Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

Haagwinde : Convolvulus sepium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, zuiver witte (zelden roze met witte strepen), trechtervormige bloemen en
– aan de hoek van 90° tussen bladsteel en bladschijf
– en de pijlvormige bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Haagwinde is een zeer algemeen voorkomende snelgroeiende overblijvende klimplant. Op zonnig tot half beschaduwde plaatsen met natte tot vochtige, voedselrijke grond kan je haar tegenkomen, zoals in akkers, plantsoenen, tuinen, rietlanden, ruigten en moerasbossen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Haagwinde bloeit vanaf juni tot de herfst met grote, trechtervormige, zuiver witte bloemen. Zelden zijn ze roze met witte strepen. De bloem wordt aan de onderkant omsloten door twee hartvormige, meestal roodbruin aangelopen schutbladen, die de kelk gedeeltelijk bedekken. De schutbladen overlappen elkaar niet, ze raken elkaar hooguit aan de rand en ze zijn langer dan de kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De niet of weinig vertakte stengels winden zich tegen de klok in om takken en stengels van andere planten of zaken zoals palen, gaas of spijltjes van hekken. Ze kan zo tot 3 meter hoog klimmen. De bladeren hebben een breed pijlvormige voet. De bladschijf en bladsteel staan ongeveer haaks op elkaar.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

haagwinde : grote witte bloemen, bladsteel maakt ongeveer een hoek van 90° met bladschijf.
akkerwinde : heeft kleinere, geurende witte of roze bloemen, die aan de buitenkant 5 donkere strepen hebben.
zeewinde : heeft roze/bleek purperen bloemen met 5 witte strepen, niervormige bladeren en liggende, zelden klimmende stengels.
gestreepte winde : opgeblazen schutbladen onder de bloem overlappen elkaar gedeeltelijk. Bloemen wit, vaak met roze strepen.

 

 

akkerwinde

 

 

 

zeewinde

 

 

 

gestreepte winde

 

 

 

Algemeen

 

windefamilie (Convolvulaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 3 meter

Bloem
– wit, zelden roze met witte strepen
– vanaf juni tot de herfst
– gesteeld alleenstaand
– trechtervormig
– 3 tot 6 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– pijlvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet breed pijlvormig
– veernervig

Stengel
– klimmend
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote wederik : Lysimachia vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– gele bloemen in grote, eindelingse pluimen en
– kelkbladen met roodachtige rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote wederik is een overblijvende plant van 60 tot 150 cm hoog. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage landen. Ze groeit op natte, min of meer voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en duinvalleien, in vennen en bossen, ook op drogere grond langs kanalen en spoordijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote wederik bloeit vanaf juni tot en met augustus. Ze verlangt veel licht om in bloei te komen. De bloemen staan in grote, pyramide-vormige pluimen aan het einde van de stengel en de zijstengels. Ze hebben 5 kroonbladen met aan de basis vaak een bruinrode vlek. De kelkbladen zijn roodachtig gerand.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

puntwederik : gele bloemen in schijnkransen in langgerekte bebladerde pluimen, kelkbladen geheel groen, kroonbladen gewimperd.
grote wederik : gele bloemen in pyramide-vormige pluimen aan het einde van de stengels en zijstengels, kelkbladen roodachtig gerand.

 

 

puntwederik

 

 

 

Algemeen

 

sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 60 tot 150 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– pluim
– stervormig
– 1,5 tot 2 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, roodachtig gerand
– 5 meeldraden, gedeeltelijk vergroeid
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand of krans
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– veernervig
– onderkant behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond, soms vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote teunisbloem : Oenothera glazioviana

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 Goed te herkennen aan
– de grote lichtgele bloemen met een stijl, die even lang of langer is dan de meeldraden en
– de behaarde kelkbladen met rode strepen, of die later helemaal rood worden en
– de behaarde stengel met rode knobbels, strepen en/of vlekken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote teunisbloem is een stevige, zacht behaarde, tweejarige plant van 50 tot 150 cm hoog en groeit op open, droge, vaak omgewerkte zandige of stenige grond. In het eerste jaar ontwikkelt zich een bladrozet, in het tweede jaar de stevige bloeistengel. Ze komt vrij algemeen voor en is waarschijnlijk oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is in Europa als sierplant geïntroduceerd. Daarna is ze op enkele plaatsen verwilderd, soms in grote aantallen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote teunisbloem bloeit vanaf juni tot en met september met grote, geurende bloemen, die samen een aarvormige bloeiwijze vormen aan het einde van een rijk bebladerde stengel. Ze hebben 4 lichtgele kroonbladen, die duidelijk langer zijn dan de meeldraden. De bloemen bloeien maar 1 dag, hooguit 2 dagen. Ze openen zich in de avond. De kelkbladen klappen zich in een snelle beweging om naar de steel en in 15 tot 20 minuten heeft de bloem zich geopend. De bestuiving vindt voornamelijk plaats door insecten, die in de avond en nacht actief zijn. De kelkbladen hebben rode strepen of worden later helemaal rood. De stengel en het vruchtbeginsel hebben rode knobbels, strepen en/of vlekken.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Sinds de 80-er jaren wordt grote teunisbloem gekweekt vanwege haar oliehoudende zaden. Teunisbloemolie kent vele toepassingen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

grote teunisbloem : bloemen 35-50 mm, stengel en vruchtbeginsel met rode knobbels, strepen en/of vlekken, kelkbladen met rode strepen of later helemaal rood.
middelste teunisbloem : bloemen 20-28 mm, groene stengel, kelkbladen en vruchtbeginsel.
duinteunisbloem : bloemen 8-16 mm, stengel met rode knobbels, vlekken en/of strepen, kelkbladen vaak rood.
zandteunisbloem : bloemen 8-12 mm, groene stengel, kelkbladen en vruchtbeginsel.

 

 

middelste teunisbloem

 

 

 

duinteunisbloem

 

 

 

zandteunisbloem

 

 

 

Algemeen

 

teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– tweejarig
– vrij algemeen in duin- en stedelijke   gebieden
– 50 tot 150 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m september
– gesteeld alleenstaand in aar
– stervormig
– 3,5 tot 6 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– veernervig, met lichte middennerf
– voet wigvormig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– rolrond
– behaard
– met rode knobbels, vlekken en/of  strepen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote pimpernel : Sanguisorba officinalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– eironde tot langwerpige, donkerrode tot bruinrode bloemhoofdjes
– in een vertakte bloeiwijze op
– lange stelen, die bovenaan kaal zijn

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote pimpernel is een overblijvende, pollen vormende plant van 30 tot 100 cm hoog. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond in hooilanden, aan waterkanten, in bermen en langs spoorwegen. Ze is plaatselijk algemeen voor komend in de Lage landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote pimpernel bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen staan bij elkaar in een aarvormige bloei- wijze. Ze hebben 4 donkerrode tot bruinrode kelkbladen; kroonbladen ontbreken. Ze leveren veel nectar en lokken daarmee verschillende insecten en vlinders. Onderaan het hoofdje worden de nieuwe bloemen gevormd; de bovenste bloemen zijn het verst uitgebloeid. Pas geopende bloemen hebben nog witte kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn oneven geveerd; ze bestaan uit 7 tot 13 gesteelde, langwerpige tot ovale deelblaadjes met een gezaagde rand. De bovenkant is groen, de onderkant is blauwgroen.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Grote pimpernel is de waardplant van twee dagvlinders, donker pimpernelblauwtje en pimpernelblauwtje. Beide vlinders waren in de jaren 70 van de vorige eeuw bijna verdwenen. In 1990 zijn beide soorten geherintroduceerd en kunnen zich nu handhaven. Donker pimpernelblauwtje heeft zich in 2001 weer spontaan gevestigd in Limburg.

 

 

pimpernelblauwtje

 

 

 

Toepassingen

 

Grote pimpernel heeft bloedstelpende eigenschappen. In Rusland en China wordt de plant daarvoor nog steeds gebruikt. Thee van de bladeren werkt heilzaam tegen ontstekingen in mond en keel. Verder bevat de plant stoffen tegen darmstoringen, die ook nu nog in de homeopathie gebruikt worden.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Naast grote pimpernel is er ook kleine pimpernel . De tweede helft van de naam is de grootste overeenkomst; ze zijn makkelijk van elkaar te onderscheiden. Kleine pimpernel is in alles kleiner. Beide soorten hebben eironde tot langwerpige bloemhoofdjes. Die van kleine pimpernel zijn groenig met rode accenten. Kleine bevernel heeft vergelijkbare bladeren, maar is bloeiend duidelijk van grote pimpernel te onderscheiden door de witte schermbloemen.

 

kleine pimpernel

 

 

 

kleine bevernel

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– algemeen tot ontbrekend
– 30 tot 100 cm

Bloem
– donkerrood tot bruinrood
– vanaf juni t/m september
– hoofdje
– 1 tot 3 cm
– 4 bloemdekbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top spits
– rand gezaagd
– voet hartvormig of afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote kattenstaart : Lythrum salicaria

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de aarvormige, dichtbloemige, helder roze bloeiwijzen met
– donker geaderde, stervormige, 5- of 6-tallige bloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote kattenstaart is overblijvende plant van 60 tot 120 cm hoog, die groeit aan waterkanten en op natte, voedselrijke grond in graslanden, veenmoerassen, lichte loofbossen, rietlanden en duinvalleien.
De plant is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote kattenstaart bloeit van juni tot en met september met dichtbloemige, aarvormige bloeiwijzen. De helder roze bloemen zijn 1 tot 1,5 cm groot en hebben vijf of zes kroonblaadjes die donker geaderd zijn. Ze staan in schijnkransen in de oksels van de schutbladen. De bloemen produceren twee soorten stuifmeel. Het gele stuifmeel dient als lokmiddel voor de insecten. Het groene stuifmeel, dat voor de insecten onzichtbaar is, blijft aan hun lichaam hangen en daarmee bestuiven ze andere bloemen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De onderste bladeren staan in een krans van drie, de bovenste staan in paren tegenover elkaar. Ze zijn spits en smal, lancetvormig. Ze gaan geleidelijk over in de schutbladen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

In de volksgeneeskunde dient de plant als bloedstelpend middel. De looistofrijke wortels worden eveneens medisch toegepast bij maag- en darmaandoeningen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kattenstaartfamilie (Lythraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 120 cm hoog

Bloem
– helder roze
– vanaf juni t/m september
– aarvormige tros
– 1 tot 1,5 cm
– stervormig
– 5 of 6 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 10 of 12 meeldraden, in twee kransen
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand of in kransen van 3
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet hartvormig of afgerond
– veernervig
– behaard
– geen bladsteel, wel steunblaadjes

Stengel
– rechtop
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Grote engelwortel : Angelica archangelica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– het formaat van de plant en
– de grote, groene bolvormige schermen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote engelwortel is een lichtgroene, overblijvende (tot 4-jarige) plant op natte, zeer voedselrijke grond aan waterkanten en in grienden. Ze kan tot 2,5 meter hoog worden. De plant komt algemeen voor en wordt ook gekweekt in tuinen als keukenkruid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote engelwortel bloeit in juni en juli met grote, bolvormige, groenachtig witte schermen, die veel insecten aantrekken. De grote schermen kunnen tot 20 cm breed worden en net als de kleinere schermpjes bestaan ze uit 20 tot 40 stralen. Het omwindsel onder het grote scherm ontbreekt of bestaat uit maximaal 3 blaadjes. Het omwindsel onder de kleinere schermen bestaat uit talrijke blaadjes.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stevige, ronde, gegroefde stengels zijn lichtgroen, maar vaak ook bedauwd roodbruin. De onderste bladeren zijn groot, 2- tot 3-voudig geveerd en hebben een ronde steel. De bovenste zijn minder gedeeld en zitten met een grote, opgeblazen schede aan de stengel. Alle bladeren bestaan uit eironde tot langwerpige deelblaadjes, die onregelmatig gezaagd zijn.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Uit de zaden en de wortel van grote engelwortel wordt een geurende olie geperst, die wordt gebruikt in de cosmetische industrie en bij het maken van verschillende likeuren. Daarnaast worden stoffen uit de wortel medicinaal toegepast bij spijsverteringsproblemen, gebrek aan eetlust en als urineafdrijvend middel.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten
  gewone engelwortel
– scherm 3 tot 15 cm breed, 15 tot 40 stralen
– bloemen zijn 2 mm, wit of roze
– plant donkergroen, nauwelijks ruikend
– eindblaadjes ongedeeld, voet niet aflopend
– tot 1,8 meter hoog
– wortelbladeren met gootvormige stengel
  grote engelwortel
– scherm tot 20 cm breed, 20 tot 40 stralen
– bloemen zijn 3 tot 4 mm, groenachtig wit
– plant lichtgroen, bij kneuzing sterk ruikend
– eindblaadjes vaak 3-delig met aflopende voet
– tot 2,5 meter hoog
– wortelbladeren met rolronde stengel

 

 

 

 

 

 

 

 

gewone engelwortel

 

 

Naast de twee bovengenoemde soorten zijn er nog een aantal (zeer) algemeen voorkomende planten met witte schermbloemen, zoals fluitenkruid en gewone berenklauw.

 

 

 

Algemeen

 

schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend, tot 4-jarig
– algemeen tot zeldzaam
– ook als keukenkruid
– 90 tot 250 cm

Bloem
– groenachtig wit
– juni en juli
– scherm
– 3 tot 4 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– 2- of 3-voudig oneven veervormig
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– voet afgerond of (half)
stengelomvattend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rond en gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote egelskop : Sparganium erectum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de bolvormige vrouwelijke of mannelijke hoofdjes
– aan een vertakte bloeistengel en
– de stekelige bollen van spitse vruchten en
– de lange, smalle (6-30 mm), rechtopstaande, gekielde bladeren en
– de groeiplaats in en aan ondiep zoet water

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote egelskop is een overblijvende, woekerende oeverplant van 30 tot 100 (180) cm hoog. Ze groeit aan en in zoet, voedselrijk, niet te diep, stilstaand of langzaam stromend water. Het is een zeer algemeen voor komende plant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met september. De stengel van de bloeiwijze is vertakt. Dit onderscheidt grote egelskop van kleine, kleinste en drijvende egelskop. Zowel de hoofdstengel als de korte zijstengels zijn zigzag gebogen. Aan elke vertakking en aan het einde van de hoofdtak zitten een aantal bolvormige, ongesteelde bloeiwijzen. De onderste (1-4) bloeiwijzen zijn vrouwelijke hoofdjes en bestaan alleen uit vrouwelijke bloemen. De bovenste, kleinere hoofdjes bestaan uit mannelijke bloemen. Meestal zijn er veel meer mannelijke hoofdjes dan vrouwelijke.

De vrouwelijk bloemen hebben een lange, draadvormige, vuilwitte stijl en stempel (soms twee) en groen bruinachtige bloemdekblaadjes. De mannelijke bloemen bestaan uit 1-3 meeldraden, die omgeven worden door 4 vliezige bloemdekbladen. De bloemen stellen niet zoveel voor, idat is ook niet zo belangrijk omdat bestuiving door de wind plaatsvindt. Na bevruchting ontwikkelen de vrouwelijke hoofdjes gesnavelde vruchtjes, waar de plant haar naam aan dankt.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn 6 tot 30 mm breed, onderaan driehoekig in doorsnede, bovenaan plat, gekield en niet of nauwelijks gedraaid. De bladeren van lisdodden en zwanenbloem zijn wel gedraaid. De bladeren van grote egelskop worden door meerkoeten gebruikt als nestmateriaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Een ondersoort van grote egelskop is blonde egelskop (Sparganium erectum subsp. neglectum), enkel van elkaar te onderscheiden door de vorm van de vruchtjes : rijpe vruchtjes van blonde egelskop zijn 2x zo hoog als breed. Rijpe vruchtjes van grote egelskop zijn iets hoger dan breed. Van alle egelskopsoorten (grote, kleine, kleinste en drijvende) heeft grote egelskop als enige een vertakte bloeistengel.

 

 

blonde egelskop

 

 

 

Algemeen

 

– egelskopfamilie (Asteraceae)
– overblijvende water-/oeverplant
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 30 tot 100 (180) cm

Bloem
– groen
– vanaf juni t/m september
– talrijke mannelijke hoofdjes
– 1 tot 4 vrouwelijke hoofdjes
– 1 tot 1,5 cm

Blad
– in 2 rijen
– enkelvoudig
– zwaardvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote centaurie : Centaurea scabiosa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote lila/paarse bloemhoofdjes met vergrote randbloemen en
– de gedeelde bovenste bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote centaurie is een overblijvende plant van 30 tot 120 cm hoog. Ze groeit op tamelijk droge, kalkrijke, grazige grond op dijken, in bermen en langs spoorwegen. Ze is vrij zeldzaam, wordt ook uitgezaaid en kan zich dan lang handhaven. Ze staat op de rode lijst als kwetsbaar.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote centaurie bloeit vanaf juni tot en met oktober met grote lila/paarse bloemenhoofdjes, waarvan de buitenste bloemen zijdelings uitgespreid staan. Ze zijn ook groter en steriel. De bloemhoofdjes zijn alleenstaand aan de top van de stengel en de zijtakken. Omwindselblaadjes bedekken het onderste deel van de hoofdjes. Ze zijn afgebiesd met een donkerkleurige franjerand.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Knoopkruid lijkt op grote centaurie, maar is in zijn geheel tengerder, heeft kleinere bloemhoofdjes, ongedeelde bovenste bladeren tot vlak onder de bloem en anders gevormde omwindselblaadjes.

 

 

knoopkruid

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam tot zeldzaam
– ook uitgezaaid
– 30 tot 120 cm

Bloem
– lila/paarse 5 slippige buisbloemen
– vanaf juni t/m oktober
– hoofdje, alleenstaand
– 3 tot 5 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top stomp
– rand (meestal) gaaf
– veernervig
– onderste bladeren gesteeld
– iets leerachtig

Stengel
– rechtop
– behaard
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Groot spiegelklokje : Legousia speculum-veneris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, paarse 5-tallige bloemen met
– kelkslippen ongeveer even lang als de kroonslippen en
– een onderstandig vruchtbeginsel, dat lijkt op een kantige steel

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Groot spiegelklokje is een eenjarig plantje van 10 tot 40 cm hoog, dat groeit op open, vochtige, kalkhoudende grond in graanakkers en open bermen. Ze staat op de rode lijst als ernstig bedreigd. Ze is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Groot spiegelklokje bloeit vanaf juni tot en met augustus met 5-tallige paarse bloemen, die samen een losbloemige pluim vormen. De cultuurplanten zijn vaak wit. De bloemen lijken op een lange, driekantige steel te staan, maar dat is het onderstandige vruchtbeginsel. De 5 kroonbladen zijn vergroeid en tot iets minder dan de helft gespleten. De kroonslippen van volledig geopende bloemen staan vlak af, zijn iets uitgerand en hebben een spitsje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

klokjesfamilie (Campanulaceae)
– eenjarig
– zeer zeldzaam
– ook als tuinplant
– 10 tot 40 cm

Bloem
– paars
– vanaf juni t/m augustus
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 15 tot 25 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand zwak gekarteld
– voet (half)stengelomvattend of
aflopend
– kromnervig

Stengel
– rechtop
– weinig behaard
– kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone melkdistel : Sonchus oleraceus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– lichtgele bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen en
– de slappe grijsgroene bladeren met geoorde voet en stekelige rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewone melkdistel is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant, die groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke, vaak omgewerkte grond in akkers, (moes)tuinen, braakliggende terreinen, bermen, tussen stoeptegels en langs stoepranden.

 

 

 

Bloem

 

Ze wordt 30 tot 90 cm hoog en bloeit vanaf juni tot in de herfst. De bloemhoofdjes bestaan uit talrijke lichtgele lintbloemen. De onderkant van de buitenste lintbloemen is vaak zilverig roodpaars. De bloemhoofdjes zijn ’s morgens geopend en in de middag sluiten ze zich weer.

 

 

 

Blad

 

De slappe stengelbladeren hebben afgeronde oortjes en zijn veerdelig, waarbij de eindslip meestal groter is dan de overige bladslippen. Ze zijn dof- of grijsgroen van kleur en soms wat paars aangelopen. De bladrand is golvend en stekelig getand. De bovenste bladeren zijn vaak ongedeeld met spitse, afstaande oortjes en bijna gaafrandig.

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes.

gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bovenste bladeren met spitse, afstaande oortjes.

gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

 

 

De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

 

akkermelkdistel

 

 

 

 

moerasmelkdistel

 

 

 

 

gekroesde melkdistel

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 90 cm hoog

Bloem
– lichtgele lintbloemen
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdjes in een losse tros
– 1 tot 2 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig tot veervormig   ingesneden
– top stomp
– rand (golvend) stekelig getand of   gaaf
– voet (half)stengelomvattend
– veer- of netnervig

Stengel
– rechtop
– glad of bovenaan met klierharen
– kantig tot rolrond

zie wilde bloemen