Tagarchief: karmelietessen

Elisabeth van de Drie-eenheid

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Biografie

 

 

 

 

Elisabeth Catez wordt als dochter van een officier geboren op 18 juli 1880 in het militair kamp van het Franse Avord bij Bourges (Midden-Frankrijk). Zij is de eerste dochter van de drieëndertig jarige Marie Rolland en de achtenveertig jarige Jozef Catez. Wanneer hij wordt gepromoveerd tot kapitein verhuist het gezin naar Dijon. Daar wordt op 20 februari 1883 de tweede dochter geboren; Marguerite.
.
De zussen groeien op in een bourgeois milieu. Wanneer Elisabeth zeven jaar oud is, sterft haar vader onverwachts aan een hartaanval. Mevrouw Catez verhuist met haar kinderen en huishoudster naar een kleinere woning. In dat nieuwe huis waar Elisabeth de rest van haar jeugd zal wonen, kan zij vanuit haar kamerraam het dichtbij gelegen klooster van de Karmel zien. Elisabeth is een begenadigd pianist. Op 24 juli 1893 wint zij de Premier Prix voor piano aan het conservatorium te Dijon (boverstaande foto is genomen in het kasteel van Gemeaux, begin augustus 1893).
.
Volgens de hagiografie zou Elisabeth al jong het verlangen hebben om in te treden in het genoemde slotklooster. Haar moeder houdt dit echter lange tijd tegen. Zij zegt haar te wachten tot ze eenentwintig is. Tot die tijd werkt Elisabeth als vrijwilliger in het patronaatswerk onder de arbeiders van een sigarenfabriek, leidt een jeugdclub voor hun kinderen en geeft catechese aan kinderen die in deze fabriek werken. Ook geeft zij catechese aan eerste communicanten van de parochie, bezoekt hun ouders, doet ziekenbezoek en is lid van het zangkoor.
.
Zij laat zich voor allerlei diensten aanspreken in de parochies Saint-Michel en Saint-Pierre te Dijon. Bij haar intreden op 2 augustus 1901 ontvangt Elisabeth de naam Élisabeth de la Trinité (foto boven Elisabeths kloostercel). Het is in een tijd dat verschillende kloostergemeenschappen zich, wegens de religieuze vervolging onder eerste minister Combes in de regering Waldeck-Rousseau, genoodzaakt zien om naar het buitenland uit te wijken.
.
Ook de karmelietessen van Dijon leven in een sfeer van onzekerheid en bedreiging, en leggen contacten in België en Zwitserland voor een mogelijk toevluchtsoord. Zij sluiten de kapel van 1903 tot in de lente van 1906 bij regeringsorder voor het publiek. De beelden uit die kapel brengen zij zolang onder in privé huizen. Afgezien hiervan zal deze Karmel niet lastig gevallen worden.
.
.
.

 

 

Op zondag 11 januari 1903 doet Elisabeth haar eeuwige geloften. Die zomer vertonen zich bij haar de eerste symptomen van de toen nog ongeneeslijke en vrijwel onbekende ziekte van Addison, een chronische insufficiëntie van de bijnierschors. In de lente van 1905 wordt haar wegens haar lichamelijke conditie streng vasten verboden. In augustus wordt ze ontslagen van haar taak als tweede portierster. In de vastentijd van 1906 moet ze haar intrek nemen in de ziekenkamer.

Sinds een aantal maanden ervaart ze al een grote uitputting. Aanhoudende maagpijnen verhinderen haar om voldoende voedsel tot zich te nemen. Op Palmzondag heeft ze een eerste crisis en ontvangt de ziekenzalving. Men denkt dat ze gaat sterven, maar de crisis gaat voorbij. Daarna volgen de crises elkaar steeds sneller op. Op 30 oktober kan ze de ziekenkamer niet meer verlaten. Op 9 november overlijdt Elisabeth op zesentwintigjarige leeftijd. Haar wijze van sterven wordt in de hagiografieën vol lof en als bovennatuurlijk beschreven.

Elisabeth wordt al tijdens haar leven als een heilige beschouwd. Dit blijkt onder meer uit verschillende brieven, onder andere van haar priorin. Nadat op 10 oktober 1930 haar stoffelijk overschot op het kerkhof te Dijon is opgegraven om de bewaring ervan te verzekeren, opent Mgr. Petit de Julleville, bisschop van Dijon, op 23 mei 1931 een Kerkelijk Tribunaal om haar canonisatie in gang te zetten. Op 25 november 1984 verklaart paus Johannes Paulus II Elisabeth zalig. Het proces tot heiligverklaring is in volle gang.
.
.
.
.

Geschriften van Elisabeth Catez

 

Gedurende haar korte leven zet Elisabeth haar gedachten regelmatig op papier. Omdat haar denken anderen aanspreekt, worden haar geschriften bewaard. Ze laat na:
– een dagboek (1899-1900)
– 124 gedichten
– 346 brieven aan 59 verschillende correspondenten, waaronder 40 leken
– 17 geestelijke aantekeningen, waaronder het gebed O mon Dieu Trinité (21 november 1904)
– 4 geestelijke traktaten:
1. Le Ciel dans la foi (eerste helft augustus 1906)
2. Dernière retraite (tweede helft augustus 1906)
3. La grandeur de notre vocation (september 1906)
4. Laisse-toi aimer (eind oktober 1906)
.
.
.
.
.
.
.

Enkele uitspraken van Elisabeth

 

“Meester, moge mijn leven een aanhoudend gebed zijn. “

“ Samen met Hem kun je alles. Hoe goed is het zich te verliezen en te verdwijnen in Hem.”

“Het is een afgrond waarin ik mij verlies, God in mij. Ik in Hem : dat is mijn leven.”

“Ik zou heel en al stilte willen zijn, heel en al aanbidding om steeds dieper in Hem te treden

en zo van Hem vervuld zijn dat ik Hem door mijn bidden kan doorgeven aan hen, die

de gave Gods niet kennen.”

 

 

In 1904 schrijft ze haar beroemde gebed

 

“ O mijn God, Drie-eenheid die ik aanbid ”, waarin

 

ze zich helemaal prijsgeeft.

 

.

O mijn God,

Drie-eenheid, die ik aanbid,
help mij mezelf helemaal te vergeten
om mij in U te vestigen,
roerloos en stil,
alsof ik reeds in de eeuwigheid was.
Niets moge mijn vrede verstoren,
niets mij uit U verwijderen,
mijn Onveranderlijke.
Maar elke minuut voere mij verder binnen,
in de diepte van Uw Mysterie.
Schep vredige stilte in mijn ziel,
maak er uw hemel van,
uw geliefde thuis,
de plaats waar Gij rusten kunt.
Dat ik U daar nooit alleen late,
maar er helemaal zij:
wakker in geloof,
heel en al aanbidding,
volkomen prijsgegeven
aan Uw scheppende kracht.
O Christus, mijn Geliefde,
uit liefde gekruisigd,
ik wil een bruid zijn voor Uw Hart,
U bekleden met heerlijkheid,
U beminnen… tot ik erbij sterf !
Maar ik voel mijn onmacht
en daarom vraag ik U:
“Bekleed mij met Uzelf”,
mijn ziel geheel afgestemd op de Uwe,
doordring mij,
overrompel mij,
neem Gij in mij alle plaats in.
Dan zal mijn leven enkel nog zijn
een afstraling van Uw leven.
Kom in mij als Aanbidder,
als Verzoener, als Verlosser.
O Eeuwig Woord ,
Woord van mijn God,
ik wil mijn leven doorbrengen
luisterend naar U:
heel volgzaam worden
om alles van U te leren.
Door alle nachten,
alle leegten,
alle onmacht heen,
mijn blik voortdurend op U,
blijven in uw grote licht.
O Zon, die ik bemin,
boei mij zozeer,
dat ik nooit meer weg kan
uit Uw lichtkrans.
O verterend Vuur,
Geest van Liefde,
kom over mij
opdat het Woord in mij
als het ware
opnieuw geboren kan worden.
Laat mij voor Hem
een nieuwe mensheid zijn,
waarin Hij heel zijn Mysterie
herbeleven kan.
En Gij, Vader,
buig U over Uw arme,
kleine schepsel neer.
Overdek haar met Uw schaduw.
Zie in haar slechts
de Veelgeliefde,
in wie Gij welbehagen hebt.
O mijn Drie,
mijn Al,
mijn Zaligheid,
oneindige Eenzaamheid,
Onmetelijkheid
waarin ik mij verlies,
ik lever mij aan U uit als een prooi.
Berg U diep in mij,
opdat ook ik mij bergen kan in U,
wachtend tot ik in uw licht ga schouwen
de eindeloze diepte van Uw heerlijkheid.
Amen.
.
.
.
.
.
3d-gouden-pijl-5271528
.
.
.
.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

.

 

JOHN ASTRIA

 

 

De heilige Theresia van Lisieux : † 1897

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

Thérèse Martin werd op 2 januari 1873 geboren in de Normandische plaats Alençon. Op zeer jonge leeftijd verlangde ze al naar het kloosterleven. Theresia was als kind een dwingeland; hysterisch, zeggen zelfs sommige schrijvers. Als ze haar zin niet kreeg kon ze woedend en stampvoetend reageren. Des te indrukwekkender dat ze bij haar overlijden op 24-jarige leeftijd was uitgegroeid tot een groot heilige.

 

 

 

 

Toen ze vier was, had ze haar moeder verloren; dat deed haar veel verdriet. Dat herhaalde zich toen haar op één na oudste zus, die de plaats van moeder had ingenomen, intrad bij de karmelietessen. Thérèse wilde dat ook, maar was pas veertien en ze moest minstens zestien zijn. Met haar vader ging ze de bisschop vragen om reeds nu te mogen intreden. Zij had haar haar opgestoken en zich ouder opgemaakt. De bisschop zei nee. Maar het lukte haar toch om reeds op 15-jarige leeftijd in te treden.

Ze was vastbesloten een heilige te worden. Op haar 21e werd ze al gekozen tot novicenmeesteres, een verantwoordelijke functie, want zij moest de nieuwelingen in het kloosterleven inwijden. Ze was haar tijd ver vooruit. Ze wilde Hebreeuws leren, want dat was immers de taal die Jezus zelf gesproken had. Op die manier zou ze Hem nog beter leren kennen en nog meer kunnen beminnen. Maar ze was ook modern door het feit dat ze herhaaldelijk werd overvallen door inktzwarte geloofstwijfels.

Ze leefde in haar gebed intens mee met de missionarissen in verre landen. In het twaalfde hoofdstuk van Paulus’ eerste Korintiërsbrief las ze dat ieder lid van de kerk een eigen taak heeft, net zoals ieder lichaamsdeel. Het oog kan niet tegen het oor zeggen: “Ik heb je niet nodig.” Alles heeft zijn plaats en samen vormen ze het ene lichaam.

“Maar”, schrijft Thérèse, “ik wil juist wel alles tegelijk zijn.” Het antwoord op haar moeilijkheid vond ze in het vervolg van Paulus’ brief. Hij schrijft dat alles bijeengehouden wordt door de liefde. “Want zonder de liefde zou geen apostel nog het evangelie verkondigen, geen martelaar zou nog zijn leven geven enz.” Dat wilde ze zijn: de liefde die vanuit het hart alle ledematen doorstroomt.

Op 29 april 1923 werd Theresia zalig verklaard. Haar heiligverklaring volgde op 17 mei 1925. In 1997 werd Theresia, als derde vrouw in de geschiedenis, door paus Johannes Paulus ll tot kerkleraar  uitgeroepen. Haar leven is in verschillende boeken beschreven. Een bekende uitspraak van haar is: “Ik wil het rozen [= zegeningen] laten regenen op aarde”. Daarom wordt ze afgebeeld als karmelietes die een crucifix en rozen tegen de borst houdt. Ze werd de patrones van missionarissen en het missiewerk. Ze is ook patrones van Frankrijk en Rusland.

Ze wordt ‘de kleine Theresia’ genoemd om haar te onderscheiden van de ‘grote’ Theresia van Avila.

 

 

 

 

 

 

De kleine weg van de kleine Theresia.

 

Op haar ziekbed was ze soms ten prooi aan de zwartste geloofstwijfels. Zo was ze. Elk gevoel drong diep haar ziel binnen; doorleefde ze; ook de negatieve.

“Als je eens wist welke afschuwelijke gedachten in mij rondspoken. Het zijn die materialistische redeneringen die zeggen: ‘Wacht maar af, als de wetenschappen nog wat verder zijn, zal overal een natuurlijke uitleg voor te vinden zijn; voor alles bestaat een gewone verklaring. Nu weten we nog niet alles, maar ooit zullen we dat allemaal ontdekken… enz.”

Dergelijke gedachten omschrijft ze zelf als een zwart gat. Ze is zelfs bang dat ze in haar geloofstwijfel God beledigt en heiligschennis pleegt. Niets blijft haar over dan het besef heel klein te zijn en volkomen aangewezen op Gods liefde die ze soms geruime tijd niet voelt; er blijft haar niets anders over dan er zwart in te geloven.

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget