Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

Moeraskruiskruid

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele bloemhoofdjes met 12 tot 20 straalbloemen en
– de omhooggerichte, van onderen grijsviltig behaarde, enkelvoudige bladeren

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moeraskruiskruid is overblijvende plant, die groeit op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in rietlanden, moerassen, grienden en drassige hooilanden. Ze wordt 0,6 tot 1,8 meter hoog. In watergebieden is ze vrij algemeen maar elders is ze zeer zeldzaam tot ontbrekend.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Moeraskruiskruid bloeit vanaf juni tot en met augustus met gele bloemhoofdjes, die met 10 tot 30 bij elkaar in losse pluimen in de bladoksels van de bovenste bladeren staan.

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is onvertakt. De lengte van de plant en de onvertakte stengel geven moeraskruiskruid een smal uiterlijk. De omhooggerichte bladeren staan verspreid aan de stengel en zijn aan de onderkant grijsviltig behaard.
Ook de bovenkant is enigzins behaard. Vaak is de rand van het blad omgerold. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste zittend en met een brede voet half stengelomvattend.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Moeraskruiskruid is eenvoudig van de andere kruiskruiden te onderscheiden door de omhooggerichte, van onderen grijsviltig behaarde, niet samengestelde bladeren.

 

 

 

 

bezemkruiskruid : blad vlezig en zeer smal

 

bezemkruiskruid

 

 

 

 

jacobskruiskruid : omwindselbladen met zwarte punt en blad is dubbel geveerd

 

jacobskruiskruid

 

 

 

 

viltig kruiskruid : omwindselbladen zonder zwarte punt en blad is dubbel geveerd

 

viltig kruiskruid

 

 

 

 

duinkruiskruid : zonder staalbloemen : blad dubbel geveerd

 

duinkruiskruid

 

 

 

 

waterkruiskruid : blad met grote eindslib (ongeveer de helft van het blad ) en blad is dubbel geveerd

 

waterkruiskruid

 

 

 

 

 

schaduwkruiskruid : tanden bladrand opzij gericht : blad langwerpig

 

schaduwkruiskruid

 

 

 

 

rivierkruiskruid : tanden bladrand naar de top gericht : blad langwerpig

 

rivierkruiskruid

 

 

 

moeraskruiskruid: onderkant grijs viltig behaard, bladeren staan ook vaak omhoog gericht : blad langwerpig.

 

 

Algemeen

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot ontbrekend
– 0,6 tot 1,8 meter

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje
– buis- en straalbloemen
– 3 tot 4 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand getand
– onderste gesteeld
– bovenste zittend
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– van boven (weinig) behaard
– kantig
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Moeraskers : Rorippa palustris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– bleekgele bloemen met kroonbladen, die ongeveer zo lang zijn als de kelkbladen en
– veervormig ingesneden blad met een grote, brede eindslip

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moeraskers is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant van 20 tot 60 cm hoog. Ze groeit op open, natte tot vochtige, stikstofrijke grond in bermen, akkers, (moes)tuinen, langs waterkanten, in moerassen en tussen straatstenen.

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met bleekgele bloemen, die in een trosje staan. De kroonbladen van de bloemetjes zijn ongeveer even lang als de groengele kelkbladen.

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De diep veervormig ingesneden bladeren zijn verdeeld in 3 tot 7 paar smalle, onregelmatig getande slippen en een grote, brede eindslip. De onderste zijn gesteeld, de bovenste meestal niet. Ze hebben kleine oortjes aan de voet.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Moeraskers is een waardplant voor larven van de oranjetip en het klein geaderd witje. Ook is ze een pioniersplant, die verdwijnt als de vegetatie zich sluit. Na de vruchtvorming kan moeraskers rood verkleuren.

 

 

 

 

Herkennen Rorippa soorten

 

– zijn de kroonbladen ongeveer even groot als de kelkbladen ? ja >  moeraskers

– nee …. heeft het blad oortjes ? ja > Oostenrijkse kers

– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een smalle eindslip ? ja > akkerkers

– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een grote eindslip ? ja > valse akkerkers

anders > gele waterkers

 

 

 

 

moeraskers

 

 

 

blad moeraskers

 

 

 

 

Oostenrijkse kers

 

 

 

blad oostenrijkse kers

 

 

 

akkerkers

 

 

 

blad akkerkers

 

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

gele waterkers

 

 

 

 

blad gele waterkers

 

 

 

 

 

 

Algemeen

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 20 tot 60 cm

Bloem
– bleekgeel
– vanaf juni t/m september
– tros
– stervormig
– 3 tot 5 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– grote, brede eindslip
– top stomp
– rand onregelmatig getand
– voet geoord, (half)stengelomvattend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– vrijwel kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moederkruid : Tanacetum parthenium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de margrietachtige bloemhoofdjes, ongeveer zo groot als een madeliefje en
– de geveerde, vaak geelgroene, tere bladeren

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moederkruid is een overblijvende, sterk aromatische plant van 30 tot 60 cm hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Europa. Ze is algemeen voorkomend, vooral in stedelijke gebieden. Ook wordt ze gekweekt als sierplant, dan vaak met gevulde bloemen. Ze groeit op open, vochtige, omgewerkte grond, vooral nabij bebouwing, ook op muren en komt algemeen voor, vooral in de stedelijke gebieden.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met september. De op margrieten lijkende bloemhoofdjes van 1,5 tot 2,5 cm (ongeveer zo groot als of iets groter dan een madeliefje) hebben een geel hart van buisbloemen met aan de rand witte, omgekeerd eironde straalbloemen.

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De tere, veervormig ingesneden, vaak geelgroene bladeren staan verspreid aan de enigzins behaarde, bovenaan rijk vertakte stengels.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Als artsenijplant is moederkruid over heel Europa verspreid en vanuit (moes)tuinen verwilderd. Ze wordt al sinds de middeleeuwen gebruikt in de traditionele kruidengeneeskunde. Ze heeft een positieve invloed op het geestelijk welzijn en de bloedcirculatie.

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Moederkruid heeft veel weg van de kamillesoorten. Ze is daarvan het makkelijkst te onderscheiden door haar bladeren. De bladeren van de kamillesoorten zijn fijn verdeeld en hebben smalle, lijnvormige slippen. Het blad van moederkruid is in omtrek driehoekig tot eirond en veervormig met gelobde slippen. Daarnaast zijn de witte straalbloemen van moederkruid omgekeerd eirond; die van kamille langwerpig.

 

 

 

kamille

 

 

 

Algemeen

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen
– 30 tot 60 cm

Bloem
– gele buisbloemen
– witte straalbloemen
– vanaf juni t/m september
– hoofdjes in losse tros
– 1,5 tot 2,5 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– enkel of dubbel geveerd
– top afgerond
– rand gezaagd
– voet gevleugeld
– veernervig

Stengel
– rechtop
– verspreid kort behaard
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Luzerne : Medicago sativa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
aan de eivormige tot langwerpige, rijkbloemige, lang gesteelde trossen paarse (soms witte), kortgesteelde vlinderbloemen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Luzerne is een overblijvende, 30 tot 80 cm hoge plant. Ze is vrij algemeen voor komend in de Lage Landen. Ze groeit op min of meer vochtige plaatsen in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Luzerne bloeit vanaf juni tot en met september. De bloeiwijze is een rijkbloemige, eivormige tot langwerpige tros vlinderbloemen. Ze zijn kort gesteeld, doorgaans paars, soms zijn ze wit. De trossen zijn lang gesteeld en staan in de bladoksels. Bij kruisingen van luzerne met sikkelklaver zijn de bloemen groen of geel-paars gevlekt. Sikkelklaver heeft gele bloemen.

De meeldraden en stijl liggen onder spanning in de kiel van de bloem verborgen. Zowel bijen als vlinders kunnen de bloem laten “ontploffen”. Zij drukken, op hun zoektocht naar nectar, de zwaarden en kiel naar beneden, waardoor het mechanisme dat stijl en meeldraden onder spanning houdt, wordt open gedrukt en stijl en meeldraden omhoog klappen tegen de buik van het insect.

De stijl is langer dan de meeldraden en ontvangt stuifmeel van een andere bloem, voordat de kortere meeldraden hun stuifmeel aan het insect afgeven. Bij een ontplofte bloem blijven na vertrek van het insect de meeldraden en stijl zichtbaar. Die bloemen worden bezocht door andere insecten vanwege het nu makkelijk bereikbare stuifmeel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De kortgesteelde bladeren bestaan uit 3 langwerpige deelblaadjes, die elk 2 à 3 cm lang zijn, het breedst boven het midden en waarvan de onderste helft van de rand gaaf is en de bovenste helft getand. De top heeft een stekelpuntje. De stengels zijn sterk vertakt en los bebladerd.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De zaden van luzerne kunnen het hele jaar ontkiemen en worden verkocht als spruitgroente met de naam alfalfa; op dezelfde manier in de keuken te gebruiken als taugé. Ze wordt ook gekweekt als voederplant en vanwege haar stikstofbindende eigenschap gebruikt als groenbemester voor verbetering van schrale gronden.

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Andere planten met paarse trossen vlinderbloemen zijn vogelwikke, stijve wikke en bonte wikke. Hoewel het ook vlinderbloemen zijn, zijn de bloemen van de wikke-soorten anders van vorm en smaller dan de bloemen van luzerne. Verder staan ze binnen 1 tros nagenoeg allemaal dezelfde kant op. Dat is bij luzerne niet het geval. De bladeren van luzerne bestaan uit 3 deelblaadjes, die van de wikke-soorten bestaan uit meer dan 3 deelblaadjes en de bladspil eindigt in een vertakte rank.

 

 

vogelwikke

 

 

 

stijve wikke

 

 

 

bonte wikke

 

 

 

 

Algemeen

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeldzaam
– ook gekweekt als voederplant
– 30 tot 80 cm

Bloem
– paars (soms wit)
– vanaf juni t/m september
– tros
– 8 tot 12 mm
– vlinderbloem
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 behaarde kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– handvormig
– top spits met stekelpuntje
– rand bovenste helft getand
– voet wigvormig
– veernervig
– behaard
– gewimperd

Stengel
– rechtop
– weinig behaar

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Liggende ganzerik : Potentilla supina

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtgele bloemetjes, waarvan de 5 kroonbladen elkaar niet raken
– en korter dan of even lang zijn als de kelkbladen en
– de oneven geveerde, van onderen groene bladeren en
– de liggende, behaarde, ronde, niet wortelende stengels

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Liggende ganzerik is een eenjarige plant die groeit op open, natte, ’s zomers droogvallende, voedselrijke grond aan rivieroevers en op omgewerkte grond.

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Liggende ganzerik bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen staan in de bladoksels. Ze hebben 5 lichtgele, omgekeerd eironde kroonbladen die elkaar duidelijk niet raken en die hoogstens zo lang zijn als de kelkbladen. Naast 5 kelkbladen hebben de bloemen ook 5 bij-kelkbladen, die langer zijn dan de kelkbladen. De bloemstelen buigen zich na de bloeitijd naar beneden.

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De zacht behaarde bladeren zijn oneven veervormig met 3 tot 7 blaadjes. Naar boven toe wordt het aantal deelblaadjes minder. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste hebben een aflopende voet. De deelblaadjes zijn eirond tot langwerpig, hebben een gezaagde of diep gekartelde rand en zijn aan de onderkant groen; dit in tegenstelling tot de bladeren van zilverschoon, die aan de onderkant zilverwit zijn. De niet wortelende stengels zijn afstaand of iets aangedrukt, zacht behaard en meestal groen, soms iets paarsig aangelopen. Ze zijn slap, liggen op de grond of hangen op omringende vegetatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Het geslacht Potentilla kent ongeveer 500 soorten. In de Lage Landen komen 12 soorten voor, waarvan sommigen op het eerste gezicht veel op elkaar lijken. Samen met zilverschoon onderscheidt liggende ganzerik zich van de andere Potentilla’s door de oneven veervormig samengestelde bladeren.

 

 

 

zilverschoon

 

 

 

 

Algemeen

rozenfamilie (Rosaceae)
– eenjarig
– vrij tot zeer zeldzaam
– 5 tot 45 cm

Bloem
– lichtgeel
– vanaf juni t/m september
– alleenstaand
– stervormig
– 5 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– veervormig oneven
– top spits of stomp
– rand gezaagd of diep gekarteld
– voet wigvormig
– veernervig
– zacht behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Korenbloem : Centaurea cyanus

Standaard

categorie ; kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder blauwe, eindstandige bloemhoofdjes met
– trompetvormige, stralende buitenste bloemen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Korenbloem is een eenjarige plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze komt vrij zeldzaam voor in de Lage landen en komt op de rode lijst voor als gevoelig. Ze groeit op open plaatsen met droge, voedselrijke zandgrond in graanakkers en bermen. Ook wordt ze uitgezaaid, dan vaak in afwijkende kleuren (roze en wit) of met dubbele randbloemen.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Korenbloem bloeit vanaf juni tot en met augustus met helder blauwe (soms roze of witte) bloemhoofdjes, die bestaan uit een aantal grote, wijd trompetvormige, onregelmatig 5-9 spletige randbloemen en in het hart violette buisbloemen met een 5-tandige zoom.

De randbloemen zijn onvruchtbaar en dienen alleen om het bloemhoofdje aantrekkelijker te maken voor insecten. De bloemen in het hart zijn rijk gevuld met nectar en hebben tot een kokertje vergroeide meeldraden, waaruit de stijl omhoog komt. De bloemhoofdjes staan alleen aan het einde van de stengels en zijstengels.

De blaadjes van het onder het bloemhoofdje zittende eironde omwindsel hebben een vliezige bruin of witachtige rand, die franje-achtig is ingesneden. De binnenste omwindselblaadjes zijn vaak paars aangelopen. Het omwindsel blijft door de verdroogde bloemenhoofdjes geheel gesloten tot de vruchten rijp zijn en als er dan droog weer komt, opent het zich om de vruchten vrij te laten.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren zijn veerspletig, de bovenste lancetvormig, maximaal 5 mm breed. Stengels en bladeren zijn spinnenwebachtig behaard.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

In de volksgeneeskunde wordt ze gebruikt voor haar urine drijvende werking, tegen maag- en darmstoornissen en als compres voor brandende rode ogen.

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Korenbloem was een karakteristieke bloem van graanakkers, waar ze samen met klaprozen in de voorzomer bloeide. Door zaad-opschoning en intensieve onkruidbestrijding is ze daar zo goed als verdwenen. Je komt korenbloem nog het meest tegen in bermen, vaak uitgezaaid in “wilde-plantenmengsels”.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– vrij zeldzaam
– 30 tot 60 cm

Bloem
– blauw (soms wit of roze), in het hart   violet
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje, alleenstaand
– buisbloemen
– tot 3 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste veervormig ingesneden
– bovenste lancetvormig, max. 5 mm   breed
– top spits
– rand gezaagd
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– gegroefd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Koekruid : Vaccaria hispanica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze -anjerachtige bloemetjes met buikige, op de hoeken gevleugelde, groene kelk en
– de aan de voet vergroeide grijsgroene bladeren

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Koekruid is een eenjarige, onbehaarde plant, waarschijnlijk oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Europa. In de Lage Landen kan je haar vinden in ingezaaide bermen. Ze zit ook in zaadmengsels voor de tuin.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is juni en juli. Ze bloeit met anjerachtige, roze bloemen, die in ijle schermen staan. De bloemen hebben 5 hartvormige, meestal aan de top getande, donker geaderde kroonbladen en een 5-kantige, buikige, groene kelk, die op de hoeken breed gevleugeld is.

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn langwerpig tot eirond en 2 aan 2 aan de voet vergroeid. Net als de vertakte stengels zijn ze bedauwd grijsgroen.

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– zeldzaam, incidenteel
– tuinplant uit Zuid-Europa
– 30 tot 60 cm

Bloem
– roze, zelden wit
– juni en juli
– bijscherm
– stervormig
– 1 tot 1,5 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, hoekig vergroeid
– 10 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– langwerpig tot eirond
– top spits
– rand gaaf
– voet half stengelomvattend
– 1-nervig
– bedauwd grijsgroen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Knopig helmkruid : Scrophularia nodosa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– forse plant met meerdere rechtopstaande stevige stengels en
– eindelingse, langwerpige, losse pluimen met kleine bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Knopig helmkruid is een zeer algemeen voorkomende, onaangenaam geurende, overblijvende plant, die groeit op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen, kapvlakten, boszomen en bermen. Ze wordt 30 tot 120 cm hoog en is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Knopig helmkruid bloeit vanaf juni tot en met september met talrijke bloemen in losse, langwerpige, eindelingse pluimen. De bloemkroon is deels roodbruin en deels groenachtig geel, soms helemaal groenachtig geel. De 5 kroonbladen zijn met elkaar vergroeid, waardoor een iets klokvormige bloem is ontstaan. De bovenste twee kroonslippen zijn groter dan de andere drie. Onder die twee slippen zit het staminodium, een onvruchtbare meeldraad. De overige vier vruchtbare meeldraden zijn de vier créme-kleurige bolletjes.

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd knopig helmkruid gebruikt ter behandeling van aambeien, zweren, jeuk en veel andere huid- klachten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

knopig helmkruid : bladeren zonder zijlobben, stengel niet of smal gevleugeld (tot 1 mm), bloemkroon deels roodbruin, deels groenachtig geel, soms geheel groenachtig geel.

geoord helmkruid : onderste bladeren meestal met 1 of 2 kleine zijlobben aan de top van de bladsteel, bloemkroon donker paarsachtig bruin en alleen aan de voet groen.

gevleugeld helmkruid : bladeren zonder zijlobben, stengel breder gevleugeld (1 – 3 mm), bloemkroon rood paarsbruin en aan de voet geelachtig groen, bloeit later dan de andere twee.

 

 

 

 

geoord helmkruid

 

 

 

gevleugeld helmkruid

 

 

 

 

Algemeen

 

helmkruidfamilie (Scrophulariaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 30 tot 120 cm hoog

Bloem
– groengeel en roodbruin
– vanaf juni t/m september
– langwerpige pluim
– klokvormig
– 7 tot 9 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– langwerpig of eirond
– top spits
– rand dubbel of onregelmatig gezaagd
– voet hartvormig of afgerond
– netnervig

Stengel
– rechtop
– kaal of in de bloeiwijze klierachtig   behaard
– scherp vierkant, soms heel

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Knoopkruid : Centaurea jacea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder roze bloemenhoofdjes, die
– met buitenste, vergrote randbloemen lijken op korenbloemen,
– zonder de vergrote randbloemen op distelbloemen en
– de ongedeelde stengelbladeren tot vlak onder het bloemhoofdje

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Knoopkruid is een overblijvende plant, die bloeit van juni tot in de herfst op droge tot vrij vochtige, matig voedselrijke, grazige grond. Ze kan tot 1,20 meter hoog worden. Knoopkruid is zeer variabel van vorm. Er bestaan verschillende ondersoorten, van elkaar te onderscheiden door de vorm en het aanhangsel van de omwindselblaadjes. Het omwindsel is heel opvallend. De omwindselblaadjes hebben een verbreed, donkerbruin tot zwart aanhangsel met een gave tot franje-achtige rand.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De buitenste buisbloemen zijn vergroot en staan naar buiten gericht, maar kunnen ook ontbreken.
Zonder de vergrote stralende buitenste bloemen heeft bloemhoofdje wat weg van distelbloemen (linkerfoto), maar de plant is makkelijk van distels te onderscheiden vanwege het ontbreken van de voor distels kenmerkende prikkende bladeren en/of stengels.

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De bovenste stengelbladeren zijn ongedeeld, de onderste bladeren veerspletig. Jonge planten zijn licht (spinragachtig) behaard.

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

n de Middeleeuwen werd de plant gebruikt om wonden te helen, tegen aandoeningen van de urinewegen en zelfs cholera schijnt ermee bestreden te zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort 

 

Grote centaurie is een vergelijkbare soort. Ze heeft grotere bloemen, gedeelde stengelbladeren (ook de bovenste) en geen stengelbladeren tot vlak onder de bloem.

 

 

 

grote centauri

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)

– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– 0,1 tot 1,20 meter hoog

Bloem
– helder roze buisbloemen
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdje
– alleenstaand
– 2 tot 6 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– top spits
– voet gevleugeld
– netnervig
– kaal of (spinragachtig) behaard
– bovenste :
– zittend
– lancetvormig
– gave rand
– onderste :
– gesteeld
– veervormig ingesneden
– getande rand

Stengel
– rechtop
– kaal of (spinragachtig) behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kluwenhoornbloem : Cerastium glomeratum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes met 5 tot 1/4 ingesneden kroonbladen
– in een gedrongen, dichte bloeiwijze en
– de behaarde stengels, die vooral bovenaan kleverig zijn door klierharen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kluwenhoornbloem is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige, behaarde plant, vooral bovenin met klierharen, waardoor ze kleverig aanvoelt. Ze groeit op open, vrij droge, tamelijk voedselrijke grond in tuinen, perken, bermen en graslanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kluwenhoornbloem bloeit vanaf januari tot en met oktober. De hoofdbloei valt in de maanden april tot en met juni. Ze bloeit met kleine witte bloemetjes, die in een gedrongen, dichte bloeiwijze staan. Later wordt de bloeiwijze wat losser. In een bloeiwijze bloeien de bloemen zelden allemaal tegelijk. De bloemen hebben 5 kroonbladen, die ongeveer voor 1/4 zijn ingesneden. Ze zijn iets langer dan de kelkbladen, die tot aan de top behaard zijn.

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 5 tot 45 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– dicht bijscherm
– stervormig
– 5 tot 8 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– (kruisgewijs) tegenoverstaand
– enkelvoudig
– breed eirond
– top stomp
– rand gaaf
– voet vergroeid
– 1-nervig
– aan beide zijden zacht behaard
– geelgroen

Stengel
– rechtop
– behaard, ook met klierharen
– rolrond

zie wilde bloemen