Categorie: mode en kledij
Christian Dior-2010-spring-couture










































































Ondanks de grote textielschaarste en de tot stilstand gedwongen mode-industrie bleek zich toch tijdens de oorlogsjaren een nieuw modebeeld te ontwikkelen. Dit was vooral gebaseerd op vindingrijkheid. In Nederlandse damesbladen stonden zelfs aanwijzingen hoe men zelf schoenen kon vervaardigen. Een lippenstift was een begerenswaardig bezit, want met make-up werd het gemis aan variatie in de kleding gecompenseerd.
De kleding van de vrouw was voornamelijk praktisch. Deze was ook wat mannelijk door de verbrede schouders met schoudervullingen en de kordate rechte rokken. De japon was dikwijls van twee soorten stof gemaakt, twee oude jurken vormden één nieuwe. De mouwen waren vaak geplooid ingezet. Van vooroorlogse herenkostuums werden grijze mantelpakjes gemaakt. De zomerse dracht was een vooroorlogse jurk of een rimpelrok met een bloesje of een zelfgebreid kort truitje. Omdat er geen kousen waren droeg men veel pantalons. Dit was voor het eerst dagelijkse kleding voor vrouwen.
De kleding van de man was uitsluitend bedoeld om te beschermen tegen weersinvloeden. Kostuums werden versteld en vermaakt, mantels werden gekeerd (de vaak nog goede binnenkant van de stof kwam dan aan de buitenzijde). Ze werden ook wel gebruikt om er kinderjassen van te maken. Mannen droegen bivakmutsen, dezelfde die in het leger werden gedragen.
West-Europa werd na de oorlog in de fase van de wederopbouw gesteund door Amerika. Hoge flatbouw, winkelcentra, de flipperautomaat, de jukebox en de nylonkous zijn sindsdien niet meer weg te denken uit de West-Europese samenleving.
Ondanks die grote Amerikaanse invloed was het toch Parijs dat de leidende rol in de modewereld weer op zich nam. In 1947 ontwierp Dior als reactie op de oorlogsmode een zeer vrouwelijke ligne corolle (bloemkroon), door de Amerikaanse modepers de new look genoemd, aanvankelijk sterk bekritiseerd omdat de nieuwe, lijn onverantwoordelijk veel stof vereiste.

De kleding van de vrouw kreeg na 1947 een volledig ander silhouet: afgerond een taille en een wijde lange rok .
De rok was klokkend of gepasseerd en reikte in 1947 bijna tot de enkel; na 1950 kwam de rok tot tien centimeter onder de knie. Nieuw was ook de kimonomouw.
De mantel: vooral de wijde swagger met brede revers en pofmouwen.
De avondjurk: lang, vaak strapless met bijpassend jasje. Amerikaanse invloed: de cocktailjurk.
De sportkleding: strapless badpak, dito zonnejurk met bolero, driekwart broek.
Het haar: halflang, gekruld haar, ook wel opgestoken.
De hoed: grote ronde hoed (Dior) of zeer klein hoedje met veer (Fath) .
De accessoires: als reactie op de armoede tijdens de oorlog veel accessoires
De schoenen: pumps met hoge en lage hakken, moccasins of veterschoenen met profielzool, ballerina’s.


De kleding van de man voor overdag week niet af van het vooroorlogse beeld. Wel werden naast het driedelige pak veel combinaties gedragen: geruit of tweed jasje met effen broek.
De mantel: rechte jas, regenjas met ceintuur. Het haar: kort, achterovergekamd of met een scheiding opzij. De snor begon weer in de mode te komen.
De hoed: alleen oudere mannen droegen een hoed, meestal een deukhoed.
De schoenen: onder invloed van Italië smalle spits toelopende schoenen, bruine en zwarte molières.
Omdat de verschillende modelijnen tussen’55 en ’64 elkaar zeer snel hebben opgevolgd, worden hier alleen de meest typerende aspecten aangegeven. Enerzijds was er de Parijse haute couture met een mode die bekendheid kreeg door veelvuldig gefotografeerde vrouwen als Jacqueline Kennedy en Farah Diba.
Het voortbestaan van de haute couture werd gegarandeerd door – vooral Amerikaanse – inkopers van grote confectiehuizen. Anderzijds waren er film, televisie en rock ‘n’ roll die de jeugd inspireerden tot het dragen van kleding en kapsels zoals die van James Dean, Brigitte Bardot en Elvis Presley.
De kleding van de vrouw veranderde vooral tot 1960 ieder jaar van silhouet : in 1954 Dior met A-lijn, in 1955 H-lijn, in 1957 De Givenchy met ‘ligne sac’ en ‘ligne tulipe’, in 1958 Cardin met S-lijn en Yves St. Laurent met trapeziumlijn.
De mantel: sportieve rechte jas met grote zakken en een rugceintuur. Poplin regenjassen met hoedje, vaak gedragen als zomerjas. Korte of driekwart suède jasjes in vele kleuren.
De avondkleding: lang, strak lijfje, wijde rok. Na 1960 lange rok met blouse als informele avondkleding. De sportieve kleding: naar aanleiding van de spijkerbroek nu voor het eerst pantalons met een ritssluiting middenvoor. Na 1960 meer bikini’s. Tot 1960 de driekwart broek met sweater van badstof.
Het haar: sterk getoupeerd, opgestoken haar , voorzien van haarlak. Verder het enveloppenkapsel en de paardestaart. Veel oogmake-up: eyeliner, mascara en oogschaduw.
De hoed: minder hoeden. Bij een geklede jurk een dopje van dezelfde stof achter op het hoofd.
De accessoires: nieuw (1955) zijn de plastic tassen, soms twee modellen in één (schoudertas en beugeltas).
De schoenen: pumps met lage gebogen hakken of hoge naaldhakken. Een Italiaanse vinding was de stalen naaldhak. Bij wijde zomerjurken ballerina’s.
De kleding van de man werd wat eleganter onder invloed van de Italiaanse herenmode. We zien smallere jasjes, smalle broekspijpen en andere kleuren dan alleen blauw en grijs.
De mantel: rechte wollen jas, korter model. Jonge mensen monty-coat of jopper.
De sportieve kleding: De Amerikaanse rock ‘n’ roll bracht de spijkerbroek in de mode, gedragen met een T-shirt of een lange trui.
Het haar: kort met zijscheiding. Jongens een Elvis Presley-kuif. Geen hoeden.
De schoenen: smalle, puntig toelopende schoenen en schoenen van juchtleer.
1964 was een belangrijk jaar voor de ontwikkelingen in de mode. In Parijs trachtte Courrèges, geïnspireerd door de ruimtevaart, met zijn astronauten-look, het tanende gezag van de haute couture te herstellen. Hij kon echter niet verhinderen dat de sympathie van de jeugd uitging naar het ‘swinging London’ van Mary Quant, de Beatles en boetieks als Biba. Het schoonheidsideaal van zowel Quant als Courrèges was een slanke, jongensachtige vrouw in een minijurk.
De kleding van de vrouw was revolutionair kort, ongeveer twintig centimeter boven de knie. De minijurk was recht, vaak met halflange ingezette mouwen en een accent op de heupen.
Pas na 1968 kwam een langere mode: de midi (halflang) en de maxi (lang).
Er ontstond een verward modebeeld, waaruit de pantalon als noodoplossing naar voren kwam.
De mantel: kort, smal iets gerend model. Na 1968 de maxi-jas en de ,lange cape of de korte bontjas, voor het eerst ook van synthetisch bont. Regenjas van lakplastic en doorzichtig plastic .
De avondkleding: de formele avondjurk van kostbare stof werd vervangen door een rechte lange jurk (jersey of lurex), een fluwelen broekpak of een smokingpak (St. Laurent).
De sportieve kleding: kleine bikini’s; badpakken met ‘uitgeknipte’ stukken.
Het haar: kort pagekapsel of halflang haar met een golf naar buiten. Rage: pruiken van echt of synthetisch haar. Veel oogmake-up.
De hoed: grote pet of klein astronautenkapje, wollen muts met bijpassende shawl.
De accessoires: sieraden van zilver en (van Paco Rabane) halsornamenten, oorhangers en zelfs jurken van hardplastic plaatjes en metalen ringetjes. De jeugd droeg Indiase sieraden. Kleine schoudertassen en zeer grote zonnebrillen.
De schoenen: vooral opvallend dat laarzen in deze periode ook binnenshuis werden gedragen, o.a. zomerlaarzen van vinyl en linnen.

De kleding van de man kreeg onder invloed van Italië meer variatie: onconventionele stoffen als fluweel en ribfluweel, gekleurde hemden met dessins, zijden en dunne wollen coltruien. Pierre Cardin ontwierp voor de Beatles pakken met kraagloze jasjes.
De mantel: na 1968 ook midi-jassen voor mannen. In plaats van een jas vaak een kort suède jack.
De avondkleding: bij een smoking vaak een brede gekleurde gordel en een speciaal hemd met kantjes. Een fluwelen pak met zijden coltrui kon de smoking vervangen.
Het haar: langer haar, bakkebaarden. Jonge mannen soms tot op of over de schouders.
De schoenen: suède booties, molières en instapschoenen.
De hippe kleding, voor jonge mensen in navolging van de ‘hippies’: spijkerpak, Indiaas hemd, Afghaanse jas, lange Indiase jurken met oosterse sieraden. Dit alles met sandalen of laarzen.
De mode van de jaren zeventig was een afspiegeling van het verschil in mentaliteit met de voorafgaande perioden.
Europa werd geconfronteerd met de Derde Wereld, met milieuvervuiling en oliecrises. Niet dat men zuiniger ging leven; integendeel, aan kleding werd meer uitgegeven dan ooit. In de mode zien we veel uitheemse en folkloristische elementen en een voorkeur voor natuurlijke vezels.
De kleding van de vrouw was gevarieerder dan tijdens de periode van de mini-mode. Vlak na 1970 bestond de trend om kledingstukken over elkaar te dragen; een voorbeeld hiervan was de robe housse. Engelse invloeden op de mode hadden Mary Quant met hotpants en Laura Ashley met Victoriaanse romantische jurken.
Parijs deed van zich spreken door de japanse ontwerper Kenzo die Tibetaanse volksdracht tot mode maakte: doorgestikte jakken, overkousen en pofbroeken. Broeken werden overigens in allerlei lengten en modellen gedragen. De roklengte varieerde van net onder de knie tot halverwege het been.

De mantel: ruime mantels en regenjassen, poncho’s en bontjassen.
De avondkleding: kaftans, lurex truitjes en discokleding.
De sportieve kleding: skikleding voor het koude jaargetijde; trainingspakken om in te trimmen, maar ook voor in huis.
Het haar: rond 1970 nog veel pruiken. Daarna halflang haar. In 1974 afro-kapsels, onder invloed van de trend ‘black is beautiful’. Na 1975 kort in model geföhnd haar. Na 1978 lang, gepermanent haar en kapsels uit de oorlogsjaren.
De hoed: shawls om het hoofd geknoopt. Weinig echte hoeden, wel allerlei mutsen.
De accessoires: vingers vol ringen, armen vol armbanden, speldjes. Oorbellen door gaatjes in de oren: kleine knopjes en lange hangers.
De schoenen: geïnspireerd op de oorlogsjaren waren de plateauzolen en schoenen met sleehakken.

De kleding van de man: invloeden van de jaren twintig en dertig met getailleerde krijtstreepkostuums. Verder ribfluwelen pakken, blazers en colbertkostuums.
De mantel: jassen van leer, suède en bont. Veel jacks. De jeugd droeg legerkleding.
Het haar: jongeren soms zeer lang. Na 1977 is lang haar geen mode meer. Men droeg veel korte baarden.
De accessoires: schoudertas of polstas. Meer verzorgingsartikelen voor mannen.
De schoenen: evenals bij de vrouw (tot 1974) verhoogde zolen. Halfhoge en hoge laarzen.
.
In de beginjaren van deze periode ondervond de westelijke wereld een duidelijke teruggang in de economie. Wellicht daardoor ontstond een algemene tendens van teruggrijpen naar oude waarden. Men werd weer ambitieus en prestatiegericht. Men hechtte opnieuw waarde aan omgangsvormen (etiquetteboeken!). Zelfs jonge mensen droegen weer klassiekere kleding, de vrouwen rokken, de mannen pakken.
De kleding van de vrouw: enerzijds zeer vrouwelijk als de kleding van filmsterren uit de jaren dertig. Duidelijk accent op buste en heupen, meer japonnen en rokken.
Anderzijds heel jongensachtig – Comme des Garçons – met veel te ruime mannenkleding: overhemd met stropdas, wijde met ceintuur bij elkaar gesjorde broek en ‘oversized’ blazer.
De mantel: lang en ruim. Veel driekwart en zevenachtste mantels.
De sportieve kleding: sportkleding wordt straatmode: skijacks, tennishaarbanden, golfbroeken, shorts, aerobic dancingpakjes. Broeken net boven de enkels.
De avondkleding: terugkeer van het officiële avondtoilet .
De badkleding: badpakken met hoog opgeknipte pijpen.
Het haar: sluik, op kaakhoogte in de bobbed-stijl van de jaren twintig. Piekige jongenskoppen met gel.
De hoed: meer hoeden. Vilten herenhoeden.
De accessoires: brede gedrapeerde ceintuurs. Veel kitschjuwelen. Tassen passend bij schoenen.
De schoenen: hakken laag tot geheel plat. Gymschoenen en laarzen.
De kleding van de man: twee duidelijke stromingen: een terugkeer naar de klassieke zakelijkheid en een grote invloed van allerlei sporten. Mannenkleding valt soepeler door minder stijf binnenwerk. Broeken met bandplooien. Aandacht voor mooie overhemden en dassen. Geruite golfbroeken.
De jas: nieuw zijn lange tweedjassen met ceintuur en herwaardering voor de klassieke trenchcoat.
Het haar: kort en ongeschoren, permanent en een coupe soleil. Baarden zijn ouderwets, een stoppelbaard van twee dagen zeer trendy.
De schoenen: jongeren basketbal- en trimschoenen. Terugkeer van de klassieke veterschoen.








































































































Naast de betekenissen van de kleuren zelf, is het ook van belang hóe je kleuren draagt: De kleuren van jasjes, broeken en rokken geven aan hoe je wilt dat de buitenwereld jou ziet, terwijl je shirt of bloes eronder aangeeft wat je werkelijke gevoelens zijn. Hetgeen je om je nek draagt, een ketting, sjaaltje of (strop)das, zegt iets over hoe jij communiceert. De kleur van wat je óp je hoofd draagt, vertelt wat over je overtuigingen en karakter.
De volgende keer wanneer je kleding uitzoekt voor een belangrijke sociale of zakelijke afspraak, bedenk dan eerst hoe je wilt overkomen en wat voor (eerste) indruk je wilt wekken, en pas je kleding en accesoires aan hetgeen je wilt uitstralen.
Als je een bepaalde kleur overheerst in je garderobe gedurende het merendeel van de tijd, kunnen de associaties negatief worden. Deze zullen per kleur ook kort toegelicht worden.
De kleur geel impliceert vrolijkheid, moed en optimisme, maar ook intelligentie, alertheid, bewustzijn en rationeel denken.
De negatieve associaties zijn: cynisme, sarcasme, kritisch zijn en nervositeit.
Oranje staat voor avontuurlijkheid, activiteit, enthousiasme, vrolijkheid en warmte.
De negatieve associaties zijn: impulsief, afhankelijk, opdringerig en egoIstisch.
Als je rood draagt, ben je niet bang om op te vallen. Deze kleur straalt activiteit, alertheid alsook passie uit. Ook zegt het dat een sterke wil, vasthoudendheid en uithoudingsvermogen aanwezig zijn.
Negatieve associaties zijn oa: aggresieviteit, eisen stellen, ongeduldig, koppig en dominant.
Donkerrood: klassiek, elegant, rijkdom, geschoold, subtiel, smaakvol en tevreden.
Negatieve associaties: afhankelijk van luxe, verwend en negatief.
Zachtroze staat voor charme, zachtheid en liefelijkheid, troostend, aantrekkelijk, voorzichtig en begripvol zijn.
Negatief: kinderachtig, onzeker en aanhankelijk.
Hardroze of fuchsia associeert met zekerheid, levendigheid, sensualiteit, flexibiliteit, overtuigingskracht en directheid.
Negatieve associaties: overheersend en ongeduldig zijn.
Lila: Spiritualiteit, verfijndheid, vriendelijkheid, gevoeligheid, toegewijd. Negatieve associaties: een fragiele, zwakke of dromerige persoonlijkheid.
Paars: Wordt geassocieerd met luxe en originaliteit, ervaring, mysterie, elegantie en smaak.
Negatief staat het voor: excentrisme, arrogantie, dogmatisme en drama.
Turquoise: Staat voot creativiteit, communicatie, spontaniteit en inzicht.
Negatieve associaties: impulsiviteit, onbetrouwbaarheid en besluiteloosheid.
Lichtblauw: Straalt kalmte en rust uit, acceptatie en tolerantie. Ook tactisch, betrouwbaar en aandachtig.
De negatieve associaties: teruggetrokken, controlerend en gewoontes aanhoudend.
Donkerblauw: De meest chique van de blauwtinten. Het staat voor effieciëntie, principes, verantwoordelijkheid en kalmte, alsook verfijning, standvastigheid, doorzettingsvermogen en trouw.
Negatieve associaties: berekenend, overheersend en koppig.

Olijfgroen: discretie, goedwillendheid, moraal, leiderschap, wijsheid en creativiteit.
Negatieve associaties: ontrouw, terggetrokkendheid, bitterheid.
Groen staat voor eerlijkheid, sympathie en geaard zijn, maar ook voor diplomatie en tact.
De negatieve associaties zijn: jaloezie en controle.
Staat voor natuurlijk, effectief, stabiel, betrouwbaar, sociaal, neutraal en praktisch.
Negatief: saai, bezitterig en een gesloten geest.
Een grijs pak doet betrouwbaar aan. Verder signaliseeert het prakticiteit, precisie, discipline, educatie, diplomatiek en georganiseerdheid.
Negatief betekent het: onpersoonlijk, onverbonden en emotioneel afstandelijk.

Zwart wordt geassocieerd met discretie, voorzichtigheid, discipline, objectiviteit, zelfbeheersing, elegantie en mysterie.
Negatieve associaties zijn: onbeduidend, onbuigzaam, koppigheid en onpersoonlijkheid.
Traditioneel staat wit voor puurheid en onschuld, tact, sympathie maar ook perfectionisme, nieuwsgierigheid, moraal en openheid. Het wordt ook met steriliteit en hygiëne in verband gebracht, daarom hebben verplegers, dokters ed witte werk kleding aan.
Negatief: superioriteit, ontoegankelijkheid en overgevoeligheid.
Zilver doet koel, zakelijk en modern aan.Het staat voor zelfverzekerdheid, rust, onbewogendheid, en intelligentie.
Negatief betekent het: berekenend, bezeten, ongeïnteresserd en koud.
Deze kleur straalt rijkdom en chique uit, vrolijkheid, vertrouwen, inspiratie en bewustzijn.
Negatief is het materialistisch, egoïstisch en vragen om aandacht.




.
.
.
.
Mannen droegen tunieken en broeken met smalle pijpen. Vrouwen droegen lange jurken. Kleren die ze droegen waren gemaakt van wol, dierenhuiden en linnen. Kleren waren gesponnen en geweven door vrouwen. Mensen maakte verf om hun kleren te ‘beschilderen’. Ze gebruikten planten om de kleren blauw, rood en geel te maken. Voordat de vrouwen gingen trouwen deden ze hun haar los en nonchalant met een haarband.
Maar als de vrouwen getrouwd waren moesten ze hun haar opsteken en bedekken met een sjaal. Ze droegen ook veel sieraden, evenals de mannen. Kinderen droegen geen sieraden. Wanneer er een feest was werd er niet veel bijzonders gedragen. Eigenlijk droegen ze exact hetzelfde, alleen waren deze kledingstukken van beter materiaal gemaakt en waren er sprankelendere kleuren gebruikt.
Er zijn veel vooroordelen over de Vikingen. Bijvoorbeeld de hoorns die ze ‘hadden op hun helm en droegen op hun hoofd’. Vaak denken mensen dat ze gebruikt werden tijdens het jagen, maar dat is niet zo. De hoorns waren gebruikt om gerechten op te drinken of te eten. Ze waren Drinkhoorns genoemd. Veel Vikingen hadden gewoon helmen van dik leer maar als je een echte stevige en kwalitatieve helm wou had je een helm van ijzer nodig.
De Vikingen hadden andere rituelen dan de mensen van nu. Vikingen offerden dieren en soms zelfs mensen. Als een Viking iets offerde aan god, om hem tevreden en gelukkig te houden, drupte hij wat bloed van een mannelijk dier op een steen. Maar wanneer ze een mens offerden het was erg anders: de mens was gedood en werd opgehangen in een boom.
Dit zagen ze dan als de offering. Ook begrafenissen van de Vikingen waren totaal verschillend van de christelijke. De dode mensen waren begraven met dingen die ze later, in het hiernamaals, nodig zouden hebben. Wat er met je mee in de grond ging hing ook vanaf of je veel geld had.
Een arme man was begraven met slechts 1 zwaard terwijl een rijke machtige man begraven werd met veel waardevolle dingen. Soms waren mensen begraven in boten, of schepen. Anderen waren begraven in houten kamers.
.
De Vikingen geloofden in Odin. Dit is de hoofdgod. Odin had ook nog een zoon, Thor. Thor was de meest beminde god. Aangezien hij de beschermer was van alle goden was hij erg belangrijk. Later gingen de Vikingen ook geloven in het christendom, omdat ze hier mee in contact kwamen. Ze troffen het christendom aan tijdens de lange en verre reizen die ze maakten. De Vikingen hadden eerst altijd tempels, gemaakt voor ‘hun’ goden. Toen dit geloof verwisselt werd met het christendom werden de tempels verbouwd tot kerken.















































