Categorie archief: Religie

Het symbool van de regenboog

Standaard

categorie : religie

In vele culturen werd de regenboog beschouwd als een vriendelijk gebaar

van God of de goden aan de mensen

In het christendomvan de middeleeuwen werden de drie hoofdkleuren van de regenboog symbolisch uitgelegd: blauw als de kleur van de zondvloed, rood als de kleur van de wereldbrand en groen als de kleur van de nieuwe aarde. Anderen hebben meer aandacht voor de zeven kleuren en leggen ze uit als de zeven gaven van de Heilige Geest. Soms wordt de regenboog gezien als symbool voor Maria, die de voorspraak is voor de mensen op aarde bij God in de hemel. Zo ontstond de devotie voor Onze Lieve Vrouwe van de Hemelboog (= Iris). Volgens een Spaans voornaamwoordenboek is de vrouwennaam Iris daarvan afkomstig.

In de Bijbel verschijnt er na de zondvloed een regenboog, als teken dat God nooit meer een zondvloed over de aarde zal laten gaan; de regenboog is als het ware zijn handtekening van dit verbond tussen Hem in de hemel en zijn mensen op aarde. In de christelijke kunst wordt Christus vaak afgebeeld als wereldheerser, zittend op de regenboog. De regenboog geldt daar ook als symbool van verzoening tussen God en de mensen.

De Openbaring hoofdstuk 10 ; de blijde boodschap

Pasteltekening van John Astria

In de Islam heeft de regenboog vier basiskleuren: rood, geel, groen en blauw, zinnebeelden van de vier elementen: vuur, aarde, lucht en water.

In het oude China beschouwde men de regenboog als de vereniging van yin en yang. Soms werd de regenboog daar voorgesteld als een slang met een kop aan allebei de uiteinden: de ene zoog het water op uit de noordelijke zee om het via de andere kop in de zuidelijke zee weer uit te spuwen.

In de culturen van Afrika, India en de indianenkomt dit gegeven ook voor: dan stelt men zich de regenboog voor als een draak, symbool van vruchtbaarheid, die zijn dorst lest in de zee. Bij sommige stammen in Afrika ziet men de regenboog ook als brenger of bewaker van schatten. Of als een beschermende arm om de hele aarde!De Inca-indianen hadden een bijzondere verering voor de regenboog. Zij had te maken met de zonnegod. De Inca-vorsten die zich beschouwden als afstammelingen van de zon, beeldden hem af op hun wapens en schilden.

Andere indianen-culturen zien in de regenboog een ladder waarlangs je naar de hemel kunt klimmen.

Hindoes en Boeddhisten geloven dat wie in het stadium van de regenboog aanbelandt, op de drempel staat om het ideaal te bereiken, en op te gaan in de gelukzalige stilte.

In het volksgeloof wordt vaak verteld dat de regenboog rijkdom en voorspoed zal brengen. Waar haar uiteinden de aarde raken zou een pot met goud te vinden zijn.

DE ISLAM IS DE 

TEGENBEWEGING

TEGEN HET WARE CHRISTENDOM

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

Helden of heiligen

Standaard

categorie: religie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Helden of Heiligen

 

De heiligen van de christelijke traditie spreken al millennia tot de verbeelding. Ze passen zich aan, aan tijd en plaats. Ze zijn oud en tegelijk elke keer weer nieuw.

De heiligen van de christelijke traditie lijken in vele opzichten op de postmoderne superhelden van comics en block busters. Ze bezitten bovenmenselijke krachten, staan voor alles wat goed en nobel is in de mens, verlossen de mensheid van grote noden, mensen aanbidden hen als incarnaties van het Goede, enzovoorts. Jezus redt de wereld, zoals Batman dat elke keer weer voor Gotham City doet.

De vergelijking is wel vaker gemaakt: superhelden en popsterren, ze zijn de nieuwe heiligen van onze tijd. Onaantastbaar in status, moreel en esthetisch ver verheven boven de massa, ze vertegenwoordigen alles wat wij zouden willen zijn, machtig, succesvol en vaak rijk.

 

 

 

Helden versus heiligen

 

In het boek The Drama of Christian Ethics geeft theoloog Samuel Wells een aantal verschillende tussen helden en heiligen. Zo wijst Wells erop dat het woord ‘held’ nergens te vinden is in het Nieuwe Testament. Dit in tegenstellingen tot bijvoorbeeld de Griekse mythologie, die zo ongeveer stijf staat van helden zoals Homeros, Achilles, Hercules, enzovoorts. Het woord ‘heilige’ komt 64 keer voor in het Nieuwe Testament. Het bijbels appel zoekt heiligen, geen helden. Wells komt met de volgende verschillen op de proppen.

 

 

 

Het verhaal

 

Wells ziet belangrijke verschillen tussen de verhalen die over de christelijke heiligen (de hagiografieën) worden verteld en de verhalen over de superhelden. De held komt altijd net op tijd te voorschijn om een noodzakelijke ingreep in de gebeurtenissen te plegen waardoor de wereld gered wordt. De heilige is in deze zin niet noodzakelijk. Hij kan onzichtbaar zijn, makkelijk gemist worden, zelfs vergeten. Het verhaal van de held gaat over de held. Het verhaal van de heilige gaat over God. De significantie van helden is direct duidelijk, die van heiligen kan vaak pas in retroperspectief worden gewogen.

 

 

 

Deugden

 

Het heldenepos draait altijd om het verheerlijken van de deugden van de held: zijn kracht, wijsheid, lenigheid, enzovoorts. En het is juist door die speciale krachten die de superheld heeft, dat hij in staat is om beslissend in te grijpen in de gebeurtenissen. En juist dat maakt de superheld tot wat hij is: een held. Een heilige heeft heel vaak geen speciale eigenschappen: van heiligen wordt juist vaak verteld welke negatieve eigenschappen hij of zij heeft. Vaak zijn heiligen niet dapper, slim of heel sterk. Heiligen zijn wel trouw, trouw aan God, zichzelf en hun roeping. Het heldenepos wordt verteld om ons te verheugen in zijn kracht, het verhaal van de heilige om geloof te vieren.

 

 

 

Prototype

 

Het prototype van de superheld is de soldaat: sterk, machtig, strategisch, gewelddadig, stoer. Het prototype van de heilige is de martelaar. De professionele soldaat/superheld ziet vrijwillig zijn eigen dood op het slagveld dagelijks onder ogen. De martelaar moet ook zijn eigen dood onder ogen zien, maar dan zonder ervoor gekozen te hebben en zonder zich te kunnen (willen) verdedigen in een ‘eerlijk’ gevecht.

 

 

 

Eén versus allen

 

De typische superheld is een eenling. In afzondering traint de superheld zijn mentale en fysieke krachten. Hij gaat alleen op pad om misdaad te bestrijden. Politie en dergelijke vermijdt hij liever. Het is one against the World. Hij is de ultieme self-made man, de incarnatie van de American Dream. De heilige staat (meestal) juist in de uitdrukkelijke grotere context van de gelovige gemeenschap (kerk of klooster). Zijn of haar heiligheid ontwikkelt zich in een duidelijke sociale context. Bovendien is de heilige geen self-made man, maar een mens die zich zeer duidelijk bewust is van het begrip ‘genade’. Elke heilige zal zijn deugden beschouwen als genade van God, en niet (alleen) als het resultaat van eigen werken.

 

 

Sportidolen aanbidden de gelddemon

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Gemeenschap

 

Wells wijst erop dat in het Nieuwe Testament in alle vindplaatsen het woord ‘heilige’ altijd in het meervoud voorkomt. De held is slechts een onbereikbaar voorbeeld dat slechts bewondering (bij fans) en afgunst (bij tegenstanders) oproept. De heiligen geven vooral de boodschap dat heiligheid iets is dat in principe voor elke gelovige is weggelegd. In die zin zijn de heiligen democratischer dan de superhelden uit Hollywood.

 

 

 

Christelijke heiligen

 

Vanaf het begin van de christelijke kerk, twee millennia geleden, vereerden de eerste christenen bepaalde gestorven geloofsgenoten, vanwege hun uitzonderlijke positie, vroomheid of heroïsch einde. In eerste instantie komen hier de mensen voor in aanraking die direct met Jezus Christus te maken hebben gehad: de twaalf apostelen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jezus, enzovoorts. Deze ‘heiligen’ van het Nieuwe Testament zijn nooit als zodanig officieel heilig verklaard, maar werden al vanaf de oudste tijd zo beschouwd: hun kennismaking met Jezus was voldoende om hen te beschouwen als voorbeeldfiguren in het geloof.

 

 

 

Waarom doen Heiligen wonderen?

 

Wonderen en tekenen zijn er om de mensen die God niet kennen te

overtuigen

dat Hij bestaat.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De vogels in de Bijbel.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

In de Bijbel worden op talloze plekken verwezen naar vogels, de ene keer in het algemeen en de andere keer zeer specifiek naar een bepaalde vogel, zoals een mus, een arend, een duif of een kraanvogel. 

 

 

Vogels in de bijbel - algemeen: rein/onrein en Gods zorg

 

.

.

 schepping en algemene aanduiding

 

In de Nieuwe Bijbel Vertaling heeft men het vaak over ‘de vogels aan de hemel’. (Psalm 8:9)

In het Bijbelboek Genesis kunnen we lezen dat God op de vijfde dag de vogels maakt:

  • God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag. (1:20-23)

 

 

 

Reine en onreine vogels in de Thora

 

De Thora maakt een onderscheid tussen reine en onreine vogels. Alle vogelsoorten die rein zijn, mogen de Israëlieten eten. De volgende vogels mogen niet gegeten worden:

 

de vale gier;

de lammergier;

de zwarte gier;

de rode wouw;

de verschillende soorten buizerds;

alle soorten kraaien en raven;

de struisvogel;

de velduil;

de bosuil;

alle soorten valken

de steenuil;

de ransuil;

de katuil;

de dwergooruil;

de visarend;

de visuil;

de ooievaar;

de verschillende soorten reigers;

de hop; en

de vleermuis. (Deuteronomium 14:12-18; vgl. Leviticus 11:13-19)

 

 

De visarend / Bron: MinoZig / Wikimedia Commons

 

 

Volgens drs. Ben Hobrink in ‘Moderne wetenschap in de bijbel’, zijn de beschermde vogels vooral belangrijk voor het biologische evenwicht in de natuur. God gaf niet zomaar een willekeurig lijstje met vogels op. Hobrink legt uit dat de beschermde vogels grofweg zijn in te delen in zes groepen of clusters:

  1. Kraaiachtigen – zijn echte alleseters, die hetgeen grote aaseters laten liggen oppeuzelen.
  2. Gieren en wouwen – deze dieren ruimen kadavers op, ze houden het milieu schoon.
  3. Roofvogels en uilen – Pas sinds enkele tientallen jaren weten we hoe belangrijk de bescherming van deze dieren is. Ze voeden zich met schadelijke dieren (ratten en muizen), ze ruimen kadavers op en doen zich te goed aan zwakke dieren.
  4. Ooievaars, reigers, ibissen en roerdompen – naast vis – vooral dode en zieke exemplaren – staan er muizen en sprinkhanen op hun menu.
  5. Bijeneters en hoppen – doen zich onder andere te goed aan sprinkhanen en andere insecten.
  6. Struisvogels – Volgens Hobrink is van deze vogel nog niet bekend waarom de struisvogel beschermd werd, waarschijnlijk omdat het een alleseter is.

 

 

Deze beschermde vogels zijn dus belangrijk voor het biologische evenwicht. Vogels die rein zijn volgens de voorschriften in de Thora, zijn niet belangrijk voor het in stand houden van dit evenwicht; zij eten vis, insecten, waterplanten, kevers, zaden, enz. Het zijn geen opruimers.

 

 

 

Gods zorg voor vogels (dieren) en de mens

 

Jezus wees naar de vogels in de lucht om te laten zien dat God voor deze schepselen zorg draagt:

Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij? (Matteüs 6:26)

Maar de boodschap reikt verder dan dat. Als onze Vader die in de hemel woont voor de vogels zorgt, dan zal Hij toch zeker Zijn kinderen geven wat ze nodig hebben?

Dat de mens van het dier en vogels kan leren, komt ook in het Oude Testament voor:

Vraag het vee hiernaar, het zal je onderrichten, vraag de vogels in de lucht, ze zullen het verkondigen. (Job 12:7)

 

 

Bescherming tegen een demon

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De Mensenzoon heeft geen tehuis

 

Zelfs vogels die een rusteloos bestaan leiden hebben een veilige nest, een thuis, terwijl de Zoon des Mensen geen tehuis heeft:

Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ (Lucas 9:58)

De man aan wie Jezus dit zei, had tegen Jezus gezegd: “Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.” Hij realiseerde zich niet dat al wie Jezus wil navolgen, moet delen in zijn rusteloos bestaan.

 

 

 

Vogelvallen en de vluchtende mens

 

De vogel wordt belaagd door vogelvangers: “… zoals een vogel in het net vliegt en niet merkt dat het hem zijn leven kost.” (Spreuken 7:23)

Of, zoals Prediker het uitdrukt:

“Nooit weet de mens wanneer zijn tijd gekomen is: zoals de vissen verraderlijk worden gevangen door de fuik en de vogels door de val, zo wordt de mens verrast door de verraderlijke tijd, wanneer die als een klapnet op hem valt.” (9:12)

De mens die in het nauw wordt gebracht of vluchtende en opgejaagd is, wordt in de Bijbel diverse keren vergeleken met een vogel:

 

Psalm 11:1

Psalm 124:7

Spreuken 6:5

Spreuken 27:8

Jesaja 16:2

 

 

 

Bloed van vogels, reinigingsritueel en Jezus

 

In het Bijbelboek Leviticus kunnen we lezen dat het bloed van vogels een rol speelt in het reinigingsritueel.

De HEER zei tegen Mozes: ‘Dit zijn de voorschriften die van toepassing zijn wanneer iemand die door huidvraat getroffen is, weer rein kan worden verklaard. Zo iemand moet naar de priester worden gebracht, en de priester moet buiten het kamp onderzoeken of hij van zijn huidvraat genezen is. Als dat zo is, moet de priester opdracht geven om voor degene aan wie de reiniging moet worden voltrokken twee levende, reine vogels te halen, en cederhout, karmozijn en majoraan.

De ene vogel laat hij slachten boven een met bronwater gevulde aarden schaal. De andere, levende vogel moet hij, net als het cederhout, het karmozijn en de majoraan, in het bloed van de boven het bronwater geslachte vogel dopen, en met dat bloed moet hij degene die na zijn huidvraat moet worden gereinigd zevenmaal besprenkelen.

Daarna verklaart hij hem rein. De levende vogel moet hij vrijlaten in het open veld. Degene aan wie de reiniging wordt voltrokken, moet zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren en zich met water wassen. Dan is hij weer rein. Daarna mag hij in het kamp terugkeren, maar hij moet zeven dagen buiten zijn tent blijven. Op de zevende dag moet hij opnieuw al zijn haar afscheren, zijn hoofdhaar, zijn baard en zijn wenkbrauwen. Al zijn haar moet hij afscheren en zijn kleren en zijn lichaam moet hij met water wassen; dan is hij weer rein…’ (14:1-9)

In Marcus 1:40-45 lezen we dat Jezus in Galilea een man van huidvraat (lepra) geneest. Jezus stuurde hem naar de priester om te laten zien dat hij genezen was en het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven te brengen, als getuigenis voor de mensen. Jezus had de man gereinigd en de priester moest hem rein verklaren. Dit stuk laat zien dat Jezus zich aan de wet van God hield. Hij houdt zich aan de voorschriften zoals beschreven staan in Leviticus. Het zegt dat het hier gaat om een echte genezing, want priesters moeten vaststellen en bevestigen. Dit is dan tevens een getuigenis van Jezus’ liefde en goddelijke macht.

 

 

 

 

 

Diep symbolische betekenis

 

Er schuilt een diep symbolische betekenis in het Bijbelgedeelte. De vogel die geslacht wordt en de besprenkeling die daarop zevenmaal volgt:

zeven is het getal van de compleetheid en totaliteit en wijst op de offerdood van Jezus, het bloed van Jezus reinigt ons van alle zonde. (1 Johannes 1:7) Jezus’ offerdood reinigt ons totale wezen.

En dan is daar nog de levende vogel die vrijlaten wordt in het open veld. Die verwijst naar de heilige Geest die in de gedaante van een duif op Jezus neerdaalde, nadat Hij zich had laten dopen. (Lucas 3:22) Na overgave aan Jezus en reiniging van zonde, komt de Heilige Geest over ons met al het goede dat daarbij hoort: “Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God.” (Lees: Romeinen 8:14-17)

 

 

 

 

 

 

Leviticus 14: 1 – 7

Standaard

categorie : religie

.

.

.

.

Leviticus 14: twee vogels-wet op de melaatsheid, huidvraat

.

 In de reinigingswet voor de melaatse zoals beschreven in het Bijbelboek Leviticus, zien we een type of verwijzing naar de dood en de opstanding van Christus. De twee vogels verwijzen naar de dood en de opstanding van de Heer Jezus Christus, gelijk er staat geschreven in Romeinen 4:25: “Hij heeft Jezus voor onze zonden laten sterven en Hem uit de dood laten terugkomen om ons rechtvaardig te verklaren.”

.

.

Leviticus 14: twee vogels - wet op de melaatsheid, huidvraat

.

Zoals beschreven in de Tenach, het Oude Testament, is de wet op de melaatsheid een verwijzing naar de dood en de opstanding van Christus

.

Leviticus 14:1-7

.

De Here gaf Mozes de volgende voorschriften voor iemand die van zijn melaatsheid genezen is verklaard: “De priester zal het kamp verlaten om hem te onderzoeken. Als hij ziet dat de melaatsheid is verdwenen, zal hij vragen om twee levende vogels die mogen worden gegeten, cederhout, scharlaken en hysop om die te gebruiken bij de reinigingsceremonie van de genezene.

De priester zal dan opdracht geven één van de vogels te slachten boven een raderwerken pot waarin zich fris bronwater bevindt. De andere vogel zal, samen met het cederhout, scharlaken en hysop in het bloed van de gedode vogel worden gedoopt. Vervolgens zal de priester zevenmaal bloed sprenkelen over de man die is genezen. Daarna zal hij hem rein verklaren. De levende vogel zal hij in het open veld laten vliegen.

In deze wet schuilt een metaforische verwijzing naar de opstanding en verheerlijking van Christus. Juist dit specifieke element,in het zoenoffer van Christus, is minder duidelijk aanwezig in de offerdienst van het Oude Testament, die zoals we weten vooruitwijst naar het ultieme offer dat Christus bracht aan het kruis. Dat maakt deze verwijzing zo bijzonder. Door het zoenoffer van Christus worden de zonden verzoend en worden mensen verzoend met God.

.

Het ritueel

.

Voor het reinigingsritueel zijn twee levende vogels nodig. Water heeft een helende, genezende en reinigende kracht. Cederhout staat voor duurzaamheid. Hysop die in scheuren van een muur groeit (1 Koningen 4 :33), is een soort huislook waarvan men een kwast kan maken en kan sprenkelen (Exodus 12:12). Met scharlaken wordt de hysop gebundeld, en herinnert aan het bloed (Numeri 19:6).

De ene vogel wordt geslacht boven een pot met levend water, waar vervolgens het bloed invalt. Hiermee verkrijgt men reinigingswater, waarin de andere vogel gedoopt wordt die daarna de onreinheid weg zal dragen. De vogel laat men in het open veld wegvliegen als symbool van de ontkoming aan de dood.

.

Melaatsheid staat voor zonde

.

Melaatsheid is in de Bijbel een type voor zonde, zoals tot uitdrukking komt in het reinigingsritueel door de priester en doordat er een schuldoffer gebracht moet worden (Leviticus 14:12,21). Zonde is het kwaad dat in de mens aanwezig is en zich uit door middel van boze daden. Het afschuwelijke van melaatsheid of huidvraat, beeldde aan Gods volk de door Hem gehate, verfoeilijke zonde uit. De melaatse wordt door het bloed van het offerdier als het ware gereinigd, net zoals de zondaar wordt gereinigd door het bloed van Christus (1 Johannes 1:7).

.

.

Helend bloed aan het kruis

Pasteltekening van John Astria

.

De twee vogels

.

Net zoals de twee bokken op Grote Verzoendag tezamen wijzen op twee aspecten van het ene offer van Christus, zo wijzen de twee vogels in de wet op de melaatsheid ook op het ene offer van Christus, maar op een geheel andere wijze. De twee vogels verwijzen naar de dood en de opstanding van de Heer Jezus Christus, gelijk er staat geschreven in Romeinen 4:25: “Hij heeft Jezus voor onze zonden laten sterven en Hem uit de dood laten terugkomen om ons rechtvaardig te verklaren.”

De vogel die geslacht wordt verwijst naar de plaatsvervangende dood van Christus die voor onze zonden stierf. De tweede vogel die is bedekt met het bloed van de eerste vogel, mag vervolgens in het open veld wegvliegen. Dit verwijst naar de Heer die is opgestaan uit de doden.

 De zondige mens is gereinigd door het bloed van Christus, die plaatsvervangend voor ons aan het kruis stierf en opstond uit de dood. Als Jezus niet zou zijn gestorven, dan zou zijn werk niet volbracht zijn en als Hij niet zou zijn opgestaan uit de doden, dan zou het geloof geen betekenis hebben en zouden onze zonden niet vergeven zijn (1 Korintiërs 15:17).
.
.

Het volkomen offer van Christus

.

In Leviticus 14 vers 7 kunnen we lezen dat de priester zevenmaal bloed sprenkelt over de man die is genezen. Zeven is het getal van de volheid. Het wijst daarmee vooruit op het volkomen offer dat Christus bracht. Het bloed van Christus reinigt ons en heeft de weg tot God de Vader die door de zonde was versperd, weer vrijgemaakt.

.

.

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

Openbaring les 4: Wat is een nieuwe hemel en nieuwe aarde?

Standaard

Categorie: religie

 

 

ACHTERGROND

 

Gelovigen zijn “allen die Zijn verschijning hebben liefgehad” (2 Tim.4:8). Het is niet logisch dat iemand zou beweren Jezus lief te hebben en daarbij niet zou verlangen naar Zijn terugkeer. Daarom is het eind van het boek Openbaring net zo bemoedigend. Gelovigen zijn, zowel in de tijd van Johannes als vandaag de dag, voorbestemd om voor eeuwig met Hem te leven en de verwachting van die gemeenschap met Hem zou hun grootste vreugde moeten zijn. De Gemeente zal nooit bevredigd zijn totdat ze “zonder smet of rimpel of iets dergelijks, heilig en smetteloos” voor God zal staan (Ef.5:27). Tegelijkertijd staat er een andere realiteit te wachten voor degenen die niet verlost zijn. Hun komende eeuwige toestand is net zo echt als die van de verloste mensen. Om die reden geeft Jezus nog een laatste uitnodiging tot berouw in inkeer voor Hij Zijn openbaring doorheen de apostel Johannes afsluit.

 

 

Openbaring hoofdstuk 21: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Openbaring 21:1-8)

 

Bij het openen van het 21ste hoofdstuk zijn alle zondaren uit alle tijden, en satan en zijn demonen, veroordeeld tot de poel van vuur (20:10-15). Nadat God alle goddeloze mensen en engelen verbannen heeft en het huidige universum vernietigd is (20:11), zal God een nieuwe plaats scheppen waar de verlosten en de heilige engelen voor eeuwig kunnen wonen. De openbaring van Christus aan de apostel Johannes is een beschrijving van deze woonplaats. Dat op een dag alles nieuw zal worden gemaakt is om verschillende redenen een bemoedigende boodschap van zekerheid aan de gelovigen, zowel uit de tijd van Johannes als die van vandaag de dag.

Ten eerste zullen gelovigen geroepen worden om met Christus in een glorieuze plaats te wonen. Dit zal een gloednieuwe, nooit eerder geziene weergave zijn van Gods kracht. God schiep de aarde oorspronkelijk als een geschikte woonplaats voor de mensheid. De ingang van de zonde besmette echter de aarde en het universum waardoor God deze uiteindelijk zal vernietigen (20:11). Omdat door dit oordeel de eerste hemel en de eerste aarde heen zullen gaan, moet God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde scheppen. Binnen in deze nieuwe schepping zal er een centrale plaats of hoofdstad zijn.

Deze zal het nieuwe Jeruzalem genoemd worden en zal heel anders zijn dan het Jeruzalem dat Johannes of wijzelf kennen. Het oude Jeruzalem, dat toen Johannes dit visioen kreeg al 25 jaar in puin lag, is ook bevlekt met zonde en maakt daardoor deel uit van de oude schepping. De nieuwe plaats zal een heilige stad zijn voor God, omdat iedereen die er zal wonen heilig zal zijn (20:6). Wanneer God deze nieuwe hemel en nieuwe aarde zal maken zal het nieuwe Jeruzalem uit het heilig universum neerdalen (21:10) en dienen als de eeuwige woonplaats voor alle verlosten. Dat zulk een plaats zal dienen als een huis voor de verlosten, blijkt uit de beschrijving die Johannes geeft over het nieuwe Jeruzalem als zijnde “een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is” (21:2).

Johannes zag een bruid die voor haar man sierlijk is gemaakt, omdat het tijd was voor de voltooiing van alle dingen. Tegen deze tijd zal de Gemeente bewaard zijn in een waar geloof en zij die God vrezen, zich bekeerd hebben van hun zonden en hem in dit leven trouw hebben gevolgd, zullen het voorrecht genieten om voor eeuwig met Hem te mogen leven in het komend leven. Wanneer er een einde zal zijn gekomen aan alle aardse dingen, zal de inleiding van de hemel verwelkomd worden met Gods Gemeente die voor Hem gepresenteerd wordt als een mooie bruid die gereserveerd is voor haar echtgenoot.

In deze nieuwe schepping zal de “de tent (tabernakel) van God” bij de mensen zijn “en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn” (21:3). Dit zal in de verlossingsgeschiedenis een nooit eerder geziene demonstratie zijn van Gods glorieuze aanwezigheid bij Zijn volk. God zal letterlijk Zijn tent opzetten onder het volk. Hij zal niet langer transcendent, op verre afstand van hun wonen. Hier zal de gelovige genieten van volmaakte gemeenschap met God. De onvolmaakte, door zonde gehinderde gemeenschap die gelovigen nu in dit leven hebben met God (1 Joh.1:3) zal dan volkomen, volledig en onbegrensd zijn in de hemel. Daar zullen ze de majesteit van Gods buitengewone bestaan zien en kennen, terwijl ze hun Schepper volmaakt zullen aanbidden.

Gelovigen zouden ook bemoedigd moeten zijn omdat dat de hemel (de nieuwe schepping) dramatisch anders zal zijn dan deze huidige wereld. Dit wordt duidelijk in de omschrijvingen van Johannes. Daar in de hemel zullen de gelovigen ervaren dat God “alle tranen van hun ogen” zal afwissen (21:4). Omdat er “geen verdoemenis” is “voor hen die in Christus Jezus zijn” (Rom.8:1) zal er niets zijn om spijt van te hebben – geen rouw, geen jammerklacht en geen moeite. Hierom zullen zij die bij God wonen niet één traan meer laten in de hemel. De dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn” (21:4). De grootste vloek in het menselijk bestaan zal er niet meer zijn! “De dood is verslonden” beloofde Paulus (1 Kor.15:54).

Zowel satan, die de macht had over de dood (Heb.2:14) als de dood zelf, zullen in de poel van vuur geworpen worden (20:10, 14). Deze volmaakte heiligheid en afwezigheid van zonde die de hemel zullen kenmerken, vertalen zich in een wereld die vrij is van alle pijn, verdriet en gejammer. Al deze veranderingen die de nieuwe hemel en nieuwe aarde zullen kenmerken, geven aan dat “de eerste dingen zijn voorbijgegaan” (21:4). De oude menselijke ervaring die betrekking heeft op de gevallen schepping is voor eeuwig voorbij samen met alle rouw, leed, verdriet, ziekte, pijn en dood die de zondeval kenmerkte. Christus zal in die dagen wonderbaarlijk “alle dingen nieuw” maken (21:5).

 

 

De inwoners van de nieuwe hemel

en de nieuwe aarde (Openbaring 21:6-8; 22-27)

 

De gehele geschiedenis is gegroeid naar dat goddelijk moment waarin alles nieuw wordt gemaakt. Bij haar voltooiing zal alles volbracht zijn. Daarom zei de majestueuze stem van Degene die op de troon in de hemel zit tegen Johannes: “Het is geschied” (21:6). God begon de geschiedenis en Hij zal die voleindigen en alles ervan verloopt volgens Zijn plan. Zij die zullen wonen in de nieuwe hemel en nieuwe aarde worden met twee zinnen hier in hoofdstuk 21 beschreven. Als eerste wordt een inwoner van de hemel omschreven als iemand die “dorst heeft” (21:6). Zij zullen “hongeren en dorsten naar de gerechtigheid” (Matt.5:6).

De belofte aan de oprechte zoeker is dat zijn dorst bevredigd zal worden. God zal “voor niets te drinken geven uit de bron van het water des levens” (21:6). Doorheen de Bijbel symboliseert dit water het eeuwige leven (Joh.4:34-14; 7:37-38; Op.22:17). Zij die dorsten en oprecht zoeken naar verlossing zijn degenen die het zullen ontvangen en de eeuwige hemelse gelukzaligheid zullen genieten.

Ten tweede behoort de hemel ook aan “wie overwint” (21:7). Deze overwinnaars zullen zij zijn die gedurende dit leven trouw hun reddend geloof in de Here Jezus Christus hebben versterkt. Overwinnend en volhard in het geloof zullen deze personen “alles beërven” (21:7). Zij zullen “een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkbare erfenis, die in de hemelen bewaard wordt” ontvangen (1 Pet.1:4).

Ze zullen in de gelukzaligheid van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde voor altijd genieten van een volmaakte ziel (Heb.12:23) en volmaakt lichaam (20:6; Rom.8:23; 1 Kor.15:34-44; 2 Kor.5:2; Fil.3:21). Maar het meest geweldige voor degene die overwinnen en dorsten naar rechtvaardigheid is Gods belofte: “Ik zal voor hem een God zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn” (21:7). Ondanks dat de gelovige in dit leven al het voorrecht geniet om geadopteerd te zijn als Gods zoon, zal het pas bij het binnengaan van de hemel de volledige werkelijkheid van deze adoptie ervaren (Joh.1:12; Rom.8:14-17; 2 Kor.6:18; Gal.4:5; Ef.1:5).

Zij die het eeuwig geluk zal ontzegd worden, worden omschreven als “de lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars” (21:8). Degenen wiens leven gekenmerkt wordt door zulke dingen geven blijk dat zij niet gered zijn en nooit de hemelse stad zullen betreden. ”Hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt. Dit is de tweede dood” (21:8). In contrast met de eeuwige gelukzaligheid van de rechtvaardigen in de hemel zullen de zondaars voor eeuwig gekweld worden in de hel. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde staan enkel gelovigen te wachten, terwijl de uiteindelijke hel al de verrezen ongelovigen te wachten staat. Daarom bepalen de tegenwoordige keuzes van mannen en vrouwen in welke plaats ze voor eeuwig zullen leven.

 

 

De glorie van het nieuwe Jeruzalem (Openbaring 21:22-27)

 

Eenmaal in de nieuwe hemel en aarde zullen de verlosten onmiddellijk met glorieus ontzag staan in de nieuwe stad Jeruzalem. Daarbinnen in de stad zal er “geen tempel” zijn, want “de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam” (21:22). De goddelijke aanwezigheid zal de gehele nieuwe hemel doordringen en nergens begrensd zijn tot één plaats. Daarom zullen gelovigen nooit naar een ander huis moeten gaan om te bidden. Tot in de eeuwigheid zullen gelovigen voortdurend in de aanwezigheid van God zijn. Nooit zal er een moment zijn dat ze niet in de volmaakte heilige aanwezigheid van “de almachtige God en het Lam” leven (21:22). Het leven van de gelovigen zal louter bestaan uit aanbidding van God.

Al deze aanbidding zal in Gods glorie gebeuren. Anders dan deze aarde, die volledig afhankelijk is van de zon en de maan, zal de nieuwe hemel en nieuwe aarde niet afhankelijk zijn van zulk licht. De zon en de maan zullen niet nodig zijn om licht te voorzien, “want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar lamp” (21:23). Onder zulk licht zullen alle gelovigen uit elke taal, stam en natie samengebracht worden – zowel Joden als heidenen (21:24). Al de verlosten zullen verenigd worden als Gods volk waarbij eenieder gelijkwaardig is in de eeuwige hoofdstad.

Zulk een gelijkwaardigheid onder de verlosten zal ook ervaren worden in complete veiligheid. Er zal in de eeuwigheid geen nacht meer zijn en de poorten van Jeruzalem zullen nooit meer gesloten moeten worden (21:25). Het zal een plaats van rust, veiligheid en verfrissing zijn waar Gods volk zal “rusten van hun inspanningen” (14:13). Ook zal alles in de hemel heilig zijn. Er zal in het nieuwe Jeruzalem dus niets onrein zijn en “ook niemand die zich bezighoudt met gruwelen en leugens” (21:27). De enigen die daar zullen verblijven zijn degenen wiens naam in het boek des levens geschreven staan.

 

 

Openbaring hoofdstuk 22: de Alfa en de Omega

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De laatste uitnodiging (Openbaring 22:12-17)

 

De hemel zal slechts een selecte groep mensen huisvesten. Enkel de verlosten zullen dit beërven en voor eeuwig met God regeren. En omdat Christus geduldig is en niet wil dat er niemand verloren gaat (2 Pet.3:9) verlangt Hij ernaar om de ongelovigen hier in de verzen 12-17 nog een laatste oproep tot berouw en inkeer te geven. De volledige canon van de Bijbel eindigt daarom op dit punt met een dringende oproep voor zondaren om tot Jezus Christus te komen en voor het te laat is de vrije gift van eeuwig leven te ontvangen. Want Christus komt spoedig (22:12) en wanneer Hij komt zal het zijn als een dief in de nacht (2Pet. 3:10). Voor de verlosten is dit een grote bemoediging. “De Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde” zal komen met beloningen in Zijn hand “om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn” (22:12-13).

Iedere gelovige zal door trouw aan Christus eeuwige beloningen ontvangen. De beloningen waar de gelovigen van zullen mogen genieten in de hemel, bestaan uit de mogelijkheden om God te dienen. Dus hoe groter hun trouw is geweest in dit leven, hoe meer mogelijkheden ze zullen krijgen om God in de hemel te dienen (cf. Matt.25:14-30). Wat een vreugdevolle gelegenheid zal dat zijn. De verlosten zullen voor eeuwig gezegend worden en een volledige en voor altijddurende toegang hebben tot God. Wanneer ze door de poorten van het nieuwe Jeruzalem willen gaan, zullen ze dat eender wanneer kunnen doen en wanneer ze van de boom des levens willen nemen zullen ze dat dus kunnen doen wanneer ze maar willen (22:14).

Al deze personen zullen op zulk een wijze gezegend worden, omdat God hun gehoorzaam tot aan het eind heeft bevonden, gewassen en gereinigd door het bloed van Christus (1:5; 5:9; 7:14). Dat zulk een glorieuze toestand staat te wachten op de terugkeer van Christus is de reden waarom de Geest en de bruid (de Gemeente) zeggen, “Kom!” (22:17). Beiden zien ze uit naar de terugkeer van Christus om de verlosten te verzamelen. De Gemeente wordt vermoeid door de strijd tegen zonde en verlangt er, samen met de Geest, naar om Jezus Christus verheerlijkt, verhoogd en geëerd te zien worden. Zoals men kan zien is de hemel erg exclusief en huisvest ze enkel degenen die gereinigd zijn van hun zonden door geloof in Jezus Christus. Daarentegen zullen alle anderen buiten het nieuwe Jeruzalem in de poel van vuur verblijven (20:15; 21:8). Omdat “wat onrein is” niet de mogelijkheid zal hebben om in te komen zullen “alleen zij die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam” het voorrecht gegeven worden om het nieuwe Jeruzalem toe te treden (21:27).

De personen die buitengesloten zullen worden beschrijft Christus als honden en worden verder omschreven als “de tovenaars, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet” (22:15). Iemand die een van deze zonden liefheeft en herhaaldelijk een van deze zonden doet, koppig eraan vastklampt en Christus’ uitnodiging tot verlossing afslaat, zal in de poel van vuur geworpen worden. Toch laat Christus Zijn schepping niet los. De zin: “Laat hij die het hoort, zeggen: Kom!” nodigt al degenen die de Geest en de bruid horen uit om hen te vergezellen in hun verlangen naar Christus’ terugkeer. Degene die met geloof hoort en vertrouwd is degene die gered zal worden.

Door hun gehoorzaamheid aan het Evangelie zullen zij die zich bekeren samen met de Geest en de bruid, omdat ze verlangen naar Zijn glorie – en hun eigen verlossing van zonden – in een volmaakte heilige omgeving, uitzien naar Christus’ terugkeer. Aan degenen die de oproep van Christus gehoorzamen, dorsten naar vergeving en zich bekeren van hun zonden biedt Christus “voor niets” “het water des levens” aan (22:17). Dit eeuwig leven wordt vrij aangeboden aan al degenen die horen en geloven dat Jezus de prijs voor hun zonden betaalde door Zijn opofferende dood aan het kruis (Rom.3:24).

 

Conclusie

 

Dat Christus spoedig zal terugkeren, is een uiterst zekere waarheid. Ondanks dat “de hemel en de aarde zullen voorbijgaan” zal Gods Woord “beslist niet voorbijgaan” (Luk.21:33). Of de mensen nu wel of niet deze komende realiteit begrijpen en geloven, toch zal ze gaan gebeuren omdat deze woorden “betrouwbaar en waarachtig” zijn (22:6). Voor degenen die Gods geboden bewaren, overwinnen en trouw blijven tot aan het eind ligt er een eeuwige onbeschrijflijke beloning te wachten in de hemel. Anderzijds zullen zij die geen aandacht geven aan Christus’ uitnodiging tot berouw en inkeer buitengesloten worden van het nieuwe Jeruzalem en daardoor dus ook voor eeuwig de aanwezigheid van God missen. Daarom zou iedere gelovige ernaar moeten streven om iedere dag godvruchtig te leven en voortdurend bemoedigd te zijn door Christus’ belofte: “zie, Ik kom spoedig” (22:12).

 

 

BEGELEIDENDE VRAGEN

 

 Wat moest Christus nog doen met betrekking tot de eindtijd?

 

Als de les begint, zullen alle zondaren van alle tijden, als wel satan en zijn demonen, veroordeelt zijn naar de poel van vuur (20:10-15). Na alle goddeloze mensen en engelen verwijderd te hebben en het huidige universum vernietigd (20:11), is alles wat nog gedaan moet worden door God, het maken van een nieuwe plaats voor Zijn kinderen en de heilige engelen om voor eeuwig te wonen. Christus’ openbaring aan de apostel Johannes is een beschrijving van zulk een woonplaats. Deze plaats zal gekend worden als de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

 

 

 Waarom wordt het nieuwe Jeruzalem de heilige stad genoemd?

 

Wanneer God deze nieuwe hemel en de nieuwe aarde maakt, zal een nieuw Jeruzalem in het midden van dat heilige universum neerdalen (21:10) en dienen als een woonplaats voor degene die in alle eeuwigheid verlost zijn. Niet als het oude Jeruzalem van vandaag, die besmet is door zonde als de rest van de wereld, zal die nieuwe Jeruzalem een heilige stad voor God zijn, omdat iedereen die er in leeft heilig zal zijn (20:6). Alles wat schoongewassen is of nieuw gemaakt is, zal toegestaan worden in de nieuwe schepping te blijven. Aangezien niets dat onrein is toegestaan zal worden om binnen te gaan, zal de gehele hemel volmaakt heilig zijn.

 

 

 Wie zal er in de nieuwe hemel en nieuwe aarde mogen wonen?

 

Als God de nieuwe schepping maakt en de huidige schepping tot een einde brengt, zullen alleen degene die trouw op het evangelie gereageerd hebben binnen mogen gaan. Aan het einde van Openbaring verwijst Christus naar deze individuen als degene die dorst hadden en overwonnen hebben. Degene die hun hopeloosheid en verloren toestand apart van Christus realiseren, hongeren naar de rechtvaardigheid die alleen door Hem voorzien wordt, zullen met eeuwig leven gezegend worden. God zal hen vinden met berouw over hun zonden, God vrezende en trouw Hem tijdens dit leven volgende. Omdat ze vol passie verlossing zoeken en bewijzen loyaal aan Gods Zoon te zijn, zullen ze de eeuwige zegen van de hemel ontvangen.

 

 

 Hoe zal de relatie van de gelovige met God in de nieuwe schepping zijn?

 

Het zal een zegen zijn om in de hemel te mogen zijn, omdat gelovigen steeds in de aanwezigheid van God zullen zijn. Er zal geen moment zijn dat ze niet in een volmaakt heilige relatie staan met de “de Heere, de almachtige God, en het Lam” (21:22). De “tent van God” zal “bij de mensen” zijn, “en zij zullen Zijn volk zijn” en Hij zal “hun God zijn” (21:3). God zal letterlijk Zijn tent onder Zijn mensen opzetten; Hij zal niet langer ver weg zijn. Hier zal de gelovige in staat zijn van om volmaakte gemeenschap met God te genieten.

 

 

 Hoe zal de nieuwe hemel en de nieuwe aarde anders zijn van deze huidige aarde?

 

Gelovigen zouden ook bemoedigd moeten zijn door het feit dat de hemel enorm zal verschillen met de huidige wereld. Christus zal in die dagen “alle dingen nieuw” maken (21:5). Hij zal alle tranen afwissen, omdat er niets is waarvoor we bang moeten zijn of spijt van zullen hebben. Alles zal volmaakt gemaakt worden en de wereld zal volledig vrij van zonde zijn. Omdat satan en de dood in de poel van vuur geworpen waren (20:10, 14), zal de wereld vrij van alle pijn, leed en huilen zijn.

 

 

 Wie zal er niet de nieuwe hemel en de nieuwe aarde binnen mogen gaan?

 

Degene die afgewezen worden om van dit heelal van eeuwige blijdschap te genieten, worden hier beschreven als de “lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars” (21:8). Hun levens die zo gekenmerkt werden met zulk een herhaaldelijke zonde, geeft bewijs dat ze niet verlost zijn en nooit de hemelse stad zullen binnengaan. Integendeel, “hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt. Dit is de tweede dood” (21:8). In tegenstelling tot de eeuwige zaligheid van de gerechtigheid in de hemel, zullen de goddelozen eeuwige kwelling in de hel te verdragen hebben.

 

 

 Hoe zal aanbidding zijn in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde?

 

Omdat ze in Gods aanwezigheid blijven, zal alle aanbidding ook voortdurend gedaan worden in het stralende licht van Gods heerlijkheid. Niet zoals de huidige aarde, zal de nieuwe hemel en de nieuwe aarde geen nood hebben aan licht van de zon en de maan. Zulk een licht zal niet nodig zijn, omdat de heerlijkheid van God het nieuwe Jeruzalem zal verlichten en zijn lamp zal het Lam zijn (21:23). Onder dat licht zullen alle verlosten verenigd zijn als Gods kinderen, waarbij iedereen volledig gelijk is en van volledige rust en veiligheid kan genieten. Daar zullen zij de grote majesteit van Gods wonderlijk wezen zien en kennen, terwijl zij volmaakt aanbidden en hun Maker dienen.

 

 

 Waarom is de komst van Christus bemoedigend voor de gelovige?

 

Voor degene die ware gelovigen zijn is dit bemoedigend. “De Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde,” komt met een beloning in de hand, gereed om “aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn” (22:12-13). Iedere gelovige zal eeuwige beloningen gegeven worden, gebaseerd op hun trouw in het dienen van Christus in hun leven. Zulke individuen zullen op deze manier gezegend worden, omdat God hen gehoorzaam achtte tot het einde, schoongewassen door het bloed van Christus (1:5; 5:9; 7:14).

 

 

 Waarom wilden de Geest en de Bruid Christus verlangend uitnodigen om te komen?

 

Dat zo een glorieuze staat wacht op de komst van Christus, is waarom de Geest als de Bruid (welke de kerk is) roepen, “Kom!” (22:17). Beide verwelkomen de gedachte van Christus’ terugkomst om degene te verzamelen die hun vertrouwen op Hem gesteld hebben. De gemeente wordt moe van de strijd tegen de zonde en verlangd, met de Geest, om Christus verhoogt, verheerlijkt en geëerd te zien.

 

 

 Wat biedt Christus aan degene die zich aansluiten bij de

Geest en de Bruid en wachten op Zijn komst?

 

Aan degene die gehoorzaam zijn aan Christus roeping, dorsten naar vergeving en bekeren van hun zonden, biedt Christus het “het water des levens” aan (22:17). Doorheen de hele Schrift symboliseert het water eeuwig leven (Joh.4:14-34; 7:37-38; Op.22:17). Daarom is degene die in geloof hoort en gelooft, degene die verlost zal zijn. Dit eeuwig leven wordt vrij aangeboden aan degene die hoort en gelooft, omdat Jezus de prijst betaald heeft door Zijn offerdood aan het kruis (Rom. 3:24).

 

 

SAMENVATTING

 

Eens zal onze wereld er niet meer zijn, en de sterren die we ’s nachts zien zullen niet langer aan de hemel staan. Ook de maan niet. Vanwege de zonde zal God deze wereld vernietigen, samen met de hemelen. In plaats daarvan zal God nieuwe hemelen en een nieuwe aarde scheppen. God zal een stad scheppen die het nieuwe Jeruzalem zal heten. God is deze stad voor alle gelovigen aan het voorbereiden, om op een dag er in te leven en er van te genieten. Omdat er niet langer zonde zal zijn, zal er geen gevolgen van zonde meer zijn. Op deze nieuwe aarde zal er geen geween meer zijn, noch dood of pijn. We zullen ons niet langer zorgen hoeven maken dat mensen onze dingen willen stelen of onze familie pijn willen doen. God zal de volmaakte leider zijn van Zijn kinderen. En Gods kinderen zullen volmaakte volgelingen zijn. Maar een ieder die niet voor zijn sterven zijn vertrouwen op Christus stelde, zullen niet de nieuwe hemel en de nieuwe aarde binnengaan, noch het nieuwe Jeruzalem. In plaats daarvan zullen ze voor eeuwig in de poel van vuur gedaan worden.

Er zijn gevolgen voor zonde. Er zijn ook beloningen voor gehoorzaamheid en geloof waarvan gelovigen eens zullen genieten. Vanwege de zonde van Adam, heeft de mensheid geleefd met de gevolgen van Adams zonde. De straf voor die zonde is de dood en eeuwige scheiding van God. Degene die zich niet aan God heeft onderworpen en zijn vertrouwen op Christus gesteld heeft, zullen nooit een kans hebben om hun gedachten te veranderen. Zij zullen voor eeuwig in de hel zijn. Terwijl degene die in het werk van Christus vertrouwd hebben en hun leven aan Hem hebben onderworpen, de wonderbaarlijke zegen zullen hebben van eeuwig bij God in de hemel te zijn. Wanneer gelovigen op een dag het nieuwe Jeruzalem zullen binnengaan om eeuwig bij God te zijn, zal Gods volmaakte plan van verlossing volbracht zijn.

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Het Angelus

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Het angelus (voluit Angelus Domini; Nederlands de Engel des Heren) is een katholiek gebed dat van oudsher driemaal daags gebeden wordt: om zes uur ’s morgens, twaalf uur ’s middags en zes uur ’s avonds. Waar voorheen de gelovigen hun werkzaamheden stopten om te bidden is dit gebruik grotendeels in onbruik geraakt.

 

 

Christus, de Engel des Heren

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Het gebed wordt aangekondigd door het luiden van een kleine klok, het angelusklokje. Hierbij worden drie slagen op de klok gegeven waarna een aanroep met Weesgegroet Maria wordt gebeden. Nog tweemaal volgen drie slagen op de klok met een nieuwe aanroep en Weesgegroet. Ten slotte wordt de klok gedurende twee minuten geluid en wordt een afsluitend gebed gebeden.

De benaming ‘angelus’ is afgeleid van de Latijnse beginwoorden ‘Angelus Domini nuntiavit Mariae’ (‘De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt’). In zijn huidige vorm bestaat het angelus sinds 1571. In de Paastijd wordt het angelus vervangen door het regina coeli.

Sinds paus Johannes XXIII bestaat het gebruik dat de paus iedere zondag, om 12 uur ’s middags, voorgaat in het angelusgebed. Dat doet hij vanuit het raam van zijn appartement in het Apostolisch Paleis. ’s Zomers doet hij dat vanuit het raam van zijn studeerkamer in Castel Gandolfo. Na het angelus spreekt de paus een kort stichtelijk woord en begroet de pelgrims.

 

 

Angelusklok luidt

 

 

 

         Latijnse tekst

 

    • Angelus Domini nuntiavit Mariae

 

    • Et concepit de spiritu sancto
    • .Ave Maria, Gratia plena,

 

    • Dominus tecum.

 

    • Benedicta tu in mulieribus

 

    et benedictus Fructus ventris tui, Iesus.
    • Sancta Maria, Mater Dei,

 

    • Ora pro nobis peccatoribus

 

    • Nunc et in hora mortis nostrae. Amen.Ecce, Ancilla Domini.

 

    • Fiat mihi secundum verbum Tuum.Ave Maria…Et Verbum caro factum est

 

    • Et habitavit in nobis.Ave Maria…Ora pro nobis, Sancta Dei Genetrix,ut digni efficiamur promissionibus Christi.Oremus. Gratiam Tuam, quaesumus, Domine, mentibus nostris infunde,ut, qui angelo nuntiante, Christi, Filii Tui, incarnationem cognovimus,per

 

passionem eius et

 

crucem ad resurrectionis

 

    gloriam perducamur.Per eundem Christum, Dominum nostrum.Amen.

 

 

 

              Nederlandse tekst

 

    De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt,En ze heeft ontvangen van de Heilige Geest.

Wees gegroet, Maria…

    Zie de Dienstmaagd des Heren,Mij geschiede naar Uw woord.

Wees gegroet, Maria…

    En het Woord is vlees geworden;En Het heeft onder ons gewoond.

Wees gegroet, Maria…

    Bid voor ons, Heilige Moeder van God,Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
    Laat ons bidden.Heer, wij hebben door de boodschap van de Engel de menswording van Christus uw Zoon leren kennen;Wij bidden U, stort Uw genade in onze harten,Opdat wij door Zijn lijden en kruis gebracht worden tot de heerlijkheid van de verrijzenis.Door Christus, onze Heer.
    • Amen.

 

 

 

Engel des Heren

 

 

 

Bode van God

 

De Engel des Heren in het Oude Testament is de eeuwige Christus zelf. We kunnen ook vertalen: bode van de Here.

We lezen van Mozes in Ex. 3: 2 : Daar verscheen hem de Engel des Heren als een vuurvlam midden uit een brandende braamstruik.

 

 

 

Braamstruik verteert niet

 

Opvallend is dat de bremstruik niet verteerd wordt. Het vuur manifesteert de Heilige die al wat zondig is verteert. De bremstruik is Gods heilig volk.

Gods presentie betekent oordeel.

Gods vlammen slaan door zijn eigen volk. Er moet heel wat worden weggebrand.

Toch is de braam groen gebleven. God is een verterend vuur, maar toch genadig.

De God van Abraham Izaäk en Jakob openbaart zich hier als Jahweh: ik ben die Ik ben. De beste vertaling is de Getrouwe. Het brandend braambos is Christus symbool.

Voor Vaders eigen zoon werd Vaders minnevuur tot hellebrand.

Het is in Exodus 3 geen beeld van de ruimte van de kerk, een stralingsveld, waarvan je niet kunt zeggen waar de grens is. Integendeel het vuur heeft hier een doorlichtende functie.

 

 

 

God als een meervoud

 

Het vuur heeft in Exodus een openbaringskarakter. God openbaart zich als Elohim. Dit Hebreeuwse woord is een meervoud waarin je de Levensstroom hoort klotsen.

De Engel des Heren zegt vervolgens :  ‘Kom niet dichterbij, doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop ge staat is heilige grond’.

Toen verborg Mozes zijn gelaat want hij vreesde God te aanschouwen.

Het vuur van de brandende braamstruik veronderstelt niet ruimte, gezelligheid maar eerbied en distantie-besef.

Het Bijbelse beeld van ruimte in de kerk is niet het kampvuur, maar het in Christus zijn. Dat is ook de bodem waarin we geworteld zijn.

 

 

 

 

.

Ook in Zacharia

 

Ook in het boek Zacharia kom je de Engel des Heren tegen.

Zacharia 3: 1 > ‘Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande vóór de Engel van Jahweh, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. Jozua nu had vuile kleren aan terwijl hij voor de Engel stond’.

Hier is duidelijk dat deze Engel geen gewone engel is. Welke engel zal kunnen zeggen ‘Hierbij reinig ik je van alle ongerechtigheid’ ? Dit is Christus in eigen Persoon.

Die vuile kleren van Jozua kon Hij niet achteloos aan de kant gooien, Hij moest ze zelf aantrekken wat Hij gedaan heeft op Golgotha.

En toen satan Jezus erom aanklaagde, was er niemand die het voor Hem opnam. Ondertussen liep Jozua allang in feestgewaad.

 

 

Feestkleed cadeau

 

Op zijn beurt ontvangt Jozua dan een feestelijk gewaad. Hier zie je ook de gedachte van de eeuwige ruil, waarover Augustinus schreef: Christus zegt: geef mij van wat van u is, Ik geef u wat van Mij is.

 

De kerk is ontstaan uit Joodse schokeffecten bij de opstanding van Jezus. De ongelovige Thomas was er helemaal onderste boven van. Als hij Jezus de verrezene ontmoet , kan hij alleen maar uitbrengen “Mijn Here en mijn God.”

Uit de vroegste brieven van Paulus die dateren rond het jaar 50, blijkt dat allerlei vormen van verering van Jezus al zijn ingeburgerd en dat zijn naam wordt uitgesproken bij de doop. De vroeg-christelijke hymnen die we in de teksten ontdekten, prijzen Jezus als God.

Vanaf het vroegste begin van de christenheid wordt Jezus al als God aanbeden. Jezus is ook niet geschapen als de engelen, luidt de kerkelijke belijdenis, maar gegenereerd, voortkomen uit de Vader. God is niet denkbaar zonder Jezus Christus. God heeft nooit geleefd zonder Hem.

Als we in Christus God zelf niet ontmoeten, kennen we God niet werkelijk. Zonder Christus denken we dat God in wezen zo is als wij, dat het Hem om macht gaat. Buiten Christus kunnen we God niet kennen. We kunnen zeggen “Als Christus niet helemaal God is, is Hij helemaal niet God.

 

 

Christus is helemaal God of Hij is het helemaal niet.

 

Als Christus niet helemaal God is, worden we niet door God verlost.

 

de ware- en de valse Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

 

 

 

De nieuwe rol van Maria.

Standaard

Categorie : religie

.

.

Hoe het begon

 

Laat ik mezelf aan u voorstellen. Ik ben mgr. John Esseff, priester uit het bisdom Scranton, Pensylvania, gewijd in het jaar 1953. In 1959 werd pater Pio mijn geestelijk leidsman. Ik ben bevoorrecht om geestelijk leider te mogen zijn van honderden zielen op alle niveaus van het geestelijk leven. Sommigen zijn beginnelingen, anderen zijn gevorderden en sommigen zijn mystici.

.

Msgr John Esseff

 

Al vele jaren ben ik geestelijk leider van een bijzondere ziel. Deze zienster noemt zichzelf Maria de Notre Dame. Vijf jaren geleden begonnen Jezus en Maria tot haar te spreken door de gave van inspraken.  Ze heeft nu meer dan 800 inspraken gehad. Ik heb de betrouwbaarheid van deze inspraken getoetst. Tot nu toe waren de inspraken een persoonlijk onderricht, bedoeld voor de kleine gebedsgroep. Op 10 december 2010 begon een nieuwe fase namelijk dat sommige inspraken aan de wereld bekend gemaakt moesten worden. De eerste inspraken waren speciaal gericht op het geheim van Fatima”.
.
.
.
.

De nieuwe lichten voor de mensheid

 

 

Maria

 

Van John Astria

Pasteltekening van John Astria

 

 

Waarom kom ik op deze manier naar voren, nadat ik zo veel eeuwen verborgen ben gebleven? Omdat de hemelse Vader dit heeft uitgevaardigd. Hij heeft mij verborgen gehouden tot dit tijdperk wanneer Satan elke macht van de hel zal vrijgeven om de beschaving te vernietigen, om Gods scheppend handelen om te keren en in het bijzonder om het licht van Jezus verrijzenis uit de dood te bedekken met de grootste duisternis.

Als hij zijn doel bereikt, dan zal het menselijk geslacht opnieuw terugkeren in de duisternis en slechts langzaam, na vele generaties, zal het licht van het geloof weer worden ontstoken. Zo is de strijd, die uitgevochten wordt en het grote belang van deze jaren.

Allen moeten open zijn voor de nieuwheid van Gods plan. Een ieder, die denkt aan mijn rol en mijn acties zoals in vroegere dagen, zal niet in staat zijn om te begrijpen of om te beantwoorden. Rivieren van glorie worden uitgestort. Oceanen van genade, ongezien tot nu toe, zijn gereed om open te barsten. Het zal niet zijn zoals het vroeger was. Alleen een dieper en ruimer geloof zal weten hoe te beantwoorden. Laat me dus beginnen.

Ik ontwaar het huidige kwaad en voorzie de komende duisternis, die over de mensheid zal komen. Nieuw licht zal nodig zijn, want het vroegere licht zal aangevallen worden en verzwakt. Ik stort dit licht reeds uit. Velen worden getrokken tot een nieuwe devotie tot mijn Onbevlekt Hart. Dit is als een kleine bloem, die voorzichtig beschermd moet worden, omdat zijn zaadjes bedoeld zijn om zich te verspreiden over de hele wereld. Zelfs degenen, die deze zaden verspreiden, hebben geen idee van de grote machten, die ze bevatten. Nooit tevoren is zulk licht gegeven.

Hoe meer harten mijn gaven ontvangen, des te groter kunnen de tekenen en wonderen zijn. Iedereen moet er een studie van maken. Allen moeten met de grootste ijver leven. Allen moeten zich verzamelen, zodat anderen zich met hen kunnen verzamelen. Ik zal hun aantal snel vermeerderen. Ik ben als Johannes de Doper, die de komst van nieuwe lichten om de mensheid te helpen verkondigt.

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

Reine en onreine dieren

Standaard

categorie : religie

.

.

.

.

Reine en onreine dieren

.

De eerste keer dat we lezen over reine en onreine dieren in de Bijbel, is in de geschiedenis van de zondvloed. Noach kreeg de opdracht om zeven paar te nemen van alle rein vee en slechts twee van het onreine vee.

  • Ge 7:2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.

We weten niet hoe Noah rein en onrein vee onderscheidde, maar het toont aan dat al in de vroege dagen een onderscheid gemaakt werd tussen het reine en het onreine. Reine dieren waren ongetwijfeld geschikt om te offeren. Toen Noach uit de ark was gekomen, bracht hij brandoffers van al het reine vee en al het rein gevogelte.

  • Ge 8:20 En Noach bouwde een altaar voor de Heere; en hij nam van al het reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.

De dieren dienden vóór de zondvloed kennelijk nog niet tot voedsel, want pas na de zondvloed wordt gesproken over het eten van dierlijk voedsel.

  • Ge 9:3 Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.

Met Israël was het anders. Welke dieren mochten en moesten worden geofferd wordt duidelijk aangegeven. En wat voor dieren rein waren en konden worden gegeten en wat voor dieren onrein waren en niet gegeten konden worden, maakte God in bijzonderheden bekend.

  • Le 11:46 Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, Le 11:47 om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag.

God maakte duidelijk welk vlees onrein was in Zijn ogen. We weten uit andere geschriften, dat de onrein genoemde dieren niet werkelijk op zichzelf onrein zijn, want God schiep geen dieren die onrein waren. Toch wees hij dieren met bepaalde kenmerken als onrein en afschuwelijk voor de Israëliet aan.

.

Om de heiligheid

.

Het doel van deze wetgeving aangaande reine en onreine dieren was heiligheid, in overeenstemming met de heilige God.

  • Le 11:44 want Ik ben de Heere, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. Le 11:45 Want Ik ben de Heere, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig.
  • De 14:2 Want u bent een heilig volk voor de Heere, uw God. De Heere heeft u uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.  De 14:3 U mag niets eten wat een gruwel is.  De 14:4 Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit.

.

.

.

Landdieren

.

De Israëliet mocht alleen reine landdieren tot voedsel nemen. Reine landdieren zijn die welke zowel herkauwen als gespleten hoeven hebben (Lev. 11:2-3). Dit zijn bijvoorbeeld, volgens Deut. 14:4-6, het rund, het schaap, de geit, het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems.

.

.

.

.

Schapen waren voor de Israëliet reine dieren. Ze mochten gegeten en geofferd worden.

Tot de onreine dieren behoren vleeseters, zoals katachtigen, en ook, volgens Lev. 11: 4-8 :

  • de kameel (herkauwt, geen gespleten hoeven)
  • de klipdas 
  • de haas  
  • het varken (herkauwt niet, wel gespleten hoeven).
  • Al wie ze aanraakte, was onrein (Lev. 11:26). “Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein.” (Lev. 11:8; vgl. Deut. 14:3,7-8)

Alle zoolgangers onder al de dieren die op vier poten gaan, waren voor de Israëliet onrein.Bij zoolgangers raakt de hele voetzool van voor- en achterpoot de grond. Zoolgangers zijn meestal geen snelle dieren, maar ze kunnen zich wel goed afzetten en iets vastgrijpen. Voorbeelden zijn beren en mensen.

  • (Lev. 11:27). “Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein” (Lev. 11:28).

De kruipende landdieren, die zich over de aarde voortbewegen, hetzij op de buik of op poten, waren afschuwelijk en onrein voor de Israëliet en mochten niet gegeten worden.

  • (Leviticus 11:29-31; 41-44), zoals de mol, de muis, elke soort pad, de gekko, de varaan, de hagedis, de skink  en de kameleon.
  • (Lev. 11:31)“Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond”
  • (Lev. 11:43-44) “U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt,  want Ik ben de Heere, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig”

Deze kruipende dieren (mol, muis, pad enz.) kwamen in woningen dikwijls voor. Wanneer ze, stervende of reed gestorven, op of in iets vielen (pan, pot, kleed, zak) was dit onrein tot de avond. Het moest in water worden gelegd (Lev. 11:32). Een aarden pot, onrein geworden, moest gebroken worden. Voedsel en drank uit zo’n pot (vat, kruik) was onrein. Ook de verontreinigde oven en de bakpan moesten stukgebroken worden (Lev. 11:35). Een bron of waterput of zaaigoed (zaaibaar zaad) zou door het dode dier niet verontreinigd raken, het zou rein blijven. “Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt iets van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein.” (Lev. 11:38)

.

.

Waterdieren

.

De Israëliet mocht alleen reinewaterdierentot voedsel nemen. Reine waterdieren zijn die welke zowel vinnen als schubben hebben (Lev. 11:9; Deut. 14:9).

Wanneer een waterdier geen vinnen of schubben had, was het voor de Israëliet onrein en afschuwelijk en mocht hij het niet eten (Lev. 11:10-12; Deut. 14:10). Onrein en afschuwelijk zijn derhalve mosselen, kreeften, enz.

  • Lev. 11: 10 maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water leven, die zijn voor u iets afschuwelijks. Lev. 11: 11 Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. Lev. 11: 12 Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks.

.

.

.

Vogels

.

De arend was voor de Israëliet een onrein dier. 

.

.

.

De Israëliet mocht alleen reine vogels en reine gevleugelde dieren eten (Deut. 14:11,20).

Als onrein en afschuwelijk gevogelte wees God aan (Lev. 11:13-19; Deut. 14:12-18; 21:12) :

  • de arend, de lammergier of de havik, de monniksgier of de zeearend, de buizerd of de gier, elke soort kiekendief, elke soort wouw, elke soort raaf, de struisvogel, de velduil, de meeuw of de koekoek, elke soort valk of de sperwer, de steenuil, de visarend of het duikertje, de ransuil, de kerkuil, de kraai, de roerdomp, de aasgier, de pelikaan, de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. Dit zijn voornamelijk roofvogels en aasvogels.

.

Insecten

.

De op vier voeten kruipende, kleine gevleugelde dieren waren bijna alle onrein voor de Israëliet, hij mocht ze niet eten (Lev. 11:20, 23-25; Deut. 14:19).

  • De 14:19 Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden. De 14:19 Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden. 

Van alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan en die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen, mocht de Israëliet de volgende soorten wel eten:

(Lev. 11:21-22) elke soort veldsprinkhaan, elke soort sabelsprinkhaan, elke soort krekel en elke soort doornsprinkhaan .

  • (Lev. 11:24-25). Door de kruipende gevleugelde dieren zou de Israëliet zichzelf kunnen verontreinigen. “Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond.”

Van Johannes de Doper lezen wij dat hij sprinkhanen als voedsel nam.

  • Mt 3:4 Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kameelhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing.

 

.

.

Kadaver

.

Een wettelijk eetbaar dier werd onrein als het gestorven was. De Israëliet mocht geen enkel kadaver eten.

  • De 14:21 : U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de Heere, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 

Wie een dierlijk kadaver aanraakte, het droeg of daarvan at, was onrein tot de avond.

  • Le 11:39 En wanneer een van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. Le 11:40 Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond.

.

.

.

Het hemels gezicht van Petrus

.

In Hand. 10:9-16 krijgt de biddende en hongerige apostel Petrus een gezicht, waarin God hem toont dat de oude reinheidswet betreffende het eten van dieren niet meer geldt:

  • Hnd 10:11 En hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen als een groot laken, dat aan de vier hoeken op de aarde werd neergelaten; Hnd 10:12 daarin waren alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en vogels van de hemel. Hnd 10:13 En er klonk een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet! Hnd 10:14 Petrus echter zei: In geen geval, Heer, want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten. Hnd 10:15 En weer klonk een stem tot hem, voor de tweede keer: Wat God gereinigd heeft, zul jij niet voor onheilig houden. Hnd 10:16 En dit gebeurde tot driemaal, en terstond werd het voorwerp opgenomen in de hemel.

Het is duidelijk uit de Schrift dat het verbod van onreine dieren te eten alleen voor Israël gold. Het gezicht aan Peter gegeven openbaart dat de beperking is afgeschaft in Christus.

  • 1Ti 4:4 Want al het door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen, 1Ti 4:5 want het wordt geheiligd door Gods woord en door gebed.
  • Ge 9:3 Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.

.

.

.

Zinnebeeldige betekenis

.

De kenmerken van reine en onreine dieren hebben ongetwijfeld symbolische betekenissen voor Nieuwtestamentische gelovigen. 

Het verdelen van de hoef en het herkauwen kunnen wijzen op een vaste en volhardende wandel (als de kameel of de os) en het verteren of overdenken van wat wordt ontvangen (vgl. Ps 1:1,2; Spr. 12:27).

Bijna al het kruipend gevleugeld gedierte, dat zich op de aarde voortbeweegt, was onrein. De aarde is onder de vloek vanwege de zonde, en er moet een zedelijke verhoging zijn, een uitstijgen boven het platvloerse, het aardse. De sprinkhaan kon springen en mocht daarom gegeten worden.

  • Flp 3:18 Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn; Flp 3:19 hun einde is het verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen. Flp 3:20 Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten.

De reine vissen hebben vinnen en schubben: de vinnen stellen de vis in staat zich voort te bewegen en op te stijgen in het water, zijn koers te richten en gevaar te vermijden; de schubben bieden de vis bescherming. Om besmettingen van de wereld te vermijden is een omzichtige wandel nodig, met de bescherming die God heeft gegeven.

.

.

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

God zocht een vader voor Zijn zoon

Standaard

Categorie: religie

 

 

 

Heilige Jozef en Jezus

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

God zocht een vader voor Zijn zoon

 

De kerstgeschiedenis is een opmerkelijk en bijzonder verhaal. Het heeft zoveel kanten die aandacht vragen. God koos niet alleen heel zorgvuldig Maria uit, maar ook Jozef. Hij wilde dat Zijn Zoon niet alleen een moeder, maar ook een aardse vader zou hebben. En daarom zocht Hij niet een gewoon meisje uit, maar een ondertrouwd meisje als moeder voor Zijn Zoon. Wat maakt dat nu voor een verschil?

 

Als Jezus uit een ongetrouwde maagd geboren zou zijn, zou de Zoon van God een ongehuwde, alleenstaande moeder hebben gehad. Hij zou zonder een aardse vader zijn op gegroeid. Maar Maria was ondertrouwd. Dat was zoiets als verloofd, alleen had het een veel vaster karakter. Het was een schriftelijk vast gelegde overeenkomst. De ondertrouwden hadden echter nog geen seksuele omgang. Het moment daarvoor was pas na de plechtige huwelijkssluiting. Jozef hoorde bij Maria. Hierdoor plaatste God Zijn Zoon in het gezin van Jozef. Hij wist hoe belangrijk het was voor de ontwikkeling van Zijn Zoon op aarde om niet alleen een moeder, maar ook een vader te hebben.

Het geslachtsregister in Mattheus eindigt met: `Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is. Dus niet: Jozef verwekte Jezus zoals bij de voorgaande vaders. Jozef was wel de man van Maria, maar niet de biologische vader van Jezus. De goddelijke Zoon is uit de maagd Maria geboren. Toch wordt de afstamming niet gerekend via Maria, maar via de lijn van Jozef. Wettelijk was Jezus een zoon van Jozef: de eerste, dus erfgenaam. Jozef was uit het geslacht van David. En zo werd Jezus via Jozef een zoon van David. Rom. 1:4 zegt: `Gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest… Gods Zoon…’

 

 

Een betrokken man en vader

 

En omdat Jozef uit het geslacht van David was, moest hij naar Bethlehem — de stad van David – om zich te laten inschrijven. Het register van zijn afstamming was dus goed bijgehouden. En tot onze verbazing nam hij zijn hoogzwangere bruid mee. Waarom doet hij dit? Had hij Maria in haar toestand niet beter thuis kunnen laten? Het is een zware tocht van 140 km dwars door het gebied van de Samaritanen heen. Maar Jozef neemt haar mee. Hij wil haar in haar omstandigheden niet alleen achterlaten. Hij wil haar beschermen tegen hoon en spot. En niet de schijn wekken dat hij Maria in de steek laat. Ze gaan samen.

En zo wordt het Schriftwoord vervuld dat Jezus in Bethlehem geboren zou worden. Het zal kenmerkend worden in hun relatie: waar Jozef is, daar is Maria en omgekeerd. Ze trekken door dik en door dun met elkaar op. Niet slechts even, maar een heel leven lang. Ze hebben dan ook een heel bijzonder geheim samen. Laten we dit in vogelvlucht bezien:

`En de herders kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef en het Kindeke, liggende in de kribbe.’ Jozef was bij de bevalling en stond haar daarin bij (Luc. 2:16). We zien ze weer samen in de tempel om hun Kind aan de Here op te dragen: vers 22 en 27. Vers 33: `En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd’. Ze beleefden de dingen samen. Vers 39: `Ze keerden samen weer terug naar Nazareth’. En dan lezen we in vers 41 dat ze samen elk jaar naar Jeruzalem reisden. Het jaarlijks opgaan naar de tempel was verplicht voor elke mannelijke Israëliet. Maar Maria ging ook mee.

Op een keer toen ze op reis waren naar Jeruzalem, raakten ze hun 12 jarige Zoon Jezus kwijt. De verontruste ouders gaan samen op zoek en zeggen tegen Hem, als ze Hem gevonden hebben: `Zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht’. Jozef was een betrokken vader! God bestuurde het zo dat Jezus in een eenvoudig gezin kwam, maar een goed gezin waar vader en moeder gezamenlijk optrokken, één weg gingen, samen met God!

 

 

Seksueel betrouwbaar

 

Toen Jozef bemerkte dat Maria zwanger was, wist hij het zeker: `Dat komt niet door mij.’ Hoewel hij en Maria ondertrouwd waren, hadden ze geen seksuele gemeenschap gehad. Ze hadden zelfs geen geslachtelijke omgang met elkaar tot de geboorte van de Here Jezus. Jozef werd niet beheerst door zijn seksuele driften, die werden beheerst door hem! Jozef was een man uit één stuk. Het is zo belangrijk voor een meisje om te merken tijdens de verkeringstijd dat haar `jongen’ de baas is over zijn seksuele driften. Het geeft een veilig gevoel. Want als hij zich vóór het huwelijk niet weet te beheersen, kan hij het dan wel in het huwelijk?

Want ook dan is er zelfbeheersing nodig, bijvoorbeeld bij ziekte of als de echtgenoten voor een bepaalde tijd afscheid moeten nemen. Als een man zich seksueel beheerst, krijgt hij de mogelijkheid om het innerlijk van het meisje te kennen en haar met het hart lief te krijgen. Dat deed Jozef. Uit de kerstgeschiedenis blijkt hoe zeer hij Maria lief had!

 

 

Gevoelig en toch sterk

 

Maria wist hoe het met de zaak gelegen was. Maar Jozef wist het niet. Zij wist dat ze geen omgang met een man had gehad, dat ze maagd was. Hoe kon ze dat aan Jozef bewijzen? Wat zat deze jonge vrouw in een moeilijk parket! Ze liep het gevaar van hoererij beschuldigd te worden en daar stond in Israël een hele zware straf op (peut. 22:23, 24). Maar Maria was niet bang. Ze wist dat ze onschuldig was en gaf het over aan God.
Jozef echter wist het niet. Het was voor de hand liggend dat hij dacht dat hij zich in zijn lieve Maria vergist had. Het kon niet anders dan dat ze vreemd was gegaan.

Natuurlijk zal Jozef heel verdrietig zijn geweest en teleurgesteld. Maar het valt op dat hij in deze netelige situatie waarin hij Maria heel gemakkelijk verwijten had kunnen maken, heel teergevoelig handelt. Hij houdt van Maria en is bezorgd om haar. Ook nu! Hij wil haar niet in opspraak brengen. Hij wil niet dat ze over de tong zal gaan. En daarom besluit hij om in stilte van haar weg te gaan. Jozef wilde zich aan de wet houden, die hem verbood om in deze omstandigheden Maria te trouwen. Maar hij ontziet haar zoveel als in zijn vermogen ligt. Hij loopt daarbij wel het risico zelf verkeerd beoordeeld te worden.

Men zou immers denken dat het kind van hem was en nu zijn zwangere ondertrouwde vrouw verliet… Hij verkoos barmhartigheid boven recht. Een grandioze man die Jozef! God had echt een hele goede vader voor Zijn Zoon gekozen! De Bijbel zegt dat hij zo handelde omdat hij rechtschapen was (Matt. 1:19). Het is een ouderwets woord dat staat voor integer, eerlijk, deugdzaam, oprecht. Nu moet u niet denken dat Jozef een zacht gekookt eitje was. Hij is een man zoals hij hoort te zijn: gevoelig en toch sterk.

 

 

Daadkrachtig

 

God grijpt in! Jozef krijgt een droom waarin een engel aan hem verschijnt. Die helpt hem uit de droom! Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest’ (Matt. 1:20). Maria is dus toch niet ontrouw aan hem geweest! Wat zal dat een opluchting voor hem zijn geweest. Hij nam Maria tot zich en had geen gemeenschap met haar tot Jezus geboren was (Matt. 1:25). Nog twee keer komt de engel des Heren tot Jozef en weer zien we zijn directe gehoorzaamheid en flinke wakkere handelwijze.

In Matt. 2:13 lezen we dat de engel tegen Jozef zegt dat hij moet vluchten naar Egypte, omdat Herodes zoekt het kind Jezus te doden. Reactie van Jozef: `Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte.’ Het is belangrijk dat een man leert om duidelijke beslissingen te maken. Niet als een dictator, die alleen rekening houdt met zijn eigen wensen en voorkeuren, maar als een leider die beslissingen maakt in overleg en op basis van wat het beste is voor zijn vrouw en kinderen.

 

 

Gehoorzaam aan God en mensen

 

Het is opvallend dat Jozef telkens stil is en niets terug zegt tegen de engel. Hij handelt ernaar en geeft geen tegenwerpingen. Hij had bijvoorbeeld kunnen zeggen: `Kan de Here God Zijn eigen Zoon niet beschermen? Hij kan toch een legioen engelen sturen? Hij kan Herodes toch onschadelijk maken?’ Niets van dit alles. Ze breken op en vluchten. Ze weten niet voor hoelang. De engel zei: `Totdat de Here het u zal zeggen.’ Egypte is een land vol afgoden. Geen ideale plek voor een gelovig gezin om te wonen. Maar geen gezeur, geen gemopper, geen bezwaren. Jozef gaat onmiddellijk en Maria gaat met hem mee.

 

 

Hoofd van het gezin

 

Het valt op in het verhaal dat de engel des Heren zich steeds richt tot Jozef en niet tot Maria. Jozef doet niet voor spek en bonen mee. Hij leeft niet in de schaduw van de meest begenadigde vrouw die er ooit geleefd heeft, omdat zij de Zoon van God gebaard heeft. De Here geeft hem de leiding over het gezin, zoals aan elke vader. God verkoos deze man als vader voor Zijn Zoon. Hij was een man naar Gods hart.

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Pretribulationisme

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Het pretribulationisme is de leer dat de Heer Jezus zijn gemeente van de aarde wegneemt aan het begin of vóór de verdrukking ofwel de laatste jaarweek van Daniël. Zij die deze leer houden worden pretribulationisten genoemd.

 

 

Christus’ oordeel

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Het woord pretribulationisme komt van ‘pre’ (= voor) en het Latijnse woord ‘tribulatio’ (= verdrukking). Het pretribulationisme hangt samen met het prechiliasme, dat is de leer dat de Heer Jezus terugkomt vóór het toekomstig, duizendjarig vrederijk. Prechiliasten hebben altijd geloofd dat er vlak vóór Christus’ wederkomst een tijd van verdrukking en benauwdheid zal wezen.

 

 

 

Argumenten

 

Voor de stelling dat de gemeente vóór de grote verdrukking wordt verwijderd van de aarde zijn onder meer de volgende argumenten aangevoerd:

 

 

Niet bestemd tot toorn

 

De Grote Verdrukking is de tijd dat de toorn van God over de aarde wordt uitgegoten. De aarde zal worden getroffen door rampen en plagen. De Grote Verdrukking is zwaarder en omvangrijker dan vroegere verdrukkingen. Hoewel de Gemeente verdrukking en vervolging heeft ondervonden en in veel landen nog ondervindt, zal zij niet worden blootgesteld aan de Grote Verdrukking. Want God heeft de Gemeente niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de behoudenis.

De Grote Verdrukking is een tijd van goddelijke toorn, waarvoor de Gemeente, bestaande uit mensen die met God verzoend zijn, niet bestemd is (1Th1:10; 5:9; Op6:16v.: 11:18).

1Th 1:9 want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om de levende en waarachtige God te dienen 1Th 1:10 en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn

1Th 5:9 want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de behoudenis door onze Heer Jezus Christus.

Ro 5:9 Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn.

Ro 5:10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon, veel meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door zijn leven. 

In de gemeenten zijn sterken en zwakken, rijken en armen, meesters en slaven. De wereldlingen zullen zich verbergen in de holen en de rotsen voor het aangezicht van God en voor de toorn van het Lam. Daar kunnen de gelovigen van de gemeente van Christus niet bij zijn, want de toorn van God en van het Lam zal hen niet treffen.

Opb 6:15 En de koningen van de aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de sterken en elke slaaf en vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen; Opb 6:16 en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam; Opb 6:17 want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan

 

 

Openbaring hoofdstuk 7 ; het breken van zegel 6

 

Pasteltekening van John Astria

 

Opb 11:15 En de zevende engel bazuinde, en er kwamen luide stemmen in de hemel die zeiden: Het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen, en Hij zal regeren tot in alle eeuwigheid. Opb 11:16 En de vierentwintig oudsten die voor God zitten op hun tronen, vielen op hun gezichten en aanbaden God Opb 11:17 en zeiden: Wij danken U, Heer, God de Almachtige, die is en die was, dat U uw grote kracht hebt aangenomen en uw koningschap hebt aanvaard. Opb 11:18 En de naties zijn toornig geworden, en uw toorn is gekomen en de tijd van de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw slaven de profeten, en aan de heiligen en aan hen die uw naam vrezen, de kleinen en de groten, en om te verderven hen die de aarde verderven

 

 

Openbaring hoofdstuk 8 ; zegel 7 en de eerste vier bazuinen

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Herstel van Israël na de bedeling van de gemeente

 

Wij leven nu in de tijd van de gemeente, waarin geen onderscheid is tussen Jood en heiden. Het volk Israël, dat zijn Messias niet kent, miskent of afwijst, is terzijde gesteld. Israël heeft echter niet afgedaan. Gods heilsbeloften aan het volk zijn definitief. Zo zal God Israël als volk terug winnen als Christus Zijn gemeente tot Zich genomen heeft. Duidelijk handelt God weer met Israël ten tijde van de oordelen over het aardrijk. Zo zondert Hij uit dit volk 144.000 dienstknechten af, beschermt hij een vrouw (symbool van het gelovig overblijfsel van Israël) en laat Hij in Jeruzalem twee getuigen optreden. Dat gebeurt allemaal als de bedeling van de gemeente voorbij is en de gemeente verwijderd is van de aarde.

 

 

Openbaring hoofdstuk 21 : het nieuwe Jeruzalem

 

Pasteltekening van John Astria