Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

Smalle weegbree : Plantago lanceolata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-plantago_lanceolata_inflorescense

 

 

Goed te herkennen aan
– het rozet van lange, smalle bladeren met duidelijk zichtbare parallel lopende nerven en
– de bloeiwijzen aan het einde van de stengel met uitstekende (room)witte meeldraden

 

 

bloeiende-plant-smalle-weegbree

 

 

 

Algemeen

 

Smalle weegbree is een 5 tot 45 cm hoge, zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant. Ze bloeit vanaf mei tot de herfst en groeit op open en grazige, vochtige, meestal omgewerkte of betreden grond langs wegen en dijken en in graslanden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemetjes van smalle weegbree staan in een korte, eironde tot langwerpige donkere aar op een duidelijk gegroefde stengel. Ook de vorm en grootte van de aar is afhankelijk van de kwaliteit van de grond. Korter en boller betekent minder voedselrijke omstandigheden.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan in een wortelstandige rozet, zijn lancetvormig (zelden breder), zacht behaard en voorzien van 3 tot 7 duidelijk zichtbare parallel lopende nerven. De bladeren versmallen zich geleidelijk in een gootvormige steel. In voedselrijke omstandigheden staan de bladeren rechtop. Zijn de omstandigheden minder gunstig dan blijft de hele plant kleiner en liggen de bladeren op de grond.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Smalle weegbree is vanouds een bekende geneeskrachtige plant. De bladeren bevatten een slijmoplossend en hoestprikkel dempend middel. Het sap van de bladeren kan tevens gebruikt worden bij jeukende insectensteken.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 5 tot 45 cm

Bloem
– (room)wit
– vanaf mei tot de herfst
– aar
– stervormig
– 15 tot 25 mm lengte hoofdje
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 4 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– geleidelijk versmallend
– parallelnervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– zacht behaard
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

smalleweegbree1

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4

Schijnpapaver : Meconopsis cambrica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

meconopsis_cambrica

 

 

Goed te herkennen aan
de gele en oranje klaproosachtige bloemen

 

 

p1060432

 

 

 

Algemeen

 

Schijnpapaver is een overblijvende stadsplant van beschaduwde, vochtige, vaak stenige plaatsen. Het is oorspronkelijk een tuinplant uit West-Europa, die zich makkelijk uitzaait en daardoor snel verwilderd langs heggen en muurtjes.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met juli met gele of oranje klaproosachtige bloemen, die 4 kroonbladen hebben en 2 snel afvallende, behaarde kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn dubbel veerdelig en de stengel afstaand verspreid behaard.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Schijnpapaver is een wachtkamersoort; een soort die eventueel opgenomen gaat worden op de Standaardlijst van de Nederlandse flora.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

papaverfamilie (Papaveraceae)
– overblijvend
– ingeburgerd
– 15 tot 60 cm

Bloem
– geel en oranje
– vanaf mei t/m juli
– lang gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 5 tot 8 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 2 kelkbladen, snel afvallend
– meer dan 20 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– dubbel veerdelig
– top spits
– rand getand tot gaafrandig
– voet aflopend
– veernervig
– kaal

Stengel
– rechtop
– verspreid afstaand behaard

zie wilde bloemen

 

 

voorjaar2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Bloeiend in maart in de Lage Landen

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

Bloeiend in maart in de Lage Landen. Elke bloem wordt in de categorie ” Kamerplanten en bloemen ” beschreven : zie zoeken

 

 

 

bosanemoon

 

 

 

 

 

gele anemoon

 

 

 

 

 

gevlekt longkruid

 

 

 

 

 

gewoon speenkruid

 

 

 

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

 

herderstasje

 

 

 

 

 

Japans hoefblad

 

 

 

 

 

klein tasjeskruid

 

 

 

 

 

kleine veldkers

 

 

 

 

 

klimop ereprijs

 

 

 

 

 

maarts viooltje

 

 

 

.

.

paardenbloem

 

 

 

 

 

paarse dovenetel

 

 

 

 

 

prachtschubwortel

 

 

 

 

 

slanke sleutelbloem

 

 

 

 

 

vingerhelmbloem

 

 

 

 

 

 winterpostelein

 

 

 

 

 

wrangwortel

 

 

 

 

 

zandhoornbloem

 

 

 

 

 

sneeuwklokje

 

 

 

 

 

klein hoefblad

 

 

 

 

 

klein kruiskruid

 

 

 

 

 

kluwenhoornbloem

 

 

 

 

 

lenteklokje

 

 

 

 

 

madeliefje

 

 

 

 

 

stinkend nieskruid

 

 

 

 

 

vogelmuur

 

 

 

 

 

vroegeling

 

 

 

 

 

winterakoniet

 

 

 

 

 

wit hoefblad

 

 

 

 

 

 

blauwe anemoon

 

 

 

 

 

 

grote sneeuwroem

 

 

 

 

 

 

holwortel

 

holwortel

 

 

 

 

 

oosterse hyacint

 

 

 

 

 

 

Slangenkruid : Echium vulgare

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

slangenkruid-110626-1038

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze/paarse knoppen en blauwe bloemen
– met meeldraden en stijl ver buiten de bloem stekend en
– de roodbruine knobbels met lange haren op de stengel

 

 

slangenkruid-1

 

 

 

Algemeen

 

Slangenkruid is een behaarde, overblijvende plant van 30 tot 100 cm hoog. Ze groeit op open, droge, kalkrijke, stikstofrijke, vaak omgewerkte grond. In Europa loopt het verspreidingsgebied van Midden-Scandinavië tot Spanje. In Noord-Amerika is de plant ingevoerd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Slangenkruid bloeit vanaf mei tot en met september. Bij vele ruwbladigen verkleuren de bloemen van roze (in de knop) via paars (grotere knop) en blauwpaars (bloem in volle bloei) naar blauw (verwelkte bloem, een enkele keer tot wit of vleeskleurig. De 5 meeldraden zijn opvallend donker roze/paars en ongelijk van lengte. Evenals de stijl steken ze ver buiten de bloem. De bloeiwijze is een langgerekte pluim, waarin de bloemen in (niet opgerolde) schichten bij elkaar staan. De schichten groeien tijdens de bloei schuin naar boven uit.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn dicht behaard met aanliggende korte haren en afstaande lange haren op roodbruine of witte knobbels. De rozetbladeren zijn langwerpig tot lancetvormig, in een steel versmallend. De zittende stengelbladeren zijn lancet-tot lijnlancetvormig.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De wortel is in het verleden gebruikt als basis voor rode verf. Op internet vind je een aantal toepassingen voor inwendig gebruik van slangenkruid, zoals thee gemaakt van de onderste bladeren of toevoegen van jonge blaadjes aan sla.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– overblijvend
– algemeen in het duingebied en
plaatselijk in stedelijke gebieden,
elders zeldzaam
– 30 tot 100 cm

Bloem
– verkleurend van roze naar blauw
– vanaf mei t/m september
– pluim, opgebouwd uit schichten
– trechtervormig
– 10 tot 20 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid of rozet
– enkelvoudig
– lancet- tot lijnlancetvormig
– top spits
– rand gaaf, soms golvend
– voet aflopend (in steel)
– hoofdnerf met onduidelijk zijnerven
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– roodbruine knobbels
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Schijnaardbei : Potentilla indica

Standaard

categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-duchesnea_indica7

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de op aardbeien lijkende schijnvruchten en
– de gele 5-tallige bloemen met brede, getande bijkelkbladen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Schijnaardbei is een overblijvende plant van 5 tot 15 cm hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Azië. Ze groeit op vochtige, voedselrijke beschaduwde plaatsen in plantsoenen, loofbossen, tussen stoeptegels en in tuinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met oktober met 5-tallige gele bloemen. Na de bloei groeien de 3- tot 5-tandige bijkelkbladen door en verschijnt er een op een aardbei lijkende rode ronde schijnvrucht.

 

 

schijnaardbei_0

 

 

 

Blad en stengel

 

Alle bladeren bestaan uit drie ovale deelblaadjes, die aan de onderkant wat zilverachtig behaard zijn op de nerven. De liggende stengels zijn behaard en wortelen op de knopen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam
– 5 tot 15 cm

Bloem
– geel
– vanaf mei t/m oktober
– alleenstaand
– stervormig
– 1 tot 1,5 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 behaarde spitse kelkbladen
– 5 getande bijkelkbladen
– ongeveer 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– handvormig samengesteld
– ovale deelblaadjes
– top spits
– rand gezaagd
– handnervig
– onderkant licht behaard op de nerven

Stengel
– liggend
– bloemsteel rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Scherpe boterbloem : Ranunculus acris

Standaard

categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-ranunculus_acris1

 

 

Goed te herkennen aan
– de 5-tallige, gele, glanzende (boter)bloemen en
– de gedeelde bladeren, de bovenste zonder steel en
– de ronde, niet gegroefde, behaarde stengel

 

 

350px-ranunculus-acris

 

 

 

Algemeen

 

Ranunculus is een geslacht met ongeveer 400 soorten planten, waartoe ook een aantal op elkaar lijkende soorten boterbloemen behoren. Scherpe boterbloem is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog.

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf april tot in de herfst (soms tot in de winter) met glanzende gele bloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bladeren en stengel zijn behaard

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Zoals de meeste boterbloemen is ook scherpe boterbloem licht giftig. Vee laat de boterbloem dan ook staan. De slak is de enige die er blijkbaar geen last van heeft. In hooi meegedroogde boterbloemen vormen geen gevaar meer voor dieren, want in gedroogde toestand zijn boterbloemen niet langer giftig.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– vanaf april tot in de herfst (winter)
– gesteeld alleenstaand
– 2 tot 3 cm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, behaard
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– top spits
– rand gezaagd
– zwak hartvormig
– handnervig
– onderste gesteeld
– bovenste zittend
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard

zie wilde bloemen

 

botanische-tekening-extragr-scherpe-boterbloem

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

Bloemen lijkend op de paardenbloem

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

Bloemen lijkend op de paardenbloem

 

Sommige inheemse planten worden verward met
de paardenbloem.

 

 

1 paardenbloem

 

paardenbloem

.

.

2 muizenoor

 

.

.

.

3 gele morgenster

 

 

.

.

 

4 schorseneren

 

 

.

.

 

5 herfstleeuwentand

 

 

.

.

 

6 akkermelkdistel of zeemelkdistel

 

 

.

.

 

7 gevlekt biggenkruid

 

 

.

.

 

 

gewoon biggekruid 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Roze winterpostelein : Claytonia sibirica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_1830-gr-roze-winterpostelein

 

 

Goed te herkennen aan
– de mooi geaderde helder roze bloemen en
– de twee tegenoverstaande niet vergroeide bladeren onder de bloemen

 

 

266px-claytonia_sibirica_plant_roze_winterpostelein_plant

 

 

 

Algemeen

 

Roze winterpostelein is een eenjarige plant van 10 tot 40 cm hoog. Ze groeit op open, vochtige, voedselrijke grond in loof-en naaldbossen, vaak als opslag in tuinen en parken. Halverwege de vorige eeuw is ze als sierplant in de Lage landen ingevoerd en daarna is ze via tuinafval verwilderd. Omdat ze zich gemakkelijk uitzaait en op plekken groeit waar geen andere plant kan groeien, heeft ze zich in het wild kunnen handhaven.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met augustus met donker geaderde helder roze (zelden witte) bloemen, die vijf ingesneden kroonblaadjes hebben.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Evenals witte winterpostelein is roze winterpostelein winterhard en kunnen de blaadjes rauw gegeten worden als salade of gekookt als spinazie. In de zomer kunnen ze wat bitter smaken. Een smeersel van gestampte bladeren werd gebruikt bij snijwonden en andere uitwendige verwondingen. Het sap van de plant is gebruikt als oogdruppels bij pijnlijke en rode ogen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

posteleinfamilie (Portulacaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 10 tot 40 cm

Bloem
– helder roze (zelden wit)
– vanaf mei t/m augustus
– pluim
– stervormig
– 8 tot 10 mm
– 5 kroonbladen ingesneden
– kroon niet vergroeid
– 2 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet of tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot ruitvormig
– top spits of toegespitst
– rand gaaf
– voet wigvormig
– kromnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-extragr-roze-winterpostelein

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

Onkruid soorten in ons land – letter Z

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Zevenblad (Umbelliferae)

 

Van alle onkruiden is ZEVENBLAD (Aegopodium podagria) wel een van de lastigste en moeilijkst te bestrijden soorten. Door diep te spitten en ieder afgebroken stukje wortel of ondergrondse stengel op te sporen kan men de plant uitroeien. Dat lukt evenwel uitsluitend wanneer men constant op zijn hoede blijft. De plant komt in de meeste delen van Europa voor en werd vroeger gebruikt als geneeskrachtig kruid; de soortaanduiding podagraria is afgeleid van het Latijnse podagra = jicht. Men neemt dan ook aan dat monniken een belangrijk aandeel hebben gehad in de verspreiding van de plant. Tegenwoordig komt Zevenblad ook voor in het oostelijk deel van Noord-Amerika.

De plant wordt 60-90 cm hoog en heeft een holle, gegroefde stengel. Kenmerkend zijn de glanzend groene bladeren, waarvan de bovenste in drieën verdeeld zijn en de onderste dubbel drietallig zijn. Alle bladeren hebben een onregelmatig gezaagde rand. De bladeren aan de stengel staan met tweeën tegenover elkaar; uit hun oksels verheffen zich de schermvormige bloeiwijzen, die 15-20 groepjes kleine, witte, stervormige bloempjes dragen. De bloemen hebben vijf bloemblaadjes en groeien uit tot vruchtjes die slechts twee zaden bevatten. De bloei valt in juni en juli. Hoewel het plezierig is te weten dat het vóórkomen van Zevenblad op goede grond wijst, moet men niet uit het oog verliezen dat de kruipende wortelstokken in één groeiseizoen een oppervlak van 3 m2 in beslag kunnen nemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zuringsoorten (Polygonaceae)

 

De grote Amerikaanse plantkundige Asa Gray omschreef de leden van het geslacht Zuring als ‘grove onkruidachtige planten, met kleine en onooglijke (meestal groene) bloemen’. (Overigens zijn er ook kleine, allerminst grofgebouwde Zuringsoorten.) De bloemetjes staan dicht opeen, meestal in kransen rond de bloeistengels in – al dan niet vertakte – bloeiwijzen. Deze planten komen vooral voor in de gematigde en koude delen van het noordelijk halfrond, maar sommige soorten hebben zich over de hele wereld verspreid. Het zijn meesters in de kunst van het overleven.

De meeste soorten zijn overblijvende planten en hun zaden (ze kunnen er per jaar tot 50.000 per plant voortbrengen) worden door de wind verspreid. De verspreiding kan ook door vogels plaatsvinden en zelfs – ondergronds – door mieren die de zaden als nestmateriaal gebruiken. Deze onder de grond terechtgekomen zaden kunnen wel 80 jaar hun kiemkracht bewaren. De vertakkingen van de dikke gele penwortels gaan soms tot 1,5 meter of nog dieper de grond in. Ieder afgebroken stuk vormt gemakkelijk nieuwe wortels en levert dan weer een nieuwe plant. Er zijn vijf soorten die een plaag kunnen vormen in de tuin. Hoewel alle soorten altijd gemakkelijk als een zuring te herkennen zijn is het onderscheid tussen de soorten onderling vaak moeilijk te zien.

 

 

Krulzuring

 

KRULZURING (Rumex crispus) is wel een van de meest algemene en lastige leden van het geslacht. De plant heeft gegolfde, meestal lancetvormige bladeren, die tot 30 cm lang worden en afwisselend langs de stengel staan. De hoogte varieert van 0,5 tot 1,5 meter. De bloeitijd is van mei tot oktober; de vertakte bloeistengels dragen de bloemen in kransen die worden afgewisseld met weinige tot vele lintvormige bladeren die ook weer een gegolfde rand hebben. Een grote plant kan 30.000 zaden per jaar voortbrengen, waarvan 88% kiemkrachtig is. Zelfs zaden die 50 jaar onder de grond hadden gelegen bleken nog voor 52% kiemkrachtig te zijn. Dit is een lastig onkruid, niet alleen in de tuin maar ook voor de boer. (In Groot-Brittannië zijn de boeren zelfs verplicht deze plant op hun grond uit te roeien, zoals bij ons in sommige provincies met de distel het geval is.) Het optreden van Krulzuring in uw tuin betekent in ieder geval wel dat de grond rijk aan voedingsstoffen is. Krulzuring komt voor in Europa en Azië en is door toedoen van de mens ook in Amerika terechtgekomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ridderzuring

 

RIDDERZURING (Rumex obtusifolius) is in ons land ongeveer even algemeen als de vorige soort en heeft ook zo’n beetje hetzelfde verspreidingsgebied. Hier zijn de bladeren – die eveneens afwisselend staan – ± 25 cm lang en breed ovaal met een hartvormige basis. De bloemen staan eveneens in kransen rond de stengels, die vertakt zijn en nogal uitstaan. Vooral onderaan zijn de bloeistengels bebladerd. Het bloemdek dat de vrucht omgeeft draagt aan ieder van de drie zijden 3-5 lange tanden. De bloeitijd is van juni tot oktober.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kluwenzuring

 

KLUWENZURING (Rumex conglomeratus) heeft lange ovale bladeren, die veel op die van Krulzuring lijken, maar smaller zijn. Te herkennen doordat de bloemen kortgesteeld zijn en in een kluwenvormige bloeiwijze zitten die tot dicht bij de top bebladerd is. Ook het uiterlijk van de vruchtjes met hun lange ongetande slippen is kenmerkend. De plant wordt 0,5 tot 1 meter hoog. Komt voor in Europa en Midden- en Noord-Azië.

 

 

 

 

 

 

 

 

Schapenzuring

 

Ook SCHAPENZURING (Rumex acetosella) heeft een taaie penwortel en de horizontale vertakkingen daarvan lopen gemakkelijk uit, waardoor hele kolonies ontstaan. Gemakkelijk te onderscheiden van zijn verwanten door zijn geringe hoogte (meestal minder dan 30 cm), de meestal spiesvormige bladeren en de gele tot rode bloempjes. Deze zitten in losse bloeiwijzen en verschijnen van mei tot in de herfst. Schapenzuring komt van nature voor op voedselarme, droge zure (zand- en veen) grond. Doordat Schapenzuring vaak in zeer grote aantallen tegelijk voorkomt kan hij ’s zomers, wanneer de zaden rijp zijn, hele oppervlakten kleur geven met zijn roestbruin-rode  vruchtpluimen en scharlaken blaadjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

Veldzuring

 

VELDZURING (Rumex acetosa) heeft gladde, ovale, afwisselend staande bladeren met twee naar beneden gerichte, soms in tweeën gespleten slippen aan de voet. De in mei-juni verschijnende bloemen worden gevolgd door vruchten die een eigenaardige glans vertonen. Veldzuring, die 0,5 tot 1 meter hoog wordt, komt voor over de hele wereld in de gematigde delen. In ons land algemeen op voedzame, grazige plaatsen. Ook gekweekt als groente.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zwarte nachtschade (Solanaceae)

 

De ZWARTE NACHTSCHADE (Solanum nigrum) roept u toe: ‘Ik kan gevaarlijk zijn.’ Alle delen van deze plant bevatten giftige alkaloïden, maar in wisselende hoeveelheden. Bladeren en bessen zijn dan ook door dieren gegeten zonder schade – of met dodelijk gevolg. De glanzend gele of zwarte bessen (ter grootte van een erwt) zien er voor kinderen aantrekkelijk uit; het eten ervan leidt soms tot weinig meer dan wat misselijkheid, soms echter tot hevige pijn, uitputting en zelfs de dood.

Zwarte nachtschade is een bossige, een- of tweejarige plant die 50 tot 60 cm hoog wordt. De bladeren staan afwisselend en zijn eirond tot bijna driehoekig, met bochtige randen; tegen het licht zijn ze soms doorschijnend. Deze soort behoort tot dezelfde familie als de aardappel en heeft ook dezelfde stervormige bloemen, met vijf vergroeide bloembladeren en vijf gele meeldraden in een zuiltje. De witte, in een soort tros staande, bloemen verschijnen van juni tot in de herfst. Dit onkruid komt over de hele wereld voor op akkers, in tuinen en langs wegen. In ons land een zeer algemene verschijning.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Rood guichelheil : Anagallis arvensis subsp. arvensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-anagallis_arvensis_2

 

 

Goed te herkennen aan
de kleine, oranje bloemetjes met 5 gewimperde kroonbladen

 

 

266px-anagallis_arvensis-01_xndr

 

 

 

Algemeen

 

Rood guichelheil is een eenjarig plantje van 5 tot 50 cm, oorspronkelijk afkomstig uit het Middellands Zeegebied. Ze groeit op open, vochtige tot droge (omgewerkte) grond in akkers en moestuinen, op zandplaten en in de duinen. De plant komt voor in alle werelddelen, in gebieden met een gematigd of warm klimaat.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Rood guichelheil bloeit vanaf mei tot in de herfst met lang gesteelde, alleenstaande, oranje bloemetjes. Zelden zijn ze vleeskleurig, lila, paars, blauw of groenachtig. De bloemen gaan open om een uur of 8 en sluiten ’s middags rond 3 uur. Is het bewolkt weer dan blijven ze gesloten.

De kroonbladen hebben aan de basis een paarse vlek. De rand is licht gekarteld en dicht bezet met klierharen, die niet met het blote oog te zien zijn. Meestal raken of overlappen de kroonbladen elkaar. De meeldraden zijn onderaan met elkaar vergroeid, paars van kleur en behaard, waardoor het hart van het bloemetje een paarse indruk geeft.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De liggende of opstijgende stengels wortelen niet, zijn vierkant en kaal. De bladeren zijn eirond en hebben aan de onderkant zwarte klierpuntjes. Meestal staan ze tegenover elkaar, soms in een krans van 3.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Rood guichelheil is giftig. Niet bloeiend lijkt ze veel op vogelmuur, dat gebruikt wordt als vogelvoer.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 5 tot 50 cm

Bloem
– oranje, soms blauw
– mei tot in de herfst
– alleenstaand
– stervormig
– 1 tot 1,5 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– 3 tot 5 nervig

Stengel
– liggend of opstijgend
– kaal

zie wilde bloemen

 

 

rood-guichelheil

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA