Categorie archief: Hildegard von Bingen

Liber Divinorum Operum : visioen 3

Standaard

categorie : Hildegard Von Bingen

 

 

 

 

 

Liber Divinorum Operum

 

 

Het boek van de goddelijke werken

met visioenen van

Hildegard van Bingen

 

 

 

 

Hildegard

 

 

 

 

“Der gläubige Mensch richtet sein Trachten immer auf Gott, dem er in Ehrfurcht begegnet. Denn wie der Mensch mit den leiblichen Augen allenthalben die Geschöpfe sieht, so schaut er im Glauben überall den Herrn.”

 

Liber divinorum operum (Boek van goddelijke werken) is een werk uit de tweede helft van de 12e eeuw van de Duitse Benedictijner Abdis en mystica Hildegard von Bingen. Het is haar laatste visionaire werk en het werd geschreven tussen 1163 en 1174. Het bevat tien visioenen waarin de liefde van God tot uitdrukking komt in de mensen en in de relatie van de mensen tot God.

 

 

 

drie

 

 

 

In het vervolg van de tekst worden de hartstochten waaraan de mens ten prooi valt vergeleken met de winden. Als een wind opzet, hetzij op een natuurlijke manier, hetzij door een goddelijke wilsbeschikking, dringt hij door tot het lichaam van de mens, zonder dat iets hem kan tegenhouden. De ziel die de wind ontvangt geeft hem op natuurlijke wijze toegang tot het innerlijk en tot in de ledematen van het lichaam die met zijn natuur overeenkomen. Zo wordt de mens de ene keer door de wind gesterkt, de andere keer is het tegendeel het geval.

Na alles te hebben opgesomd wat er in de natuur invloed heeft op de mens  (de zon, de maan, de planeten), wijdt Hildegard een bespiegeling aan de mens zelf.

“Wat jou betreft, mens die dit schouwspel ziet, begrijp dat deze verschijnselen ook het binnenste van de ziel betreffen.”

 

De interactie tussen de natuurlijke elementen en de neigingen van de mens keren in Hildegards andere werken, die een beslist geneeskundig karakter hebben, terug. Daarin drijft zij haar vergelijkingen heel ver door:

“De vier voornaamste winden komen overeen met de vier energieën in de mens:

het denkvermogen (denken),

het woord (hoorbare gedachte: waarnemen),

de wil (willen)

en het gevoelsleven (voelen).

En zoals elke wind naar rechts of links kan blazen, zo kan de ziel, geholpen door deze vier energieën, door haar natuurlijke kennis het doel van haar keuze bereiken en nu eens het goede, dan weer het kwade kiezen.” (vrije keuze)

 

Met de zuidenwind, die warmte brengt, vergelijkt zij:

“de goede en heilige gedachten, die dankzij het vuur van de Heilige Geest door de goede wil worden aangewakkerd”.

 

De westenwind, die koud is:

“duidt op de onoprechte en onnutte gedachten die niet door de Heilige Geest worden verwarmd, op de koude en oneerlijke werken”.

 

Het geheel van de visioenen legt zo de nadruk op een soort kosmische eenheid, die zowel de mens als de wereld waarin hij leeft beheerst of beïnvloedt.

Zo is de noordenwind :

“een gevaarlijke wind, hij is schadelijk voor alles wat door hem wordt beroerd, zijn strenge koude raakt ook de warme stralen die zacht vanuit de zon schijnen en die de dauw, die op aarde voor de ‘groeizaamheid’ van alle vruchten des velds zorgt, doet neerdalen”.

 

Groeizaamheid is één van Hildegards geliefde begrippen. Het wordt zowel op de mens als op de natuur toegepast en duidt op de innerlijke energie waardoor de planten groeien en de mens zich ontwikkelt.

Hildegard beklemtoont:

“Al deze verschijnselen houden verband met de ziel “.

 

De ziel wordt namelijk in het lichaam voorgesteld als een wind die men niet ziet of hoort blazen. Ze is van lucht en ontvouwt net als de wind haar verzuchtingen en gedachten. Door haar vochtigheid, het transportmiddel van de goede wil in de richting van God, lijkt zij op de dauw. De ziel is aanwezig in de kleine menselijke gestalte, net als de stralen van de zon, die de hele wereld verlichten en nooit verzwakken. Door haar gedachten is zij in staat alle richtingen uit te gaan. De vrome werken verheffen haar door de lofzang Gods tot de sterren, de slechte werken van de zonde storten haar in de duisternis.”

 

 

 

 

ldo19

 

 

ldo20

 

 

 

 

ldo21

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Advertenties

Liber Divinorum Operum: visioen 2

Standaard

categorie : Hildegard Von Bingen

 

 

 

 

 

Liber Divinorum Operum

 

Het boek van de goddelijke werken

met visioenen van

Hildegard van Bingen

 

 

 

Hildegard

 

 

 

“Der gläubige Mensch richtet sein Trachten immer auf Gott, dem er in Ehrfurcht begegnet. Denn wie der Mensch mit den leiblichen Augen allenthalben die Geschöpfe sieht, so schaut er im Glauben überall den Herrn.”

 

 

Liber divinorum operum (Boek van goddelijke werken) is een werk uit de tweede helft van de 12e eeuw van de Duitse Benedictijner Abdis en mystica Hildegard von Bingen. Het is haar laatste visionaire werk en het werd geschreven tussen 1163 en 1174. Het bevat tien visioenen waarin de liefde van God tot uitdrukking komt in de mensen en in de relatie van de mensen tot God.

 

 

 

visioen 2 ldo

 

 

 

 

 

 

 

ldo9

 

 

 

 

 

ldo10

 

 

 

 

 

ldo11

 

 

 

 

 

ldo12

 

 

 

 

 

ldo13

 

 

 

 

 

ldo14

 

 

 

 

 

ldo15

 

 

 

 

 

ldo16

 

 

 

 

 

ldo17

 

 

 

 

 

ldo18

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Liber Divinorum Operum: visioen 1

Standaard

categorie : Hildegard Von Bingen

 

 

 

 

 

Liber Divinorum Operum

 

 

Het boek van de goddelijke werken

met visioenen van

Hildegard van Bingen

 

 

 

Hildegard

 

 

 

 

“Der gläubige Mensch richtet sein Trachten immer auf Gott, dem er in Ehrfurcht begegnet. Denn wie der Mensch mit den leiblichen Augen allenthalben die Geschöpfe sieht, so schaut er im Glauben überall den Herrn.”

 

 

Liber divinorum operum (Boek van goddelijke werken) is een werk uit de tweede helft van de 12e eeuw van de Duitse Benedictijner Abdis en mystica Hildegard von Bingen. Het is haar laatste visionaire werk en het werd geschreven tussen 1163 en 1174. Het bevat tien visioenen waarin de liefde van God tot uitdrukking komt in de mensen en in de relatie van de mensen tot God.

 

 

 

 

ldo eerste

 

 

 

 

 

De woorden van Hildegard

 

“In het midden van de zuidelijke windstreek aanschouwde ik in de geheimen Gods een prachtige gestalte: zij leek op een mens. De schoonheid en helderheid van het gezicht was zo mooi, dat het gemakkelijker zou zijn geweest in de zon te kijken dan naar dit gezicht. Het hoofd was met een gouden kring omgeven. In deze kring domineerde een tweede gezicht, dat van een grijsaard. Zijn kin en baard raakten de top van zijn schedel.

Aan beide zijden van de hals van de eerste gestalte was een vleugel te zien. Deze vleugels waren geheven en raakten elkaar boven de gouden kring. Uit de uiterste punt van de kromming van de rechtervleugel kwam de kop van een adelaar (Schorpioen: water, voelen). Zijn ogen van vuur straalden als in een spiegel de engelachtige pracht uit. Op hetzelfde punt in de linkervleugel was een mensenhoofd (Waterman: lucht, denken) te zien dat schitterde als een ster. Beide figuren waren met het gezicht naar het oosten (naar God) gekeerd.

Vanuit de twee schouders van de gestalte raken de vleugel tot de knieën. De gestalte was bekleed met een gewaad dat straalde als de zon. In haar handen droeg ze een lam dat schitterde als een met licht overgoten dag. Met de voet verbrijzelde de gestalte een schrikwekkend, lelijk, zwart monster en een slang. De slang hield het rechteroor van het monster tussen haar tanden. Het lijf van de slang kronkelde om het hoofd van het monster, haar staart reikte aan de linkerkant van de gestalte tot haar voeten.”

 

 

 

 

De woorden van de gestalte

 

“Ik ben de hoogste kracht, de eruptieve (uitademende, scheppende) kracht. Ik ben degene die elk levensvonkje heeft ontstoken. Uit mij komt niets sterfelijks voort. Ik beslis over alles wat is. Mijn bovenste vleugels omringen de aardbol, ik bestier de universele wijsheid. Van mij gaat het leven uit. Aangezien God kennis is, moet Hij uitwerking hebben. In de mens verwezenlijkt Hij de volle bloei van al Zijn werken. Want Hij heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen.

Hij heeft in hem met vaste hand en maat de som van Zijn werken verwezenlijkt. Vanaf alle eeuwigheid was de schepping van dit werk, de schepping van de mens, in Zijn raadsbesluiten opgenomen. Toen het werk was voltooid, gaf Hij de mens de hele schepping in handen, opdat hij ermee kon handelen op de manier waarop God de mens had gevormd. Ik ben dus dienaar en toeverlaat.

Door Mij komt alles tot leven. Ik ben zonder begin en zonder einde, Ik ben het leven dat op dezelfde wijze eeuwig voort bestaat. Dat leven is God. Het is voortdurend in beweging, voortdurend werkzaam en zijn eenheid blijkt uit een drievoudige kracht. De eeuwigheid is de Vader, het Woord is de Zoon, de adem die beiden met elkaar verbindt is de Heilige Geest. God heeft dit in de mens tot uitdrukking gebracht, want de mens heeft een lichaam, een ziel en een geest.

Mijn vlammen heersen over de schoonheid der velden en de aarde is de materie waaruit God de mens heeft gevormd. Ik doorstraal de wateren met mijn licht, maar de ziel bewoont het hele lichaam, zoals het water door zijn loop de hele aarde bevloeit. Als ik zeg dat ik het vuur in zon en maan ben is dat een toespeling op de geest. Zijn de sterren immers niet de ontelbare woorden van de geest? En als mijn adem, het onzichtbare leven, de universele beschermer, het heelal tot leven brengt, is dat een symbool: de lucht en de wind onderhouden alles wat groeit en rijpt, en niets wijkt af van zijn eigen natuur.”

 

 

 

 

Dezelfde stem spreekt tot Hildegard

 

Vanuit de hemel richtte zij zich tot mij in de navolgende bewoordingen: “God, de Schepper van het heelal, heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen. In de mens verbeeldde Hij elk schepsel, hoog of laag. Hij hield dermate veel van hem, dat Hij hem de plaats voorbestemde vanwaar de gevallen engel was verbannen. Hij gaf hem alle glorie, alle eer die de genoemde engel had verloren. Hij gaf hem tevens Zijn heil. Dat is hetgeen je ziet in het gezicht dat je aanschouwt.

De schitterende gestalte die je in het centrum van de zuidelijke windstreken en in Gods geheim aanschouwt, en wier uiterlijk dat van een mens is, symboliseert inderdaad de liefde van de hemelse Vader. De gestalte is de liefde. In de kracht van de altijddurende godheid en in het mysterie van haar gaven, is zij een wonder van zeldzame schoonheid. Als zij een menselijke gestalte heeft aangenomen, is dat omdat de Zoon van God vlees is geworden, om in naam van de liefde de mens van zijn ondergang te redden.

Daarom is dit gezicht van zo’n grote schoonheid. Daarom zou het gemakkelijker voor je zijn in de zon te kijken dan naar dit gezicht. Want de overvloed aan liefde straalt en schittert zo helder en lichtend, dat hij ons menselijk verstand, dat voor onze ziel gewoonlijk de meest uiteenlopende zaken kan verklaren, te boven gaat. Wij tonen het hier aan de hand van een symbool, waardoor men in het geloof kan herkennen wat onze lichamelijke ogen niet werkelijk kunnen aanschouwen.”

Hildegard opent haar visioenen dus met de Heilige Drieëenheid. De Eeuwigheid, het Woord en de Adem worden hier verzinnebeeld en betekenen dat God Leven en Liefde is. De opperste kracht, de kracht van vuur, ligt ten grondslag aan de schepping van de mens, die met een lichaam, een ziel en een geest geboren wordt. Alles spruit voort uit dit leven, waardoor een drievoudige liefdeskracht vrijkomt waarvan de mens een afspiegeling is. Het geheel wordt uitgedrukt met een levendigheid en een zin voor schoonheid waarvan Hildegard zegt dat de mens ze niet kan aanschouwen. Zij zelf slaat in het vierkante miniatuurtje onder aan de pagina in extase haar ogen op naar dit visioen.

 

 

 

ldo3

 

 

 

 

ldo3

 

 

 

 

ldo4

 

 

 

 

 

ldo5

 

 

 

 

 

ldo6

 

 

 

 

 

ldo7

 

 

 

 

 

ldo8

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Liber Vitae Meritorium

Standaard

 

 

 

 

 

 

hildegard von bingen

 

 

Liber Vitae Meritorum

 

 

e8581d_844c4fb1e80c432c84b5fb6861b9587d

 

 

 

Hildegard schreef het boek Liber Vitae Meritorum tussen 1158 en 1163. Het is een belangrijke schakel tussen Hildegards eerste werk, Scivias, en het Liber divinorum operum. Hildegard gaat hierin namelijk via uiteenzettingen over de heilsgeschiedenis, de zin van het leven en het streven van de mens naar eeuwig heil over naar het ontvouwen van haar kosmologische visie op wereld, mens, micro- en macrokosmos en de verhoudingen hiertussen. Geen enkel afschrift werd gedocumenteerd, wat misschien te verklaren is door de mindere bekendheid van het werk.

 

‘Aan het begin van mijn eenenzestigste levensjaar, dus in het jaar 1158 na de menswording van de Heer, toen de apostolische stoel bedreigd werd en keizer Frederik het Roomse Rijk bestierde, toen hoorde ik een stem uit de hemel tot mij spreken: Jij die van kindsbeen af door de Geest van de Heer niet op lichamelijke, maar op geestelijke wijze onderwezen bent in het zuivere waarnemen, verkondig nu dat wat je hoort en ziet.

Want vanaf het begin van je visioen worden je enkele beelden als het ware zo vloeibaar als melk getoond; andere worden je als een verkwikkende, licht verteerbare spijs aangeboden en weer andere worden jou als vast en volvet voedsel opgediend. Schrijf dus wederom zoals ik het wil en niet zoals je het zelf zou willen!

En ik begon te schrijven zoals een zeker man getuigen kan, die ik, zoals ik reeds in vroegere visioenen heb gezegd, in het geheim gezocht en gevonden had, en zoals ook een zeker meisje getuigen kan, dat mij zo behulpzaam was. En wederom hoorde ik de hemelse stem die tot mij sprak en mij als volgt onderwees.’  

 

De man van wie sprake is, is uiteraard de monnik Volmar, met wie zij steeds samen haar werken neerschreef. Het meisje is niet Richardis, want die is dan al gestorven. Kennelijk heeft Hildegard een nieuwe secretaresse. Het Liber Vitae Meritorum behandelt een groot aantal deugdenopposities, paren van deugden en ondeugden. Het Latijnse woord voor deugd is virtus. Dit woord wordt ook vertaald met ‘kracht’. Deugd en kracht zijn dus semantisch verwant. Wie deugdzaam leeft, is sterk.

De middeleeuwse deugdenleer wordt gekenmerkt door de vier zogenaamde kardinale deugden: de prudentia (de bezonnenheid), iustitia (de rechtvaardigheid), temperantia (de gematigdheid) en fortitudo (de moed). Deze deugden zijn van klassieke oorsprong en het eerst geformuleerd door Plato. (Pansters 2007, 12). In Hildegard haar tijd waren deze deugden min of meer vanzelf onderdeel van het collectieve morele bewustzijn.

Die christelijke deugdenleer wordt gedomineerd door de drie theologische deugden: fides, spes, charitas (geloof, hoop en liefde). Deze zijn expliciet geformuleerd door Paulus in zijn brief aan de Korinthiërs (1Kor:13,13). In vrijwel alle brieven van Hildegard komen een of meer van deze theologische deugden voor. Hildegard eindigde heel vaak met de fortitudo-wens: wees moedig en sterk in de strijd.

Ze veroordeelde dikwijls het gebrek aan prudentia, bijvoorbeeld het onbezonnen gedrag van de priesters, dat bovendien dikwijls ook nog gekenmerkt werd door de hebzucht, en dat is het tegenovergestelde van de temperantia. Uiteraard waren ook de theologische deugden dikwijls direct of indirect onderwerp van haar geschriften. Kortom, Hildegard voegde zich in eerste instantie in het deugdenschema van haar tijd. We herkennen dat ook in het Liber Vitae Meritorum.

 

 

 

 

Het Liber Vitae Meritorum

 

Hildegard tekent in haar LVM eerst een grote, heldhaftige, goddelijke gestalte die zich uitstrekt van de ultieme hoogte tot de uiterste diepte. Dat is haar favoriete voorstelling van de kosmische dominantie van de godheid, de oneindigheid van God in Zijn alomvattende bereik. God verbindt het universum en de peilloos diepe afgrond, te midden waarvan de aarde en de mens zich bevinden.

De goddelijke man wordt vervolgens door Hildegard in al zijn grootsheid minutieus beschreven. Voor zijn mond bevindt zich een helderwitte wolk waar de man in blaast en terwijl hij dat doet ontstaan er drie nieuwe wolken: een vuurwolk, een donkere onstuimige wolk en een schitterend witte wolk.

 

 

 

sacred-mysteries_2115215c

 

 

 

De vuurwolk symboliseert de eenheid van de positief op elkaar en op God gerichte levende wezens; zij voelen door hun deugdzaamheid een innige verwantschap met elkaar en met God. De donkere, woeste wolk bevat de zondige zielen die door hun ijdele, eenzijdige gerichtheid God niet meer zien. En in de helderwitte wolk bevinden zich de zon en de maan die alles verlichten. Als zodanig is deze wolk een zinnebeeld van de menswording van Christus.

Het werk is verdeeld in zes delen en in de eerste vier delen keert de gestalte zich achtereenvolgens naar het oosten en het zuiden, naar het westen en het noorden, naar het noorden en het oosten en naar het zuiden en het westen. In het vijfde deel draait de man volledig rond van windrichting naar windrichting om tenslotte in deel zes alle zones en zichzelf tegelijkertijd in beweging te zetten.

In alle delen vinden discussies plaats tussen de deugden en hun opponerende zonden. Eigenlijk is dit hele boek een literair-visionaire weergave van de strijd tussen het het Goede en het duivelse kwaad. Hildegard behandelt vijfendertig deugd-zonde opposities, waarvan hier de drie theologale deugden:

  • amor coelestis, de hemelse liefde tegenover de aardse;
  • fides, het geloof, tegenover het ongeloof;
  • spes, de hoop tegenover de vertwijfeling;

 

één van de vier kardinale deugden, de fortitudo, tegenover de indolentie en tot slot bespreken we de visie van Hildegard op de onkuisheid.

 

Hier begint het boek over de Deugden en de Zonden, uit het Levende Licht openbaar gemaakt door een eenvoudig mens. (…).

 

 

Aardse liefde en hemelse liefde

 

De eerste gestalte had de vorm van een mens en hij was zwart als een neger, en hij was naakt, en met zijn armen en met zijn onderbenen omklemde hij een boom onder zijn takken, waaruit de mooiste bloesems ontsproten. En met zijn handen trok hij die bloemen naar zich toe en hij zei: Ik houd alle koninkrijken ter wereld vast in hun bloemenpracht.

En waarom zou ik verdorren, nu ik vol zit met al die groenkracht? Waarom zou ik leven als een grijsaard, terwijl ik bloei zoals de jeugd? Waarom zou ik het prachtige zien van de ogen met blindheid omfloersen? Als ik zo zou doen, zou ik me moeten schamen. Zolang als ik kan genieten van de schoonheid van deze wereld, zal ik dat vrolijk doen. Een ander leven is mij onbekend en ik ontken de praatjes die ik erover hoor.

En toen hij dat zei verdorde de hiervoor genoemde boom tot aan de wortel en hijzelf verdween in de hierboven genoemde duisternis en het beeld vervaagde er totaal door. En ik hoorde uit de donkere wolk een stem die aan deze gestalte zei: Je bent ongelooflijk dom, als je denkt in een vonk van de as reeds het volle leven te bezitten; en je zoekt niet dat leven, dat in de schoonheid van de jeugd nooit verdort en dat ook in de ouderdom nimmer teloor gaat.

Jij mist ook alle licht en je bevindt je in een zwarte duisternis en je bent in het menselijk verlangen verstrikt geraakt als een worm. En je leeft als het ware maar een enkel moment, om vervolgens als hooi te verdorren en zo val je in het meer des verderfs. En daar zal je eindigen met al de omarmingen van die dingen die je in je huidige situatie nu ‘bloesems’ noemt.

 Ik echter ben de zuil van de hemelse harmonie en ik leg me toe op álle levensvreugde. Ik wijs het leven niet af, en alles wat schadelijk is, versmaad ik, zoals ik jou ook veracht. Ik ben voor alle deugden een spiegel, waarin elke gelovige zich helder bekijken kan. Jij echter bewandelt nachtelijke paden, en je handen doen de verkeerde dingen. (LVM, I, 14)

 

 

Hildegard waarschuwt in dit fragment de lezer voor een beperkte, hedonistische levensopvatting. Wie alleen uit is op kortstondig genieten, doet de verkeerde dingen en zal uiteindelijk alle groenkracht en zichzelf verliezen. Wie echter de hemelse liefde bezit, richt zich op alle deugden en zal de hemelse harmonie rotsvast, als een zuil, dus voor altijd, ervaren.

De tijdelijke zelfgenoegzaamheid moet plaatsmaken voor de blijvende hemelse liefde, die verder gaat dan de kortstondige bevrediging van zintuiglijke verlangens. De nu volgende dialoog tussen geloof en ongeloof uit deel drie van Liber Vitae Meritorum is oppositioneel geformuleerd. Vooral dat wat gezegd wordt door het ongeloof doet opmerkelijk eigentijds aan.

Ook heden ten dage woedt in filosofenland weer de strijd tussen geloof en ongeloof, toegespitst op de vraag hoe het toch mogelijk is dat weldenkende wetenschappers nog in God geloven, alsof er nooit een Verlichting is geweest.  Welnu, Hildegard heeft – al ver voor de Verlichting –  een antwoord gegeven. Eerst geven we de vertaling van het visionaire beeld en de woorden van het ongeloof en vervolgens van het antwoord van het geloof.

 

 

 

Geloof en ongeloof

 

En de vijfde gestalte had de vorm van een mens zonder hoofd en van de knieën tot de voetzolen was hij in duisternis gehuld. En op de plek van zijn hoofd was niets te zien, behalve dat die plek overal vol zat met zwarte ogen; tussen die ogen zat er één, zo leek het, op zijn voorhoofd en dat oog flikkerde soms als een fonkelend vuur. De rechterhand had hij op zijn borst gelegd, in de linkerhand hield hij een staf en hij had een zwarte mantel omgeslagen. En hij zei: Een ander leven ken ik niet dan dit hier, dat ik kan zien, en voelen en aanraken.

Wat heeft een leven dat niet zeker is, mij dan te bieden? Van dit leven kan ik zeggen: Het is er of het is er niet. En hoe ik ook zoek en uitzoek en rondkijk, en luister en wetenschap bedrijf, ik vind niets anders. Als ik dan soms iets wat de natuur mij toont, opmerk en dat te baat neem, zou mij dat dan schaden? Ik bewandel nimmer paden, en ik bedrijf geen wetenschap in gebieden die ik niet goed ken.

Want als ik wil vliegen op de vleugels van de winden, dan zal ik ter aarde neerstorten; of als ik de zon of de maan vraag wat ik moet doen, dan zullen zij mij weinig antwoorden; en mocht mij iets ter ore komen, dan weet ik niet of het mij van nut zal zijn of zal schaden. Ik weet immers niets over wat mij zoal wordt voorgespiegeld; alleen als ik het zie, dan weet ik het.

Ik hoor ook veel heil voorspellende verhalen en veel preken en veel doctrines die ik niet begrijp en daarom zal ik dat doen wat mij het meest van nut zal zijn. En wederom hoorde ik uit de donderwolk de stem die een antwoord gaf aan deze gestalte: O wat ben je toch een gemeen stuk vreten, je bent een list van de duivel die in zijn borst alles wat rechtvaardig is, verloochent.  Je geeft te kennen net zo te zijn als die borst van hem.

Want de stellingen van jouw denken nijgen naar de duivel, die aan jouw rechterkant staat; daarom zijn ook jouw ogen zo verduisterd dat je niet kunt zien de weg van jouw heil die opstijgt ten hemel. Je bent nacht en zo samengedrukt dat rechts op links valt. Je rechterkant drukt je immers te neer en hierdoor is jouw opstijging roemrijk, omdat het slechte geweten de dienstmaagd van het goede wordt genoemd.

Deze wil echter niet als de dienstmaagd dienen, zoals ook de domina de onderdanige diensten van de dienstmaagd niet zal uitvoeren: en daarom heeft zij een eerbiedwaardige naam, en wordt zij domina genoemd. Jij echter gaat voort als een veroordeelde, omdat je het vonnis van de rechters over je hebt afgeroepen, omdat je alles ontvlucht wat in je geloof licht zou kunnen worden.

Jouw ‘verstandige geredeneer’ leidt bij de mensen die jij bedriegt steeds tot zonde, omdat je niet wilt wandelen op de weg van de bonafide leermeesters. Ik echter prijs God samen met de engelen in geloof, omdat ik alles wil wat van God is. Met de cherubijn schrijf ik alle geboden op die Hij uitvaardigt en die hij bij God ziet.

En zo beslis ik ook door de profeten en door de wijzen en door de geleerden over alle dingen. Alle koninkrijken ter wereld gezamenlijk schitteren in mij door de gerechtigheid van God; want ik ben een spiegel van God, omdat ik ook in alle voorschriften van God stralend te zien ben.

 

 

Aldus spreken ongeloof en geloof. Het fragment begint met de sinistere tekening van het ongeloof in de vorm van een in het zwart gehulde manspersoon die op het eerste gezicht doet denken aan een hoofdpersoon uit een eigentijds derderangs horrorverhaal: allemaal zwarte ogen en één oog dat, op zijn voorhoofd, als het ware bliksemend oplicht. Je kunt erbij griezelen.

En dat is nu precies de bedoeling van Hildegard. De griezel is het symbool van het ongeloof. Hij lijkt veel ogen te bezitten. En dat middeleeuwse beeld kennen we ook uit het werk van Hildegard waar ogen wijzen op wijsheid. Denken we maar aan het visioen uit Scivias. In dat visioen was God volledig met ogen bezaaid. God als zetel van de Wijsheid, de Sapientia.

Maar de ogen van deze figuur zijn zwart en zij zijn als zodanig dus geen tekenen van het licht, maar van de duisternis; de figuur kan er, in zijn ongeloof, niet mee zien. Er is slechts één oog dat af en toe wat flikkerend oplicht en dat weliswaar iets kan zien. Het oog kan kennelijk niet het ware en het goede onderscheiden omdat het niet het licht van het geloof in zich heeft.

De cycloopachtige figuur is een rationalist, een ongelovige thomas, die alleen in dat gelooft dat hij met zijn zintuigen kan waarnemen. Hij moet kunnen aanraken, voelen en zien en zal nimmer aanvaarden dat het goddelijke de wereld overstijgt.

De in het zwart geklede griezel doet met zijn staf ook denken aan de duivel en aan de dood en hij wordt door het geloof uitgemaakt voor al wat mooi en lelijk is. Hij verwerpt de signalen van zijn geweten, dat immers de mens de paden naar het goede zou moeten wijzen. Hij blijft in de duisternis van het ongeloof omdat hij ervan uitgaat dat het denkvermogen van de mens alleen zaligmakend is, terwijl dat slechts één aspect is van het menselijk deel van de ziel.

Hildegard wijst erop dat geloven betekent dat de mens moet vertrouwen in de Schrift, in het Woord van God. Wie leeft en streeft volgens Zijn geboden en voorschriften zal in het licht mogen leven en verwachtingsvol mogen sterven.

Hildegard speelt in deze tekst met de antithese licht en donker. Wie het hemelse licht wil ervaren zal de duisternis van de werkelijkheid moeten trotseren en zal moeten durven loslaten. De gelovige gaat op zoek naar het licht van de Eeuwige achter de duisternis en wordt daarbij geleid door de engelen, de profeten en de priesters van de goede soort.

Wie God wil zien, aanraken en ervaren zal het dwaallicht van de menselijke rationaliteit moeten loslaten en daar is durf voor nodig. Het woord dat Hildegard gebruikt voor geloof is ‘fides’ wat samenhangt met het werkwoord ‘fidere’ dat ‘vertrouwen’ betekent. Hildegard plaatst God in de vertrouwenspositie, omdat zij gelooft dat God Zijn Woord gestand doet. Zij heeft het gedurfd door de duisternis heen te vechten en daardoor ervaart zij het Levende Licht.

 

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Vijfendertigste miniatuur : laatste visioen van het derde boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vijfendertigste miniatuur: Laatste visioen van het derde boek

.

.

 

Scivias%20T%2035_Boek%20III,13

.

.

.

.

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Vierendertigste miniatuur : dertiende visioen van het eerste boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

Museum – Hildegard von Bingen

 

 

 

 

Vierendertigste miniatuur: Dertiende visioen van het eerste boek

 

 

Scivias%20T%2034_Boek%20III,12

 

 

 

.
.
.
.
.
.
.
.

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Drieëndertigste Miniatuur : twaalfde visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

.

.

.

.

Drieëndertigste Miniatuur: Twaalfde visioen van het Derde Boek

 

 

.

.

Scivias%20T%2033_Boek%20III,12

 

 

.

De elementen zullen door elkaar geworpen worden en al het sterfelijke blaast de laatste adem uit. Men ziet hoe op het trompetsignaal van de engel de doden verrijzen voor het oordeel van de verheerlijkte Mensenzoon. Miniatuur 33 is zeer traditioneel van opzet. Wat deze miniatuur echter plaatst in de rij van de voorafgaande afbeeldingen is het overvloedig gebruik van het metaal zilver. Opvallend is dat de banderollen onbeschreven zijn gebleven.

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Tweeëndertigste Miniatuur : elfde visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie ; Hildegard Von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweeëndertigste Miniatuur: Elfde visioen van het Derde Boek

 

 

.

Scivias%20T%2032_Boek%20III_11

.

.

.

 

Vier miniaturen verluchten de laatste visioenen van het boek Scivias. Het zijn het elfde, twaalfde en dertiende visioen die gaan over het einde der tijden, de Wederkomst van Christus, het Laatste Oordeel en tenslotte de Hemelse Glorie.Miniatuur 32 is wel een van de merkwaardigste van alle 35 illustraties. Men beziet dit met een zekere huiver.

In de linkerbovenhoek zijn de vijf apocalyptische beesten weergegeven welke Hildegard vanuit het noordoosten ziet oprukken. De dieren zijn een hond, een leeuw, een paard, een varken en een wolf. Uit hun bekken komen donkere koorden die in het Westen aan de vijftoppige heuvel zijn vastgemaakt.

Een merkwaardige voorstelling, die velen in de middeleeuwen fascineerde. Elk van de vijf dieren verzinnebeeldt één van de tijdperken die nog moeten komen in de geest van de toekomstvoorspelling in het Boek Daniël. Daarom zijn deze dieren afgebeeld tegen een achtergrond van zilver, het beeld van de almacht van God en van Zijn Alwetendheid en Voorzienigheid.

Dit alles immers vraagt van ons een geest van geloof. Vooral de hier afgebeelde toekomstvoorspellingen van Hildegard hebben door de eeuwen heen een grote invloed gehad. In de middeleeuwen zijn deze voorspellingen veel geraadpleegd vanuit een veel verspreid handschrift ‘de Pentachronon’ of het Vijftijdenboek. Dit boek was in 1220 samengesteld door Prior Gebenon van Eberbach uit verschillende geschriften van Hildegard. Het bezorgde Hildegard de titel van Profetes.

Rechts bovenaan zien we weer de Mensenzoon gezeten in het Oosten waar de muren van het hele gebouw samenkomen. Maar op het einde der tijden zien we Hem volledig met op zijn schoot een muziekinstrument dat op een lier gelijkt. Volgens de tekst wijst dit op de vreugdezang die de heldhaftige martelaren doen weerklinken, als zij, vervolgd door de antichrist, hun leven geven voor de Heer.

De onderkant van de Christusfiguur is wel zichtbaar maar donker van kleur. Dit wijst op de donkere tijd van de antichrist, wanneer veel gelovigen door hem tot afval verleid worden. Waarom Christus hier met een boek in de hand is voorgesteld, is niet uit de tekst op te maken. Het is de vrijheid van de miniaturist om Christus hier met de Bijbel uit te beelden, zoals we Hem kennen van de mozaïeken in de basilieken der eerste eeuwen.

Nu verschijnt in de benedenhelft van de voorstelling de verheerlijkte Kerk, zoals we haar kennen van de miniatuur twaalf. Maar tot onze schrik baart zij een afschuwelijke monsterkop met ezelsoren, terwijl haar onderlichaam hevig gewond is. We hebben gezien dat bij de opbouw van het kasteel alle uitwendige verdedigingswerken tegen de duivel in het Noorden waren gericht en dat de Kerk onoverwinnelijk leek.

Maar nu zien we hoe de Kerk van binnenuit bedreigd wordt. Op het moment dat de laatste muur van het Zuiden naar het Oosten afgebouwd wordt, heeft ook de laatste en tevens de gevaarlijkste aanval op het geloof van de Kerk plaats en wel vanuit de gelovigen zelf.

Hier grijpt Hildegard terug op het kerkbeeld van het tweede boek van Scivias en wel op dat van de bruid. Thans baart zij echter geen kinderen door haar mond tot het eeuwig leven, maar brengt zij langs natuurlijke weg de afschuwelijke antichrist ter wereld.

De enige hoop die ons voor de toekomst van de Kerk overgelaten wordt, is dat de voeten van de vrouw weer stralen van verblindend licht. Dat is de kracht van het geloof (hier weer door zilver aangeduid) waarop de bruid van Gods Zoon gegrondvest is en overeind blijft staan. De antichrist zal in overmoed en tot grote verbazing van de mensen opstijgen tot de hoogste bergen om te trachten de hemel te bestormen.

Maar een vuurstraal uit de hemel doet hem op aarde neerstorten. Alles samen een vreselijke voorstelling waaruit de oerangst van de middeleeuwen voor de laatste tijden duidelijk naar voren komt. Hildegard veroordeelde op krachtige toon het zedelijke verval, dat in haar tijd in de kerk al zichtbaar werd. Haar werd in een visioen duidelijk getoond waaruit dit verval in de eindtijd van het huidige tijdperk zou bestaan.

De kerk zou een zedelijk verval krijgen door perverse seksualiteit. We zien het zwarte monster dat door de kerk zelf wordt gebaard en zich betekenisvol ‘in haar kruis’ bevindt. Op verschillende plaatsen in de literatuur wordt over de vijf dieren geschreven die vijf tijdperken vertegenwoordigen.

 

 

 

hildegard-einde-der-tijden-2

 

 

 

De tijd van het ‘zwarte monster’ is onze tijd, waarin het zedelijke verval en het onvermogen tot zelfkritiek van de Rooms-Katholieke Kerk onverbloemd tot uiting komt.

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Eenendertigste Miniatuur : tiende Visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegar Von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

Eenendertigste Miniatuur: Tiende Visioen van het Derde Boek

 

 

 

Scivias%20T%2031_Boek%20III,10

 

 

 

Hier gaat het om de voltooiing van de Stad Gods en van het geestelijke leven in de mystieke beschouwing. Als alle heiligheid verwezenlijkt zal zijn op aarde en de wereld tot voltooiing is gekomen in het zuiden, waar God in het paradijs de eerste mens schiep, neemt de Mensenzoon (dezelfde als die van de eenentwintigste miniatuur) het woord. Hij zegt:

“De Zoon van de levende God, geboren uit de Maagd, regeert zonder tegenspraak in die harten, die ontstoken door de H. Geest streven naar de volle geheimen van de ongeschapen diepten.”

De tekst van het tiende visioen luidt:

“Voor de troon van de Mensenzoon, die zich nog steeds niet ten volle heeft geopenbaard, staan drie deugden en wel de Stadigheid (Constantia), het Hemelsverlangen, (Caelestis desiderium) en de Rouwmoedigheid des Harten (Compunctio Cordis).”

Onder deze drie, die feitelijk een drieëenheid vormen, verschijnt van ons uit gezien links, de Verachting der Wereld (Contemptus mundi) en rechts de Eendracht (Concordia) tussen God en mensen. Rustig de beelden en kleuren bestuderend en luisterend naar wat Hildegard over deze deugden zegt, kunnen we ontdekken wat voor onze mystica de hoogste toppen van het geestelijk leven betekenen.

De figuur die we bovenaan in een rood gewaad (de tekst zegt: in purperen tunika) op een troon gezeten zien, is het Mensgeworden Woord. Achter Hem op een hoge zuil en voor ons onzichtbaar zit de Lucidens Sedens (vgl. miniatuur 19).

De wederkerende Christus op de Oosthoek van het gebouw zagen we op miniatuur 21 en evenals daar is de onderste helft van Christus nog niet geheel geopenbaard: het einde der tijden is nog niet gekomen. Christus zit in een zetel boven op zeven witmarmeren treden, hier weergegeven door blauw met wit geaccentueerd.

Het kleed van de middelste der drie Godskrachten vóór de Troon, de stadigheid, is evenals de marmeren treden blauw met wit. In beide gevallen wijst dit blauw op helder glanzend wit. Volgens de tekst draagt zij ook een witte mantel. Deze is hier bij wijze van tegenstelling groen.

Dezelfde kleur vertoont het gewaad van de deugd aan haar rechterhand ‘het hemelse verlangen’. Van de derde deugd de Rouwmoedigheid des harten wordt gezegd dat zij witte haren heeft en deze worden door gewoon wit aangeduid.

Het was voor de miniaturist een moeilijke opgave om al die van blankheid stralende deugden toch duidelijk aan te geven omdat de nuances in het wit voor Hildegard wijzen op de karakterverschillen van deze drie deugden. Zo zegt Hildegard dat al deze gestalten in witte tunieken zijn gekleed, daar zij allen in de verblindende witheid van goede werken wandelen.

Maar dan beschrijft zij het onderscheid in goede werken en verklaart zij dat de Rouwmoedigheid geen witte maar een wat matkleurige tuniek draagt. Wenend en klagend schermt zij zich af tegen alle verkeerde invloeden. Het komt er op aan dat de juiste houding is standvastig en met grote rouwmoed in ons hart naar de komst van de Heer te verlangen.

Merken we wel op dat deze deugden overeenkomen met de deugden die God ons voorgehouden heeft in de toren van Gods raadsbesluit. Daar (miniatuur 22) zagen we als eerste de Liefde tot het hemelse, hier het hemelse begeren. Op de tweede plaats de Bescheidenheid, hier de Rouwmoedigheid des harten en tenslotte de Victoria, die hier terugkeert in de Stadigheid of Constantia: de volhouder wint.

Verder zagen we in miniatuur 22 nog de Disciplina en de Misericordia. Ook deze twee door God voorziene deugden komen hier in de voltooiing terug. Het zijn onderaan de Contemptus Mundi (de verachting der wereld) wat hetzelfde is als de Disciplina en de Concordia (de eendracht tussen God en mensen) wat men de voltooide vorm van de Misericordia mag noemen.

We willen nog even aandacht schenken aan de wijze waarop de Contemptus mundi en de Concordia door Hildegard zijn aangevoeld en uitgebeeld. In een zilver rad zien we de buste van een deugd in een donker kleed met een bloeiend takje in de hand. Dit illustreert de uitleg van het tiende visioen.

Aan de noordkant van de Gezetelde verscheen in een rad een deugd die in haar rechterhand een groen takje droeg. Dit rad draaide voortdurend rond, maar het beeld bleef onbeweeglijk staan (zij maakt immers deel uit van de deugd Constantia). En in de omtrek van dit rad stond geschreven:

“Indien iemand Mij dient, dat hij Mij volge en waar Ik ben daar zal ook mijn dienaar zijn” (Joh. 12).

Daarop wijst het zilver in het rad. Het is de macht Gods die de mens uitnodigt Zijn Zoon te volgen.

Dit rad van de goddelijk macht is precies hetzelfde lichtende rad, dat we in de visioenen één en twee van het derde boek over de opbouw van de Stad Gods, van Gods voeten hebben zien uitgaan. Daarin bevindt zich de berg waar de stad van de Zoon Gods opgebouwd wordt.

In miniatuur 21 zien we dat stralende rad rondom de hele plattegrond van de Stad Gods draaien. De contemptus mundi beantwoordt dan ook de uitnodiging van God zijn Zoon te volgen in het opbouwen van de stad. De Heer heeft in de Apocalyps gezegd:

“Wie overwint, hem zal ik van de boom des levens te eten geven, die in het paradijs van mijn God staat.”

Daarom draagt de Contemptus mundi een vruchtdragend takje in de hand.

Zo komen we bij de Concordia, hier voorgesteld in een blauwwit gewaad met aan weerszijden een grote vleugel. Als de ziel op de hoogste top van het geestelijk leven in volmaakte standvastigheid leeft, wendt zij zich naar het Zuiden, symbool voor heel de verloste mensheid. Zij is vrij van alle haat en nijd en brengt verlichting en helderheid in alle gelovige harten.

De vleugels wijzen erop dat de ziel, ondanks het feit dat zij in volmaakte rust leeft, toch haar vleugels uitstrekt over alle wederwaardigheden die de gelovigen moeten ervaren en dat de reikwijdte van haar liefde groter is dan de duur van al de nog komende geslachten.

 

Nu de laatste deugd de Concordia zich met vleugels vertoont, willen we terug kijkend zien welke deugden nog meer met vleugels zijn afgebeeld.

 

Miniatuur 27 toont ons de Pax met twee vleugels.

Op miniatuur 2 staat de Albeheerser met twee grote vleugels, wat volgens de uitleg wijst op de onuitsprekelijke Gerechtigheid in de uiteindelijke zegepraal van de onuitgesproken Wijsheid.

Miniatuur 5 toont ons de mens die ontsnapt aan alle moeilijkheden hem door de duivels berokkend en die gedragen door twee vleugels, op de top van het geestelijk leven komt.

Miniatuur 9 beeldt alle engelen met vleugelen af.

Ook op de 16de miniatuur zien we de engelen met vleugels boven de Eucharistie.

De Zelus dei staat op de 2lste miniatuur met drie vleugels afgebeeld.

Tenslotte tonen de 33e en 35e miniatuur engelen met vleugels.

 

 

Vleugels wijzen op zorg voor anderen.

 

God is bezorgd voor ons. De Zelus Dei tracht met de vleugels het gevaar weg te jagen. Men kan alleen vrede met anderen hebben, als men zorg heeft voor zijn naaste. De Concordia, zegt de tekst, draagt vleugels omdat zij evenals de Schepper aan alle mensen denkt.

Zo ontdekt men de gedachtenwereld van Hildegard door alle beelden die in feite begrippen zijn, naast elkaar te leggen. Hier kunnen we het slot aanhalen van het tiende visioen, omdat daar de samenvatting gegeven wordt van heel de bouw van het kasteel.

“Aldus, gelijk in beelden getoond is, werkt God van het Oosten naar het Noorden en van het Westen naar het Zuiden, waar Hij door Zijn Zoon uit liefde voor de Kerk, alles wat voor de schepping van de wereld voorbestemd was, tot zijn verwezenlijking leidt, en de nieuwe dag laat stralen. God immers heeft dit werk van Hemzelf met de voornoemde torens en deugden in mystieke betekenis bevestigd en versierd, om dan dit werk in de grootste volmaaktheid volledig naar zich terug te voeren.”

In Noach is na de val van Adam de rechtvaardigheid van het juiste handelen aangeduid. Deze rechtvaardigheid streeft naar de nieuwe dag, omgeven als zij is door de vele wonderdaden welke God in de verschillende opeenvolgende tijdperken heeft getoond. In Noach openbaarde God de voorbereiding, in Abraham en Mozes de eerste openbaring en in Zijn Zoon de verwezenlijking.

Het stond vóór alle tijden in het hart van de hemelse Vader vast, dat Hij Zijn Zoon op het einde der tijden tot heil en verlossing van de gevallen mens in de wereld zou zenden. Deze Zoon is geboren uit de Maagd en Hij heeft alles wat de Ouden, vervuld van de H. Geest, voorzegd hebben op volkomen wijze volbracht.

Dit lijkt op de beweging van een mensenarm, die zich eerst tot een werk buigt en dan de hand kan laten werken. Volgens een rechtvaardig oordeel van God werd de Rechtvaardigheid samen met Adam uit het land van Eden gezet. Maar de Rechtvaardigheid begon zich in Noach opnieuw te bewegen, gelijk de eerste beweging in het schoudergewricht.

Vervolgens ontwikkelde de Rechtvaardigheid zich in Abraham en Mozes gelijk de arm zich meer gaat bewegen door middel van de elleboog.

Toen ging de Rechtvaardigheid verder naar het volmaakte werk in de Zoon Gods, door Wie alle tekenen en openbaringen van de Oude Wet tot een duidelijk werk voltooid zijn. In Hem zijn ook alle godskrachten of deugden openbaar gemaakt. Dit lijkt op de hand met zijn vingers, die het werkstuk waarmee ze bezig is tot volmaakte afwerking voert.

“Op deze wijze volbreng Ik mijn werk tot mijn glorie en tot jouw beschaming, o duivel. Tegen jou is mijn krachtige arm gericht om datgene wat in het Noordoosten, in het Noorden en in het Westen staat opgesteld te overwinnen. Bovendien biedt mijn bouwwerk jou ook weerstand volgens de loop van de zon, dat is van het Oosten naar het Zuiden, om jou dan in het Westen neer te stoten. Zo zie je jezelf naar alle kanten in verlegenheid gebracht, want in mijn Kerk volbreng Ik tot je ondergang, misvormde verleider, het werk der gerechtigheid en heiligheid en wel zodanig, dat jij, die eigenlijk getracht hebt mijn volk verloren te laten gaan, geheel overwonnen ten onder gaat.”

Deze slottekst bevestigt volledig de zin van het gehele kasteel, zoals we die in de onderdelen ontdekt hebben.

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Dertigste Miniatuur : negende visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dertigste Miniatuur: Negende visioen van het Derde Boek

 

 

Scivias%20T%2030_Boek%20III,9

.

.

.

De dertigste miniatuur is voor Hildegard heel belangrijk geweest, want opnieuw heeft zij de miniaturist opgedragen er een hele bladzijde aan te besteden.

Aan de rechterkant kant zien we de bouw van een hoge toren. Deze toren is de Kerk en de bouwers zijn de gelovigen. Boven op de toren zien we vier gelovigen stenen neerleggen. Tegen de toren is een brede ladder geplaatst waarop wij een groep in rode gewaden zien, de martelaren, en een groep in het groen, de belijders.

Merkwaardigerwijze volgt de miniaturist niet de tekst die spreekt van gelovigen op de ladder in witte kleren met zwarte schoenen. Sommige onder hen, zegt Hildegard, overtroffen de anderen in grootte en glans. Daarom zouden de vier in rode gewaden deze geloofshelden voorstellen.

Aan de buitenzijde van de toren bevinden zich zes druk bewegende mensjes. Zij zijn de gelovigen die ondanks hun roeping de opbouw van de Kerk tegenwerken. We zien hoe één van hen zelfs het bruiloftskleed uittrekt dat hem aangereikt werd door de engelen, toen hij het kasteelplein betrad door de poort aan de Noordkant.

De gelovigen die de Kerk opbouwen hebben de medewerking van een groep van vier Godskrachten. Deze zijn groot uitgebeeld aan de linkerkant. Het is de Wijsheid, die op een voetstuk staat van zeven zuiltjes en geflankeerd wordt door de Justitia, de Fortitudo en de Sanctitas. We volgen nu de tekst van SCIVIAS:

“In het midden van het gebouw, zag ik een sokkel van zeven zuiltjes, en daarbovenop een schone gestalte: de Sapientia. Haar hoofd straalde als de bliksem en daarom is zij hier voorgesteld met een zilver hoofd. Zij was getooid met een gouden gewaad.”

We hebben reeds twee deugden ontmoet, n.l. de Castitas in miniatuur 29 en de Veritas in miniatuur 27. Zij dragen volgens de tekst gulden gewaden , maar zijn door de miniaturist in een geel kleed geschilderd. Het metaal goud is in de miniaturen zoveel gebruikt om de heiligheid in de hemelse sfeer aan te duiden, dat de kunstenaar moest uitzien naar een gewone kleur om het gouden gewaad weer te geven.

We zien op de miniatuur dat rondom de Sapientia op de sokkel zich gelijkvloers drie godskrachten bevinden. Het dichtst bij de Sapientia staat de Justitia. Zij werd door Hildegard als enorm groot beschreven, zodat zij over het gehele gebouw kon heen zien. Haar verschijning was verblindend wit, daarom dat de miniaturist deze deugd helemaal in het metaal zilver uitbeeldde.

In haar hand houdt zij een lange banderol, wat er op wijst dat deze deugd een lange toespraak houdt. Op deze niet beschreven banderollen komen we bij de bespreking van de miniaturen 33-35 terug. Dan blijven er nog twee andere godskrachten over, n.l. de Fortitudo en de Sanctitas. De Fortitudo kennen we reeds van de miniaturen 22 en 23. De harnassen vertonen grote overeenkomst.

Het enige verschil is dat de Fortitudo aan het begin van de bouw (miniatuur 22) het zwaard nog niet heeft getrokken. Bij de bouw der Kerk op het einde der tijden heft de Fortitudo fier zijn wapen omhoog. De Sanctitas verschijnt met drie hoofden, hetgeen de kunstenaar de ondankbare opdracht bezorgde een artistiek minder geslaagde figuur ten tonele te moeten voeren.

Twee hoofden in het zilver en een derde in een bleke witachtige kleur. Het middelste hoofd draagt op zijn hoofd de naam Sanctitas en zegt als verklaring: “Ik ben geboren uit de deemoed en deze heeft mij grootgebracht; mijn moeder, de deemoed, overwint alle tegenstand.” Het tweede hoofd noemt zich “wortel van het goede” en verklaart, dat het uit God zelf stamt.

Het derde hoofd met het bleke gezicht geeft zichzelf als naam “onvergeeflijk voor zich zelf”. Het heft een klaaglied aan dat het als schepsel zo weinig bijdraagt aan het goede. Het toont zijn goede wil doordat het de aanvechtingen van de duivel tracht te overwinnen.

We ontmoeten hier dus wel een heel merkwaardige voorstelling van de uiteindelijke heiligheid van de Kerk. Zij houdt het midden tussen de goddelijke en de menselijke inbreng, maar alleen de deemoed kan deze moeilijke verbintenis met succes bekronen. Deze zelfde drieëenheid zullen we tegenkomen in de volgende miniatuur.

In dit dertigste visioen maakt Hildegardis duidelijk wat zij onder mannelijk en vrouwelijk verstaat.

Bij de beschrijving van de Godskracht Sanctitas zegt zij:

“De heiligheid is met zulk een glans van de goddelijke genade overgoten, dat de diepte van haar mysterie ver boven het begrip van de mens uitgaat. Door de zwaarte van de sterfelijkheid kan de ziel noch haar vrijheid in Christus, de mannelijke vorm, noch haar onderwerping aan Hem, de vrouwelijke vorm, doorschouwen.”

Hildegard wijdt nog veel verder uit over het karakter van deze drie belangrijke deugden naast de Wijsheid Gods. Een uitsluitend in beelden vervatte uitleg van alle mysteries rondom de opgang van het geestelijk leven zowel in de Kerk als geheel valt ons moeilijk te begrijpen.

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA