969 – Blauwdruk van de opera Reconstructie (T: met Harry Mulisch; M: Louis AndriessenReinbert de LeeuwMisha MengelbergPeter SchatJan van Vlijmen)

1985 – Georg Faust (M: Konrad Boehmer)

1995 – Borgerocco of De Dood in Borgerhout

 

 

 

 

 

Novellen

 

Claus (Boekenbal 1989)

1980 – De Verzoeking

1989 – De zwaardvis (Boekenweekgeschenk)

1998 – Het Laatste Bed

2000 – Een Slaapwandeling

2003 – De Verzoeking en andere novellen (verzamelbundel)

 

 

 

 

 

Overige

 

1950 – Die waere ende suevere chronycke van sGraevensteene: Esbatement ofte cluyte […] (onder pseudoniem Anatole Ghekiere)

1964 – Karel Appel, schilder (essay en gedichten)

1967 – De vijanden (cinéroman, naar zijn film)

1967 – De avonturen van Belgman

1977 – P.P. Rubens, schilder en diplomaat (televisiereeks)

1980 – De pen gaat waar het hart niet kan (interviews, samengesteld door Gerd de Ley)

1980 – Ontmoetingen met Corneille en Karel Appel (gedichten en beschouwingen, samengesteld door Erik Slagter)

1989 – Perte totale (proza en poëzie bij schetsen)

1999 – Goede geschiedenissen of een A.B.C. van de kinderheiligen (lees- en plakboek)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Paul Cézanne

Standaard

Categorie : Beroemde mensen 

 

 

 

De Franse kunstenaar Paul Cézanne werd op 19 januari 1839 geboren in Aix-en-Provence (Frankrijk).
Hij ging naar school in Aix, en sloot een hechte vriendschap met de beroemde romanschrijver Emile Zola.
Tussen 1859 en 1861 studeerde hij rechten, maar volgde in diezelfde tijd teken- en schilderlessen.
Tegen de wil van zijn onverzettelijke vader in koos Cézanne toch voor het kunstenaarschap en volgde in 1861 Zola naar Parijs. Zijn vader legde zich er toen maar bij neer en ondersteunde zijn zoon zodanig, dat deze financieel onafhankelijk was en zich geheel op de schilderkunst kon toeleggen, ook dankzij een enorme erfenis die hem later toeviel.

 

 

 

 

In Parijs studeerde hij korte tijd aan de Académie Suisse. In 1863 werd Paul Cézanne niet toegelaten tot de kunst-academie in Parijs en besloot zijn kunstopleiding te vervolgen bij de Académie Suisse. Tussen 1864 en 1869 zond hij werk in naar de officiële salon, maar zag zijn werk keer op keer geweigerd. Hij kopieerde werken van Eugène Delacroix en Nicolas Poussin in het Louvre, maar zijn werk werd te onbekwaam bevonden. Zijn schilderijen uit de jaren 1865-1870 vormen zijn vroege `romantische` periode: extreem persoonlijk, individualistisch werk, geweld-dadige onderwerpen en bizarre fantasieën in harde, sombere kleuren. Zwaar aangezet werk.

 

 

zelfportret

 

 

In Parijs ontmoette hij Camille Pissarri en anderen van de groep impressionisten aldaar. Cezanne bleef echter enigszins een outsider binnen die kringen. In 1874 deed Cézanne mee aan de eerste tentoonstelling van de im-pressionisten. Hoewel Cézanne ook deelnam aan de tweede tentoonstelling van de impressionisten, werd er weinig van hem verkocht. In 1882 werd voor het eerst werk van Cézanne toegelaten in `de Salon`.

Hij trouwde met Hortense Fiqet in 1886. Na de dood van zijn vader erfde hij een grote som geld, waardoor hij financieel onafhankelijk werd van zijn vrouw. Hij schilderde samen met Renoir in 1888. In 1894 bezocht hij Monet in Giverny en ontmoette hij de beeldhouwer Auguste Rodin. Een jaar later exposeerde Ambroise Vollard voor het eerst Cézanne`s werk in zijn beroemde galerie. In 1897 vestigde Paul Cézanne zich permanent in Aux-en-Provence. In de volgende jaren werkte hij aan zijn grote schilderij met de baders. Veelvuldig schilderde hij ook de Mont Sainte-Victoire vlak bij zijn huis, geschilderd vanuit zijn studio die uitkeek over het tussenliggende dal.

 

 

Hotense Fiquet

 

 

 

Monst Sainte Victoire vanaf de Bibemus

 

 

 

Mont Sainte Victoire

 

 

Tijdens de wereldtentoonstelling in Parijs in 1900 werden drie schilderijen van Cézanne tentoongesteld. Ook in het buitenland begon hij eindelijk door te breken. Tussen 1900 en 1905 schilderde hij zijn ´serie´ De baadsters (Les grandes baigneuses). Wanneer we ´De Baadsters´ van Cézanne aanschouwen, valt onmiddellijk de driehoeks-compositie op. De mystieke driehoek! Een dergelijk opbouwen in geometrische vorm is een oud beginsel dat tenslotte werd verlaten omdat het in academische formules stokvast raakte. Cézanne geeft dit principe een nieuwe zin, hier is de driehoek geen middel ter harmonisering van de groep, maar het duidelijk artistieke doel!

 

 

De baadsters

 

 

Het artistieke streven krijgt een sterk abstracte bijklank. Om deze reden verandert Cezanne ook de menselijke proporties, de afzonderlijke lichaamsdelen worden heftiger naar boven toe, ze worden steeds lichter en gerekter. Waarom legt Cezanne hier weerom de klemtoon op het abstracte? Net zoals Maeterlinck gaat zoeken naar de innerlijke, abstracte klank van het woord, gaat Cezanne zoeken naar de innerlijke klank van de geometrische vorm. Beiden denken met deze primitieve vormelementen tot een veel expressievere uitdrukking van het innerlijk te komen dan met een gesloten tekst of een naturalistisch tafereel.

In Duitsland organiseerde Bruno Cassirer in Berlijn een tentoonstelling met werk van hem en dertig schilderijen van hem maakten deel uit van de belangrijke tentoonstelling van de Onafhankelijken in 1904. Paul Cézanne overleed op 22 oktober 1906 in Aix-en-Provence. De Franse schilder Cézanne die gedurende zijn leven maar weinig exposeerde en zich in toenemende mate in isolement terugtrok, wordt tegenwoordig beschouwd als een van de grondleggers van het modernisme in de schilderkunst. Cézanne was tijdgenoot van de impressionisten, en zijn werk dat speelt met licht en kleur is door het impressionisme beïnvloed, maar zijn werk loopt al vooruit op het expressionisme en het kubisme.

 

 

 

Post – impressionistische werken van Cézanne

 

 

stilleven met gips -1895

 

 

 

draaiende weg bij Montgeroult – 1898

 

 

 

zwart kasteel – 1904

 

 

 

baai van Marseille vanuit Estaque 1885

 

 

 

madame Cézanne – 1892

 

 

 

jongen met rode vest -1890

 

 

 

mand met appelen – 1893

 

 

 

Pierrot en Harlequin

 

 

 

de kaartspelers

 

 

 

Huis van Cézanne

 

 

 

stilleven met fruitmand

 

 

 

madame Cézanne op stoel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rudolf Diesel

Standaard

categorie: bekende personen

 

 

Rudolf Diesel, de uitvinder van de dieselmotor

Op het einde van de 19de eeuw was België één van de meest geïndustrialiseerde landen ter wereld. In deze periode was de drang naar nieuwe ideeën en ontwikkelingen groot. Eén daarvan was de dieselmotor, die door Rudolf Diesel werd uitgevonden in Duitsland, en al snel een productie kende in België.

 

 

 

 

 

De jeugdjaren

 

Rudolf Christian Karl Diesel wordt in Parijs op 18 maart 1858 geboren als zoon van Theodor Diesel en Elise Strobel. Zijn vader is leerbewerker en boekbinder. Hij besluit om tijdens het revolutiejaar 1848 Duitsland te ontvluchten. De familie vindt een veiliger heenkomen in de Franse hoofdstad.

in 1870 breekt de Frans-Pruisische oorlog uit. Theodor en Elise verhuizen naar Londen zonder de 12 jarige Rudolf die intrekt bij zijn oom, een wiskundeleraar uit Augsburg. Rudolf volgt later colleges in de Technische Universiteit van München. Daar krijgt hij onder meer les van de bekende professor Carl von Linde, een expert in de thermodynamica. De professor is erg gekant tegen de energieverspilling van stoommachines en is voorstander van nieuwe technieken in de mechanica. De jonge Diesel studeert af aan de universiteit in 1880.

 

 

De eerste experimenten en successen

 

Op 24 november 1883 trouwt Diesel met Martha Flasche met wie hij drie kinderen krijgt. Zijn jongste zoon Eugen Diesel zou in 1939 een boek over hem en zijn motor schrijven. In 1885 experimenteert Diesel met verschillende mechanismes voor verbrandingsmotoren. Zijn doel is een energiebesparend alternatief voor de stoommachine te ontwikkelen.

In 1892 boekt Diesel zijn eerste succes. Hij laat een motor één minuut draaien zonder ontstekingsmechanisme met behulp van gecomprimeerde luchtdruk. 4 jaar later fabriceert men een verbeterd model van deze eerste ‘ dieselmotor ’  in de Maschinenfabrik Augsburg Nurnberg. In het begin wordt de motor enkel ingezet voor stationair gebruik. Ze drijven andere machines in de fabriek aan. In een latere fase pas wordt hij geïnstalleerd als aandrijving van voertuigen.

 

 

 

 

 

Het einde

 

De dieselmotor wordt een commercieel succes en Rudolf wordt rijk. Maar door slechte investeringen in zijn bedrijf, technische problemen met de eerste dieselmotoren en geldverslindende proceskosten wegens patentrechten is zijn rijkdom van korte duur. Diesel komt in zware financiële problemen wat mogelijk de aanleiding voor zijn dood wordt.

Rudolf Diesel overlijdt op 27 september 1913, nadat hij aan boord van het stoomschip ‘ Dresden ’ plotseling verdwijnt. Hij was op weg naar een conferentie in Londen. Men vindt zijn levenloze lichaam niet veel later terug in het water. Nabestaanden veronderstellen zelfmoord, maar bewijs hiervoor is nooit geleverd.

Een jaar later brak de 1ste Wereldoorlog uit. In veel oorlogstuig doet men beroep op de dieselmotor. Pas in 1915 plaatst men een dieselmotor in een MAN vrachtwagen. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog maakt Mercedes-Benz de eerste Diesel-personenauto.

 

 

Info

 

Rudolf Diesel was tijdens zijn leven niet enkel een uitstekende technicus. Hij had ook muzikale capaciteiten als pianist en interesse in moderne kunsten. Diesel zag zichzelf als een sociaal filosoof maar werd daarvoor nooit erkend. Zijn boek ‘ Solidarity ‘, waarin hij zijn visie op het bedrijf beschrijft, verkocht slechts 200 exemplaren.

Rudolf was ook een Esperantist. Hij zei:

“Sedert vele jaren ben ik geïnteresseerd in het Esperanto. Deze internationale hulptaal voldoet aan een basisvoorwaarde opdat de meeste volkeren ze zou waarderen en ze verder blijft bestaan in een natuurlijke verbinding met de belangrijkste talen in de geniale eenvoud en de logica van haar structuur.

Deze taal bekijk ik uit het standpunt van een ingenieur, wiens betrachtingen gericht zijn op het sparen van energie.Het doel van Esperanto is tijd, energie, arbeid en geld te sparen en de internationale betrekkingen te versnellen en te vereenvoudigen.

Vanuit dit standpunt is het moeilijk de tegenstand te begrijpen, die nog voorkomt tegen het invoeren van een zaak die zo nuttig is voor het mensdom. Ik ben van mening dat het invoeren van het Esperanto een absolute noodzaak is voor de vrede en cultuur.”

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

Aristoteles, een briljante wetenschapper

Standaard

categorie : beroemde mensen

 

 

 

In de 4e eeuw voor Christus ontpopte de jonge Aristoteles (384-322 voor Christus) zich als de meest getalenteerde student aan de Academie van Plato. Hij liet zich inspireren door de denkbeelden van Plato, maar zag diens filosofie vooral als een uitdaging. Aristoteles was de laatste van de drie grote Griekse denkers, en legde met zijn uitvoerige filosofische overdenkingen een belangrijke basis voor de westerse filosofische traditie.

 

 

aristotlereliefbust

 

 

Aristoteles wordt gezien als een homo universalis. Hij hield zich namelijk bezig met vrijwel alle wetenschappen die destijds beoefend konden worden, van filosofie tot wiskunde en van natuurwetenschappen tot letterkunde. In tegenstelling tot zijn leermeester Plato, die gefascineerd was door abstracte, ‘eeuwige vormen’, had Aristoteles vooral belangstelling voor de concrete, levende natuur. Waar Plato redeneerde vanuit het menselijk verstand, gebruikte Aristoteles de empirische waarneming als uitgangspunt van zijn filosofische project.

 

 

 

Plato versus Aristoteles

 

Plato maakte onderscheid tussen een zintuiglijke werkelijkheid, de wereld zoals wij die ervaren, en een verheven, abstracte wereld van de ‘eeuwige ideeën’. Iedere concrete waarneming vormde volgens hem een afspiegeling van dat wat ‘echt’ bestaat in die ideeënwereld. Volgens Aristoteles bleef Plato daarmee teveel in een mythisch wereldbeeld hangen. Aristoteles was iets nuchterder: voor hem vormde de waarneembare wereld om hem heen gewoon de ‘echte’ werkelijkheid, en werden abstracte ideeën juist op basis van deze wereld gevormd.

 

 

 

Belang van zintuiglijke waarneming

 

Toch maakte hij dankbaar gebruik van Plato’s overpeinzingen. Aristoteles was net als Plato van mening dat bijvoorbeeld de ‘paardheid’ van een paard eeuwig en onveranderlijk is. Maar, zo beweerde hij, zo’n idee kan pas in ons hoofd ontstaan nadat we een aantal paarden hebben gezien. Er bestaan geen aangeboren ideeën: alles wat de mens denkt is gebaseerd op waarneming. Wel bezitten individuen volgens Aristoteles het aangeboren vermogen om te categoriseren. Met het verstand worden zintuiglijke indrukken ondergebracht in groepen en een veelheid aan subgroepen, zoals ‘levend’ en ‘levenloos’, ‘dier’ en ‘mens’, en ‘hond’ en ‘kat’.

 

 

 

Materie en vorm

 

Het belangrijkste onderscheid dat Aristoteles maakte in zijn analyse van natuurverschijnselen is dat tussen materie en vorm. Materie betreft het ‘materiaal’ van een verschijnsel, terwijl de vorm bestaat uit ‘eigenschappen’ ervan. Volgens Aristoteles kon een ding niet worden geïdentificeerd op basis van de materie. Er is altijd sprake van geordende materie: materie, plus nog iets anders: de vorm. Zo verwijst de vorm van bijvoorbeeld een paard naar de verzameling van dingen die een paard kenmerken, zoals hinniken en galopperen. Dat wat voor alle paarden gelijk is, valt onder de vorm, de categorie of soort ‘paard’. Maar natuurlijk is niet ieder paard exact hetzelfde. Onderlinge verschillen en afwijkingen tussen paarden onderling vallen onder de materie. Materie en vorm zijn in onlosmakelijk met elkaar verbonden, zoals lichaam en ziel samen een mens definiëren.

 

 

Geschriften van Aristoteles

 

 

Aristoteles als systeemfilosoof

 

Aristoteles kan worden aangemerkt als een ‘systeemfilosoof’, door de wijze waarop hij alles in termen van categorieën probeerde te beschrijven. Bij zijn indeling van natuurverschijnselen in groepen (bijvoorbeeld levend en levenloos) ging hij uit van wat dingen ‘kunnen’. Zo onderscheidt de mens zich bijvoorbeeld door het vermogen om rationeel te denken. Daarnaast beweerde hij dat alle dingen en verschijnselen een ‘doeloorzaak’ bevatten. Zo regent het bijvoorbeeld niet omdat afgekoelde waterdamp door de zwaartekracht in regendruppels naar beneden valt, maar omdat gewassen water nodig hebben. Alles in de natuur heeft op die manier een ‘levensdoel’. Tegenwoordig wordt dit idee veelal verworpen. Zo wordt niet per se gedacht dat appels aan de boom groeien om door mensen geplukt en opgegeten te worden, zoals Aristoteles wel zou beweren.

 

 

 

Aristoteles’ deugdenethiek

 

De filosofie van Aristoteles kende ook een ethische dimensie. Volgens hem kon de mens alleen een gelukkig leven leiden als alle menselijke vermogens goed worden benut. Volgens zijn deugdenethiek zou ieder mens moeten streven naar eudaimonia: gelukzaligheid. De ‘gulden middenweg’ vormt hierbij de sleutel. Een goed mens is hij die bijvoorbeeld niet laf of roekeloos is, maar moedig. Dit ‘gulden middenweg’-idee is op alles van toepassing. Van evenwicht en matigheid wordt de mens gelukkig en bereikt hij eudaimonia, aldus Aristoteles.

 

 

 

Weerlegging van Herakleitos

 

Reflecterend op Aristoteles filosofische voorgangers, heeft zijn gedachtegoed enkele implicaties. Neem het voorbeeld van de presocraat Herakleitos, die van mening was dat het onmogelijk is om tweemaal in dezelfde rivier te stappen. Omdat een rivier ‘stroomt’ en continu in beweging is, is het immers nog geen twee seconden dezelfde rivier, zo argumenteerde Herakleitos. Aristoteles vond dit onzin. De rivier bestaat immers niet slechts bij de gratie van haar materie, het water. Ondanks dat het water stroomt en de materie dus continu verandert, behoudt de rivier als geheel namelijk zijn vorm. En door het voortbestaan van deze vorm, behoudt de rivier ook zijn ‘identiteit’ als rivier. Daarom is een rivier niet op twee momenten verschillend, en is het prima mogelijk om vaker in dezelfde rivier te stappen.

 

 

Aristoteles’ vrouwbeeld

 

Het onderscheid dat Aristoteles maakte tussen vorm en materie had overigens nogal kwalijke gevolgen voor zijn ‘vrouwbeeld’. Vrouwen zag hij als onvolledige mannen, ze misten iets. Volgens Aristoteles erfden kinderen bovendien alleen mannelijke eigenschappen. In zijn bewoordingen verschaft de ‘passieve en ontvangende’ vrouw die een kind baart slechts de materie, terwijl de ‘actieve en vormende’ man de essentiële vorm voor zijn rekening neemt. In de middeleeuwen droeg dit idee onder meer bij aan de visie op de ‘ondergeschikte’ vrouw. Niettemin bood Aristoteles’ filosofie inzicht in natuurverschijnselen die tot op de dag van vandaag hun waarde bewijzen, en waar de westerse filosofie nog eeuwen op voort kon borduren.

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA