Tagarchief: gebedsgenezing

Zegen en vloek in de Bijbel

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Koning Balak vraagt aan Bileam om het machtige volk Israël te vervloeken. Hij gaat ervan uit dat deze vloek een negatieve uitwerking zal hebben op het volk; het lijkt de enige kans dat de Moabieten de strijd zullen winnen (Num.22). Is dit bijgeloof of heeft een vloek echt zoveel macht? De Israëlieten moeten in het beloofde land naar de bergen Ebal en Gerizim. Op elk van de bergen komen zes stammen te staan en zij moeten de zegen en de vloek uitspreken (Deut.27). Wat is de betekenis van deze ceremonie?

 

 

 

 

We kunnen deze vragen uit historische interesse stellen, maar het is ook duidelijk dat ‘zegen en vloek’ in
onze samenleving steeds actueler worden. In de christelijke gemeente wordt vaak een zegen uitgesproken, bijvoorbeeld aan het eind van een dienst of bij een huwelijkssluiting. Maar hoe komt het dat er bijna nooit een vervloeking klinkt?

Uit contacten met beoefenaars van occulte praktijken en aanhangers van andere godsdiensten blijkt dat er soms veel waarde gehecht wordt aan vervloekingen. Men gelooft in de werking van deze zwarte magie, en zelfs dat deze kan doorwerken in de generaties. En aan de andere kant is er ook de witte magie die mensen genezing en voorspoed moet brengen.

We geven aandacht aan dit onderwerp door met name stil te staan bij de eerste Bijbelboeken. Daarbij ligt de nadruk meer op ‘vervloeking’ dan op ‘zegening. Het is van belang te beseffen dat het woord ‘vloek’ in de Bijbel niet hetzelfde betekent als wat er in onze maatschappij meestal onder wordt verstaan: het oneerbiedig en profaan gebruiken van de naam van God.

Een vloek in de Bijbel betekent een vervloeking in de naam van God of andere goden, met de bedoeling dat Gods straf een bepaalde persoon zal treffen. Het lichtvaardig en ongeoorloofd gebruik van de naam van God valt onder het verbod van Ex.20:7, maar wordt met andere woorden omschreven dan ‘vloek’.

Uit de Bijbel wordt duidelijk dat het van groot belang is de zegen van God te ontvangen. Die is nodig voor vruchtbaarheid, voorspoed, bescherming, bevrijding, genezing, bewaring, kracht en om verhoogd en begunstigd te worden. Het ideaal is een gezegend leven; daarentegen is een leven zonder Gods zegen, of een leven onder Gods vervloeking het ergst denkbare (Ps.129:8; Jer.17:5-6; 20:14), want dat betekent hongersnood, ziekte en alle mogelijke tegenslagen, zodat het niet meer mogelijk is om te leven (Deut.28).

Mensen kunnen ook elkaar vervloeken, maar omdat in Israël het eigenlijke subject van de zegen en vloek
de Heer is (Num.6:27; 23:8,26), kan Hij in zijn vrijheid de zegen in een vloek (Mal.2:2) en de vloek in
een zegen veranderen (Deut.23:5 en Neh.13:2).

 

 

 

 

 

De priesterlijke zegen (Num.6)

 

Uit diverse geschiedenissen kunnen we opmaken dat allerlei personen een zegen kunnen en mogen uitspreken. Noach, de aartsvaders, Mozes, Jozua, David en Salomo. Maar in bijzondere mate zijn het de priesters, de zonen van Aäron, die een zegen mogen uitspreken en daarmee de naam van JHWH op het volk leggen (Num.6:22-27). Volgens Deut.10:8 is het één van de hoofdfuncties van de priesters om de Israëlieten te zegenen :

‘Toen zonderde de HERE de stam van de Levieten af om de ark van het verbond des Heren te dragen, voor de Here te staan om Hem te dienen, en in zijn naam te zegenen tot op deze dag.’ De macht van de zegen is direct verbonden met de bereidheid en de macht van God om de zegen te verstrekken.

In 2Kr.30:27 staat :

‘Toen stonden de Levitische priesters op en zegenden het volk, en hun stem werd gehoord; hun gebed kwam tot in zijn heilige woning, tot in de hemel.’

Hier worden zegen en gebed parallel geplaatst en daardoor tot op zekere hoogte gelijkgeschakeld. Het is een spreken vanuit een goddelijke opdracht, waarbij verwacht wordt dat de woorden effect hebben. Daarom staat er ook in het volgende vers dat deze handeling betekent ‘mijn naam op de Israëlieten leggen’ en de belofte ‘en Ik zal hen zegenen’ (vs.27). De vervulling is echter geen automatisme, maar hangt mede af van de gehoorzaamheid van de Israëlieten.

 

 

Woorden voor zegen en vloek

 

De woorden voor zegen en zegening komen maar liefst 516 keer voor in de Bijbel, terwijl de begrippen
die verband houden met vervloeken 199 keer aangetroffen worden. De laatste categorie is 180 keer aanwezig in het OT, terwijl het NT slechts aan een aantal van 19 komt. Deze getallen vormen een belangrijke aanwijzing voor de belangrijkheid van de woorden die nu onderzocht worden.

Het boek Job gebruikt ‘zegenen’ zeven maal in het raamwerk (hfst. 1, 2 en 42), waarvan vier keer in de betekenis van ‘vervloeken’. De SV vertaalt de uitspraak van de vrouw van Job heel letterlijk met ‘Zegen God en sterf’, terwijl de NV de bedoeling weergeeft met: ‘Zeg God vaarwel en sterf!’ (2:9; vgl. 1:5).

De houding van Job, in het zegenen van God, is een aanzet tot een latere ontwikkeling dat de zegen niet gelijk is aan voorspoed; zegen behoeft het lijden niet uit te sluiten.  Soms heeft de vloek de vorm van een gebed voor goddelijk ingrijpen, zoals in Jer.18:21-23. Tevensmoet er iets zijn bij het slachtoffer, waardoor de vloek geldigheid kan krijgen, want een onverdiende vervloeking werkt niet:

‘Gelijk een mus wegfladdert en een zwaluw heenvliegt, zo is een ongegronde vloek: hij treft geen doel’ (Spr.26:2). Een niet te rechtvaardigen vloek kan zelfs terugkeren op de persoon die hem heeft uitgesproken (Ps.109:17-20).

 

 

 

 

 

 Gods vervloekende uitspraken

 

Zoals reeds aangegeven, is het van belang dat de vervloeking in naam van God uitgesproken wordt. Maar het is ook mogelijk dat God zelf een negatieve, vervloekende uitspraak over iemand doet. De eerste keer dat we dit tegenkomen in de Bijbel, is de uitspraak over de slang die Adam en Eva verleid heeft. De slang krijgt te horen:

‘Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte van het veld’ (Gen.3:14). Het is opmerkelijk dat Adam en Eva wel gestraft, maar niet vervloekt worden. Ze zullen voortaan moeten zwoegen op de aarde die vervloekt wordt en doornen en distels voortbrengt (3:17; vgl. 5:29).

Het feit dat de eerste mensen niet vervloekt worden, is een teken van hoop te midden van alle donkere gebeurtenissen. In het volgende hoofdstuk staat de doodslag van Kaïn op zijn broer Abel beschreven. Als straf krijgt de moordenaar het volgende oordeel te horen:

‘Vervloekt bent u, ver van de bodem die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen’ (4:11).

Maar als Kaïn bezwaar maakt tegen de zware straf, krijgt hij goddelijke bescherming.

‘Ieder, die Kaïn doodt, zal zevenvoudig boeten’ (4:15).

Hoewel het woord hier niet gebruikt wordt, kan deze uitspraak als een voorwaardelijke vloek opgevat worden.

Wanneer later Abram geroepen wordt om naar Kanaän te gaan, krijgt hij van Godswege mee :

‘wie u vervloekt/verwenst, zal Ik vervloeken’ .

In Lev.26 en Deut.28 staan zegeningen en vervloekingen die gekoppeld zijn aan de houding van de Israëlieten tegenover het verbond. Deze uitspraken worden door Mozes in Gods naam gedaan.

 

 

 

 Mensen vervloeken anderen in Gods naam

 

De eerste keer dat een mens een vervloeking uitspreekt over een ander, is gedocumenteerd in de geschiedenis van Noach. Hij spreekt:

‘Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders’ (9:25).

De latere geschiedenis bevestigt de uitwerking ervan. Isaak zegent zijn beide zonen, en spreekt een vloek uit over wie Jakob zou vervloeken (Gen.27:29; vgl. 12:3). De Filistijn Goliat vervloekt David bij zijn goden (1Sam.17:43). Simi vervloekt David tijdens diens vlucht uit Jeruzalem (2Sam.16:5- 14). Beide verwensingen en vervloekingen blijken echter niet te werken ten opzichte van Gods verkoren koning. Dit is een belangrijke aanwijzing dat zegen en vloek niet magisch werken, maar afhankelijk zijn van goddelijke activiteit.

In het boek Richteren staat beschreven dat de moeder van de leviet Micha een vervloeking heeft uitgesproken over de dief van elfhonderd zilverstukken. Micha heeft die uitspraak gehoord en gaat naar zijn moeder toe om te erkennen dat hij het geld weggenomen heeft. Daarop verandert de moeder de vervloeking in een zegen:

‘Gezegend zij mijn zoon door de HERE’ en zij besluit om het geld voor de dienst van God te besteden, al doet ze dat op haar eigen manier (Ri.17:1-3).

Spr.26:2 geeft aan dat een vloek zonder grond geen schade zal doen (zie par. 3; vgl. ook Ez.13:18-23). Wanneer Israël leeft naar Gods wil, zal Hij beschermen tegen kwade machten en wie Hij zegent, zal gezegend zijn. Dus theoretisch was het mogelijk dat Bileam, een afgodendienaar in het Oude Testament, vervloekingen had uitgesproken die toch geen uitwerking hadden.

Het is onjuist een magische opvatting van vloeken te hebben, waardoor God wel ‘verplicht’ is geweest het uitspreken van deze negatieve woorden te verhinderen. God laat in de geschiedenis van Bileam zien dat Hij regeert, en kwade voornemens kan ombuigen, maar zelfs wanneer de vervloekingen geuit worden, kan Hij zijn volk behoeden. Problemen ontstaan uiteraard als Hij zijn bescherming terugtrekt, gewoonlijk vanwege zonden van de Israëlieten. Dan krijgen kwade machten meer mogelijkheden.

 

 

 Verbondszegen en -vloek in verbondsteksten

 

Er zijn veel overeenkomsten met zegen- en vloekbepalingen van oude verdragsteksten. De zegen en de vloek worden op mensen gelegd en de verwerkelijking van deze bepalingen is afhankelijk van hun gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Het is duidelijk de God van Israël die de zegen verleent of straft. Wanneer later koning Josia de profetes Chulda om raad vraagt met betrekking tot het gevonden wetboek, zegt zij:

‘Zo zegt de HERE: zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners: al de vervloekingen die geschreven staan in het boek dat men de koning van Juda heeft voorgelezen’ 

De inwoners hebben de wetten overtreden, de inzetting ontdoken en het eeuwig verbond verbroken.
Daarom verslindt een vloek de aarde en moeten haar bewoners boeten (vgl. ook Dan.9:11 en Zach.5:3).
De uitwerking van de vloek betekent hier oordeel en onheil dat mensen treft. Overigens is het na uitvoering van de straf, die zelfs tot ballingschap kan leiden, mogelijk dat het volk tot inkeer komt en dat het weer gezegend wordt. Dit gebeurt op grond van Gods trouw aan zijn verbond met de aartsvaders (Lev.26:40-45 en Deut.30:1-10). De Here zal dan zelfs de vervloekingen op hun vijanden leggen.

.

.

 

 

 

Zegen- en vloekceremonie

 

Mozes geeft opdracht dat Israël in het beloofde land naar de bergen Ebal en Gerizim moet gaan voor een
speciale ceremonie, om hun verantwoordelijkheden te benadrukken. Het volk moet een keuze maken tussen de zegen en de vloek (Deut.11:26-30). Bij de plaats Sichem moeten zes stammen op de berg Gerizim gaan staan om het volk te zegenen en zes op de berg Ebal voor de vloek (Deut.27:11-26). De inhoud ervan wordt niet genoemd, maar wel staan er twaalf vervloekingen die door de Levieten uitgesproken moeten worden.

Het gehele volk moet deze uitspraken beamen. Later leidt Jozua de Israëlieten naar de Ebal en de Gerizim, en daar wordt de ceremonie uitgevoerd (Joz.8:30-35). De twee bergen zijn voor altijd het zichtbare symbool van de twee mogelijkheden die God het volk voorhoudt. Het volk neemt door het uitspreken van ‘amen’ de inhoud van het verbond op zich en spreekt zelf uit dat een vervloeking mag komen wanneer men ongehoorzaam is.

 

 

Het Nieuwe Testament

 

Jezus spreekt in Mat.25:31-46 over het toekomstige oordeel. Dan zal Hij ‘de gezegenden’ welkom heten en ‘de vervloekten’ van zich stoten. Hun bestemming heeft te maken met de manier waarop ze zich in dit leven opgesteld hebben ten opzichte van zijn minste broeders en daarmee ten opzichte van Hem. De Heiland roept zijn volgelingen op om hun vijanden lief te hebben, te zegenen wie hen vervloeken en te bidden voor hen die smadelijk tegen hen handelen (Luc.6:27-28). De apostelen trekken die lijn door ten
opzichte van vervolgers en kwaaddoeners (Rom. 12:14; 1Pet.3:9).

Maar tegen dwaalleraren met valse leringen en praktijken of mensen onder invloed van een kwade macht (bv. Hand.13:6-12), die het Evangelie tegenwerken en verdraaien, worden wel vervloekingen uitgesproken. In 1Kor.16:22 staat het anathema:

‘Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt’.

 

 

zegening door het bloed van Christus

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Actualiteit

 

Mensen mogen niet zomaar een zegen en vloek uitspreken. In de eerste plaats is van belang in wiens naam (met welk gezag) deze woorden gezegd worden en in de tweede plaats zijn geloof en leven van de ontvanger belangrijk. Wat de zegen betreft: in de eenheid van spreken en aanvaardend luisteren wordt de aanwezigheid van God op de levensweg beloofd. De zegen is met Gods gebod verbonden.

In de actuele discussie over inhoud en zin van zegenhandelingen is het daarom nodig een grens te trekken, omdat eis en belofte niet van elkaar te scheiden zijn. Net zo min als er ‘goedkope genade’ is, is er een ‘goedkope zegen’. Het zegenen van ongeoorloofde oorlogen, en het zegenen van ongeoorloofde relaties is daarom een innerlijke tegenstrijdigheid. Wie een zegen wil ontvangen, zal ook rekening moeten houden met de mogelijkheid van vervloeking. De werking van de zegen en vloek hebben immers alles te maken met de houding tegenover God.

De vloek heeft in de theorie en praktijk van het protestantisme bijna geen betekenis meer, maar de interesse in zegenhandelingen neemt sterk toe. Om magisch misverstand te voorkomen, is de zegen vanaf de 17e eeuw vaak als zegenwens of zegenbede opgevat. Echter, een zegenwens is geen zegen in de eigenlijke zin van het woord, want hij richt zich niet op de medemens maar op God, en wordt niet meegedeeld.

De laatste jaren komt er wel meer belangstelling voor de doorwerking van vloeken die te maken hebben met occulte praktijken. Wanneer mensen de door God gegeven grens overschrijden en zich bezighouden met verboden praktijken (Deut.18:9-14) kan dat een occulte belasting met zich meebrengen. Ook kunnen mensen in de naam van allerlei goden ( demonen ) of van satan een vervloeking over anderen uitspreken. Ook een zelfvervloeking komt voor, bijvoorbeeld in de eden die leden van de Vrijmetselarij zweren; wanneer men uit deze beweging stapt en geheimen verraadt, rusten zelfvervloekingen op hen en hun nageslacht.

In het NT staan geen teksten die de vloek direct verbinden met de opeenvolging van de geslachten, maar het is wel zo dat de zonde van Adam doorwerkt in alle volgende generaties (Rom.5) en dat Paulus bij de heidenen een proces ziet waarin de waarheid in ongerechtigheid ten onder is gehouden, waardoor daar de meest verkeerde handelingen plaatsvinden (Rom.1).

We moeten voorzichtig zijn om de veroordeling ‘tot in het derde en vierde geslacht’ (Ex.20:5; Deut.5:9) en de uitsluiting van zelfs het tiende geslacht (Deut.23:2-3) ongewijzigd over te brengen naar onze tijd, maar de zojuist genoemde gedeelten uit de brief aan de Romeinen en de pastorale praktijk maken wel duidelijk dat er een langdurige doorwerking in de generaties kan plaatsvinden.

Bestudering van de gehele Bijbel leert ons, dat in Genesis (voor de tijd van het verbond aan de Sinaï) en ook in het NT, God zijn normen stelt die zegen met zich meebrengen, maar dat ongehoorzaamheid straf en vervloeking opleveren.

De kern van de zaak is in de gehele Schrift terug te vinden, maar het is waar dat de sterk aards gekleurde zegen en vloek in het NT een andere gedaante krijgen. Daar is het lijden om Christus’ wil, en daarmee
verdrukt worden door een vijand, een erezaak geworden (Mat.5:11). We moeten oppassen om ‘het lijden
van deze tegenwoordige tijd’ (Rom.8:18) niet uitsluitend negatief te zien. God wil voor zijn kinderen alles
laten meewerken ten goede (8:28).

Omdat in het NT het leven na de dood een veel grotere plaats inneemt dan in het OT, komen veel zaken in een ander perspectief te staan. Het NT verscherpt in zekere zin zegen en vloek. Want de onrechtvaardigen zullen niet slechts gestraft worden met honger of ballingschap, maar worden uitgesloten uit het Koninkrijk van God (1Kor.6:9-10).

Terwijl Paulus elders eerst schrijft dat zij die zich door de Geest laten leiden niet onder de wet zijn, voegt hij eraan toe, dat zij die de werken van het vlees doen, zoals onreinheid, toverij, nijd en dronkenschap, het Koninkrijk niet zullen beërven (Gal.5:18-21). Petrus roept op tot een levenswandel van liefde en barmhartigheid, en om geen kwaad met kwaad te vergelden, ‘maar zegent integendeel, omdat u hiertoe geroepen bent, dat u zegen zou beërven’ (1Pet.3:8-9). Een christen zal op deze wijze dus zeker zegen ontvangen.

Wie vertrouwt op God en de geestelijke wapenrusting aandoet (Ef.6), zal veilig zijn tegen de vele vurige pijlen die de boze op ons afvuurt. Dan geldt de belofte van 2Tes.3:3 :

‘Getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze’.

Maar wie zich met verboden zaken inlaat en zondigt, zal daar de negatieve gevolgen van ervaren. Terwijl tot de zondaren gezegd wordt ‘Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler’ klinkt tot de gelovigen:

‘wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’.

De reden daarvoor is, dat Christus spoedig komt en zijn loon bij Hem is, om een ieder te vergelden naar dat zijn werk is (Op.22:11-12). Zegen en vloek komen zo in eeuwigheidsperspectief te staan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gebedsgenezing

Standaard

categorie : religie

 

 

Wat zegt de Bijbel over gebedsgenezing?

 

 

levenskracht

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De Bijbel spreekt als geen ander boek op aarde over gebedsgenezing. Van begin tot eind verhaalt de Bijbel over de grote God van wonderen, die vol liefde is voor de gebroken mens, en die van harte bereid is onze ziekten te genezen en ons het leven in overvloed te geven. Zowel de profeten in het Oude Testament als de apostelen in het Nieuwe Testament zagen steeds weer dat God mensen volkomen herstelde door gebedsgenezing.

 

In het bijzonder in de bediening van Jezus Christus, die ons op volmaakte wijze liet zien wie God is, gebeurde vele duizenden wonderen van genezing.

 

Zo’n 25 procent van de evangeliën bestaat uit de geschiedschrijving van de talloze wonderen die Jezus deed. Door zoveel zieken te genezen, liet Hij enerzijds zien dat hij inderdaad de Zoon van God is. Het bevestigde zijn goddelijke gezag, zodat mensen luisteren naar zijn boodschap. Bovendien toonde Hij op deze manier hoeveel liefde en bewogenheid God heeft voor de lijdende mens en dat het niet Gods wil is dat zijn dierbare, geliefde kinderen ondraaglijk lijden door gruwelijke ziekte en pijn.

Jezus Christus genas echter niet alleen zelf vele duizenden zieken, Hij gaf ook zijn volgelingen nadrukkelijk opdracht hetzelfde te doen. Dit is wat Jezus Christus zei tegen zijn volgelingen:

 

“Genees de zieken en zeg tegen de mensen: Het koninkrijk van God is dicht bij u.” (Lukas 10:9)

“Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader.” (Johannes 14:12)

 

 

 

 

 

Gebedsgenezing vandaag

 

Dat God vroeger grote wonderen deed, begrijpen veel mensen wel. Maar de vraag is of dit ook nog vandaag de dag gebeurt. Om antwoord op deze vraag te krijgen moeten we eerlijk durven lezen wat er in de Bijbel staat. Een centraal thema in de Bijbel is Gods verlangen om zijn geliefde kinderen te bevrijden van elk juk in hun leven en ze het leven in overvloed te geven. Dit zijn enkele citaten uit de Bijbel:

 

“Geliefde, ik bid, dat het u in alles wèl ga en gij gezond zijt.” (3 Johannes 1:2)

“Smaakt en ziet, dat de HERE goed is; welzalig de man die bij Hem schuilt.” (Psalm 34:9)

“Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.” (Johannes 10:10)

“Hij geneest al uw kwalen, hij redt uw leven van het graf, hij kroont u met trouw en liefde, hij overlaadt u met schoonheid en geluk, uw jeugd vernieuwt zich als een adelaar.” (Psalm 103:3-5)

 

 

Nergens kun je in de Bijbel lezen dat God er vreugde in heeft om zijn geliefde kinderen ziek te maken, hun leven te vernietigen en ze ondraaglijk lijden mee te geven. Integendeel, God benadrukt doorheen de Bijbel dat Hij ons leven wil geven, vreugde, rust, geluk, enz. Hij is een goede Vader, die voor ons zorgt.

 

 

 

Wat zegt Jezus Christus over gebedsgenezing?

 

Naast de algemene openbaring over het karakter van God, laat de Bijbel ons zien dat we God op volmaakte wijze kunnen leren kennen als we kijken naar Jezus Christus. Jezus Christus zei dat Hij alleen deed wat de Vader Hem toonde en dat Hij en de Vader een volmaakte eenheid zijn.

 

“Als je mij kent, zul je ook mijn Vader kennen.” (Johannes 14:7)

‘Ik verzeker u,’ zei Jezus tegen hen, ‘de Zoon kan niets doen uit zichzelf; hij doet alleen wat hij de Vader ziet doen. Wat hij doet, doet de Zoon ook.’ (Johannes 5:19)

 

De volmaakte wil van God is door niemand anders zo volkomen tot uiting gekomen als in zijn Zoon Jezus Christus. In de woorden en daden van Jezus zien we wie God is.

 

Hij genas hen van alle ziekten en kwalen. Ze brachten hem ALLEN die er slecht aan toe waren, mensen met allerlei ziekten en pijnen, bezetenen,  lijders aan vallende ziekte en verlamden, en hij maakte hen beter.” (Mattheus 4:23,24)

“Ze brachten verlamden, blinden, kreupelen en doofstommen mee en nog veel andere zieken en legden die aan zijn voeten neer. En hij genas hen.” (Mattheus 15:30)

“Blinden en verlamden kwamen daar bij hem en hij genas hen.” (Mattheus 21:14)

 

 

Er staat meerdere malen dat Jezus Christus allen genas die bij Hem kwamen. Niet een enkeling of enkelen, maar allen

 

“Als een weldoener ging hij rond: hij genas allen die in de macht van de duivel waren.” (Handelingen 10:38)

 

Nergens in de Bijbel zie je dat Jezus Christus iemand niet wilde genezen. Eigenlijk kon Jezus slechts op een enkele plek niet velen genezen, en dat was in de stad van zijn jeugd, waar ze geen geloof in Hem hadden. Dat lag dus niet aan Jezus, maar aan de mensen die Hem niet erkenden als een gezondene van God.

 

 

 

Jezus gehoorzaamde zijn Vader en genas de zieken

 

Dat is wat de Bijbel ons klaar en duidelijk laat zien. Is gebedsgenezing echter ook nog voor vandaag? Geneest Jezus ook nu de zieken? Doet God nog steeds wonderen? Het antwoord is eenvoudiger dan je misschien denkt. Jezus gaf namelijk een duidelijke opdracht aan zijn volgelingen:

 

“Genees de zieken en zeg tegen de mensen: Het koninkrijk van God is dicht bij u.” (Lukas 10:9)

“Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader.” (Johannes 14:12)

“Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.” (Johannes 20:21)

 

Jezus geeft zijn volgelingen de duidelijke opdracht om zieken te genezen. Nergens in de Bijbel staat dat God deze opdracht heeft teruggetrokken. De bewering dat deze opdracht niet voor vandaag geldt, kan op geen enkele wijze vanuit de Bijbel gestaafd worden. Integendeel, dan ga je radicaal in tegen het duidelijke geschreven Woord van God dat ons de nadrukkelijke opdracht geeft: Genees de zieken.

Gebedsgenezing is voor volgelingen van Jezus Christus een opdracht. Niet alleen lang geleden, maar ook vandaag. Omdat gebedsgenezing zo belangrijk is, geeft God bovennatuurlijke gaven van de Geest aan zijn kinderen om zieken te genezen:

 

“Door die ene Geest krijgen anderen de gave om zieken te genezen of de kracht om wonderen te doen.” (1 Korinthe 12:9)

 

Er is een leugen in veel kerken binnengeslopen dat gebedsgenezing en wonderen niet meer voor deze tijd zijn en enkel was weggelegd voor de tijd van de apostelen uit de eerste eeuw. Die leer staat in schril contrast met wat de Bijbel leert. Niet alleen spreekt het Nieuwe Testament over Gods wil en opdracht om te genezen, ook in het Oude Testament is het duidelijk wie God is:

 

“Ik, de HERE, ben uw Heelmeester.” (Exodus 15:26)

 

 

God openbaart zich doorheen de Bijbel als onze Genezer

 

God heeft altijd mensen gebruikt om zijn genezing door te geven. In het Oude Testament gebruikte Hij zijn profeten, daarna kwam Gods wil tot uiting in Jezus Christus die vele duizenden (zelfs uit de landen rond Israël) genas. En Jezus gaf de opdracht aan hen die Hem dienen:

 

doe hetzelfde wat Ik gedaan heb. De Vader zond Mij, nu zend Ik jullie. Ga, verkondig het koninkrijk en genees de zieken.

 

Dat is een hele uitdaging, die ons heel diep naar God zelf toe trekt. Het maakt ons hongerig om niet alleen woorden over God te kennen, maar om Hem zelf te kennen en zijn kracht te ontdekken in ons leven. Religie brengt geen genezing, maar bestrijdt juist de kracht van God. Religie wil enkel woorden. Maar als we Jezus Christus gehoorzamen, worden we heel diep afhankelijk van God en weten we: het is tijd dat we ons losmaken van alles wat Jezus Christus belemmert en dat we gehoor geven aan zijn roep.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget