Tagarchief: pelgrim

Waarom zwijgen in onze tijd ?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

.

Waarom zwijgen in onze tijd?

 

Meestal wordt het zwijgen in onze tijd eenzijdig geïdealiseerd door mensen die er wel naar verlangen, maar er geen ervaring mee hebben. Aan hun lofzang ontbreekt één aspect dat de monastieke traditie steeds opnieuw benadrukt: het zwijgen stelt eisen aan ons, is een opgave om aan onszelf te werken en onszelf daardoor te veranderen. Deze geestelijke opgave vergt inzet van de héle mens. Zwijgen betekent voor de monnik vooral het inoefenen van wezenlijke morele grondhoudingen, een oproep zijn egoïsme te bestrijden en zich voor God open te stellen. Hij zal minder de nadruk leggen op het zwijgen als ontspannings- of meditatietechniek.

Wij moeten ons ervoor hoeden teveel onbewuste wensen in onze lofzang op het zwijgen te projecteren. De monnik zal het zwijgen nooit als het enige middel op de geestelijke weg verkondigen, maar altijd in samenhang zien met andere onmisbare disciplines van de geestelijke weg: bidden, mediteren, het open leggen van zijn gedachten voor zijn geestelijke begeleider, werken, vasten, aalmoezen geven, gastvrijheid en liefde voor zijn mede-broeders.

 

 

shhzwijgen

.

 

 

I. Zwijgen als strijd tegen zonde en ondeugden

.

Het zwijgen is voor de monnik een middel om reinheid van het hart en rechtschapenheid te verwerven. Maar in eerste instantie dient het zwijgen ertoe de vele zonden te vermijden die met de tong begaan worden.

 

.

1. Gevaren van het praten

.

De ervaring van monniken leert dat de vier belangrijkste gevaren van het spreken zijn:

.

1) Het gevaar van nieuwsgierigheid

Nieuwsgierigheid brengt verstrooiing, maakt dat een mens zich met allerlei dingen bemoeit. Zo wordt hij ‘uitgegoten’, leeg en oppervlakkig. In zo’n mens kan niets tot rijping komen.

Verder bestaan er mensen die niets voor zich kunnen houden, alles er direct uitflappen. Zij kunnen niet met een geheim omgaan, praten het met hun woorden kapot, zodat zij er nooit dieper in zullen doordringen. Hierin uit zich een angst voor het geheim, en misschien uiteindelijk wel voor God. Door te praten hopen zij alles benoembaar, en daarmee beheersbaar, te maken.

 

.

2) Het gevaar van het oordelen over anderen

Zelfs wanneer we positief spreken over anderen duwen we ze in hokjes of vergelijken hen met onszelf. Het praten over anderen is vaak in feite een spreken over onszelf en wat ons bezighoudt, zonder dat we ons dat bewust zijn. Zo wordt eerlijke zelfkennis bemoeilijkt, want door te focussen op anderen vermijden we dat naar onszelf zouden kijken.

 

.

3) Het gevaar van eigenroem

Spreken kan een uitermate ijdele bezigheid zijn, waarin men voortdurend de schijnwerpers op zichzelf richt, om zo voldoende erkenning, misschien wel bewondering, te krijgen, en om serieus genomen te worden.

 

.

4) Het gevaar van nalatigheid in innerlijke waakzaamheid

Een vaderspreuk [spreuk uit het milieu van de eerste woestijnmonniken in Egypte, vanaf einde 3e eeuw n.C.] hierover:

Abbas Diadochos zei: ‘Zoals voortdurend openstaande deuren van een bad zeer snel de warmte van binnen naar buiten stromen laten, zo laat hij, die veel praat, ook wanneer hij goede dingen zegt, zijn “herinnering” (mnème) door de poorten van de stem vervluchtigen.’

De mnème (jezelf voortdurend Gods aanwezigheid voor ogen houden, her-inner-en) in deze spreuk duidt op het bij-zichzelf-zijn, het God-aankleven. In het spreken ‘vallen we steeds weer uit onszelf en uit ons midden’. Spreken heeft altijd iets dubbelzinnigs; zelfs al spreken we over goede dingen, er lijkt toch altijd op de een of andere manier een onzuivere toon in mee te klinken.

Deze ervaring hoeft ons niet neerslachtig te maken, wanneer we haar met de zekerheid verbinden dat God ons aanneemt zoals we zijn. We kunnen dan met gezonde humor naar ons eigen spreken kijken. Dit werkt bevrijdend, omdat we daardoor het ideaalbeeld van onszelf waaraan we zo krampachtig vasthielden, steeds meer los kunnen laten. We mogen dan zijn wie en zoals we zijn, en de ervaring van ons dubbelzinnige spreken wordt tegelijkertijd de ervaring van Gods liefde en vergeving.

 

.

 

2. Zwijgen als weg tot zelfontmoeting

.

Positieve kant van zwijgen: het is een middel tot zelfontmoeting. Vaak zijn we op de vlucht voor onszelf, en zijn daarom niet graag alleen. Wanneer we toch alleen zijn, hebben we een of andere bezigheid nodig om ons af te leiden. Zwijgen is daarom niet alleen niet praten, maar ook alle mogelijkheden opgeven om ons van onszelf af te leiden, en het met onszelf uit te houden.

Er blijken dan vaak onaangename gedachten, gevoelens en stemmingen naar boven te komen, die we voorheen wisten te onderdrukken, etc. We worden geconfronteerd met onze eigen innerlijke chaos van gevoelens en gedachten. Daarom zijn volgens woestijnvaders begeleiding door een geestelijk leidsman onontbeerlijk. Dit is dan een gelegenheid om door het uitspreken van de meest intieme gedachten en gevoelens met eigen spanningen in het reine komen.

Maar naast spreken kan ook zwijgen soms therapeutisch werken. Zo wordt het gevaar vermeden van cultiveren van de eigen problemen, door er te vroeg of voortdurend over te praten, zonder er wat aan te doen. Zwijgen kan bijv. helpen afstand te winnen tegenover een eigen opwinding of ergernis, zodat de mens zichzelf en zijn reacties kan leren kennen, i.p.v. ze direct op anderen af te reageren. Hij kan dan analyseren in hoeverre zijn ergernis terecht is, of dat er een opgeblazen ego uit spreekt.

Samengevat: zwijgen kan een mens helpen distantie t.o.v. zichzelf te winnen.

Een andere therapeutische functie van zwijgen kan zijn dat het ordening aanbrengt in de chaos van onze emoties en agressie. Wanneer we heftige emoties hebben, worden die door het uiten vaak versterkt. Een mening over een ander die we uitspreken, kan zich juist door dit uitspreken des te meer vastzetten bij ons. Zwijgen is in dit geval geen wegslikken van emoties, maar de gelegenheid nemen om ze te verwerken en om te beoordelen of het goed is ernaar te handelen. Voorwaarde voor een gezonde omgang met het zwijgen is dat we altijd onderzoeken wanneer het op zijn plaats is, en wanneer niet. Zodat ik bijv. niet zwijg uit verbeten trots en het voornemen mijn problemen alleen op te lossen, of zwijg terwijl het beter zou zijn een ander op de gevolgen van zijn gedrag te wijzen.

De woestijnvaders [eerste woestijnmonniken in Egypte, vanaf einde 3e eeuw n.C.] hechtten vooral veel belang aan het zwijgen in situaties waarin men een ander de fout in zag gaan. Zo wordt de neiging een ander te veroordelen beheerst, en geven zijn fouten ons gelegenheid de eigen tekortkomingen te onderzoeken. Een woestijnvader drukt dit als volgt uit: “Wanneer je iemand ziet zondigen, bidt dan tot de Heer en zeg: ‘Vergeef me, want ik heb gezondigd.'” Op deze manier vermijden we de projectie van eigen fouten in een ander. Zwijgen als afzien van oordelen, innerlijk en uiterlijk, is een zeer wezenlijk motief voor de monnik. Zo wordt onze neiging onszelf voortdurend met anderen te vergelijken afgeremd, wat ons innerlijke rust kan geven. In het zwijgen richten we de blik op onszelf, i.p.v. op een ander. We weten immers vaak niet welke omstandigheden ertoe geleid hebben dat hij zich op een bepaalde manier gedraagt.

Het niet (ver)oordelende zwijgen kan voor een ander genezend werken. Hij wordt niet aan een hard oordeel onderworpen, maar bejegend met een aanvaardbare liefde, die weet heeft van de eigen zwakheid.

 

 

 

3. Zwijgen als zege over de ondeugd

.

Gedachten die ongecontroleerd opstijgen wanneer we nergens door afgeleid worden, bijv. bij inslapen, tonen duidelijk hoe het met ons innerlijk gesteld is. De oude monniken gebruikten deze gedachten om te onderzoeken of ze in de ban waren van één van de acht hoofdzonden: brasserij, ontucht, hebzucht, treurigheid, toorn, lusteloosheid, eigenroem, trots. Innerlijk zwijgen – daar staat het in het monastieke leven uiteindelijk op gericht – is pas mogelijk wanneer deze zonden overwonnen zijn. Anders blijven in ons innerlijk onophoudelijk ‘stemmen’ klinken: onze onbevredigde begeerten, emoties en stemmingen die niet in evenwicht zijn, ijdelheid, roemzucht, etc.

Zwijgen is een actief middel in de strijd tegen de acht verkeerde attitudes. Bijvoorbeeld: niet direct toegeven aan opkomende woede, maar hem de kans geven weer tot bedaren te komen. Wezenlijk is, dat het uiterlijke zwijgen altijd beantwoordt aan een innerlijk zwijgen; het is namelijk ook mogelijk dat iemand zwijgt uit trots of een gevoel van gekrenktheid, waaraan hij innerlijk voldoening ontleent.

Behalve strijd tegen de ondeugden, is het zwijgen tevens teken van de overwinning erop. Enkel wie zijn verkeerde innerlijke attitudes heeft overwonnen kan werkelijk innerlijk zwijgen. Het volkomen innerlijke zwijgen zal in dit leven wel nooit helemaal bereikt worden, maar we kunnen er wel af en toe van proeven. De innerlijk zwijgende mens is een deemoedige mens omdat hij weet dat dit zwijgen een geschenk is. Hij kan zich enkel voorbereiden op het ontvangen ervan.

 

 

.

4. Het juiste spreken

.

Het spreken wordt door Benedictus (480-555/560) niet los van het zwijgen gezien. Het kan zijn dat iemand die uiterlijk zwijgt, innerlijk zeer drukke gesprekken aan het voeren is, en, omgekeerd, dat iemand die uiterlijk spreekt innerlijk zwijgt. Het gaat erom dat ons spreken het innerlijke zwijgen niet onderbreekt, maar uitdrukking daarvan is. De waarlijk deemoedige monnik kan men volgens Benedictus herkennen aan het feit dat hij, wanneer hij spreekt, maar weinige en bescheiden woorden gebruikt. Zijn woorden geven door wat de Geest hem influistert. Daarom heeft hij het niet nodig zich gewichtig voor te doen of hardnekkig aan zijn mening of verlangens vast te houden.

Hij stelt zichzelf niet in het centrum, omdat hij eerbied heeft voor de ander want eerbied is bij Benedictus nauw verbonden met deemoed. Eerbied laat de ander zijn zoals hij is en probeert hem niet met geweld te overtuigen of te veranderen. Evt. kritiek wordt deemoedig voorgehouden en de ander kan beslissen of hij er iets mee doet.

Benedictus hecht er verder aan dat een monnik ‘verstandig’ praat, d.w.z. vanuit een heldere blik op de dingen, die niet vertroebeld wordt door eigenbelang of door stemmingen. Tot dit spreken komt men doorheen het zwijgen, dat vele dingen in ons tot klaarheid laat komen. Alleen wie op deze manier vrij van zelfzucht en open voor anderen is geworden, kan een woord spreken dat de ander waarachtig goed doet. Zo iemand ‘spreekt vanuit de vreze des Heren’, d.w.z. heeft gevoel voor de aanwezigheid van Christus in de ander.

Samenvattend: zwijgen en spreken horen bij elkaar. Iemand die op de juiste manier weet te spreken valt in het spreken niet uit de concentratie en uit de openheid voor Gods aanwezigheid. In het spreken volhardt hij in deze openheid en geeft uitdrukking aan haar, zodat ook de anderen daaraan deel kunnen hebben. Het gaat Benedictus om de innerlijke houding van zwijgen, om zwijgzaamheid als gevoel voor Gods aanwezigheid en als geconcentreerd rusten in God.

 

 

horen-zien-zwijgen_1

 

.

 

II. Zwijgen als loslaten

 

“Het zwijgen kan vanuit verschillende gezichtspunten bekeken worden: als passief niet-praten, als innerlijke houding van concentratie, als strijd tegen verkeerde attitudes, en als de aktie van het loslaten.” 

 

Dit laatste is meer dan enkel niet-praten of niet-denken, het is een voortdurend actief loslaten van ons denken en spreken. Of iemand zwijgen kan blijkt niet uit de kwantiteit van zijn woorden, maar uit zijn vermogen tot loslaten. Want (vooral jonge) mensen kunnen aan het zwijgen zelf gehecht raken, als middel om zich af te schermen van de grote boze buitenwereld, zodat zijzelf, hun denkbeelden en dromen, niet aan kritiek kunnen worden blootgesteld. Het kan daarom voor mensen een heilzame ervaring zijn zich te blameren in hun spreken; zij worden zo gedwongen het geïdealiseerde en stichtelijke zelfbeeld dat zij zichzelf en anderen voorhouden, los te laten.

.

 

1. De methode van het loslaten

Men kan de gedachten en gevoelens die in het zwijgen opduiken bestrijden, om ze zo tot rust te brengen. Een andere methode bestaat erin ze los te laten, door ze niet zoveel belang toe te kennen. Men staat dan niet onder de prestatie-druk ze kwijt te moeten raken. De paradox is nu, dat ze vaak juist door dit onthechte waarnemen langzamerhand uit het bewustzijn verdwijnen. En in het geval dat dit niet gebeurt, dan nog zetten ze mij niet meer onder druk, omdat ik leef in het vertrouwen dat God mij aanneemt zoals ik ben, mét al mijn gedachten en gevoelens.

Niet alle gedachten en gevoelens hoeven losgelaten te worden, maar enkel diegene waardoor een mens gefixeerd raakt en welke innerlijke spanningen in hem creëren. Deze spanningen uiten zich ook lichamelijk. Deze spanningen kan men op verschillende manieren loslaten.

Een eerste methode begint bij het lichaam, door de uitademing naar de plek te leiden waar lichamelijke spanning gevoeld wordt. Deze methode heeft alleen zin, wanneer men tevens de innerlijke spanningen loslaat die aan de lichamelijke ten grondslag liggen.

De tweede methode bestaat erin direct de innerlijke spanningen los te laten, ze uit handen te geven aan God. Dat kan niet met op elkaar gebeten tanden, maar enkel door los te laten. Dit betekent vertrouwen op de liefde van God en zich niet meer door hoge idealen, als een vorm van eigen prestatie, tegen deze overgave beschermen. Dan zit men niet meer op de troon, met al zijn vrome idealen, inspanningen en geestelijke behoeften, en plant men ook niet meer zijn eigen geestelijke groei en rijkdom. De persoon geeft zichzelf uit handen, zodat Christus in hem heerst.

.

 

2. Zwijgen als sterven

Het begrip ‘loslaten’ als zodanig kent de monastieke traditie niet, maar de inhoud ervan wel. Ze gebruikt hiervoor twee beelden: dat van het sterven en dat van het pelgrimeren.

De mens die innerlijk wil zwijgen, moet worden als een lijk. Hiermee wordt bedoeld dat hij net als de doden ongevoelig is voor lof en voor onrecht hem aangedaan door mensen. Zo leeft hij in de wereld zonder er door beheerst te worden. Het kan een goede oefening zijn ons voor te stellen dat we in het graf liggen en te mediteren over alles wat we dan achter ons zouden laten: maskers, onechtheid, rijkdom, meningen etc. Deze gang door de dood maakt het ontstaan van nieuw leven in ons mogelijk.

 

.

3. Zwijgen als pelgrimage

In de Vaderspreuken worden zwijgen en pelgrimeren soms aan elkaar gelijk gesteld. Door te zwijgen trekt de monnik zich uit deze wereld en laat hij haar los. Hij ziet ervan af overal zijn commentaar op te geven, omdat de wereld door God gestuurd wordt. Een pelgrim vestigt nergens zijn tehuis, ook niet in de geborgenheid van woorden. Woorden scheppen verbinding met de wereld, tonen aan dat de mens er thuis hoort.

 

Uitgaan uit het vaderland duidt Cassianus als het loslaten van alle materiële goederen. M.b.t. het zwijgen betekent dit dat de mens de rijkdom van het woord loslaat. Dit zwijgen uit zich ook in armoede aan gedachten; men verliest zich niet in zijn fantasie, maar herkauwt slechts een paar woorden die voldoende zijn om van te leven. De monnik wordt zo een eenvoudig mens.

Uitgaan uit verwantschap is voor Cassianus uitgaan uit de vroegere levenswandel, uit gewoonten en ingesleten zondige attitudes. Het betekent ook een afscheid van vroegere gevoelens en affectiviteit, en daarmee van de mogelijkheid te vluchten in een geïdealiseerd verleden. Zo ontstaat er ruimte om zich te engageren met het heden en met de tegenwoordigheid van God daarin.

De uittocht uit het vaderhuis ziet Cassianus als volledig afgekeerd zijn van de wereld en enkel nog op het onzichtbare en Goddelijke gericht zijn. De monnik verliest dan elke herinnering aan deze wereld. Er kan geen vertrouwdheid met mensen ontstaan, men blijft een vreemde op deze aarde.

Hoe waardevol deze beelden ook zijn, men mag ze niet overdrijven. Het is niet de bedoeling dat de monnik een radicale haat voor de wereld of totale vlucht daaruit ontwikkelt. De juiste houding maakt het hem integendeel mogelijk alle dingen liefdevol te bejegenen, vanuit zijn verankering in God. Tenslotte: deze beelden duiden de opgave van elke mens aan, niet enkel die van monniken.

.

 

4. Zwijgen als vrijheid en gelatenheid

Wanneer we vanuit de vrijheid van het enkel God aanhangen zouden leven, zouden vele spanningen in ons dagelijkse leven opgeheven worden. We hoeven dan geen energie te verspillen aan eigen behoeften en wensen, of aan het verwerven van lof. De werkelijk zwijgende mens zwijgt ook in zijn daden, wat wil zeggen dat die zonder eigenbelang verricht worden. Zo kan het beeld van God in hem tot uiting komen, niet meer gehinderd door het ego.

 

 

des hommes et des dieux

 

.

 

 

III. Zwijgen als openheid voor God

.

 

1. Zwijgen als luisteren

Benedictus maakt onderscheid tussen silentium – de praktijk van het zwijgen – en taciturnitas, welke duidt op de innerlijke houding van zwijgen en de concentratie. De taciturnitas staat in dienst van het luisteren en van gehoorzaamheid. Bron van het zwijgen en van de gehoorzaamheid is de deemoed. Zowel het gehoorzamen als het luisteren hebben een verticale  en een horizontale component. De verticale is de gerichtheid op God en de horizontale is Gods gebod en woord worden bemiddeld via de andere mens.

Het zwijgen dient ertoe dat het doordrongen zijn van Gods tegenwoordigheid niet vervluchtigt. Het heeft dus een positieve betekenis: zichzelf-open-houden-voor, en eerbiedige aandacht. Het lichaam heeft deel aan deze openheid, kan het in Gods tegenwoordigheid gehuld zijn ervaren en in zijn gebaren tot uitdrukking brengen.

Het zwijgen dient tevens het gebed: enerzijds schept het een sfeer waarin dat kan gedijen, anderzijds bewaart het datgene wat in het gebed gegroeid is. Direct na het gebed spreken zou ertoe leiden dat we de vrucht ervan weer verliezen en de innerlijke houding van openheid voor God teniet doen. Zwijgen laat het gebed naklinken, zodat het in het hart bezinken kan. De intensiteit van het ervarene laat niet toe het weer te verdampen in de futiliteit van woorden.

 

.

 

2. Zwijgen als voltooiing van het gebed

De monastieke traditie kent een in vier fasen ingedeeld gebedsproces. Eerst spreekt God tot de mens via wat hij leest (lectio), waarop de mens met gebed (oratio) antwoordt. Een volgende fase is de meditatio, waarin de mens het gelezene in een geconcentreerd zwijgen op zijn hart in laat werken, zonder het te analyseren. Dit is een vervulde stilte, waarin de mens in Christus’ tegenwoordigheid verkeert en zich door Hem aangezien weet. Hij laat zich omvormen door deze blik.

De laatste fase op de weg van het gebed is de contemplatie (contemplatio). Dit betreft het bidden zonder beelden en gedachten, het bidden als een puur zwijgen voor God, een beeld dat in de monastieke gebedsleer steeds opnieuw terugkeert. Deze stilte, dit bidden is een geschenk van God en kan niet door een techniek verworven worden. Daarom moet de monnik er niet met ongeduldige verwachting naar uitzien maar zich enkel richten op de drie voorgaande fasen. Dit zijn de enige fasen die ‘geoefend’ kunnen worden.

Het thema van de stilte der contemplatie is vooral uitgewerkt door Evagrius Ponticus (345-399). Hij leert dat élke gedachte, élk gevoel en élk beeld ons van God afleidt. We blijven dan daarbij stil staan i.p.v. bij de ervaring van God zelf.

De scepsis van Evagrius t.o.v. elke beschrijfbare Godservaring leert ons niet al te gemakkelijk over Godservaring te spreken. “Vaak is ons bidden gedurende lange periodes enkel een vermoeden van volheid temidden van onze leegte.”  Het zwijgende bidden volgens Evagrius is een zwijgen dat ons overkomt, dat ons pijnlijk kan verteren of met vreugde vervullen, en dat ons alle beelden uit handen slaat. Dit zwijgen is ook voor monniken een uitzondering.

 

 

.

 

3d-gouden-pijl-5271528

.

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

 

 John Astria

John Astria

 

De verschijning van Maria in Tre Fontane

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Tre Fontane, Rome, Italië

 

 

tre f
 

Enkele eeuwen geleden is buiten Rome een beroemde Cisterciënzerabdij ontstaan. Zij heet nu San Paolo Tre Fontane, ‘St-Paulus van de drie bronnen.’ De grote Apostel Paulus werd er volgens een oude overlevering onthoofd en toen zijn hoofd driemaal op de grond viel ontsprongen er drie bronnen, die er nog steeds zijn. De abdij met haar oude donkere romaanse kerk zonder opschik, was vroeger een oase van rust buiten de stad.

Nu heeft Rome zich uitgebreid om haar heen. Niet ver van de kortste weg die toegang tot de abdij biedt is in 1947 een bedevaartsoord ontstaan. Het terrein voor de grot is nu tot een open plein gemaakt. In de grot staat een Mariabeeld en talrijke ex-voto’s hangen er in het rond. In deze grot is aan drie kleine kinderen en hun vader op 12 april 1947 de H. Maagd verschenen en op 6 en 23 mei aan de vader alleen.

 

 

Waarom Maria weent

Waarom Maria weent

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Het ging als volgt:

 

Op 9 mei 1913 werd te Rome, uit arme en weinig voorbeeldige ouders Bruno Cornacchiola geboren. Hij had twee broers en twee zusters en werd in een niet gelukkige jeugd onkerkelijk opgevoed. Op 7 maart 1936 huwde hij Iolanda Lo Gatto. Hij was eerst katholiek, maar “bekeerde” zich tijdens zijn verblijf in Spanje tot het protestantisme. Hij sloot zich aan bij de adventisten en begon het katholieke geloof te bestrijden.

Van 1936-1939 was hij als vrijwilliger actief in Spanje en keerde daarna terug naar Rome. Hij ging verder met het bestrijden van de Katholieke Kerk, in het bijzonder de leer over de H. Maagd Maria. Hij was tramconducteur en kreeg drie kinderen. In zijn huisgezin gingen de zaken niet al te best, tot de H. Maagd plots een omkeer teweeg bracht.

Op 12 april 1947, de zaterdag na Pasen, was Bruno met zijn drie kinderen, Isola (10), Carlo (7) en Gianfrancesco (4) een uitstapje gaan maken buiten Rome. Hij had naar het strand van Ostia willen gaan, maar had de trein gemist. Dan maar naar Tre Fontane, dat was niet ver buiten de stad. Hij was op dat moment bezig met het opstellen van een preek tegen de Heilige Maagd. Daar, te Tre Fontane speelden de kinderen met een bal, die op zeker ogenblik in het struikgewas was verdwenen bij een kleine, ondiepe grot.

Toen gingen Bruno en zijn jongste zoon de bal zoeken. Het was kort na 4 uur in de namiddag. Toen de vader hem na enige tijd riep en hij niet antwoordde, ging hij hem halen. Hij vond het kleine kind op de knieën voor de grot, de handen gevouwen (wat hij nooit had geleerd) en in een bewegingloze extase voortdurend herhalend: “Bella Signora! Bella Signora! (Mooie Dame!). Bruno was versteld en riep Isola en Carlo. Toen die bij hun kleine broertje kwamen vielen zij ook op hun knieën en herhaalden: “Bella Signora!…”

Bruno was volkomen verbaasd toen hij zijn drie kinderen in extase zag en bad vol schrik: ‘O signore, salvaci tu! (O Heer, wil Gij ons redden!). Wat er toen gebeurde wordt door Bruno zelf als volgt verhaald.

 

“Nauwelijks had ik “O Heer, red Gij ons” gezegd of ik zag plotseling twee zeer witte doorschijnende handen, die zich naar me toe bewogen. Daarop voelde ik dat deze twee handen, licht als de vleugels van een vogel, mijn ogen aanraakten en er als het ware een sluier van afnamen, die mij eerst had belet te zien. Toen werden mijn ogen door zulk een licht overstroomd, dat alles voor mij enkele ogenblikken verdween, kinderen en grot, en ik mij licht, etherisch voelde, als was mijn geest bevrijd van de stof.

In die toestand van vervoering hoorde ik mijn kinderen niet meer de woorden spreken ‘Bella Signora’. Toen ik na enkele ogenblikken van verblinding het gezicht terugkreeg, zag ik op de meest lichte plaats van de grot, omgeven door een krans van erg verblindend gouden licht – o verbijstering en ontroering voor onze arme menselijke natuur! – de gestalte van een paradijselijke vrouw, wier trekken en hemelse schoonheid diep in mijn ogen gegrift blijven, maar niet in menselijke woorden kunnen worden uitgedrukt.

De gestalte van deze hemelse Vrouw had zwarte haren, samengehouden op het hoofd en een weinig naar voor komend, voor zover de mantel van grasgroene kleur, die van het hoofd tot de voeten langs de zijden van haar afhing, het toelieten. Onder de groene mantel droeg zij een lichtend wit kleed en om de lendenen een roze gordel. De hemelse Vrouw droeg geen schoeisel en haar blote voeten stonden op de tufsteen.

Het gezicht van de mooie Dame had een uitdrukking van moederlijke welwillendheid, vermengd met serene droefheid; in de rechterhand droeg zij een niet al te groot boek van asgrijze kleur, dat zij tegen de borst hield, terwijl de linkerhand op het boek rustte.”

“Mijn eerste instinctieve aandrang was te spreken, een kreet te slaken, maar omdat ik voelde dat ik niet kon beschikken over mijn lichamelijke vermogens, stokte mijn stem in mijn keel. Ondertussen had zich in heel de geheimzinnige grot een heerlijke bloemengeur verspreid. Ook merkte ik dat ik naast mijn lieve kinderen op de knieën zat met gevouwen handen. Plotseling klonk een paradijselijke stem in mijn arme oren en ving een lang gesprek aan.”

 

 

Zij sprak:

 

“Ik ben diegene die in de Goddelijke Drie-eenheid is. ik ben de Maagd der Openbaring. Gij vervolgt mij, nu is het genoeg! Ga binnen in de heilige schaapskooi, het hemels hof op aarde. De belofte van God is en blijft onveranderlijk: de negen eerste vrijdagen die gij gevierd hebt om uw trouwe echtgenote plezier te doen alvorens de weg van de dwaling te volgen, hebben u gered!”

 

Ze vermaande hem dus om weer terug te keren tot de Katholieke Kerk. Zijn hart werd aanstonds geraakt en hij bekeerde zich. Ze vertelde enkele woorden die voor de paus bestemd waren (Paus Pius XII) en sprak verder over al haar zorgen voor de zondige mensheid en dat ze graag zou zien dat alle zondaars zouden gered worden.

 

 

Maria Domina Animarum

Maria Domina Animarum

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Als middel tot bekering beval zij aan:

 

“Men moet veel bidden en dagelijks het rozenhoedje zeggen voor de bekering der zondaars en de ongelovigen en voor de eenheid der christenen De Weesgegroeten die ge met geloof en liefde zegt, zijn evenveel pijlen die het Hart van Jezus raken.”

 

Ook beloofde de H. Maagd op de plaats waar zij verscheen wonderen te zullen doen. Ze zei ook dat haar lichaam na haar dood niet had kunnen vergaan, maar door haar Zoon en de Engelen van de aarde is weggenomen. Hiermee werd de leer van Maria’s Tenhemelopneming aangeduid, die drie jaar later als dogma plechtig aan heel de wereld zou worden voorgehouden (1950).

Tot slot voorspelde de H. Maagd aan Bruno harde beproevingen en vervolging, hem voorzeggende dat hij niet zou geloofd worden. Om eventuele twijfels bij hem te voorkomen gaf zij hem een teken: na veertien dagen zou hij een hem onbekende priester ontmoeten op een wijze die zij hem voorspelde. Dit gebeurde inderdaad, op 28 april. Alvorens naar huis te gaan bevestigde Bruno een papier in de grot met de mededeling:

»Op 12 april 1947 is hier in deze grot aan de protestant Bruno Cornacchiola en zijn kinderen de Maagd der Openbaring verschenen, en hij heeft zich bekeerd.«

 

Onderweg naar huis vroegen de kinderen om een beloofde reep chocola. Bruno zei:

»De schone dame in de grot heeft ons gezegd dat Jezus bij ons is. Ik heb jullie altijd geleerd niet daarin te geloven en jullie verboden om te bidden. Nu zeg ik jullie: laten we bidden, laten we de Heer aanbidden.«

 

Isola: »Welk gebed?« Bruno: »Mijn dochter, ik weet het niet.« Isola: »Ik wel. Ik heb het op school geleerd.« Zij baden Bruno herhaalde de woorden van het Weesgegroet. Bruno bad en weende.

 

Thuisgekomen konden de kinderen zich niet inhouden en de hele buurt wist binnen de kortst mogelijke tijd wat er gebeurd was. Toen de kinderen hadden gegeten en in bed lagen viel Bruno voor zijn vrouw op de knieën neer en vertelde haar alles. Hij vroeg haar om vergeving. Iolanda geloofde onmiddellijk in het wonder. Tot dusver was zij het, die op haar knieën lag voor haar man om hem te smeken haar niet meer te slaan. Bij zijn thuiskomst had Iolanda hem gevraagd waar de heerlijke geur vandaan kwam die haar van zijn kleren tegemoet stroomde. Tot in de vroege ochtend bleven zij samen, ontroerd, in gebed, in vreugde en in vrede.

 

»De priester is de brug tussen de zondaar en God, met de hulp van Maria.«

 

Op deze woorden van Maria ging Bruno biechten en verzoende zich met de Kerk. Hij deed dat bij de zijn parochiepriester, Ognissanti, die hij een aantal jaren daarvoor van zijn deur had gejaagd.

Op 6 mei 1947 ontving Bruno een tweede verschijning van Maria, terwijl hij alleen was. Maria zweeg en glimlachte slechts. Het was de vreugde van Maria om zijn bekering.

Op 23 mei volgde de derde verschijning in aanwezigheid van de priester don Mario Sfoggi, die Bruno later bij de paus zou brengen.

Op 30 mei vond de vierde verschijning plaats voor de zusters Maestre Pie Filippini, die in de buurt een kloostergemeenschap vormen. Zij ontvingen de opdracht om te bidden voor de wijk.

Tijdens de audiëntie van 1949 gaf Bruno de dolk waarmee hij hem had willen vermoorden aan paus Pius XII. De grot werd voorafgaand aan de verschijningen gebruikt als plaats van zonde. Het stonk er naar ontucht! Door de aanwezigheid van Maria werd de grot gezuiverd en geheiligd:

 

»Met deze aarde van de zonde zal ik machtige wonderen bewerken voor de bekering van de ongelovigen.«

 

En inderdaad zijn er reeds vele wonderen geschied door het vertrouwensvol gebruik van de aarde uit de grot. Enige weken na de eerste verschijningen ontdekte Bruno tot zijn ontgoocheling, aan de hand van enkele sporen, dat de grot opnieuw gebruikt was als plaats van ontucht. Bedroefd schreef hij op een vel papier de volgende oproep, die hem door Maria werd ingegeven:

 

»Ontwijd deze grot niet met de zonde van de onreinheid. Wie in de wereld van de zonde een ongelukkig schepsel is geweest werpe zijn last voor de voeten van de Maagd der Openbaring, bekenne zijn zonden en drinke aan deze bron van barmhartigheid. Maria is de tedere Moeder van alle zondaars. Zie, wat zij gedaan heeft voor mij, die als zondaar streed in het leger van de satan, een protestantse adventistensekte aanhing en een vijand van de Kerk en van de H. Maagd was.

Hier is mij en mijn kinderen op 12 april 1947 de Maagd der Openbaring verschenen. Zij heeft mij uitgenodigd tot de Rooms Katholieke Kerk terug te keren. Zij heeft mij boodschappen toevertrouwd en mij tekenen gegeven. De oneindige barmhartigheid van God heeft deze vijand overwonnen, die nu aan haar voeten om vergiffenis smeekt. Bemin Maria, zij is onze tedere Moeder. Bemin de Kerk met al haar kinderen. Zij is de mantel, die ons bedekt in deze wereld waarin de demonen woeden. Bid veel en vermijd de zonden van het vlees.«

 

 

Deze boodschap van Bruno, door vele kranten gepubliceerd, veroorzaakte een golf van verontwaardiging. De politie beloofde twee agenten naar Tre Fontane te sturen voor een dagelijkse ordedienst.

De Kerk erkende de facto de verschijningen en boodschappen van Tre Fontane en vertrouwde de zorg van de bedevaartplaats toe aan de paters Franciscanen Conventuelen. Burgemeester Salvatore rebecchini zorgde voor de civilisatie van het park rondom. Hij was zelf een pelgrim. Ook paus Johannes Paulus II ging er bidden.

 

 

de-perfecte-adam-en-eva

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Op 23 februari 1982 gaf Maria aan Bruno de volgende boodschap:

 

»Hier wil ik een huisheiligdom met de nieuwe titel Maagd der Openbaring – Moeder van de Kerk. Mijn huis moet voor allen openstaan, opdat allen het Huis van de Redding betreden en zich er bekeren. Zij die dorst lijden en verdwaald zijn zullen hierheen komen om te bidden. Hier zullen zij liefde, begrip en troost vinden: de ware zin van het leven.

Hier, op deze plaats van de grot, waar ik meermalen ben verschenen, zal het Heiligdom van de Verzoening zijn als een vagevuur op aarde. Daar zal een poort met de betreffende naam ‘Poort van de Vrede’ zijn. Allen zullen door deze poort moeten binnentreden om met de groet van de vrede en van de eenheid te groeten: “God zegen ons, Maagd Maria bescherm ons”.«

 

Op 12 april 1980 en op 12 april 1982 deden er zich in Tre Fontane zonnewonderen voor die door respectievelijk 3000 en 10.000 mensen werden waargenomen en die ruim een half uur aanhielden. Door talrijke mensen werden in de zon vele tekenen waargenomen, voor ieder verschillend. Het zijn symbolen die betrekking hebben op de geloofswaarheden: de H. Hostie, de Allerheiligste Drievuldigheid, Maria, een duif, de Vader op de troon, Maria gekroond met twaalf sterren, het Onbevlekt Hart van Maria, de letter ‘M’, de letters ‘IHS’, de letter ‘J’ enz.

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA