Categorie archief: Religie

Why does God allow Satan to rule on Earth?

Standaard

Category: religion/religie

 

 

Healing blood of Jesus Christ

 

Pastel drawing of John Astria

 

 

 

Why does God allow Satan to rule on Earth?

 

Question: If God is all-powerful, why does He allow Satan to be the “god of this age” (2 Corinthians 4:4)?

Answer: Scripture makes it clear that the devil—Satan—is currently in charge of planet Earth. Even Jesus Christ Himself, shortly before His arrest and crucifixion, acknowledged Satan’s authority: “I will no longer talk muc

pastel drawing

es the devil exert his rule? He influences world events by injecting his evil ideas into the minds of human beings, much as a television transmitter broadcasts its signal into the air to be received in people’s homes. This analogy can help us see why Scripture calls Satan the “prince of the power of the air, the spirit who now works in the sons of disobedience, among whom also we all once conducted ourselves in the lusts of our flesh, fulfilling the desires of the flesh and of the mind, and were by nature children of wrath, just as the others” (Ephesians 2:2–3).

Was there always a Satan? No! God created a powerful and beautiful archangel named Lucifer, who—along with Michael and Gabriel—served at God’s throne in heaven. Why did this Lucifer (Latin for “light-bringer” or “morning star”) fall and become Satan (Hebrew for “accuser” or “adversary”)? You can read about this in Ezekiel 28:12–15 and Luke 10:18.

Lucifer and a third of the angels (Revelation 12:3–4) rebelled against their Creator. At some point in the distant past, Lucifer led these angels “above the heights of the clouds” to take the throne of God (Isaiah 14:13-14), leaving their “proper domain” or assigned responsibility (Jude 6below the clouds here on Earth. Unsuccessful, they were cast back down to the Earth (Isaiah 14:12).

Satan failed in his rebellion, but he remains in the office God gave him, where he is ironically still instrumental in God’s plan. You see, human beings are spending 6,000 years living their own way, influenced by Satan’s spirit of selfishness and evil. They are writing with their own blood, sweat and tears the history of what it is like to live in disobedience to God’s way.

 

 

GOD HAS A PLAN

 

The member of the God Family who became Jesus Christ came to earth a little more than 2,000 years ago as a human being (John 1:114). By living His perfect life—filled without measure with the Holy Spirit He demonstrated that with God’s help, human beings can live in obedience to God, and reject Satan’s way (Galatians 2:20).

It is because of Jesus Christ that Satan’s rule on the earth will soon end. That is why the devil is only called the god of “this age.” An age is soon coming when Jesus Christ will replace Satan as the ruler of this world. We call that time “the Millennium.” Jesus Christ, who came to the earth as a human being and lived a perfect sinless life, will return as King and remove Satan from his rule.

Since the Millennium is not here yet, what can we do to escape the evil effects of Satan’s rule? Those who accept Jesus Christ’s sacrifice can, through the power of the Holy Spirit, come under God’s government now and receive the power to resist Satan’s influence in their lives. “Therefore submit to God. Resist the devil and he will flee from you. Draw near to God and He will draw near to you. Cleanse your hands, you sinners; and purify your hearts, you double-minded” (James 4:7–8).

God is watching to see who is obeying Jesus Christ, and who has surrendered to evil. “For the time has come for judgment to begin at the house of God; and if it begins with us first, what will be the end of those who do not obey the gospel of God? Now, ‘If the righteous one is scarcely saved, where will the ungodly and the sinner appear?’” (1 Peter 4:17–18).

When the Prince of Peace returns to set up His government over the nations, Satan’s rule will end. “Now is the judgment of this world; now the ruler of this world will be cast out” (John 12:31). God speed that day!

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Bijbel College Openbaring deel 4

Standaard

categorie: Religie/video/Openbaring

 

 

 

Bijbel College Openbaring deel 4

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

 

Boeddha wijsheden ; deel 9

Standaard

categorie : religie

.

.

31677

.

.

Haat wordt niet door haat overwonnen;

haat wordt door liefde overwonnen,

zo is van eeuwigheid de

orde der dingen

.

boedhha(1)

.

.

Wie is een groot mens?

Die het sterkst is in het

uitoefenen van geduld

.

animaatjes--boeddha-87902

.

.

Wie kinderen heeft,

is bezorgd om zijn kinderen.

Wie runderen heeft,

is bezorgd om zijn runderen.

Wie niets heeft, kent geen zorgen

.

.

pijl-omlaag-illustraties_430109

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

John Astria

John Astria

Zegen en vloek in de Bijbel

Standaard

categorie : religie

.

.

Koning Balak vraagt aan Bileam om het machtige volk Israël te vervloeken. Hij gaat ervan uit dat deze vloek een negatieve uitwerking zal hebben op het volk; het lijkt de enige kans dat de Moabieten de strijd zullen winnen (Num.22). Is dit bijgeloof of heeft een vloek echt zoveel macht? De Israëlieten moeten in het beloofde land naar de bergen Ebal en Gerizim. Op elk van de bergen komen zes stammen te staan en zij moeten de zegen en de vloek uitspreken (Deut.27). Wat is de betekenis van deze ceremonie?

.

.

We kunnen deze vragen uit historische interesse stellen, maar het is ook duidelijk dat ‘zegen en vloek’ in
onze samenleving steeds actueler worden. In de christelijke gemeente wordt vaak een zegen uitgesproken, bijvoorbeeld aan het eind van een dienst of bij een huwelijkssluiting. Maar hoe komt het dat er bijna nooit een vervloeking klinkt?

Uit contacten met beoefenaars van occulte praktijken en aanhangers van andere godsdiensten blijkt dat er soms veel waarde gehecht wordt aan vervloekingen. Men gelooft in de werking van deze zwarte magie, en zelfs dat deze kan doorwerken in de generaties. En aan de andere kant is er ook de witte magie die mensen genezing en voorspoed moet brengen.

We geven aandacht aan dit onderwerp door met name stil te staan bij de eerste Bijbelboeken. Daarbij ligt de nadruk meer op ‘vervloeking’ dan op ‘zegening. Het is van belang te beseffen dat het woord ‘vloek’ in de Bijbel niet hetzelfde betekent als wat er in onze maatschappij meestal onder wordt verstaan: het oneerbiedig en profaan gebruiken van de naam van God.

Een vloek in de Bijbel betekent een vervloeking in de naam van God of andere goden, met de bedoeling dat Gods straf een bepaalde persoon zal treffen. Het lichtvaardig en ongeoorloofd gebruik van de naam van God valt onder het verbod van Ex.20:7, maar wordt met andere woorden omschreven dan ‘vloek’.

Uit de Bijbel wordt duidelijk dat het van groot belang is de zegen van God te ontvangen. Die is nodig voor vruchtbaarheid, voorspoed, bescherming, bevrijding, genezing, bewaring, kracht en om verhoogd en begunstigd te worden. Het ideaal is een gezegend leven; daarentegen is een leven zonder Gods zegen, of een leven onder Gods vervloeking het ergst denkbare (Ps.129:8; Jer.17:5-6; 20:14), want dat betekent hongersnood, ziekte en alle mogelijke tegenslagen, zodat het niet meer mogelijk is om te leven (Deut.28).

Mensen kunnen ook elkaar vervloeken, maar omdat in Israël het eigenlijke subject van de zegen en vloek
de Heer is (Num.6:27; 23:8,26), kan Hij in zijn vrijheid de zegen in een vloek (Mal.2:2) en de vloek in
een zegen veranderen (Deut.23:5 en Neh.13:2).

.

.

De priesterlijke zegen (Num.6)

.

Uit diverse geschiedenissen kunnen we opmaken dat allerlei personen een zegen kunnen en mogen uitspreken. Noach, de aartsvaders, Mozes, Jozua, David en Salomo. Maar in bijzondere mate zijn het de priesters, de zonen van Aäron, die een zegen mogen uitspreken en daarmee de naam van JHWH op het volk leggen (Num.6:22-27). Volgens Deut.10:8 is het één van de hoofdfuncties van de priesters om de Israëlieten te zegenen :

‘Toen zonderde de HERE de stam van de Levieten af om de ark van het verbond des Heren te dragen, voor de Here te staan om Hem te dienen, en in zijn naam te zegenen tot op deze dag.’ De macht van de zegen is direct verbonden met de bereidheid en de macht van God om de zegen te verstrekken.

In 2Kr.30:27 staat :

‘Toen stonden de Levitische priesters op en zegenden het volk, en hun stem werd gehoord; hun gebed kwam tot in zijn heilige woning, tot in de hemel.’

Hier worden zegen en gebed parallel geplaatst en daardoor tot op zekere hoogte gelijkgeschakeld. Het is een spreken vanuit een goddelijke opdracht, waarbij verwacht wordt dat de woorden effect hebben. Daarom staat er ook in het volgende vers dat deze handeling betekent ‘mijn naam op de Israëlieten leggen’ en de belofte ‘en Ik zal hen zegenen’ (vs.27). De vervulling is echter geen automatisme, maar hangt mede af van de gehoorzaamheid van de Israëlieten.

.

Woorden voor zegen en vloek

.

De woorden voor zegen en zegening komen maar liefst 516 keer voor in de Bijbel, terwijl de begrippen
die verband houden met vervloeken 199 keer aangetroffen worden. De laatste categorie is 180 keer aanwezig in het OT, terwijl het NT slechts aan een aantal van 19 komt. Deze getallen vormen een belangrijke aanwijzing voor de belangrijkheid van de woorden die nu onderzocht worden.

Het boek Job gebruikt ‘zegenen’ zeven maal in het raamwerk (hfst. 1, 2 en 42), waarvan vier keer in de betekenis van ‘vervloeken’. De SV vertaalt de uitspraak van de vrouw van Job heel letterlijk met ‘Zegen God en sterf’, terwijl de NV de bedoeling weergeeft met: ‘Zeg God vaarwel en sterf!’ (2:9; vgl. 1:5).

De houding van Job, in het zegenen van God, is een aanzet tot een latere ontwikkeling dat de zegen niet gelijk is aan voorspoed; zegen behoeft het lijden niet uit te sluiten.  Soms heeft de vloek de vorm van een gebed voor goddelijk ingrijpen, zoals in Jer.18:21-23. Tevensmoet er iets zijn bij het slachtoffer, waardoor de vloek geldigheid kan krijgen, want een onverdiende vervloeking werkt niet:

‘Gelijk een mus wegfladdert en een zwaluw heenvliegt, zo is een ongegronde vloek: hij treft geen doel’ (Spr.26:2). Een niet te rechtvaardigen vloek kan zelfs terugkeren op de persoon die hem heeft uitgesproken (Ps.109:17-20).

.

.

 Gods vervloekende uitspraken

.

Zoals reeds aangegeven, is het van belang dat de vervloeking in naam van God uitgesproken wordt. Maar het is ook mogelijk dat God zelf een negatieve, vervloekende uitspraak over iemand doet. De eerste keer dat we dit tegenkomen in de Bijbel, is de uitspraak over de slang die Adam en Eva verleid heeft. De slang krijgt te horen:

‘Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte van het veld’ (Gen.3:14). Het is opmerkelijk dat Adam en Eva wel gestraft, maar niet vervloekt worden. Ze zullen voortaan moeten zwoegen op de aarde die vervloekt wordt en doornen en distels voortbrengt (3:17; vgl. 5:29).

Het feit dat de eerste mensen niet vervloekt worden, is een teken van hoop te midden van alle donkere gebeurtenissen. In het volgende hoofdstuk staat de doodslag van Kaïn op zijn broer Abel beschreven. Als straf krijgt de moordenaar het volgende oordeel te horen:

‘Vervloekt bent u, ver van de bodem die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen’ (4:11).

Maar als Kaïn bezwaar maakt tegen de zware straf, krijgt hij goddelijke bescherming.

‘Ieder, die Kaïn doodt, zal zevenvoudig boeten’ (4:15).

Hoewel het woord hier niet gebruikt wordt, kan deze uitspraak als een voorwaardelijke vloek opgevat worden.

Wanneer later Abram geroepen wordt om naar Kanaän te gaan, krijgt hij van Godswege mee :

‘wie u vervloekt/verwenst, zal Ik vervloeken’ .

In Lev.26 en Deut.28 staan zegeningen en vervloekingen die gekoppeld zijn aan de houding van de Israëlieten tegenover het verbond. Deze uitspraken worden door Mozes in Gods naam gedaan.

.

.

 Mensen vervloeken anderen in Gods naam

.

De eerste keer dat een mens een vervloeking uitspreekt over een ander, is gedocumenteerd in de geschiedenis van Noach. Hij spreekt:

‘Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders’ (9:25).

De latere geschiedenis bevestigt de uitwerking ervan. Isaak zegent zijn beide zonen, en spreekt een vloek uit over wie Jakob zou vervloeken (Gen.27:29; vgl. 12:3). De Filistijn Goliat vervloekt David bij zijn goden (1Sam.17:43). Simi vervloekt David tijdens diens vlucht uit Jeruzalem (2Sam.16:5- 14). Beide verwensingen en vervloekingen blijken echter niet te werken ten opzichte van Gods verkoren koning. Dit is een belangrijke aanwijzing dat zegen en vloek niet magisch werken, maar afhankelijk zijn van goddelijke activiteit.

In het boek Richteren staat beschreven dat de moeder van de leviet Micha een vervloeking heeft uitgesproken over de dief van elfhonderd zilverstukken. Micha heeft die uitspraak gehoord en gaat naar zijn moeder toe om te erkennen dat hij het geld weggenomen heeft. Daarop verandert de moeder de vervloeking in een zegen:

‘Gezegend zij mijn zoon door de HERE’ en zij besluit om het geld voor de dienst van God te besteden, al doet ze dat op haar eigen manier (Ri.17:1-3).

Spr.26:2 geeft aan dat een vloek zonder grond geen schade zal doen (zie par. 3; vgl. ook Ez.13:18-23). Wanneer Israël leeft naar Gods wil, zal Hij beschermen tegen kwade machten en wie Hij zegent, zal gezegend zijn. Dus theoretisch was het mogelijk dat Bileam, een afgodendienaar in het Oude Testament, vervloekingen had uitgesproken die toch geen uitwerking hadden.

Het is onjuist een magische opvatting van vloeken te hebben, waardoor God wel ‘verplicht’ is geweest het uitspreken van deze negatieve woorden te verhinderen. God laat in de geschiedenis van Bileam zien dat Hij regeert, en kwade voornemens kan ombuigen, maar zelfs wanneer de vervloekingen geuit worden, kan Hij zijn volk behoeden. Problemen ontstaan uiteraard als Hij zijn bescherming terugtrekt, gewoonlijk vanwege zonden van de Israëlieten. Dan krijgen kwade machten meer mogelijkheden.

.

 Verbondszegen en -vloek in verbondsteksten

.

Er zijn veel overeenkomsten met zegen- en vloekbepalingen van oude verdragsteksten. De zegen en de vloek worden op mensen gelegd en de verwerkelijking van deze bepalingen is afhankelijk van hun gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Het is duidelijk de God van Israël die de zegen verleent of straft. Wanneer later koning Josia de profetes Chulda om raad vraagt met betrekking tot het gevonden wetboek, zegt zij:

‘Zo zegt de HERE: zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners: al de vervloekingen die geschreven staan in het boek dat men de koning van Juda heeft voorgelezen’ 

De inwoners hebben de wetten overtreden, de inzetting ontdoken en het eeuwig verbond verbroken.
Daarom verslindt een vloek de aarde en moeten haar bewoners boeten (vgl. ook Dan.9:11 en Zach.5:3).
De uitwerking van de vloek betekent hier oordeel en onheil dat mensen treft. Overigens is het na uitvoering van de straf, die zelfs tot ballingschap kan leiden, mogelijk dat het volk tot inkeer komt en dat het weer gezegend wordt. Dit gebeurt op grond van Gods trouw aan zijn verbond met de aartsvaders (Lev.26:40-45 en Deut.30:1-10). De Here zal dan zelfs de vervloekingen op hun vijanden leggen.

.

.

Zegen- en vloekceremonie

.

Mozes geeft opdracht dat Israël in het beloofde land naar de bergen Ebal en Gerizim moet gaan voor een
speciale ceremonie, om hun verantwoordelijkheden te benadrukken. Het volk moet een keuze maken tussen de zegen en de vloek (Deut.11:26-30). Bij de plaats Sichem moeten zes stammen op de berg Gerizim gaan staan om het volk te zegenen en zes op de berg Ebal voor de vloek (Deut.27:11-26). De inhoud ervan wordt niet genoemd, maar wel staan er twaalf vervloekingen die door de Levieten uitgesproken moeten worden.

Het gehele volk moet deze uitspraken beamen. Later leidt Jozua de Israëlieten naar de Ebal en de Gerizim, en daar wordt de ceremonie uitgevoerd (Joz.8:30-35). De twee bergen zijn voor altijd het zichtbare symbool van de twee mogelijkheden die God het volk voorhoudt. Het volk neemt door het uitspreken van ‘amen’ de inhoud van het verbond op zich en spreekt zelf uit dat een vervloeking mag komen wanneer men ongehoorzaam is.

.

Het Nieuwe Testament

.

Jezus spreekt in Mat.25:31-46 over het toekomstige oordeel. Dan zal Hij ‘de gezegenden’ welkom heten en ‘de vervloekten’ van zich stoten. Hun bestemming heeft te maken met de manier waarop ze zich in dit leven opgesteld hebben ten opzichte van zijn minste broeders en daarmee ten opzichte van Hem. De Heiland roept zijn volgelingen op om hun vijanden lief te hebben, te zegenen wie hen vervloeken en te bidden voor hen die smadelijk tegen hen handelen (Luc.6:27-28). De apostelen trekken die lijn door ten
opzichte van vervolgers en kwaaddoeners (Rom. 12:14; 1Pet.3:9).

Maar tegen dwaalleraren met valse leringen en praktijken of mensen onder invloed van een kwade macht (bv. Hand.13:6-12), die het Evangelie tegenwerken en verdraaien, worden wel vervloekingen uitgesproken. In 1Kor.16:22 staat het anathema:

‘Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt’.

.

zegening door het bloed van Christus

Pasteltekening van John Astria

.

Actualiteit

.

Mensen mogen niet zomaar een zegen en vloek uitspreken. In de eerste plaats is van belang in wiens naam (met welk gezag) deze woorden gezegd worden en in de tweede plaats zijn geloof en leven van de ontvanger belangrijk. Wat de zegen betreft: in de eenheid van spreken en aanvaardend luisteren wordt de aanwezigheid van God op de levensweg beloofd. De zegen is met Gods gebod verbonden.

In de actuele discussie over inhoud en zin van zegenhandelingen is het daarom nodig een grens te trekken, omdat eis en belofte niet van elkaar te scheiden zijn. Net zo min als er ‘goedkope genade’ is, is er een ‘goedkope zegen’. Het zegenen van ongeoorloofde oorlogen, en het zegenen van ongeoorloofde relaties is daarom een innerlijke tegenstrijdigheid. Wie een zegen wil ontvangen, zal ook rekening moeten houden met de mogelijkheid van vervloeking. De werking van de zegen en vloek hebben immers alles te maken met de houding tegenover God.

De vloek heeft in de theorie en praktijk van het protestantisme bijna geen betekenis meer, maar de interesse in zegenhandelingen neemt sterk toe. Om magisch misverstand te voorkomen, is de zegen vanaf de 17e eeuw vaak als zegenwens of zegenbede opgevat. Echter, een zegenwens is geen zegen in de eigenlijke zin van het woord, want hij richt zich niet op de medemens maar op God, en wordt niet meegedeeld.

De laatste jaren komt er wel meer belangstelling voor de doorwerking van vloeken die te maken hebben met occulte praktijken. Wanneer mensen de door God gegeven grens overschrijden en zich bezighouden met verboden praktijken (Deut.18:9-14) kan dat een occulte belasting met zich meebrengen. Ook kunnen mensen in de naam van allerlei goden ( demonen ) of van satan een vervloeking over anderen uitspreken. Ook een zelfvervloeking komt voor, bijvoorbeeld in de eden die leden van de Vrijmetselarij zweren; wanneer men uit deze beweging stapt en geheimen verraadt, rusten zelfvervloekingen op hen en hun nageslacht.

In het NT staan geen teksten die de vloek direct verbinden met de opeenvolging van de geslachten, maar het is wel zo dat de zonde van Adam doorwerkt in alle volgende generaties (Rom.5) en dat Paulus bij de heidenen een proces ziet waarin de waarheid in ongerechtigheid ten onder is gehouden, waardoor daar de meest verkeerde handelingen plaatsvinden (Rom.1).

We moeten voorzichtig zijn om de veroordeling ‘tot in het derde en vierde geslacht’ (Ex.20:5; Deut.5:9) en de uitsluiting van zelfs het tiende geslacht (Deut.23:2-3) ongewijzigd over te brengen naar onze tijd, maar de zojuist genoemde gedeelten uit de brief aan de Romeinen en de pastorale praktijk maken wel duidelijk dat er een langdurige doorwerking in de generaties kan plaatsvinden.

Bestudering van de gehele Bijbel leert ons, dat in Genesis (voor de tijd van het verbond aan de Sinaï) en ook in het NT, God zijn normen stelt die zegen met zich meebrengen, maar dat ongehoorzaamheid straf en vervloeking opleveren.

De kern van de zaak is in de gehele Schrift terug te vinden, maar het is waar dat de sterk aards gekleurde zegen en vloek in het NT een andere gedaante krijgen. Daar is het lijden om Christus’ wil, en daarmee
verdrukt worden door een vijand, een erezaak geworden (Mat.5:11). We moeten oppassen om ‘het lijden
van deze tegenwoordige tijd’ (Rom.8:18) niet uitsluitend negatief te zien. God wil voor zijn kinderen alles
laten meewerken ten goede (8:28).

Omdat in het NT het leven na de dood een veel grotere plaats inneemt dan in het OT, komen veel zaken in een ander perspectief te staan. Het NT verscherpt in zekere zin zegen en vloek. Want de onrechtvaardigen zullen niet slechts gestraft worden met honger of ballingschap, maar worden uitgesloten uit het Koninkrijk van God (1Kor.6:9-10).

Terwijl Paulus elders eerst schrijft dat zij die zich door de Geest laten leiden niet onder de wet zijn, voegt hij eraan toe, dat zij die de werken van het vlees doen, zoals onreinheid, toverij, nijd en dronkenschap, het Koninkrijk niet zullen beërven (Gal.5:18-21). Petrus roept op tot een levenswandel van liefde en barmhartigheid, en om geen kwaad met kwaad te vergelden, ‘maar zegent integendeel, omdat u hiertoe geroepen bent, dat u zegen zou beërven’ (1Pet.3:8-9). Een christen zal op deze wijze dus zeker zegen ontvangen.

Wie vertrouwt op God en de geestelijke wapenrusting aandoet (Ef.6), zal veilig zijn tegen de vele vurige pijlen die de boze op ons afvuurt. Dan geldt de belofte van 2Tes.3:3 :

‘Getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze’.

Maar wie zich met verboden zaken inlaat en zondigt, zal daar de negatieve gevolgen van ervaren. Terwijl tot de zondaren gezegd wordt ‘Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler’ klinkt tot de gelovigen:

‘wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’.

De reden daarvoor is, dat Christus spoedig komt en zijn loon bij Hem is, om een ieder te vergelden naar dat zijn werk is (Op.22:11-12). Zegen en vloek komen zo in eeuwigheidsperspectief te staan.

.

.

.

.

Waar was Jozef toen Jezus stierf aan het kruis?

Standaard

Categorie : religie

.

.

Waar was Jozef toen Jezus stierf aan het kruis?

.

.

In de Bijbel lezen we dat Maria (de moeder van Christus), Maria Magdalena en Maria (de vrouw van Kleopas) aanwezig waren aan het kruis. Ook Johannes was  aanwezig, als enige van de apostelen. In ieder geval is Jozef er niet. Over het algemeen wordt aangenomen dat Jozef op dat moment al lang overleden was. We lezen immers enkel over Jozef in de Bijbel in de evangelies over de geboorte en jeugd van Jezus. Zo kunnen we lezen dat hij afstamt van Koning David. Onder zijn bescherming komt de zwangere Maria in Bethlehem terecht, waar ze in een stal bevalt van het kind Jezus.

Jozef zorgt er ook voor dat Jezus niet wordt vermoord door de soldaten van Herodes door met het gezin naar Egypte te vluchten. Hij neemt de beslissing om te vluchten na een droom te hebben ontvangen van een engel. De familie keert pas terug nadat Herodes gestorven is. Jozef wordt in de teksten een laatste keer vermeld in het verhaal over de Heilige familie die Jezus uit het oog verliest en Hem na enkele dagen terugvindt in de tempel van Jeruzalem.

Daarna is het niet alleen stil rond de jeugd van Jezus, maar verdwijnt ook Jozef uit de teksten. Op de bruiloft van Kana, het eerste verhaal in de Bijbel over Jezus als volwassene, lezen we wel dat Jezus op dit feest aanwezig is met Maria, maar Jozef wordt vanaf dan niet meer vermeld. Waarschijnlijk is Jozef dus overleden in de periode hiertussen. Daarbij was hij volgens de traditie omringd door zijn liefdevolle vrouw en Jezus. Omdat de Kerk het als een groot geluk beschouwt te kunnen sterven in hun nabije aanwezigheid, is Jozef dan ook de beschermheilige van de gelukzalige dood geworden.

Het is dan ook voor de Heilige Jozef dat sommige katholieken in het verleden zouden gebeden hebben wanneer ze een slechte paus hadden. Buiten bidden voor een snelle, gelukzalige dood konden ze immers niet anders doen om van een slechte paus af te geraken. Gelukkig is de periode van slechte pausen al lang verleden tijd en hebben we dit soort gebed voor een paus niet meer nodig. Verder is Sint-Jozef ook de beschermheilige van de vaders, het gezin, houtbewerkers, België, de Kerk,… en het lijstje kan zo nog wel even doorgaan. Ondanks zijn schijnbaar kleine rol in de Bijbel is hij dus een heel grote heilige.

Tip: De eerste homilie (preek) van paus Franciscus handelde eveneens over Sint-Jozef en is zeker de moeite om te lezen.

.

.

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

De verloren stammen van Israël

Standaard

 De verloren stammen van Israël

.

.

De profeet Ezechiël

.

Het lot van de verloren tien stammen van Israël staat al tientallen jaren in de belangstelling. Tot ongeveer 1950 was de algemene mening het volgende: In de oorlog tegen de Assyriërs in 722 voor Christus, werd een groot deel van het volk Israël afgeslacht. De overlevenden werden door de Assyriërs in ballingschap gezonden. Zij vermengden zich met de heidenen en verdwenen als herkenbaar volk.

.

.

.

Onderscheiden volksdelen: Israël en Juda!

.

Sommige theologen zien geen onderscheid meer tussen Juda en Israël. Zij zijn van mening, dat het huidige Joodse volk niet alleen uit afstammelingen van Juda en Benjamin bestaat, maar ook uit leden van de andere tien stammen. Dat zou waar kunnen zijn, indien we naar menselijke maat meten. Uit de tien stammen hebben zich in de loop der eeuwen inderdaad beperkte aantallen bij de Joden gevoegd. Ezechiël 37:16 doet daar een verhelderende uitspraak over en uit die tekst blijkt, dat God hen daarom niet meer onder Israël telt, maar bij Juda.

Ook wordt gesteld dat het onderscheid tussen de twaalf stammen al grotendeels is weggevallen door onderlinge huwelijken. Ook dat lijkt een geldig argument. Weer dienen we te zeggen: naar menselijke maat gemeten. De Almachtige blijkt daar anders over te denken. De profeet Ezechiël is daar heel duidelijk over.

.

De profetie voorzegt een terugkeer van Israël

.

De profetieën van Ezechiël spreken over de terugkeer van de tien stammen van Israël in de Eindtijd. We citeren een aantal teksten uit de grondtekst.

Ezechiël 34:12 en 13a

Ik zal hen redden uit elke plaats waarheen zij verstrooid waren; Op de dag van wolken en dikke duisternis (= de oordelen van de Eindtijd). En zal Ik hen uit de naties tevoorschijn brengen.

De tekst spreekt over de Eindtijd. Aangezien de Joden al tientallen jaren bezig zijn terug te keren naar het land Kanaän en de Eindtijd nog niet is aangebroken, kunnen zij dus niet bedoeld zijn. Blijft over dat de tekst over de tien stammen van Israël spreekt. Dat volk is voor ons verborgen, daarom moet het tevoorschijn gebracht worden.

Ezechiël 34:16

De verlorene zal Ik opsporen en het verstrooide zal Ik terugbrengen.

Het Joodse volk (Juda en Benjamin) is nooit verloren geweest. Het is tot op de huidige dag herkenbaar (zoals zo schrijnend bleek bij de holocaust). Het hoeft dus niet opgespoord te worden, het volk Israël wel.

Ezechiël 36:24

Want Ik zal u uit de heidenvolken tevoorschijn brengen en Ik zal u verzamelen uit alle landen en Ik zal u terugbrengen naar uw eigen land.

Ook hier wordt gesproken van een volk, dat in de heidenvolken is opgegaan en daarom eerst zichtbaar gemaakt moet worden.

Ezechiël 37:12

Daarom, profeteer! Dan zult u tot hen zeggen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Zie toch! Ik zal uw graven openen en Ik zal u doen oprijzen uit uw graven, o mijn volk en Ik zal u terugbrengen naar het land van Israël.

Een dood volk herleeft. Weer een verwijzing naar de verdwenen tien stammen van Israël.

Ezechiël 37:16

Wat u betreft, mensenzoon: Neem houten panelen voor u en schrijf op het ene: Voor Juda en voor de kinderen Israëls die hun metgezellen zijn. Neem dan een ander houten paneel en schrijf daarop: Voor Jozef – dat is het houten paneel van Efraïm – en geheel het huis van Israël die zijn metgezellen zijn;

Dit is een heel belangrijke uitspraak. Het spreekt over Juda en degenen van de kinderen Israëls die hun metgezellen zijn. Dat zijn afstammelingen van de overige tien stammen, voorzover zij zich bij Juda (= de Joden) gevoegd hebben. Zij worden onder Juda geteld.

De tien stammen worden hier, onderscheidend, Jozef en Efraïm genoemd. Daarbij worden allen uit geheel het huis van Israël geteld (dus ook uit Juda en Benjamin), die daarbij horen, dus die met hen samenleven. Daarmee is de absolute scheiding tussen Israël en Juda hersteld.

Ezechiël 37:19

Zeg dan tot hen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Ziet! Ik zal het houten paneel van Jozef nemen – dat in de hand van Efraïm is – en de stammen van Israël, zijn metgezellen. Dan zal Ik die bij de ander voegen – het houten paneel van Juda – en Ik zal hen tot één houten paneel maken. Zo zullen zij één worden in mijn hand.

In de Eindtijd worden Juda en Israël weer één. Dat is nog onvervulde profetie.

Ezechiël 37:21

Zeg vervolgens tot hen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Zie Mij aan, die de zonen van Israël oppak van tussen de volken – waarheen zij ook gingen – en Ik zal hen overal vandaan verzamelen en hen terugbrengen naar hun eigen land.

Ook hier het beeld van een volk dat verdwenen is en dat door God zelf opgespoord wordt.

.

Regio Israël en Palestina: 9e eeuw voor Christus

.

Bijbel: Opmerkelijke feiten

.

Sinds de terugkeer van Juda (en Benjamin) is de belangstelling voor het lot van de overige tien stammen sterk gegroeid. Het feit, dat in die terugkeer een aantal profetieën vervuld zullen worden, bracht schriftgetrouwe onderzoekers tot de overtuiging, dat de profetieën over de tien stammen van Israël serieus genomen dienden te worden. Want de Bijbel spreekt ook over hun terugkeer. Die toenemende belangstelling stimuleerde onderzoek en zo kwamen vele feiten aan het licht.

.

De tien stammen van Israël worden langzaam maar zeker zichtbaar

.

Uiteenlopende bevolkingsgroepen worden genoemd als afstammelingen van Israël, of geloven dat zelf. Veel claims zijn volstrekte onzin, echter lang niet alle. Want het staat nu wel vast dat een aantal bevolkingsgroepen inderdaad van Israël afstammen. Joden en/of Israëlieten behoren helaas niet tot de meest geliefde mensen in de wereld en antisemitisme is vandaag een voortdurend toenemend kwaad.

Toch doet het wonderlijke fenomeen zich voor dat een stijgend aantal families, stammen en/of volken er aanspraak op maken, dat zij tot de verloren tien stammen van Israël behoren.

Een aantal door Joodse instanties wordt serieus genomen en onderzocht en sommige van die claims werden al bevestigd. Hier een aantal korte omschrijvingen van mogelijke kandidaten:

1. Lemba Joden

De Lemba wonen in Zuid-Afrika en spreken Bantu. Zij claimen van Israël af te stammen. Genetisch onderzoek heeft dat bevestigd.

2. B’ney Efraïm (kinderen van Efraïm)

Deze worden ook Telugu Joden genoemd. Zij wonen in Andhra Prades, in India, bij de delta van de rivier de Krishna. Ze zijn zo overtuigd van hun afkomst, dat ze Hebreeuws hebben geleerd en zich tot het Judaïsme hebben bekeerd.

3. B’ney Manashe (kinderen van Manasse)

Dit betreft een groep van onbekende grootte (sommigen spreken van 1-2 miljoen), die aan de noordoost grens van Manipur leven, in India en in Noord-Birma. In Birma worden zij de Lusi genoemd, dat betekent ‘de tien stammen’. In hun liederen en gebeden vinden we de naam Manasse veelvuldig terug. Zij zijn ervan overtuigd dat zij tot de stam Manasse behoren. Een deel van de B’ney Manashe heeft zich tot het Judaïsme bekeerd en vereert Jozef als hun stamvader. Zij bezitten geen geschreven geschiedenis. Echter, de overlevering spreekt van een tocht over een rood gekleurde zee (Rode Zee?) en over een wolkkolom, die hen leidde op hun zwerftocht.

4. Beta Israël (huis van Israël)

Dit zijn donkergekleurde Falasha’s van Ethiopische herkomst. De bevolkingsgroep telt ongeveer 120.000 leden. Hoewel een deel van hen in naam christen was, zijn ze vrijwel allen overgegaan naar het Joodse geloof. Zij zijn al als Joden erkend.

5. Igbo Joden

Die vinden we in Nigeria. Ze tellen ongeveer 40.000 leden. Zij spreken naast de landstaal, ook Hebreeuws. De Igbo’s beweren van Gad, Zebulon en Manasse af te stammen. Zij houden zich al eeuwen aan Joodse tradities.

China

In Jesaja 49:12 vinden we de volgende, intrigerende tekst, over de terugkeer van Israël: Zie, dezen komen uit de verte, genen uit het noorden en het westen, weer anderen uit het land Sinim.

Dit laatste woord (Grondtekst: çiynîym) betekent waarschijnlijk China. En ook daar vinden we sterke aanwijzingen dat daar afstammelingen van Israël leven.

6. Chiang Min Joden

Zij wonen in China, aan de grens met Tibet en houden een aantal Joodse religieuze gebruiken in ere. Zij kennen één God (wat heel ongewoon is in die streken) die zij Jawei noemen (Jahweh).

7. Kaifeng Joden

In China, in de Henan provincie, vinden we ook de Kaifeng Joden. Zij houden in hun religie en gebruiken het geloof der vaderen in stand en staan bekend als: De godsdienst die de pees verwijdert. De geschiedenis van de Kaifeng Joden gaat terug tot 1163, toen zij een synagoge bouwden. Volgens de overlevering kwamen zij in 200 v. Chr. vanuit Noord-India naar China en stammen zij af van de Joden, die onder Ezra verbannen werden (Ezra 9).

8. De Pashtun

Dit is een groot volk, want het telt 40-50 miljoen leden. Zij leven in Afghanistan, Pakistan en het noorden van Iran. Een deel van hen heeft waarschijnlijk Israëlische voorouders. Het oude Afghaanse koningshuis (de Mahmad Zei-familie) beweert zelfs van Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van koning Saul, uit Benjamin, af te stammen (2 Samuël 9).

.

.

.Een aantal stamnamen toont een sterke overeenkomst met de tien stammen van Israël. Zoals: Efidi of Ephriti (Efraïm), Rabbani of Rebbani (Ruben) Shinwari (Simeon), Lewani of Levoni (Levi), Daftani (Naftali), de Gaji of Ghagi (Gad) en Ashurai (Aser). Veel Pashtun dragen een amulet met daarop de Hebreeuwse woorden: Shema Yisrael (= Hoor Israël) waarmee de morgen- en avondgebeden van vrome Joden beginnen. Onder de Pashtun-stammen worden zeer veel Joodse namen gevonden, al dan niet verbasterd. De Pashtun houden een groot aantal Joodse gebruiken in stand en passen besnijdenis toe, zoals de Mozaïsche wet voorschrijft, op de achtste dag. Zij werken of koken niet op de Sabbath. En in veel huizen van de Pashtun treffen we de ster van David aan.

.

.

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

Maria Rosa Mistica Fontanelle

Standaard

categorie : religie

.

.

Rosa Mystica

.

De gebeurtenissen van 1947 tot 1960 – Brescia

.

Een vrome groep mensen had, op aanwijzingen van de kerkelijke overheid, een onderkomen geregeld voor Pierina Gilli op een zekere afstand van Montichiari. Zij slaagden erin de zusters Franciscanessen van de Lelie ertoe te bewegen om Pierina op 20 mei 1949 op voorlopige basis op te nemen in hun klooster. Deze voorlopige opvang duurde in werkelijkheid negentien jaren.

.

Montichiari

.

Beloken Pasen 1966 te Fontanelle di Montichiari

.

Op 17 april 1966, op Beloken Pasen, zou de Heilige Maagd aan Pierina verschenen zijn in Fontanelle tussen de vruchtbare akkers van de gemeente Montichiari, dicht bij de oude bron van San Giorgio. Daar zou zij alle zieken hebben uitgenodigd om naar de wonderbaarlijke bron te komen en om barmhartigheid en troost te bidden.

De daarop volgende 13 mei 1966 wenste de H. Maagd dat men de bron de “Bron van Genade” zou noemen en dat tevens een bassin aangelegd zou worden om er al haar kinderen te ontvangen, voornamelijk de zieken.

.

Feest van de H. Sacramentsdag en de Gedaanteverandering van de Heer in 1966 te Fontanelle di Montichiari

.

Op H. Sacramentsdag, 9 juni 1966, zou Rosa Mystica verschenen zijn aan Pierina boven een rijpend korenveld met de wens dat de tarwe ervan voor het Eucharistisch Brood gemaald zou worden voor vele eer herstellende communies. Tijdens het feest van de Gedaanteverandering van de Heer op 6 augustus 1966, zou de H. Maagd gevraagd hebben om op 15 oktober de Wereldbond van Eerherstellende Communies te vieren.

.

Fontanelle-Montichiari

.

De laatste jaren

.

De laatste jaren van haar leven leefde Pierina in nederigheid en verborgenheid. Alle dagen verbleef zij in gehoorzaamheid aan de bepalingen van de kerkelijke autoriteit. Ze bleef iedereen ontvangen in het huisje met haar gebruikelijke vriendelijkheid en bescheidenheid en zolang haar gezondheid het toeliet had ze altijd een goed woord en een suggestie voor iedereen en voornamelijk gebed.

In 1990 was zij, wegens de voortschrijdende ziekte, genoodzaakt gebruik te maken van een rolstoel en pas dan hield ze op de zieken te bezoeken en te troosten. Op 12 januari 1991, na een lange zuivering van lichaam en geest, eindigde haar aardse leven. De begrafenis werd gevierd in de aanwezigheid van een grote menigte van gelovigen en vrienden die haar begeleidden naar de begraafplaats van haar Montichiari.

.

Vervolg van de gebeurtenissen

.

De gebeurtenissen die plaats vonden in de Kathedraal van Montichiari en in het plaatsje Fontanelle, Montichiari, als ook de door Pierina meegedeelde boodschappen, dienen momenteel als een puur persoonlijke ervaring beschouwd te worden. Wat hier ter informatie is vermeld, blijft derhalve onder de exclusieve controle van de Kerkelijke Autoriteit; de uitspraak van de Kerk ten opzichte van de gebeurtenissen is niet in positieve zin gewijzigd door de Heilige Stoel.

In de maand januari 2014 werd de Stichting Rosa Mystica Fontanelle opgericht als een door de Italiaanse wetten erkende stichting van cultus en religie. In overleg met de kerkelijke autoriteit, werd het beheer over de plaatsen van verering te Fontanelle door voornoemde Stichting overgenomen.

.

Kathedraal Montichiara

.

Pierina Gilli (1911 – 1991)

.

Pierina Gilli werd geboren in Montichiari op 3 augustus 1911 als eerste van negen kinderen in een eenvoudige boerenfamilie, dat arm maar heel gelovig was. Zij groeide op geheel toegewijd aan de familie, het werk en het gebed, geduldig het ongemak verdragend van materiële armoede en zwakke gezondheid. Hoewel zij al heel vroeg de wens had zich aan de Heer te wijden als religieuze, bij het door de H. Maria Crocifissa di Rosa in Brescia opgerichte klooster der Dienstmaagden van Liefdadigheid, kon haar wens niet in vervulling gebracht worden wegens de continue en plotselinge ernstige ziektes waarvoor men groot onbegrip toonde.

Rond de dertig jaar onderging Pierina plotseling op intense wijze geestelijke ervaringen met betrekking tot de devotie tot Maria Rosa Mystica, die heden over de hele wereld bekend is geraakt. In dit gelovige getuigenis, ontving zij haar uiteindelijk Kruis, een eindeloos fysiek en moreel leed.

.

Pierina Gilli

.

De gebeurtenissen van 1946 tot 1947

.

In de nacht van 23 en 24 november 1946, op het hoogtepunt van haar ziekte, verklaarde Pierina dat de H. Maria Crocifissa di Rosa haar zou zijn verschenen en haar uitnodigde te kijken naar een plek in de kamer:

“Toen zag ik een wonderschone Dame, zij droeg een violetkleurig kleed en een witte sluier dat van haar hoofd tot de voeten hing, zij hield haar armen open en ik zag dat haar borst in de hartstreek door drie grote zwaarden was doorboord.”

De H. Maria Crocifissa di Rosa zou haar uitgelegd hebben dat de Dame de H. Maagd was, die haar kwam vragen om “gebed, boete en offer” voor drie soorten zonden van de godgewijde zielen:

◆ voor religieuze zielen die hun roeping prijsgeven,
◆ voor boetedoening voor de doodzonden van deze zielen,
◆ voor de verzoening van het verraad van de priesters die zich onwaardig hebben gemaakt het heilige priesterschap uit te oefenen.

De Heilige zou haar de heiliging van priesters hebben aanbevolen door doeltreffende middelen zoals gebed, boete en offer.

.

St. Maria Crocifissa Di Rosa

.

13 juli 1947

.

Pierina verklaart dat de H. Maagd opnieuw verschenen is. Deze keer geheel gehuld in het wit met drie rozen op de borst in plaats van de drie zwaarden, die toen aan haar voeten stonden.

◆ de witte roos betekent: de geest van gebed
◆ de rode roos betekent: de geest van verzoening en offervaardigheid
◆ de gouden (of gele) roos betekent: de geest van boete.

Pierina geeft door dat de H. Maagd gevraagd had elke 13de dag van iedere maand als een Maria-dag te vieren. Aan de 12 voorafgaande dagen moeten boete en bijzondere gebeden van voorbereiding gedaan worden.

.

Pierina Gilli

.

Kathedraal van Montichiari, 1947

.

Op 22 november 1947 zou Rosa Mystica Pierina hebben aangekondigd dat zij op 8 december in de Kathedraal van Montichiari zou verschijnen om het Uur van Genade in te stellen, een uur van boetedoening en gebed, een gebeurtenis van grote en talrijke bekeringen.
Op 7 december zou, volgens de verklaringen van Pierina, de H. Maagd zijn verschenen in gezelschap
van de herdertjes van Fatima, Franciscus en Jacintha, om de toewijding aan haar Onbevlekt Hart te vragen, vooral ten gunste van de godgewijde zielen.
Op 8 december, in de overvolle Kathedraal in Montichiari, zou Pierina een visioen gekregen
hebben van het Onbevlekt Hart van Maria; de H. Maagd zou opnieuw gevraagd hebben het Uur van Genade in te stellen en haar aan te roepen met de titel «Rosa Mystica».

.

medaille

.

 

voorkant : Rosa Mystica

.

achterzijde : Maria, Moeder van de kerk

.

.

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.