Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 3

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten

 

 

Klein Hoefblad (Compositae)

 

Een voorbode van de lente is het KLEIN HOEFBLAD (Tussilago farfara), dat met zijn bleekgele bloemetjes de maartse buien trotseert. De bloemen verschijnen lang vóór de getande, hartvormige bladeren, die in een rozet staan. De bloemstengels, die ongeveer 15 cm hoog worden, hebben rechtopstaande roze schubben, die om en om op de stengels staan. Ze zijn bedekt met een wit viltlaagje, net als de bladeren, die 10-12,5 cm breed zijn. Bij oudere planten is alleen de onderkant bedekt met deze viltlaag, die vroeger werd verzameld om gebruikt te worden in de tondeldoos.

De gewone stengels lopen onder de grond en vertakken zich naar alle kanten, wat Klein hoefblad tot een van de lastigste onkruiden in de tuin (en in de landbouw) maakt. Bovendien is de plant gek op gestoorde grond, zodat hij zich beter thuis voelt naarmate er meer in de grond wordt gespit enzovoort. De geslachtsnaam komt van het Latijnse woord tussis (hoest). Om hun bitterheid en samentrekkende werking werden (en worden) de gedroogde bladeren gerookt als geneesmiddel tegen astma en longklachten. De plant komt voor in geheel Europa, in Azië en Noord-Amerika. In ons land op allerlei plaatsen algemeen.

 

 

klein hoefblad

 

 

klein hoefblad

 

 

 

 

 

Klein Streepzaad (Compositae)

 

De geel bloeiende Composieten zijn berucht onder de botanici, omdat ze zo moeilijk uit elkaar te houden zijn. Dit geldt ook voor de leden van het geslacht Streepzaad.

De meest algemene soort in ons land is KLEINSSTREEPZAAD (Crepis capillaris), een eenjarig onkruid met een of meer rechtopstaande stengels van 30 tot 90 cm hoog. De heldergele bloemhoofdjes bestaan uit riemvormige bloemetjes waarvan de buitenste vaak aan de onderkant roodachtig zijn. Ze staan op lange vertakte bloeistengels, die ontspringen uit de oksels van de pijlvormige bladeren, die op de hoofdstengel zitten en een stengelomvattende voet hebben.

De grondrozet en de onderste bladeren zijn zeer variabel; de omtrek is langwerpig tot lancetvormig of nog smaller, gevormd als een lier of geveerd met de slippen naar achteren wijzend. De middelste en bovenste stengelbladeren zijn lancetvormig. De bladeren staan allemaal afwisselend, maar het oppervlak van de bladeren vertoont weer verschillen: het kan kaal zijn of enigszins harig aan een of twee kanten. De bloeiperiode loopt van juni tot in de herfst. Klein streepzaad komt voor in geheel Europa en plaatselijk in Noord-Amerika. In ons land een algemene verschijning langs wegen en dijken oen op braakliggende terreinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klimop (Araliaceae)

 

De bekende KLIMOP (Hedera helix), die van nature voorkomt in Europa, Noord-Afrika en het nabije Oosten, vormt twee soorten bladeren: die aan de niet-bloeiende takken hebben 3-5 min of meer driehoekige lobben; de bladeren aan de bloeiende takken hebben geen lobben en zijn ruitvormig. Klimop is een houtig gewas dat, zoals de naam al aangeeft, tegen muren, bomen en dergelijke opgroeit. Op droge en/of voedselarme bodem groeit hij uitsluitend op de grond.

De afwisselend geplaatste bladeren, die ’s winters aan de plant blijven, zijn glad en aan de bovenkant donkergroen, vaak met lichtere nerven en soms met een paars zweem; aan de onderkant zijn ze bleekgroen. In september-december verschijnen de kleine groene bloemen, die in schermen staan en het volgend voorjaar uitgroeien tot zwarte besachtige steenvruchten.

Het klimmen gebeurt met behulp van hechtwortels die zich verankeren in spleten en scheuren. Op de grond worden deze wortels gebruikt om zich in de bodem vast te houden. Het gewicht van takken en bladeren kan wel eens teveel worden voor oude bomen of dito muren, al wordt dit gevaar vaak erg overdreven. De dichte tapijten op de grond verhinderen dat regen diep in de bodem doordringt.

Op dicht beschaduwde plaatsen kan Klimop bepaald nuttig zijn. Hij kan daar bijvoorbeeld de taak overnemen van een oude heg waar het leven uit is en op die manier een windscherm leveren en een nestelgelegenheid voor verschillende vogels, uw natuurlijke bondgenoten bij het onder de duim houden van insecten. Let er echter altijd op dat geen zaden van klimop ontkiemen op plaatsen waar u de plant niet wilt hebben, want als hij zich eenmaal gevestigd heeft is hij moeilijk weer weg te krijgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Knopkruid (Compositae)

 

Klein Knopkruid

 

KLEIN KNOPKRUID (Galinsoga parviflora) is een eenjarige plant met een sterk vertakte rechtopstaande stengel van 30 tot 45 cm hoog. De puntige ovale bladeren groeien in paren en uit hun oksels komen de bloemsteeltjes. De bloemhoofdjes zien eruit als kleine Madeliefjes met een doorsnee van 6 mm en 4-6 (meestal vijf) straalbloemen. Deze zijn wit en staan rond de 10-60 gele buisbloemen. De bloeiperiode is van juni tot in de herfst en iedere plant kan een zeer groot aantal zaden voortbrengen. Soms zijn er wel 100.000 zaden per plant en ieder zaadje kan binnen 4 weken al weer een nieuwe bloeiende plant opleveren.

Het is dan ook geen wonder dat dit onkruid tegenwoordig over bijna de hele wereld verspreid is. In enkele landen is vrij nauwkeurig opgetekend hoe de verspreidingsgeschiedenis in zijn werk is gegaan. Zowel uit Engeland als uit Duitsland is bekend dat de eerste exemplaren werden ingevoerd ten behoeve van botanische tuinen. Klein knopkruid is thans in ons land algemeen, vooral op akkers en in tuinen op kalkarme, niet te zware grond die rijk is aan voedingsstoffen.

 

 

kein knopkruid

 

 

 

 

 

 

Harig knopkruid

 

Een verwante soort, HARIG KNOPKRUID (Galinsoga ciliata), die eveneens uit Midden- en Zuid-Amerika afkomstig is, breidt zich de laatste tijd sterk uit in ons land. Deze soort komt vooral voor op zwaardere gronden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Koekoeksbloemen (Caryophyllaceae)

 

De planten uit deze groep zijn te herkennen aan de opgeblazen kelk onder de witte, rode of roze bloemblaadjes.

 

 

Dag- en avondkoekoeksbloem

 

De DAGKOEKOEKSBLOEM (Melandrium rubrum) en de AVONDKOEKOEKSBLOEM (Melandrium album) lijken zoveel op elkaar dat ze vroeger als één soort werden beschouwd. De bloemkleur is bij de eerste soort bleekroze, bij de tweede wit of soms ook roze. Er zijn een paar goede kenmerken om de twee soorten van elkaar te onderscheiden. Bij de Dagkoekoeksbloem zijn de tanden van de vruchten omgerold, bij de Avondkoekoeksbloem staan ze rechtop. De eerstgenoemde soort is een tweejarige tot overblijvende plant met en slanke wortelstok; de laatstgenoemde is een gewoonlijk overblijvende, maar niet erg oud wordende plant. Soms is hij één- of tweejarig. De wortelstok is hier dik en bijna houtig.

De Dagkoekoeksbloem heeft talrijke niet-bloeiende min of meer liggende stengels en (rechtopstaande) bloeistengels van 30 tot 90 cm hoog. Bij de Avondkoekoeksbloem zijn de niet-bloeiende stengels gering in aantal, terwijl de bloeiende 45 cm tot een meter hoog worden. Avondkoekoeksbloem heeft de grootste bloemen; ’s avonds zijn deze welriekend. De zaden zijn bij deze soort grijs. De Dagkoekoeksbloem is reukloos en heeft zwarte zaden. Bij beide soorten zijn de vijf bloemblaadjes diep ingesneden en de stengelbladeren tegenoverstaand en lancetvormig.

De twee soorten komen voor in Europa en Siberië. In ons land zijn ze beide algemeen; de Dagkoekoeksbloem in bossen en heggen op zandige maar vruchtbare grond; de Avondkoekoeksbloem langs dijken en wegen en op droge, beschaduwde plaatsen. Beide soorten worden ook als sierplant gekweekt, meestal met gevulde bloemen. Er zijn ook kruisingen tussen de twee soorten bekend.

 

 

Dag

 

dag

 

 

dag

 

dag

 

 

Avond

 

avond

 

avond

 

 

 

De Blaassilene

 

De BLAASSILENE (Sinlene vulgaris) is in ons land minder algemeen dan de vorige twee soorten. Deze soort heeft witte bloemen, eveneens met vijf diep ingesneden bloemblaadjes. Het is een 30-60 cm hoog wordende overblijvende plant, met vertakte houtige wortels en ellipsvormige tot ovale bladeren die tegenover elkaar staan. De bleekgroene of roodachtige kelk heeft twintig nerven die netvormig met elkaar verbonden zijn. De doosvrucht heeft zes rechtopstaande tanden. Het verspreidingsgebied omvat Europa en de gematigde delen van Azië. Komt in ons land voor op wegbermen, langs dijken, op bouwland enzovoort.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kompassla (Compositae) en Veldsla (Valerianaceae)

 

 

Kompassla

 

KOMPASSLA (Lactuca serriola) is een een- of tweejarige plant die nauw verwant is aan de bekende kropsla. Oorspronkelijk afkomstig uit Europa is deze soort ingevoerd in Noord-Amerika waar hij thans een lastig onkruid vormt. De plant wordt 60 cm tot 1,20 meter hoog en is te herkennen aan het feit dat de stengelbladeren bijna verticaal staan in noord-zuid richting (vandaar de naam!). De bladeren zijn afwisselend geplaatst en meestal diep ingesneden met spitse lobben; ze hebben een pijlvormige, stengelomvattende basis. De bloeitijd is van juli tot in de herfst. In ons land weinig voorkomend, maar plaatselijk algemeen op droge zonnige plaatsen, langs wegen en op ruige terreinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone veldsla

 

GEWONE VELDSLA (Valerianella locusta) is de oorspronkelijke wilde vorm van de als groente gekweekte Veldsla. Het is een klein, een- of tweejarig plantje, dat er met zijn lila-blauwe bloempjes enigszins uitziet als ene miniatuur Vergeet-mij-nietje. De plant wordt niet hoger dan 25 cm; de stengels zijn tamelijk bros, sterk vertakt en aan de onderkant enigszins donzig. De bladeren staan in paren tegenover elkaar. De onderste zijn lancetvormig; de bovenste ovaal en smaller wordend naar de top van de stengel, met gevleugelde lobben aan de voet. De bloeitijd is april-mei en juli-augustus. Komt in het wild voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen langs wegen en dijken, zeldzamer op bouwland.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kraailook (Liliaceae)

 

Een heel vervelend onkruid is KRAAILOOK (Allium vineale). Deze plant kan zich op vijf manieren voortplanten; door de zaden die in het voorjaar ontstaan en in de herfst ontkiemen en door vier soorten bollen die in het late voorjaar, aan het eind van het groeiseizoen, te vinden zijn :

bolletjes die in een groepje bijeen aan de top van de lange dunne stengel groeien;

bollen met een harde buitenwand die ondergrond  in de oksels van de buitenste bladeren worden gevormd;

bollen die, ook ondergronds rond de hoofdas van de plant ontstaan

zachte bollen, de grootste van de vier typen, die rond de moederbol worden gevormd.

Deze verschillende bollen worden echter niet alle tegelijk geproduceerd. Er zijn twee typen van de plant, waarvan het ene een groepje bolletjes in de bloeiwijze vormt, samen met groenachtig-witte, roze of paarsachtige bloemen die worden gevolgd door zwarte zaden. Het andere type is een kleinere plant met bolletjes maar zonder bloemen. Zelden brengt de plant alleen bloemen voort. De lange holle bladeren hebben een schedevormende basis en zijn gestreept. De hoogte van de plant ligt tussen 30 en 70 cm.

Door de vele wijzen waarop Kraailook zich in stand kan houden is het een moeilijk uit te roeien plant, in het bijzonder wanneer hij in gazons verschijnt. De plant is bestand tegen droogte en kou; hij is gesteld op zware grond en kan goed tegen een slechte drainage. Kraailook komt voor in Europa, Azië en Noord-Amerika. In ons land een algemene verschijning in bossen, parken en graslanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kruisbloemigen (Cruciferae)

 

Deze familie dankt zijn naam aan het feit dat de bloemen altijd zijn opgebouwd uit vier bloemblaadjes die kruisgewijs tegenover elkaar staan.

 

 

Akkerkers

 

In een overzicht dat kort geleden werd opgesteld door de Britse Botanische Vereniging werd AKKERKERS (Rorippa sylvestris) genoemd als het meest voorkomende tuinonkruid in Groot-Brittannië. De gele bloemen zijn ±6 mm in doorsnee en verschijnen van juni tot en met augustus. Het is een overblijvende plant die uitlopers vormt. De vertakte stengels zijn soms min of meer liggend, soms rechtopstaand; afhankelijk van deze groeiwijze wordt de plant 20 tot 45 cm hoog.

De onderste bladeren zijn gesteeld en diep ingesneden, vaak tot bijna op de middennerf. De bovenste bladeren zijn veel kleiner en minder sterk verdeeld; ze groeien dicht tegen de stengel aan zonder bladsteel. Wanneer Akkerkers zich eenmaal ergens gevestigd heeft is hij buitengewoon moeilijk weer weg te krijgen. Dat komt niet alleen doordat de ondergrondse stengels gemakkelijk wortelen op de knopen, maar ook doordat – zelfs als de plant wordt uitgegraven – binnen een paar weken weer nieuwe planten kunnen ontstaan uit wortels die in de grond zijn achtergebleven.

Akkerkers komt in het wild voor op bouwland, langs wegen en dijken, op gestoorde grond en dergelijke. Hij kan lange droogteperiodes doorstaan. Verschijnt soms in de tuin als verontreiniging van graszaad. Komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika; in ons land algemeen.

 

 

akkerkers

 

akkerkers

 

blad akkerkers

 

 

 

 

Pinksterbloem

 

PINKSTERBLOEM (Cardamine pratensis) is een plant van graslanden, waterkanten, moerasgebieden en vochtige bossen. Hij komt soms als onkruid in de tuin voor, maar het is een charmant onkruid met zijn mooie lila, soms witte bloemen. De stengel staat rechtop, is soms vertakt en soms onvertakt, en wordt 15 tot 50 cm hoog. De laagste bladeren staan in een rozet, zijn diep ingesneden en bestaan uit ovale of rondachtige blaadjes. De bladeren aan de stengel bestaan uit lijnvormige tot breed elliptische blaadjes.

De vruchten zijn 2-2,5 cm lang en staan op lange steeltjes die onder een scherpe hoek op de stengels taan. De Pinksterbloem is een overblijvende plant met een korte wortelstok die vaak knolletjes heeft en soms uitlopers. Hij komt voor in Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika en is in ons land zeer algemeen. De bloeitijd is van april tot en met juni.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine Veldkers

 

KLEINE VELDKERS (Cardamine hirsuta) is het soort onkruid waar men weinig notitie van neemt, met de gedachte dat men er wel eens aandacht aan zal besteden als men tijd over heeft. Het is een kleine plant die ongeveer 15 cm hoog is (hij kan echter tweemaal zo hoog worden), met onbetekenende witte bloempjes. De winterrozetten van deze plant zijn donkergroen en diep ingesneden, met onregelmatig ronde blaadjes; ze kunnen strenge vorst verdragen. Zodra de temperatuur in het voorjaar wat begint op te lopen komt Kleine veldkers in bloei (maart-juni).

In de loop van een jaar kunnen verscheidene generaties tot rijpheid komen en hun zaden her en der verspreiden. De planten doen dat met behulp van een schitterend ballistisch mechanisme. De vruchten (hauwen) steken boven de bloeiwijze uit en bestaan ieder uit twee lange bootvormige kleppen die gescheiden zijn door een papierachtige scheidingswand. Tijdens het rijpingsproces van de vrucht worden de weefsels droog en trekken zich samen, waardoor een aanzienlijke spanning ontstaat. Wanneer een rijpe vrucht wordt aangeraakt, breken de kleppen los van de scheidingswand en buigen zich zo abrupt en hevig om dat de zaden ver in e lucht worden geslingerd.

Hoewel de gemiddelde zaadproductie per plant per jaar ongeveer 600 is, kan een groot exemplaar er wel 50.000 voortbrengen. Een verder hulpmiddel bij de verspreiding is dat de zaden bij bevochtiging kleverig worden, waardoor ze gemakkelijk aan vogelpoten blijven hangen. Het is dan ook geen wonder dat deze plant op het hele noordelijk halfrond algemeen voorkomt.

 

 

kleine veldkers

 

 

 

 

 

 

Bosveldkers

 

BOSVELDKERS (Cardamine flexuosa) is een gewoonlijk overblijvende (soms eenjarige) plant, die 10 tot 30 cm hoog wordt en bloeit van april tot en met juni (soms in juli en augustus opnieuw). Met zijn rozet van wortelbladeren, die gesteeld zijn en diep ingesneden, met vijf of meer paren afgeronde blaadjes, lijkt hij veel op Kleine veldkers. In tegenstelling tot die soort heeft hij een vertakte stengel met afwisselende bladeren, die eveneens diep ingesneden zijn, maar kort gesteeld of ongesteld. De bloemen zijn wit en onbetekenend. Ze worden gevolgd door peulen die niet boven de bloeiwijze uitsteken en min of meer rechtop staan op slanke steeltjes. Komt voor in de meeste delen van Europa en is verwilderd in het verre Oosten en Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen op vochtige beschaduwde plaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Witte krodde

 

De meest onverschrokken tuinlieden schrikken bij het zien van WITTE KRODDE (Thlaspi arvense) in de tuin. De stengels van deze plant zijn beladen met de ronde vruchten, die ongeveer 900 zaden per plant per jaar voortbrengen. Er is echter geen reden tot paniek, want dit onkruid is een indicator van goede leemachtige grond die rijk is aan voedingsstoffen en het is niet moeilijk uit te trekken. Witte krodde is een eenjarige plant, die een hoogte van 15 tot 50 cm bereikt. De aanvankelijk onvertakte stengel vertakt zich bovenaan sterk. Alle bladeren staan afwisselend. De onderste zijn gesteeld en smal ovaal; ze verwelken snel. De middelste en bovenste bladeren zijn langwerpig, gewoonlijk getand en stengelomvattend. De kleine, witte bloemen verschijnen van mei tot september. In het wild voorkomend in Europa, Azië en Noord-Afrika. Is in Noord-Amerika verwilderd en vormt daar een lastig onkruid. In ons land algemeen langs dijken en wegen en in bouwland op kleigrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Pijlkruidkers

 

PIJLKRUIDKERS (Lepidium draba) wordt 30-60 cm hoog en vermeerdert zich niet alleen door zaad, maar ook door middel van de talrijke uitlopers. De hoofdwortel kan 3-3,5 meter diep de grond in dringen en uit ieder afgebroken stukje wortel kunnen weer nieuwe planten ontstaan. Uitroeiing is daardoor moeilijk.

Pijlkruidkers heeft tamelijk grote, schermachtige bloeiwijzen van kleine crème-witte bloempjes (mei-juli). Deze worden gevolgd door breed-hartvormige  vruchten die rechtop staan op hun steeltjes. De bladeren zijn lang en getand, aan de voet voorzien van lobben en stengelomvattend; ze staan spiraalsgewijs om de stengel. De stengels zijn behaard. In ons land oorspronkelijk adventief; tegenwoordig vrij algemeen langs wegen, op braakliggend land en dergelijke.

De plant kwam in Engeland terecht na de slecht afgelopen expeditie naar Walcheren in 1809. De zieke soldaten werden toen gerepatriëerd op matrassen die waren gevuld met hooi dat daarna werd gekocht door een boer in Kent die het onderploegde als bemesting. Pijlkruidkers werd vroeger vanwege de scherpe smaak gebruikt als vervangingen voor peper.

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein Tasjeskruid

 

Een veel kleiner onkruid is het eenjarige KLEIN TASJESKRUID (Teesdalia nudicaulis), dat voorkomt in de meeste delen van Europa en plaatselijk in Amerika. Dit plantje wordt inclusief bloeistengels tot 20 cm hoog. Het rondrozet bestaat uit diep ingesneden bladeren met vijf kleine blaadjes. De stengel is meestal bladerloos maar draagt soms een enkel blad. Behalve door zijn geringe afmetingen is Klein tasjeskruid te herkennen door de witte of roze bloemblaadjes waarvan er twee groter zijn dan de andere. De vruchtjes zijn min of meer hartvormig. De bloemen verschijnen meestal van april tot juni (zelden ook in augustus/september). In ons land algemeen op droge zandgronden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Herderstasje

 

HERDERSTASJE (Capsella bursa-pastoris) is een een- of tweejarige plant met driehoekige hartvormige vruchtjes, die min of meer haaks op de stengel staan. De hoogte is zeer variabel, van een paar centimeter tot een meter. De bladeren van de wortelrozet variëren in vorm van diep ingesneden tot niet-ingesneden. Ook in de stengelbladeren zit nogal wat verschil; de niet-ingesneden exemplaren zijn aan de voet gelobd en stengelomvattend. De witte bloempjes zijn heel klein (2,5 mm in doorsnee) en verschijnen bijna het hele jaar door. Herderstasje komt oorspronkelijk uit het Middellands-zeegebied, maar is thans over de hele wereld verspreid. In ons land een van de meest algemene onkruiden op akkers, braakliggende terreinen, langs en op wegen, kortom eigenlijk overal.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewoon Barbarakruid

 

GEWOON BARBARAKRUID (Barbarea vulgaris) valt op door de dichte bloemtrossen van heldergele bloemen. Het is een tweejarige of overblijvende plant met een dikke geelachtige penwortel en een rechtopstaande, vertakte stengel van 30 tot 90 cm hoog. De plant heeft drie soorten bladeren; diep ingesneden exemplaren met vijf tot negen smal ovale blaadjes in een wortelrozet; bladeren onder op de stengel die alleen een paar zijlobben hebben en tenslotte aan de top bijna ronde, gekartelde bladeren zonder insnijdingen. Alle bladeren zijn diepgroen en glanzend. De bloemtrossen komen tevoorschijn uit de bladoksels en de slanke lange vruchten hebben lichtgele zaden. Barbarakruid komt op het gehele noordelijk halfrond voor, in de koelere delen. In ons land vrij zeldzaam.

 

 

 

 

 

 

 

 

Look-Zonder-Look

 

LOOK-ZONDER-LOOK (Alliaria petiolata) is een tweejarige plant die, zoals de naam al zegt, sterk naar uien ruikt. De rechtopstaande stengel is gewoonlijk onvertakt en wordt 15 tot 90 cm hoog. De onderste bladeren zijn bleekgroen en bijna niervormig, met getande randen. De stengelbladeren staan op steeltjes die naar boven toe steeds korter worden; ze staan afwisselend. De witte bloemen zitten op korte steeltjes nabij de top van de stengel in een vrij dichte bloeiwijze, die vaak is omgeven door de bovenste stengelbladeren. De vruchten zijn ongeveer 5 cm lang, bijna rolrond en heel smal. Look-zonder-look bloeit van april tot en met juni. Komt oor in Europa en het nabij Oosten. In ons land algemeen in bossen, tussen hakhout, langs heggen en op ruigten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 2

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Klaprozen (Papaveraceae)

 

De gewone/grote klaproos

 

De GEWONE/GROTE KLAPROOS (Papaver rhoeas) is al sinds het eind van de zestiende eeuw in cultuur. De moderne, grootbloemige rassen echter (de zogenaamde Shirley-papavers) zijn ontstaan aan het eind van de vorige eeuw door het werk van de Engelsman William Wilks. De wilde vorm is een meestal eenjarige, maar vaak ook tweejarige, plant van 30 tot 60 cm hoogte. Hoewel de plant bij ons in het wild niet meer zo algemeen is als vroeger zien we hem soms toch nog in grote groepen bij elkaar.

De scharlakenrode bloemen hebben vier bloembladen met fijn geplooide randen en meestal een zwarte vlek aan de basis. Ze groeien op lange stelen vanuit de bladoksels en de hangende knoppen zijn behaard. De onderste bladeren zijn gesteld en één- of tweemaal geveerd; de bovenste bladeren zijn stengelomvattend en gewoonlijk in drie slippen verdeeld, waarvan de middelste verreweg de langste is.

Alle bladeren zijn afwisselend en evenals de stengels en bloemstelen borstelig behaard. De Gewone klaproos, die per plant wel 20.000 zaden kan voortbrengen, is verspreid in Europa, Noord-Afrika en de gematigde delen van Azië; verwilderd in delen van de Verenigde Staten. In ons land algemeen op bouwland, langs wegen, op gestoorde terreinen enzovoort. Bloeit in juni en juli.

 

 

 

 

 

 

 

 

De kleine/bleke klaproos

 

KLEINE/BLEKE KLAPROOS (Papaver dubium) is gemakkelijk van de vorige soort te onderscheiden door de doosvruchten, die langwerpig knotsvormig zijn in plaats van omgekeerd eivormig. De hoogte die de planten bereiken  is dezelfde, de bladeren hebben kortere en bredere segmenten en een kleinere middenslip. De bloembladeren overlappen elkaar aan de voet altijd en zijn bleker dan bij de Gewone klaproos; de donkere vlek ontbreekt. De zaden zijn blauwachtig-zwart. Kleine klaproos komt meestal voor op lichtere gronden dan de vorige soort en is verspreid in gehele Europa; in de Verenigde Staten verwilderd. In ons land algemeen. De bloeitijd is  juni tot augustus.

 

 

 

 

 

 

 

 

Slaapbol

 

Papaver somniferum is de SLAAPBOL. Deze kan in tuinen een hardnekkig onkruid worden, omdat men de neiging heeft hem ongemoeid te laten vanwege zijn grote witte of paars-rode bloemen, die de plant – net als de blauw-groene bladeren – een aantrekkelijk uiterlijk geven. De kale, ovale bladeren staan afwisselend; de onderste zijn kortgesteeld, de bovenste stengelomvattend. De vrucht is rond, meestal groot, en bevat blauwe of witte zaden.

Deze papaver is de leverancier van opium en bevat ongeveer 20 verschillende alkaloïden, waarvan de belangrijkste de narcotica morfine en codeïne zijn. Alle delen zijn giftig, vooral de onrijpe vruchten. De plant wordt 0,60 tot 1,20 meter hoog en bloeit van juni tot en met augustus. Slaapbol wordt in ons land veel gekweekt en komt ook vaak verwilderd voor. Oorspronkelijk afkomstig uit Klein-Azië.

 

 

 

 

 

 

 

 

Klavers (Papilionaceae)

 

Deze groep planten is te herkennen aan de drietallige bladeren en aan de vlinderbloempjes die dicht bijeen in hoofdjes staan en na bevruchting tot peultjes uitgroeien. De uit vijf bloemblaadjes opgebouwde bloemen worden vlinderbloemen genoemd vanwege de vermeende gelijkenis met een vlinder. Ze bestaan uit een breed, rechtopstaand bloemblad, de vlag genaamd; twee zijdelingse, die de zwaarden worden genoemd en daaronder twee bloemblaadjes die samen de kiel vormen.

 

 

Witte klaver

 

WITTE KLAVER (Trifolium repens) is een kruipende, overblijvende plant, die wortelt op de knopen. Te onderscheiden van verwante soorten door twee kenmerken: ten eerste natuurlijk door de kleur van zijn welriekende bloemen (wit, aan de onderkant met een roze tint) en ten tweede door het feit dat de blaadjes aan de top afgerond zijn en aan de basis een met wit omzoomde donkere vlek bezitten. De langwerpige peul bevat soms maar één zaad, maar meestal vier. De bloeitijd is van mei tot oktober. Komt voor in geheel Europa en in Amerika. Veel gekweekt als voederplant voor het vee.

 

 

 

 

 

 

 

 

Rode klaver

 

De RODE KLAVER (Trifolium pratense) is gewoonlijk een overblijvende plant, hoewel hij maar een paar jaar oud wordt. Hij heeft behaarde stengels van 30-60 cm lang, die op de grond liggen of bijna rechtop staan. De bloeiwijze is aan de onderkant omsloten door steunblaadjes, heeft een rozeachtig-rode of roze-paarse (een enkele maal witachtige) kleur en een doorsnee tot 3 cm. De bloeitijd is april tot oktober. Rode klaver heeft ongeveer hetzelfde verspreidingsgebied als Witte klaver en is in ons land de meest algemene Klaversoort. Wordt veel gekweekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bochtige klaver

 

Rode klaver is te onderscheiden van BOCHTIGE KLAVER (Trifolium medium) door het feit dat de bloemen niet zo vol van kleur zijn en doordat de puntige blaadjes voorzien zijn van een witte vlek of omgekeerde V.

 

 

 

 

 

 

 

 

Incarnaatklaver

 

INKARNAATKLAVER (Trifolium incarnatum) is een eenjarige, soms tweejarige plant. Ze komt van nature voor in het Middellandse zeegebied: Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië, het Balkanschiereiland en Turkije. Door het gebruik als veevoer komt inkarnaatklaver tegenwoordig als neofyt overal voor.

De plant wordt 20-50 cm hoog. De behaarde, rechtopgaande stengel is meestal niet vertakt. De afwisselend, spiraalvormig staande bladeren zijn driedelig. De behaarde, omgekeerd eironde blaadjes zijn 1-2 cm lang en 1-1,5 cm breed en hebben een gezaagde bladrand. De bladsteel is 4,5-17,4 cm lang, waarbij de onderste bladeren de langste bladsteel hebben. Het onderste deel van de steunblaadjes vormen een met de stengel vergroeide bladschede. Het bovenste niet vergroeide deel is eirond, getand, geribbeld en afstaand behaard en heeft een groene of purpere kleur.

Inkarnaatklaver bloeit van mei tot juli met rode of rose, soms geelachtig witte bloemen, die in een eindstandige, 2-6 cm lange en 1-1,5 cm brede hoofdjesachtige tros zitten.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hopklaver

 

HOPKLAVER (Medicago lupulina) is een plaag in het gazon. De taaie stengels die uit de wortelstok ontspringen en over de grond kruipen, verstikken snel het aanwezige gras. Ze worden 30-60 cm lang. Deze soort is te herkennen aan de kleine bloemhoofdjes, die ovaal van vorm zijn en kleine peultjes voortbrengen die één zaad bevatten en in rijpe toestand zwart zijn. Deze beperkte hoeveelheid zaad en de korte levensduur (de plant is éénjarig) worden gecompenseerd door de lange bloeiperiode: van april tot in de herfst. Het verspreidingsgebied omvat Europa, de USSR en Noord-Amerika. In ons land zeer algemeen, ook gekweekt als voederplant.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine klaver

 

KLEINE KLAVER (Trifolium dubium) bloeit van juni tot september. Lijkt veel op de Hopklaver maar is te onderscheiden door de lichtbruine zaden en de blekere, ronde in plaats van ovale bloemhoofdjes. Deze staan op steeltjes in de bladoksels en worden bij het verbloeien donkerbruin. De vlag is smal en na de bloei kokervormig opgerold.

Kleine klaver komt in vrijwel geheel Europa voor en is in sommige delen van Noord-Amerika verwilderd. In ons land zeer algemeen langs wegen en op schrale gronden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Klaverzuring (Oxalidaceae)

 

Verscheidene soorten Oxalis zijn een plaag geworden op akkers en in tuinen; in Zuid-Europa ook in wijngaarden. Het gaat daarbij vooral om soorten die zich vermeerderen met behulp van ondergrondse knolletjes. Deze planten zijn niet gevoelig voor onkruidbestrijdingsmiddelen. Als u uw woede op de knolletjes koelt door er op te staan stampvoeten, dan bevordert dat alleen maar hun groei. Chemische middelen hebben hetzelfde effect. De knolletjes zullen hun groei hervatten zodra u de strijd opgeeft. Er zijn ook andere methoden beproefd, maar die bleken te kostbaar. Wel heeft men soms resultaten geboekt door in velden die door Oxalis overwoekerd waren, varkens de knolletjes te laten opgraven. In de meeste tuinen zal dat echter geen erg praktische oplossing zijn. Wie de strijd wil winnen moet geduld oefenen en jaar na jaar de spa hanteren; zorg er daarbij voor dat nergens anders een stukje van een knolletje terechtkomt, want zelfs de kleinstestukjes kunnen voor een nieuwe ‘epidemie’ zorgen. Men vermoedt dat de verspreiding ook bevorderd is door het transport van in potten gekweekte planten en van turfmolm dat gebruikt werd voor bodembedekking.

Blijf voortdurend waakzaam, let op zaailingen en prijs u gelukkig als u de indringer kunt oprooien nog voordat hij zijknolletjes heeft gevormd.

 

 

Witte klaverzuring

 

WITTE KLAVERZURING (Oxalis acetosella) is een overblijvende plant die geen knolletjes vormt, maar een dunne kruipende wortelstok met gezwollen, beschubde knopen. Uit ieder daarna ontstaat in het voorjaar een groepje bladeren in rozetvorm en bloemen, die, net als de bladeren, op lange steeltjes staan. De heldergroene bladeren bestaan uit drie hartvormige segmenten die zich ’s nachts samenvouwen. De bloemen, die in april-mei verschijnen, hebben vijf afgeronde witte of licht roze bloemblaadjes, met iets donkerder aderen. In de natuur groeit de plant op vochtige, beschaduwde plaatsen en ook in de tuin voelt hij zich in een dergelijke omgeving goed thuis. Het ins ongetwijfeld een aantrekkelijke plant, maar men moet oppassen dat hij andere planten niet verdringt. Deze soort is inheems in Europa, Azië en Noord-Amerika; in ons land plaatselijk vrij algemeen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gehoornde klaverzuring

 

GEHOORNDE KLAVERZURING (Oxalis cornculata) is evenmin voorzien van knolletjes. De stengels komen tevoorschijn uit een spoelvormige penwortel en liggen op de grond. De knopen vormen wortels en er ontstaan dan stengeltjes met afwisselend staande bladeren. Vanuit de plaats waar die bij elkaar komen groeien lange stelen, die de bloemen dragen. Deze staan soms afzonderlijk, maar soms in kleine groepjes in een scherm. Ook hier zijn de bladeren in drie hartvormige segmenten verdeeld; deze zijn meestal bruinachtig en aan de onderkant zacht behaard. De bloemen zijn geel, met vijf smal wigvormige bloemblaadjes die samen een trechter vormen. Ze verschijnen van april tot en met oktober. Deze plant is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Europa, maar komt thans in vele andere gebieden voor. In ons land geen algemene verschijning.

 

 

 

 

 

 

 

 

Stijve klaverzuring

 

Zoals de naam al aangeeft groeit de STIJVE KLAVERZURING (Oxalis europaea) meer rechtop; de plant bereikt een hoogte van 10-30 cm. Het is een overjarige plant die slanke, ondergrondse uitlopers heeft en stengels die spaarzaam vertakt kunnen zijn en al dan niet voorzien van beharing. De bladeren staan in kransen, zijn enigszins purper getint en gewoonlijk zacht  behaard. De gele bloemen staan met 2-6 bijeen in een scherm op een lange steel en verschijnen van juni tot en met oktober. De vruchten zijn langwerpig. Dit is een lastig onkruid op akkers en in tuinen, vooral in het gazon. Ondanks de aanduiding europaea is deze soort afkomstig uit Noord-Amerika en Oost-Azië; hij is echter sedert lang in ons werelddeel ingevoerd. In ons land thans algemeen voorkomend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 1

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

.

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

De Kaasjeskruiden (Malvaceae)

 

GROOT KAASJESKRUID

 

GROOT KAASJESKRUID (Malva sylvestris) is, zoals de naam al aangeeft, een forse plant (0,60-1,20 meter hoog). De stengels zijn houtig aan de onderkant, vertakt en sterk behaard. De vijfslippige, afwisselend staande bladeren zijn 5-10 cm in doorsnee, enigszins samengevouwen, ruw driehoekig in omtrek en vaak met een kleine donkere vlek. De uit vijf bloemblaadjes opgebouwde bloemen zijn meestal roze met opvallende donkere strepen, 2,5-4 cm in doorsnee en in groepjes bijeenstaand.

Deze tweejarige of overblijvende plant bloeit van juni tot in de herfst. Verspreidingsgebied Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika; bij ons algemeen langs wegen en dijken en op bouwland. Soms gekweekt.

 

 

 

 

 

 

 

KLEIN KAASKRUID

 

KLEIN KAASKRUID (Malve neglacta) is een plant die zowel eenjarig, tweejarig als overblijvend kan zijn. De meestal liggende stengels worden 7 tot 45 cm lang en ontspringen aan een korte rechte penwortel. De vijf enigszins ingesneden bloemblaadjes zijn roze of wit, gestreept en slechts 2-2,5 cm in doorsnee. De bladeren, die afwisselend staan, hebben vijf afgeronde slippen, zijn 4-7 cm in doorsnee en langgesteeld. De bloeitijd is juni-oktober. Deze soort komt voor in Europa en West-Azië; ook in Amerika, waar het een van de meest algemene en schadelijke onkruiden is. De kinderen eten daar de platte zaden, die ze – net als bij ons – kaasjes noemen; de bladeren worden gebruikt om schotels mee te garneren. In ons land is Klein kaasjeskruid algemeen op zandgrond, vooral langs wegen en paden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kamilles (Compositae)

 

Dit zijn gewoonlijk sterk geurende planten met madeliefachtige bloemhoofdjes die meestal geel met wit van kleur zijn. De bladeren, die afwisselend staan, zijn in de regel zeer fijn verdeeld.

 

VALSE KAMILLE

 

VALSE KAMILLE (Anthemis arvensis) is een bossige, behaarde eenjarige plant van 15-45 cm hoogte. De bloemhoofdjes zijn 2,5-4 cm in doorsnee en staan afzonderlijk op lange steeltjes in de oksel van de bladeren. De witte straalbloemen zijn vrouwelijk. Iedere plant kan zo’n 4000-5000 zaden voortbrengen. Deze soort heeft een voorkeur voor een mineraalrijke grond zonder kalk en gewoonlijk sterk zuur, lemig of zandig lemig. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa en Klein-Azië; ingevoerd in Noord-Amerika. De plant is vrij algemeen voorkomend op zandig bouwland en langs dijken en wegen. De bloeitijd is van juni tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

 

STINKENDE KAMILLE

 

STINKENDE KAMILLE (Anthemis cotula) doet zijn naam echt eer aan. Hij verschilt van de vorige soort doordat de stengels meestal hoger zijn (30-45 cm). Ook zijn de bloemen wat kleiner (1,2-2,5 cm in doorsnee). De straalbloemen zijn ook hier wit, maar na de bloei zijn ze meestal teruggeslagen. De fijnverdeelde bladeren zijn evenals de stengels weinig behaard. Stinkende kamille komt voor in geheel Europa en Noord-Amerika. In ons land vrij zeldzaam langs wegen en dijken en op bouwland; het is een indicator voor leemgrond. De bloeiperiode is net als bij de voorgaande soort.

 

 

 

 

 

 

 

SCHIJFKAMILLE

 

De SCHIJFKAMILLE (Matricaria matricarioides) is te herkennen aan de afwezigheid van straalbloemen. De bloemhoofdjes bevatten dus alleen schijfbloemen, waardoor ze eruit zien als kleine ronde, groenachtig-gele knopjes omgeven door schutbladeren. Deze laatste zijn groen met een wit randje. Deze sterk geurende, stevig gebouwde plant wordt vanwege zijn geur in Engeland meestal Ananaskruid genoemd. De plant wordt 5  tot 30 cm hoog en heeft kale stengels met vele stijve zijtakjes. De bloeitijd is van juni tot in de herfst. Iedere plant kan ruim 5000 zaden voortbrengen. Schijfkamille komt oorspronkelijk uit Azië, maar komt tegenwoordig in geheel Europa en Noord-Amerika voor. De plant is vooral te vinden langs wegen en dijken, op ruige plaatsen enzovoort.

 

 

 

 

 

 

 

REUKLOZE KAMILLE

 

De voorgaande soort mag dan lastig zijn, de REUKLOZE KAMILLE (Matricaria maritima) is nog tien keer erger. Iedere plant brengt namelijk gemiddeld 34.000 zaden voort, ofwel om het nauwkeuriger te zeggen, tussen de 10.000 en 210.000 bij een fors exemplaar. Deze zeer vormenrijke soort komt in geheel Europa en ook in Noord-Amerika voor op bouwland, aan wegen en nabij bebouwing. In ons land komt alleen de ondersoort inodora voor; deze aanduiding geeft aan dat de planten geen of vrijwel geen geur hebben. Deze een- of tweejarige plant kan zowel rechtop als liggend groeien, is meestal vertakt en heeft 15 tot 60 cm lange, kale stengels. De afzonderlijk staande bloemhoofdjes van witte straal- en gele schijfbloemen zijn afgeplat van boven en variëren in doorsnee van 1,5 tot 5 cm. Ze zijn langgesteeld en verschijnen van juni tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

 

ECHTE KAMILLE 

 

De ECHTE KAMILLE (Matricaria recutita) lijkt veel op de vorige soort, maar is te onderscheiden door de kegelvormige bloemhoofdjes die van binnen hol zijn (in plaats van met merg gevuld) en natuurlijk door de kenmerkende geur. De bloeitijd is veel korter, mei-juli.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Makkelijke kamerplanten

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

Makkelijke kamerplanten

.

 

 

 

 

Mooie groene planten op de vensterbank in een hoge decoratieve vaas? Een grote pot vol met frisse groene plantjes in de woonkamer? Wie wil dat nou niet? Maar niet iedereen heeft “groene vingers”. Of de planten worden simpelweg vergeten door een te drukke agenda. Toch zijn er verschillende kamerplanten die wel tegen een stootje kunnen en zullen lange tijd de vensterbank en woonkamer sieren. Zelfs met een klein beetje water!

 

 

Iedereen kent natuurlijk wel Hedera oftewel een klimop als makkelijke kamerplant. Cactussen doen het ook altijd erg goed bij mensen die niet zo veel kunnen worden met planten in huis. Sommigen kiezen als laatste redmiddel voor een kunstplant of helemaal geen groen meer op de vensterbank. Toch zijn er best wel leuke trendy kamerplanten die erg weinig verzorging nodig hebben. Een kleine greep uit de grote groene wereld.

.

 

Hedera klimop

 

.
.
.

Sansevieria Kirkii Friends

.

Deze plant is beter bekend als de studentplant of the year Hij heeft deze naam gekregen omdat hij de ergste omstandigheden kan overleven. Kan alleen niet goed tegen teveel water maar droogte is geen enkel probleem voor hem. De Sansevieria heeft stevige bladeren en wordt 20 tot 30 centimeter hoog.

Hij kan erg goed tegen de droge lucht van de centrale verwarming, wat hem erg goed geschikt maakt voor op de vensterbank. Tevens verdraagt hij veel licht en zon. Met af en toe een beetje water en wat voeding hebt u lang plezier aan deze plant.

 

 

Sandevieria kirkii

 

.
.
.

Sedum Burrito

.

Een ideale plant voor een vensterbank op het zuiden want deze vetplant verdraagt zeer goed de hete zomerzon. Maar als hij met zijn “voeten” in het water komt te staan dan gaat hij dood. Dus zuinig met water bij dit vetkruid! De stengels met de stevige blaadjes geven een speels effect doordat ze over de rand van het pot gaan hangen. Staat ook erg mooi in een hoge schaal op tafel.

 

 

Sedum Burrito

 

.
.
.

 

Christusdoorn

.

Een goede oude bekende is de Christusdoorn. Een bloeiende plant met witte, roze of rode bloemetjes. De Euphorbia is een kamerplant met minimale verzorging. Vraagt weinig water en af en toe wat voeding. Doet het goed bij temperaturen van 15 tot 30 graden Celsius.

Houdt niet van tocht, dan kan hij zijn bladeren laten vallen. In zomer kan hij bij goed weer zelfs buiten staan. Een leuke blikvanger op het terras! Pas op voor het melk dat de plant bevat, deze is giftig.

 

 

Christusdoorn

 

.
.
.

Epipremnum

 

Een zeer gemakkelijke kamerplant is een Epipremnum ook bekend als Scindapsus. Deze plant voelt zich thuis op zowel een lichte als een donkere plaats in de woonkamer. Heeft zeer weinig water en bijna geen bemesting nodig. Krijgt de plant toch ernstig water tekort en gaat daardoor slap hangen, gewoon even bijgieten en hij fleurt weer helemaal op. De Epipremnum is ook als hangplant verkrijgbaar en is net zo gemakkelijk in onderhoud.

 

 

 

Epipremnum

 

 

.

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

.

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

Boerenwormkruid : Tanacetum vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de talrijke gele schijfvormige bloemhoofdjes en
– de geveerde bladeren en
– de groei in grote pollen

 

 

.

.

 

Algemeen

 

Boerenwormkruid is een sterk ruikende, overblijvende plant van 60 tot 120 cm hoog. Ze vormt grote pollen door ondergrondse uitlopers. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen. Je vindt boerenwormkruid op vochtige tot droge, omgewerkte grond op dijken en in bermen, de uiterwaarden, langs spoorwegen en aan akkerranden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot en met september met gele bloemen, die schermvormige pluimen vormen aan het einde van de stengel.

 

 

.

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren doen wat denken aan varenbladeren. In het volle zonlicht richten zij zich plat naar het zuiden. Als ze gewreven worden geven ze een kruidige geur af. De stengel is enigszins verhout en bovenaan sterk vertakt.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Boerenwormkruid kent vele toepassingen. Zo is het een insecten werend middel en verjaagt onder andere vlie-gen, muggen, mieren en vlooien. Vroeger werd het bij mens en dier gebruikt als middel tegen wormen. Verder is ze zeer geschikt voor droogbloem boeketten, omdat de bloemen bij droging mooi hun gele kleur behouden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– vrij zeldzaam in het noordelijk   zeekleigebied
– 60 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juli t/m september
– hoofdje
– schermvormige pluim
– alleen buisbloemen
– 7 tot 13 mm
– omwindselblaadjes vliezig gerand

Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel afgebroken veerdelig
– top spits of toegespitst
– rand scherp gezaagd
– voet gevleugld
– veernervig
– bovenste niet gesteeld

Stengel
– rechtop
– enigszins verhout
– glad en kaal
– bovenaan vertakt
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

.

.

 

 

 

 

Akkerhoornbloem : Cerastium arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

.

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de grote witte bloemen met 5 ingesneden kroonbladen
– met 5 stijlen en
– de behaarde stengels en behaarde bladeren

 

.

 

 

.

 

Algemeen

 

Akkerhoornbloem is een overblijvende plant van 5 tot 25 cm hoog, die algemeen voorkomt in de Lage Landen. Ze groeit op vrij open of grazige plaatsen met droge, al of niet kalkrijke zandgrond, zoals (rivier)duinen, bermen en braakliggende grond en niet op akkers, zoals haar naam doet vermoeden.

 

 

 

 

.

Bloem

 

Ze bloeit vanaf april tot en met juli met zuiver witte bloemen van 1 tot 2 cm groot. Ze hebben 5 kroonbladen, die voor 1/3 ingesneden zijn. De kroonbladen zijn 2x zo lang als de behaarde kelkbladen.

 

 

.

 

 

Blad en stengel

 

Akkerhoornbloem heeft twee soorten stengels, opstijgende bloeiende stengels en liggende op de knopen worte-lende stengels. Door middel van die liggende stengels kan de plant zich over een grote oppervlakte uitbreiden.

.

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten 

 

akkerhoornbloem : 5 kroonbladen voor 1/3 ingesneden en 5 stijlen.

gewone hoornbloem : de bloemen van gewone hoornbloem vallen veel minder op, de kroonbladen zijn ongeveer even lang als de kelkbladen.

 

.

akkerhoornbloem

 

.

 

akkerhoornbloem

 

.

 

gewone hoornbloem

.

 

 

gewone hoornbloem

.

 

Akkerhoornbloem lijkt veel op viltige hoornbloem. Viltige hoornbloem is geen inheemse plant, maar een uit tuinen verwilderde cultuurplant, die in het wild lang stand kan houden.

.

 

viltige hoornbloem

 

.

Algemeen

.

– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 5 tot 25 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juli
– bijscherm
– stervormig
– 1 tot 2 cm
– 5 ingesneden kroonbladen
– kroonbladen niet vergroeid
– 5 kelkbladen, behaard
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet vergroeid
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– opstijgend of bovengronds kruipend
– behaard met klierharen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 Gewone engelwortel : Angelica sylvestris

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de witte of enigszins roze schermen bestaande 15 tot 40 bolvormige deelschermen
– de bedauwde roze tot paars-bruine, rolronde, gegroefde stengels
– en de gootvormige bladstelen van de onderste bladeren

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Gewone engelwortel is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende, donkergroene, niet sterk ruikende plant van natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en lichte loofbossen. Ze wordt 90 tot 180 cm hoog. Vaak staan er vele planten bij elkaar.

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juli tot in de herfst, soms tot het begin van de winter. De bloeiwijze is een scherm van 3 tot 15 cm breed, bestaande uit 15 tot 40 ronde deelschermen met kleine witte of rozeachtige bloemetjes. De bloemetjes hebben 5 even grote kroonbladen. Onder het samengestelde scherm zitten 3 omwindselbladen, die snel afvallen. Onder elk deelscherm zitten talrijke omwindselblaadjes. De schermstralen zijn zacht behaard.

.

 

 

 

 

Blad

 

De grote bladeren zijn 2- tot 3-voudig geveerd. De deelblaadjes zijn langwerpig, scherp gezaagd. De bovenste bladeren zijn vergroeid tot een bolvormige schede rond de jonge bloeiwijze. De wortelbladeren hebben een gootvormige steel, 1 van de verschillen met grote engelwortel.

 

 

 

 

Toepassingen

 

Gewone engelwortel werd vroeger gebruikt voor het maken van een slijmoplossend middel. Ook werden de jonge stengels en bladeren gekookt in zout water en als groente gegeten.

.

 

 

 

Vergelijkbare soorten  

 

gewone engelwortel

– scherm 3 tot 15 cm breed, 15 tot 40 stralen
– bloemen zijn 2 mm, wit of roze
– plant donkergroen, nauwelijks ruikend
– eindblaadjes ongedeeld, voet niet aflopend
– tot 1,8 meter hoog
– wortelbladeren met gootvormige stengel 

 

 grote engelwortel

– scherm tot 20 cm breed, 20 tot 40 stralen
– bloemen zijn 3 tot 4 mm, groenachtig wit
– plant lichtgroen, bij kneuzing sterk ruikend
– eindblaadjes vaak 3-delig met aflopende voet
– tot 2,5 meter hoog
– wortelbladeren met rolronde stengel

 

 

 

grote engelwortel

 

Naast de twee bovengenoemde soorten zijn er nog een aantal (zeer) algemeen voorkomende planten met witte schermbloemen, zoals fluitenkruid en gewone berenklauw.

.

 

fluitenkruid

 

 

 

Gewone berenklauw

.

 

 

Algemeen

– schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 90 tot 180 cm

Bloem
– wit of roze
– vanaf juli tot in de herfst
– meervoudig scherm
– 2 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– 2- of 3-voudig oneven veervormig
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gezaagd
– voet afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– bedauwd roze tot paarsbruin
– rond en gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zomerfijnstraal : Erigeron annuus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de op madeliefjes lijkende bloemhoofdjes
– met zeer veel en zeer smalle witte straalbloemen

 

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Zomerfijnstraal is een eenjarige, vrij zeldzame plant die bloeit in juli en augustus.  Ze wordt 30 tot 75 cm hoog en groeit op natte tot vochtige, voedselrijke, omgewerkte grond aan rivieroevers, in bermen en op dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemhoofdjes zijn 1,5 tot 2 cm groot, meestal wit, soms iets blauw of lila aangelopen en staan in losse scher-men bij elkaar. De knopjes hangen. Zodra de bloemhoofdjes opgaan, richten ze zich op.

 

 

 

 

 

Stengel

 

De stengel is rechtopstaand en weinig behaard. Alleen de bovenste helft is vertakt.

 

 

.

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– vrij zeldzaam in Zuid-Limburg en
het rivierengebied
– 30 tot 75 cm hoog

Bloem
– witte straalbloemen
– gele buisbloemen
– juli en augustus
– hoofdje
– 1,5 tot 2 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– verspreid behaard
– onderste bladeren :
– omgekeerd eirond
– lang gesteeld
– verwijderd gezaagd/getand
– top stomp
– middelste bladeren :
– langwerpig
– kort gesteeld
– iets getand
– top spits
– bovenste bladeren :
– lancetvormig
– zittend
– gaafrandig
– top spits

Stengel
– rechtop
– alleen bovenaan vertakt
– verspreid behaard
– rolrond met lengteribben

zie wildebloemen

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Zeepkruid : Saponaria officinalis

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– roze (soms witte), grote, 5-tallige, iets geurende bloemen in eindelingse trossen en
– de groepsgewijze groei

.

 

 

.

 

Algemeen

 

Zeepkruid is een overblijvende plant van 40 tot 70 cm hoog. Ze komt vrij algemeen voor in de Lage Landen. Ook wordt ze aangeboden als tuinplant, dan vaak met gevulde bloemen. Je vindt zeepkruid op open, vochtige tot droge, veelal kalkrijke, omgewerkte zandgrond in de duinen, langs de rivieren en op spoordijken. Door kruipende wortels met ondergrondse uitlopers groeit zeepkruid in groepen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Zeepkruid bloeit vanaf juli tot en met september met zachte roze (soms witte), iets zoet geurende bloemen, die in eindelingse, 5-10 bloemige trossen staan. De kroonbladen zijn niet of iets uitgerand en elk kroonblad heeft 2 witte keelschubben. De kelkbladen zijn vergroeid tot een groen, soms rood aangelopen kelkbuis. Bestuiving vindt voornamelijk plaats door nachtvlinders. De nectar ligt namelijk heel diep in de bloem, waardoor alleen insecten met een lange tong die kunnen bereiken. Hommels plegen vaak inbraak door een gat in de kelkbuis te bijten.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Wanneer men de groene delen of de wortelstok kneust en in water kookt, ontstaat een schuimende vloeistof, die vroeger veel voor het wassen van wol of wollen kleding werd gebruikt. Voor dit doel werd de plant zelfs in de buurt van wol verwerkende bedrijven aangeplant. De plant werd medicinaal gebruikt voor het oplossen van slijm, het opwekken van braken en het reinigen van de huid.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen in het duingebied,
elders zeldzamer
– 40 tot 70 cm

Bloem
– roze, soms wit
– vanaf juli t/m september
– dichtbloemige tros
– stervormig
– 2,5 tot 4 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet doorgegroeid
– 3- tot 5-nervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

.

 

 

 

 

 

 

Wolfspoot : Lycopus europaeus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

.

Goed te herkennen aan
de kleine witte aan de binnenkant rood-paars gestipte lipbloemen, die in een schijnkrans in de bladoksels staan

 

 

.

.

 

Algemeen

 

Wolfspoot is een overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog met een rechtopstaande stevige vierkantige stengel. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen. Wolfspoot groeit op natte, voedselrijke grond aan water-kanten, in moerasbossen en langs sloten, ook op sluismuren.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in juli en augustus. De kleine bloemen zijn wit met van binnen rood-paarse stippen. Ze staan in schijn-kransen rond de stengel in de bladoksels.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Uit wolfspoot kunnen etherische oliën worden gemaakt tegen aandoeningen van de schildklier.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 30 tot 90 cm

Bloem
– wit
– binnenkant roodpaars gestipt
– juli en augustus
– lipbloem
– schijnkrans
– 4 tot 6 mm
– 5-tandige kelk
– 2 meeldraden

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot lancetvormig
– top spits
– rand diep en grof gezaagd
– onderste stengelbladeren veerspletig
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– rechtop
– vertakt
– rijk bebladerd
– behaard
– vierkantig

zie wilde bloemen