Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

Kleine veldkers ; Cardamine hirsuta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes met 4 (soms 5) meeldraden en
– de 15 tot 25 mm lange vruchten, die ruim boven de bloemetjes  uitsteken

 

 

 

 

 

 

Kleine veldkers is een overblijvend, zeer algemeen voorkomend, eenjarig plantje, dat groeit op open, vochtige tot droge grond aan wegen en dijken, in tuinen, plantsoenen en in de duinen.

Ze wordt 5 tot 35 cm hoog en bloeit vanaf maart tot en met juni met kleine witte bloemetjes, die aan het einde van de stengel in een trosje bij elkaar staan.

Vanuit het rozet, gevormd door de onderste bladeren, komen één of meerdere stengels. De stengels en de bladeren zijn min of meer behaard. Hoger aan de stengel zitten meestal 2 tot 4 oneven geveerde bladeren met 5 tot 9 lijnvormige of langwerpige deelblaadjes. De deelblaadjes van de rozetbladeren zijn ronder.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 5 tot 35 cm

Bloem
– wit
– vanaf maart t/m juni
– tros
– stervormig
– 3 tot 4 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– bovenste verspreid
– onderste rozet
– samengesteld
– oneven veervormig
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig
– verspreid behaard

Stengel
– rechtop
– niet of weinig vertakt
– kaal of weinig behaard
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

Advertenties

 Poelruit : Thalictrum flavum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de op lange, onvertakte stengels staande lichtgele, geurende pluimen van dicht op elkaar staande bloemen met lange meeldraden

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Poelruit is een overblijvende plant, die groeit op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, langs rivieren, in drassige graslanden, in grienden en moerassen. Ze is algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Poelruit bloeit in juni en juli met lichtgele, geurende pluimen. Bij nader bekijken blijken de bloeiende pluimen voornamelijk te bestaan uit lange meeldraden; die geven de pluimen hun kleur. Elke bloem heeft vier, smalle, groenig witte bloemdekbladen, die vrij snel afvallen. De knoppen zijn lichtgroen. De geurende bloemen bevatten geen nectar. Bezoekende insecten verzamelen stuifmeel en zorgen voor de bestuiving.

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn langer dan breed, 2- tot 3-voudig oneven geveerd. De deelblaadjes zijn handvormig en aan de onderkant grijsgroen met uitstekende nerven.

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

Poelruit wordt in de kruidengeneeskunde gebruikt als laxeermiddel.

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Op afstand lijkt de bloeiwijze van moerasspirea op die van poelruit; de pluimen van moerasspirea zijn echter witter en zien er wolliger uit. De bladeren van moerasspirea zijn afgebroken oneven geveerd met langwerpige, onregelmatig gezaagde deelblaadjes. Het bovenste blad is meestal 3- tot 5-lobbig. De bladeren van poelruit zijn oneven 2- tot 3-voudig geveerd met handvormige deelblaadjes

 

 

 

moerasspirea

 

 

 

blad moerasspirea

 

 

 

 

Algemeen

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 45 tot 90 cm

Bloem
– lichtgeel, wit, groen
– juni en juli
– pluim
– stervormig
– 4 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 10 tot 20 meeldraden
– 10 tot 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– 2- tot 3-voudig geveerd
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– handnervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– rond en geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Penningkruid : Lysimachia nummularia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de 5 (soms 4)-tallige, gele, schotelvormige bloemen met eironde tot hartvormige kelkbladen en
– de vrijwel ronde bladeren in 2 rijen langs liggende stengels

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Penningkruid is een kruipende, ’s winters groenblijvende plant, die groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond aan waterkanten, op grasgrond en in loofbossen. De plant is algemeen voorkomend in de Lage Landen. Ze wordt ook aangeboden als vijver- en aquariumplant, dan vaak met decoratieve gelige bladeren. Groeit ze in het water, dan komt ze niet tot bloei.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juni tot en met augustus. Ze bloeit met gele bloemen, die afzonderlijk op korte stengels in de bladoksels staan. De kelkbladen zijn eirond tot hartvormig (belangrijk verschil met boswederik).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stengel

 

Penningkruid heeft tot 60 cm lange, liggende, kantige stengels, die wortels vormen op de knopen. Zo kan ze hele stukken grond bedekken.

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

:
:
boswederik : lijnvormige kelkbladen, eironde bladeren met spitse punt, bloemen 10-15 mm.

penningkruid : eironde tot hartvormige kelkbladen, vrijwel ronde bladeren met stompe punt, bloemen 15-30 mm.

 

 

 

boswederik

 

 

 

Algemeen

sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 10 tot 60 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– gesteeld alleenstaand
– 1,5 tot 3 cm
– stervormig
– 5 (soms 4) kroonbladen
– krroonbladen niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5, 6 of 7 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– in 2 rijen
– enkelvoudig
– rond
– top stomp
– rand gaaf
– voet hartvormig of afgerond
– veernervig

Stengel
– kruipend
– glad en kaal
– kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Peen : Daucus carota

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– het roodpaarse bloemetje in het midden van (volgroeide)
– en de omwindselbladen met lijnvormige slippen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Peen is een stijf behaarde, overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen. Ze groeit in vrije droge graslanden, in bermen, op dijken en in de duinen.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Peen bloeit vanaf juni tot de herfst met witte, soms roze, platte schermen, die bestaan uit 20 tot 40 kleinere schermen. Op de plaats van het middelste kleine scherm staan meestal 1 of meer rood-paarse bloemetjes. Hierdoor is peen makkelijk te onderscheiden van de andere witte schermbloemigen.

De schermen bestaan uit kleine witte bloemetjes met 5 uitgerande kroonbladen. De buitenste bloemetjes zijn stralend en hebben ongelijke kroonbladen. Na de bloei gaan de buitenste stralen zich buigen en ontstaat een “vogelnestje”.

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

De vruchtjes blijven hangen in de vacht van dieren en kunnen daardoor over grote afstanden verspreid worden. Peen is een belangrijke waardplant voor de rupsen van de koninginnenpage. De gekweekte vorm van peen heeft een vlezige oranje wortel, is minder behaard en heeft iets anders gevormde bladeren.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten met witte bloemschermen

 

Er zijn veel planten met witte bloemschermen. Zie voor vergelijking en herkenning van de (zeer) algemeen voorkomende soorten, die groeien in graslanden, akkers, bermen, langs heggen en bosranden de pagina “Sleutel algemene witte schermbloemigen“.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen of vrij zeldzaam
– 30 tot 90 cm hoog

Bloem
– wit (soms roze)
– vanaf juni tot de herfst
– meervoudig scherm
– stervormig
– 1,5 tot 2 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– 2- tot 3-voudig geveerd
– top spits
– rand gaaf of gezaagd
– voet wigvormig of gevleugeld
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oranje havikskruid : Hieracium aurantiacum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de oranje bloemhoofdjes op lang behaarde stelen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Oranje havikskruid is een overblijvende plant, vrij algemeen voorkomend. Ze groeit op droge tot vrij vochtige, grazige plaatsen en wordt 30 tot 60 cm hoog. Ze vormt onder- en bovengrondse uitlopers en op voedzame grond kan ze erg woekeren. Ze komt oorspronkelijk uit de berggebieden van Midden-, Oost- en Noord-Europa. Als sierplant ingevoerd is ze vanuit tuinen verwilderd en inmiddels ingeburgerd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

In juni en juli bloeit oranje havikskruid met oranje bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen. Degene aan de rand zijn oranje, meer naar het hart toe zijn ze oranje/geel. De onderkant van de buitenste lintbloemen is rood.

De knoppen staan met 2 tot 10 dicht bij elkaar. Als de eerste gaat bloeien staan de knoppen van de andere eronder. Zodra er meerdere gaan bloeien verlengen de bloemstelen zich iets en vormen de bloemhoofdjes een schermvormige bloeiwijze.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Oranje havikskruid vormt rozetten van langwerpige tot lancetvormige bladeren, die aan beide kanten bezet zijn met lange witte haren. De stengel en omwindselblaadjes hebben naast lange afstaande witte haren ook korte zwarte klierharen en nog kortere witte sterharen. Aan de stengel zitten 1 of 2 stengelbladeren, die dezelfde vorm hebben als de rozetbladeren, alleen kleiner.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– vrij algemeen, ook als tuinplant
– 30 tot 60 cm

Bloem
– oranje lintbloemen
– juni en juli
– hoofdje
– 15 tot 25 mm

Blad
– rozet of verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet aflopend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– behaard, ook met klieren

-rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Muurpeper : Sedum acre

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele, stervormige, 5-tallige bloemen en
– de platte, driehoekige, schubachtige blaadjes

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Muurpeper is een overblijvend algemeen voorkomend plantje van 5 tot 10 cm hoog. Ze groeit op open, droge, matig voedselarme tot voedselrijke zandgrond in plantsoenen, langs wegen en op muren en daken en kan daar in korte tijd grote kussens vormen.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Muurpeper bloeit in juni en juli met helder gele bloemen van 10 tot 14 mm.

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn sterk vertakt en liggend, alleen het uiteinde richt zich omhoog. De bladeren zijn wintergroen, kaal, plat driehoekig, schubachtig en zitten dakpansgewijs dicht bij elkaar langs de stengel. De bladeren van niet bloeiende stengels vormen vaak een bolletje en kunnen soms enigszins rood gekleurd zijn. De bladeren hebben een peperachtige smaak.

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Muurpeper is een ideale bodembedekker, ze wordt ook gekweekt als tuinplant. Van de vetplanten is muurpeper de meest bekende soort.

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

zacht vetkruid : bloemen kleiner dan 10 mm, de blaadjes hebben geen peperachtige smaak en zijn lijnvormig.

muurpeper : bloemen 10 – 14 mm, alle bloemen 5-tallig, plat driehoekig, schubachtig blad, peperachtige smaak.

tripmadam : bloemen 14 of 15 mm, schermen met 5- tot 8-tallige bloemen met gekielde kroonbladeren en grijs- of blauwgroene, lijnlancetvormige, halfronde, spitse bladeren.

 

 

 

zacht vetkruid

 

 

 

 

tripmadam

 

 

 

Algemeen

vetplantenfamilie (Crassulaceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– ook als tuinplant
– 5 tot 10 cm

Bloem
– geel
– juni en juli
– tros
– stervormig
– 10 tot 14 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– afgeplat driehoekig
– top stomp
– rand gaaf
– voet afgerond
– zonder nerven
– vlezig
– peperachtige smaak

Stengel
– liggend, aan het einde rechtop
– kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moeraswespenorchis : Epipactis palustris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de orchideebloemen met grote witte lob, die 2 dooiergele strepen heeft, een gekartelde, golvende rand en stompe of uitgerande top

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moeraswespenorchis is een overblijvende plant van 20 tot 65 cm hoog. Ze is wettelijk beschermd en staat op de rode lijst als zeldzaam en matig afgenomen.  Ze groeit op natte, kalkhoudende zand- en leemgrond in duinvalleien en blauwgraslanden.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Moeraswespenorchis bloeit vanaf juni t/m augustus. De bloemen staan in een tros van 8 tot 15 hangende bloemen. De tros is eerst knikkend, maar gaat later rechtop staan en verlengt zich tijdens de bloei. De bloemen bestaan uit 6 bloemdekbladen. De buitenste 3 zijn aan de buitenkant groenig bruin en aan de binnenkant groenig paarsrood met lichte rand.

Van de drie binnenste bloemdekbladen zijn de 2 bovenste kleiner dan de buitenste bloemdekbladen, wit en aan de basis roze of roze geaderd. Het onderste bloemdekblad bestaat uit 2 gedeeltes. Het binnenste (bovenste) deel is wit en roze geaderd en scheidt de nectar af. Het onderste gedeelte is geheel wit, rond van vorm met gekartelde, golvende rand, stompe of iets uitgerande top en twee dooiergele strepen.

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn grijsgroen, onbehaard en wat gootvormig. De bovenste bladeren zijn kleiner dan de onderste. Het bovenste gedeelte van de stengel, de bloemstelen en de vruchtbeginsels zijn behaard. Omdat moeraswespenorchis een kruipende wortel met uitlopers heeft, kan ze massaal voorkomen op goeie standplaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Van alle wespenorchideeën is de moeraswespenorchis de enige met een grote witte eindlob aan het onderste bloemdekblad en daardoor makkelijk te herkennen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

orchideeënfamilie (Orchidaceae)
– overblijvend
– vrij tot zeer zeldzaam
– rode lijst en wettelijk beschermd
– 20 tot 65 cm hoog

Bloem
– wit, rood, groen, roze
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– orchideebloem
– 2 tot 2,5 cm
– 6 bloemdekbladen
– 1 stempelzuil

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond, langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– (half) stengelomvattend
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– bovenaan behaard
– vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moerasspirea : Filipendula ulmaria

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de pluimen roomwitte kleine bloemetjes, die zoet geuren en
– de vruchtjes, die spiraalsgewijs om elkaar heen gedraaid zijn

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moerasspirea is een overblijvende plant met krachtige rechtopstaande, dunne, vaak rood/bruin gestreepte stengels en wordt 60 tot 120 cm hoog. Ze is zeer algemeen voorkomend en groeit voornamelijk op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en in lichte loofbossen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Moerasspirea bloeit vanaf juni tot en met augustus in schuimachtige pluimen, die bestaan uit talrijke kleine, roomwitte of witte, zoet geurende bloemen. De vruchten zijn spiraalvormig gedraaid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Moerasspirea werd veel gebruikt om de lucht te verfrissen. De geurige bloemen werden samen met andere bloemen (o.a. kamperfoelie), in huizen en kerken gelegd om onaangename geuren te verdrijven.

De plant heeft pijnstillende, koortsverlagende en ontstekingsremmende eigenschappen en werd gebruikt tegen malaria en buikloop. Tegenwoordig wordt een aftreksel van de bloemen (thee) nog gebruikt bij griep en verkoudheid. De plant bevat salicylzuur, de werkzame stof in aspirine.

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Moeasspirea lijkt op knolspirea. Toch zijn er wel wat verschillen. Knolspirea wordt minder hoog. De bloemen van de knolspirea zijn groter, soms roze of rood, de bladeren zijn langgerekter en bestaan uit minstens 8 paar deelblaadjes. Knolspirea staat op de rode lijst.

Op afstand lijkt moerasspirea op poelruit. De pluimen van moerasspirea zijn echter witter en zien er wolliger uit. De bladeren van moerasspirea zijn afgebroken oneven geveerd met langwerpige, onregelmatig gezaagde deelblaadjes. Het bovenste blad is meestal 3- tot 5-lobbig. De bladeren van poelruit zijn oneven 2- tot 3-voudig geveerd met handvormige deelblaadjes.

 

 

 

knolspirea

 

 

 

 

 

poelruit

 

 

 

 

Algemeen

rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 0,6 tot 1,2 meter

Bloem
– wit of roomwit
– sterk geurend
– vanaf juni t/m augustus
– pluim
– stervormig
– 4 tot 8 mm
– 5 of 6 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 of 6 kelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– 5 tot 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– 2 tot 5 paar blaadjes
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– voet afgerond of wigvormig
– veernervig
– van onderen vaak zilverwit behaard

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond
– vaak roodbruin aangelopen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oostenrijkse kers : Rorippa austriaca

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– trosjes gele, 4-tallige bloemetjes en
– de hogere stengelbladeren, die oortjes hebben en
– de bolvormige vruchtjes op lange stelen

 

 

blad oostenrijkse kers

 

 

 

 

Algemeen

 

Oostenrijkse kers is overblijvende plant, die groeit op natte, voedselrijke, omgewerkte grond op hoge rivieroevers, kribben en in bermen. Ze groeit in groepen en wordt 30 tot 90 cm hoog. Het is een vrij zeldzaam voorkomende plant.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Oostenrijkse kers bloeit vanaf juni tot en met augustus met gele, 4-tallige bloemen, die bij elkaar in een tros aan het einde van de stengel en zijstengels staan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De onderste bladeren zijn gesteeld. De hogere hebben twee oortjes, waarmee ze de stengel omvatten. Ze zijn allemaal onregelmatig getand (niet gelobd). De vruchtjes staan op lange stelen en zijn bolvormig.

 

 

 

 

 

 

 

Herkennen Rorippa soorten

 

– zijn de kroonbladen ongeveer even groot als de kelkbladen ?
– nee …. heeft het blad oortjes ?
– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een smalle eindslip ?
– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een grote eindslip ?
ja
ja
ja
ja
anders
:
:
:
:
:
moeraskers
Oostenrijkse kers
akkerkers
valse akkerkers
gele waterkers

 

 

 

 

moeraskers

 

 

 

 

 

moeraskers

 

 

 

 

 

akkerkers

 

 

 

 

 

akkerkers

 

 

 

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

 

 

gele waterkers

 

 

 

 

gele waterkers

 

 

 

Valse akkerkers (Rorippa x anceps) is een kruising tussen gele waterkers en akkerkers, komt voornamelijk voor langs rivieroevers. Ze is van akkerkers te onderscheiden door de grote eindslip van het blad en van gele waterkers door de dieper ingesneden bladeren. De vruchten zijn korter dan die van akkerkers en langer dan die van gele waterkers. Daarnaast komt er nog een kruising voor, ontstaan uit Oostenrijkse kers en akkerkers (Rorippa x armoracioides). De verspreiding van deze kruising is onvoldoende bekend en deze vorm wordt vaak verward met akkerkers.

 

 

 

 

Algemeen

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– 8 tot 10 mm
– stervormig
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand onregelmatig getand
– onderste bladeren gesteeld
– middelste en bovenste
half stengelomvattend met oortjes
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moerasrolklaver : Lotus pedunculatus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine, schermachtige trossen gele vlinderbloemen en
– de voor de bloei stervormig uitstaande, gewimperde kelktanden en
– het samengestelde blad, waarvan 1 paar aan de basis van de bladsteel zit en
– de deelblaadjes met gewimperde rand, waarvan de zij-nerven goed zichtbaar zijn

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moerasrolklaver is een overblijvende plant van 30 tot 100 cm hoog/lang. Ze komt zeer algemeen voor in de Lage Landen. Ze groeit op natte, min of meer voedselrijke grond in graslanden, aan waterkanten en op drassige kapvlakten. Bij bemesting en watervervuiling verdwijnt moerasrolklaver al snel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Moerasrolklaver bloeit vanaf juni tot en met augustus met gele vlinderbloemen, die met 4-14 in een schermachtige tros staan. De trossen staan in de bladoksels op lange stelen. De knoppen zijn soms lichtrood aangelopen. Voor de bloei wijken de kelktanden stervormig uiteen.

De bloemen hebben een bijzonder bestuivingsmechanisme, geheel ingericht op bezoek van bijen en hommels, die rijkelijk beloond worden met nectar. Andere insecten bezoeken de bloemen ook, maar zorgen niet voor de bestuiving.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

Kenmerkend voor de rolklavers is het blad, dat bestaat uit 5 deelblaadjes, waarvan het onderste paar direct aan de basis van de bladsteel staat, een eind verwijderd van de overige drie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

De naam rolklaver verwijst naar de rechte, rolronde peulen.

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

moerasrolklaver : bloemtrossen van 4-14 gele bloemen, voor de bloei stervormig uitstaande, gewimperde kelktanden.

 

 

smalle rolklaver : armbloemige bloeiwijze, 1-4(-6) gele bloemen, blad grijsgroen.

 

smalle rolklaver

 

 

 

 

gewone rolklaver : bloemtrossen van 3-8 dooiergele bloemen, in de knop rood, zij-nerven van het blad slecht zichtbaar.

 

 

gewone rolklaver

 

 

 

rechte rolklaver : plaatselijk ingezaaid en ingeburgerd, bloemen lichtgeel en in de knop niet rood.

 

rechte rolklaver

 

 

 

veldlathyrus : samengestelde bladeren eindigend in een vertakte rank, vruchten duidelijk afgeplat.

 

veldlathyrus

 

 

 

Algemeen

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 30 tot 100 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– schermachtige tros
– vlinderbloem
– vlag 10 tot 18 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– handvormig samengesteld
– top spits
– rand gaaf, gewimperd
– voet afgerond of wigvormig
– veernervig

Stengel
– opstijgend of liggend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen