Tagarchief: israël

Abraham, de stamvader van Israël

Standaard

categorie : religie

 

 

Abraham, oorspronkelijk Abram geheten, is de stamvader van het volk Israël. Uit de Bijbel leren wij hem kennen als een uitstekend vroom man, die zich, in het volle vertrouwen, volkomen aan de goddelijke Voorzienigheid overgaf, toen hem gevraagd werd zijn zoon Izak te offeren. Hij werd als zoon van Terah (of ‘Terach’) en kleinzoon van Nahor geboren in Ur. Hij was dus een afstammeling van Sem, zoon van Noach.

 

 

Abraham Friend of God2

 

 

 

Naam

 

Zijn naam was eerst Abram (‘hoge vader’, ‘vader der hoogheid’), doch na de goddelijke belofte van een talrijk kroost (Gen. 12:2; 17:5), ontving hij op 99-jarige leeftijd de naam Abraham, welke hij de hele Bijbel door behoudt. De nieuwe naam betekent ‘vader van een grote menigte’. Hij zou worden ‘tot een groot volk’ (Gen. 12:2) en ‘een vader van menigte der volken’ (Gen. 17:5).

 

 

 

Afgoderij

 

Terah en zijn zonen Abraham en Nahor hebben andere goden gediend. Jozua verhaalde daarvan:

Joz 24:2 Toen zei Jozua tegen heel het volk: Zo zegt de Heere, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen van oude tijden af gewoond, Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.

Joz 24:14 Nu dan, vrees de Heere, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de goden weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte, en dien de Heere.

Joz 24:15 Maar als het in uw ogen kwalijk is de Heere te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de goden die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden,gediend hebben, óf de goden van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de Heere dienen!

Joz 24:16 Toen antwoordde het volk en zei: Er is geen sprake van dat wij de Heere zouden verlaten om andere goden te dienen.

 

 

52e00dfb70a3badbe4499241b720db2f

 

 

 

Roeping

 

Abram werd door God geroepen om zijn land en familie te verlaten en te gaan naar een ander land dat God hem zou wijzen. Jahweh zou hem tot een groot volk maken, namelijk het volk van Israël. In hem zouden alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

 

Ge 12:1 De Heere nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.


Ge 12:2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.


Ge 12:3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.


Ge 12:4 Toen ging Abram op weg, zoals de Heere tot hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran vertrok.

.

.

God verscheen meermaals aan Abraham

 

Hij zei eens van Abraham:

Ge 18:19 want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heeren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Heere aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft.

 

 

 

Abraham kreeg acht zonen bij drie vrouwen

 

De vrouwen van Abraham waren Sara, Hagar en Ketura. Hij nam Ketura tot vrouw nadat Sara, 127 jaar oud (Gen. 23:1) gestorven was; Abraham was toen 137 jaar oud. De naam “Ketura” betekent “reukwerk”. Abrahams zonen waren:

  1. Ismaël (‘God verhoort’), zoon van Sara’s dienstmaagd Hagar
  2. Izak (‘gelach’), zoon van Sara.
  3. Zimran (‘beroemde’), zoon van Ketura
  4. Joksan (‘vogelaar’), zoon van Ketura
  5. Medan (‘twist’), zoon van Ketura
  6. Midian (‘strijd’), zoon van Ketura
  7. Jisbak (‘verlatene’), zoon van Ketura
  8. Suah (‘treurig’), zoon van Ketura.

Sara’s overlijden in Hebron gaf hem aanleiding om een spelonk te kopen van de Hethiet Efron (Gen. 23). Hij kocht de spelonk en de akker van Efron voor 400 zilverstukken. Dat was zijn eerste, aangekochte eigendom in het land Kanaän. Na de dood van Sara heeft Abraham nog 38 jaar geleefd. Hij bereikte een leeftijd van 175 jaar. Door zijn zonen Izak en Ismaël werd hij begraven in de spelonk van Machpela.

 

 

 

Abraham, de profeet

 

God noemde Abraham tegenover de filistijnse vorst Abimelech “een profeet” (Gen. 20:7).

Ge 20:7 Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet dan dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.

Dat Abraham een profeet was, bleek uit zijn antwoord aan Izak, onderweg naar de offerplaats.

Ge 22:7 Toen sprak Izak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader! Hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon. Hij zei: Zie, hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?
Ge 22:8 Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen.

 

 

1505

 

 

De profeet Abraham sprak tot zijn knecht, die de opdracht kreeg naar Abrahams familie te gaan en daar een vrouw voor Izak te vinden.

Ge 24:7 De Heere, de God van de hemel, Die mij uit mijn familie en uit mijn geboorteland weggehaald heeft, Die tot mij gesproken heeft en Die mij gezworen heeft: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven -die God zal Zijn engel voor u uit sturen, opdat u voor mijn zoon daarvandaan een vrouw zult nemen.

Toen de aartsvader zich tegenover de Hethieten, van wie hij een gunst verzocht, “een vreemdeling en een inwoner bij u” noemde, noemden zij hem “een vorst Gods in het midden van ons’ (Gen. 23:6). God noemde hem tegenover zijn volk Israël “de rotssteen” waaruit de Israëlieten gehouwen zijn.

 

Jes 51:1  Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid najaagt, gij, die den Heere zoekt! aanschouwt den rotssteen, waaruit gij lieden gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt.


Jes 51:2 Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die ulieden gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem.

 

Jezus Christus wordt “de Zoon van Abraham” genoemd, omdat hij naar het vlees een afstammeling van Abraham is en evenals deze wandelde in geloof.

Mt 1:1 Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.

 

Joh 8:39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zei tot hen: Als u kinderen van Abraham was, zou u de werken van Abraham doen.

 

 

 

Belofte van land

 

Abraham kreeg de belofte van het land Kanaän. Hij was gegaan en gekomen in het land dat God hem ter bezitting aanwees. Het land was voor hem en zijn ‘zaad’, zijn nageslacht. De landbelofte wordt meermaals herhaald.

 

Ge 12:1 De Heere nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.


Ge 12:7 Zo verscheen de Heere aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den Heere, Die hem verschenen was.


Ge 15:7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de Heere, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.


Ge 17:8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.

 

 

Afbeelding-04-Het-Beloofde-Land

 

 

 

Het beloofde land is zelfs groter dan Kanaän en strekt zich uit tot de rivier Eufraat (of Frath).

 

Ge 15:18 Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.

 

 

 

Abraham bleef een vreemdeling in het land en woonde in tenten.

 

Hnd 7:5 En Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs geen voetbreed, en Hij beloofde het hem tot een bezitting te geven en zijn nageslacht na hem, terwijl hij geen kind had.

 

 

3sarah-et-abraham_isaac540

 

 

 

De landbelofte wordt door God aan Abrahams zoon Izak bevestigd

 

Ge 26:2 En de Heere verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal;

Ge 26:3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb.

Ge 26:4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,

Ge 26:5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.

 

Ook aan Jacob en Mozes werd de belofte door God bevestigd (Deut. 34:4).

 

 

 

Belofte van talrijk nageslacht

 

Abraham kreeg ook de belofte van een talrijk nageslacht. Abraham is, overeenkomstig de belofte van God, een vader van vele volken geworden. De naam ‘Abraham’ betekent ‘vader van een grote menigte’ .

Ge 12:2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.

Ge 17:5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.


Ge 17:6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.

Ge 18:17 De Heere zei: Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?


Ge 18:18 Immers, Abraham zal zeker tot een groot en machtig volk worden, en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.


Ge 18:19 Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de Heere in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Heere over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.

 

 

 

God herhaalde Zijn belofte nadat Abraham zijn zoon offerde:

 

Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,


Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.


Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

 

 

 

De belofte van een talrijk nageslacht werd door God aan Izak herhaald:

 

Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,

Ge 26:5 omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.

Abraham heeft afstammelingen naar het vlees en naar het geloof. Van Abraham stammen af naar het vlees (lijfelijke nakomelingen):

  • de Israëlieten, via zijn zoon Izak
  • de Edomieten, via zijn zoon Izak
  • de Ismaëlieten, via zijn zoon Ismaël
  • de Assurieten, via zijn zoon Joksan
  • de Letusieten, via zijn zoon Joksan
  • de Leümmieten, via zijn zoon Joksan
  • de Midianieten, via zijn zoon Midian
  • en vele Arabische stammen

Volgens de islamitische overlevering zijn de Arabieren de nakomelingen van Ismaël en daarmee kinderen van Abraham. Moslims zien Abraham als hun vader.

 

 

 

Abrahams nageslacht door het geloof

 

In figuurlijke of geestelijke zin, namelijk om hun geloof, worden gelovigen in de Bijbel kinderen van Abraham genoemd. Abraham geloofde God op het woord van Diens beloften en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Zo wordt ook ons geloof in Jezus Christus, de Zoon van God en de Heiland der wereld, ons tot gerechtigheid gerekend. In dat opzicht is de gelovige als Abraham en wordt hij door God als een zoon van Abraham beschouwd.

Ga 3:7 Erkent dan, dat zij die op grond van geloof zijn,zonen van Abrahamzijn. 

Ga 3:29 En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en volgens belofte erfgenamen.

 

Uit en door Abraham is dus een natuurlijk en aards volk (Israël) alsook een geestelijk en hemels volk (gemeente van Christus) ontstaan. Deze beide volken worden misschien aangeduid door de uitdrukkingen “de sterren aan de hemel” (gemeente van Christus) en “het zand aan de oever van de zee” (Israël).

 

Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,


Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als hetzand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.


Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden.

 

 

plaat10

 

 

 

Belofte van zegen

 

Abraham kreeg ook een belofte van zegen in hem: in hem zouden alle geslachten van het aardrijk gezegend worden.

Ge 12:3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

 

 

 

God herhaalde Zijn belofte nadat Abraham zijn zoon offerde:

 

Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,


Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.


Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

 

 

 

De belofte van zegen wordt door God aan Izak herhaald:

 

Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, 

Ge 26:5 omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.

 

 

 

Op de Pinksterdag herinnert Petrus zijn toehoorders aan deze belofte:

 

Hnd 3:25 U bent de zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen heeft gemaakt, toen Hij tot Abraham zei: ‘En in uw nageslacht zullen alle families van de aarde gezegend worden’.

 

 

 

Deze zegen komt door een zoon van Abraham, namelijk Jezus Christus, tot alle volken van de aarde. Eén zegen is de rechtvaardiging uit geloof.

 

Ga 3:8 De Schrift nu, die voorzag dat God de volken op grond van geloof zou rechtvaardigen, verkondigde tevoren aan Abraham de blijde boodschap: ‘In u zullen alle volken gezegend worden’.

 

 

 

Belofte van overwinning

 

Nadat God aan Abraham meermaals de belofte van land, een talrijk nageslacht en zegen door hem voor de volken had gedaan, voegt Hij, nadat Abraham zijn eigen zoon offerde, er een nieuwe belofte bij.

 

 

Het zaad (nageslacht) van Abraham zou de poort van zijn vijanden in bezit nemen:

 

Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,


Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.


Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

 

Wanneer wij Abrahams zaad (nageslacht) in het meervoud nemen, dus op zijn nakomelingen zien, dan zegt de belofte dat Abrahams nageslacht de poort van zijn vijanden (erfelijk) zal bezitten, hun steden innemen en het goed van hun land genieten. Een poortis in de Heilige Schrift het beeld van macht en sterkte (vgl. Matth. 16:18). In de poorten werden ook de rechtspraken gehouden. Jahweh wil daarmee dus aan Abraham zeggen, dat zijn nakroost over zijn vijanden zal heersen en zijn vijanden overwinnen zal.

Deze belofte ging in vervulling toen Israël zijn vijanden versloeg en het beloofde land innam. De volkomen vervulling geschiedt na de Grote Verdrukking en het geestelijke herstel van Israël. Israël zal dan niet langer de smaad en de staart, maar de eer en het hoofd der volken zijn.

Wanneer wij Abrahams zaad in het enkelvoud nemen, dus op zijn Nakomeling Jezus zien – zoals Paulus doet in Gal. 3:16 – dan zegt de belofte dat de Heer Jezus de poort van zijn vijanden zal innemen. De Heer Jezus is verhoogd aan Gods rechterhand totdat God al zijn vijanden tot zijn voetbank heeft gesteld.

Heb 1:13 Tot wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden stel tot een voetbank voor uw voeten’?

Lu 19:27 Die vijanden van mij evenwel, die niet wilden dat ik over hen regeerde, brengt ze hier en slacht ze in mijn bijzijn af.

 

 

De Heer Jezus heeft door de dood de satan, die de macht over de dood had, teniet gedaan.

 

Heb 2:14  Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel.

 

 

 

Hij heeft de sleutel van de dood en de hades (= dodenrijk).

 

Opb 1:18 en de levende; en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van de dood en de hades.

Mt 16:18 En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen.

Hij zal bij zijn toekomstige verschijning in de wereld zijn vrederijk op aarde oprichten. Hij zal de wereld regeren, die voordien, na de zondeval, door satan werd geregeerd.

 

1Co 15:25 Want Hij moet regeren, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd.

 

 

 

DE ISLAM IS DE GOEDSCHIKSE

TEGENBEWEGING

TEGEN HET WARE CHRISTENDOM

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

John Astria

Een archeologisch bewijs van de 10 plagen van Egypte

Standaard

categorie : religie

 

 

Exodus

 

De geschiedenis van de uittocht van het Joodse volk uit Egypte heeft de mensheid al vele duizenden jaren bezig gehouden. Bovenal geïntrigeerd door de enorme rampspoed die over Egypte en zijn bevolking kwam, door hun weigering aan YHWH, de God van Israël, te gehoorzamen. Maar vooral in de laatste eeuw zijn er over de historische waarheid nogal wat vraagtekens geplaatst.

 

 

story2

 

En toegegeven, voor iemand die zijn vertrouwen en geloof niet op onze Vader heeft gesteld kan deze geschiedenis, met zijn plagen en wonderen, ongeloofwaardig overkomen. Water verandert in bloed, immense plagen van allerlei dieren en ongedierte. Mensen en vee krijgen massaal steken van vliegen, zweren op hun lichaam te verduren en of dat niet erg genoeg is sterven ze massaal aan de pest, hagelbuien, leven ze in volledige zonsverduistering en tot slot sterven alle eerstgeboren zonen in alle gezinnen door heel Egypte heen. En dit alles volgde zich in een rap tempo op, en we spreken dan niet over jaren, maar over weken en maanden.

Dat zou dan toch zeker ook opgetekend zijn op oude Egyptische papyrus’ en tabletten? Misschien moeilijk te geloven, maar dat is ook gedaan. We weten dat de Egyptenaren een geschiedenis hadden van het herschrijven van de geschiedenis en succesverhaal na succesverhaal optekenden of zo herschreven. Het rauwe gevolg hiervan was dat zo echter ook de minder succesvolle gebeurtenissen “verfraaid” werden of zelfs volledig weggelaten werden uit de annalen der geschiedenis.

Voorbeeld is de, door farao’s, regelmatig toegepaste handeling om alle hïerogliefen van zijn/haar voorganger rigoreus te verwijderen en daarvoor zichzelf en eigen “heldendaden” in de plaats te laten beitelen, of door uitkomsten van veldslagen te verdraaien voor eigen eer. Maar ondanks hun neiging historische “onwelgevalligheden” weg te poetsen in hun annalen, mogen we toch wel verwachten dat er Egyptische bronnen zouden zijn die ook maar iets zouden spreken over deze verschrikkelijke (maar tevens vernederende) plagen die Egypte en zijn inwoners hebben getroffen? Mogen we inderdaad en het Ipuwer Papyrus is nu exact zo’n bron.

 

 

Ipuwer Papyrus

 

Het Ipuwer Papyrus is een schrift die in handen is van het Nationaal archeologisch museum in Leiden. Het manuscript is gevonden in Memphis, Egypte en is gedateerd rond de 13e-14e eeuw v. Chr., exact overeenkomend met de periode van de Exodus van het Joodse volk uit Egypte. Dit kunnen we nagaan aan de hand van de Joodse jaartelling. Joden gaan uit van het moment van de schepping en zij leven momenteel in het jaar 5770 (uitgezonderd de jaren in ballingschap). Joden dateren de Exodus uit Egypte in het jaar 2313. 5770 – 2313 = 3457 jaar. 2014 (ons huidige jaar) – 3457 (de jaren die verlopen zijn vanaf het joodse jaar van de Exodus) = 1443 v. Chr.

 

 

.

Beschrijving  Ipuwer Papyrus 

 

In dit papyrus beschrijft een zekere Ipuwer de gebieden Beneden- en Opper-Egypte in een staat van complete chaos, waar ziekten, plagen en de dood het straatbeeld beheersen. Een ander aspect van deze chaos is een ware anarchie waar slaven hun taken verder weigeren uit te voeren en rebelleren tegen hun meesters en de staat.

Catastrofale natuurrampen treffen het land en mensen zoeken wanhopig naar manieren om te overleven. Bij dit beschrijven zullen sommige mensen al gelijk  denken aan het verhaal van de uittocht in het Bijbelboek Exodus, maar het wordt ons nog duidelijker als Ipuwer verder gaat en schrijft dat in heel Egypte het water niet meer drinkbaar is omdat dit in bloed veranderd is, het vee massaal door ziekte en dood getroffen wordt, de volledige oogst in één nacht vernietigd is, broers hun broers moeten begraven en de straten letterlijk bezaaid liggen met hun lichamen.

Het land is voor een periode in complete duisternis gehuld en niemand kan in deze duisternis nog iets ondernemen. De gebeurtenissen die Ipuwer beschrijft komen dus wel erg duidelijk overeen met het verslag in Exodus. Aan de hand van enkele voorbeelden kunnen we zien dat de beide verhalen inderdaad verbijsterend veel overeenkomsten met elkaar hebben., Aan de linkerzijde ziet u de beschrijvingen in het Ipuwer Papyrus en aan de rechterzijde die van het Bijbelboek Exodus.

Zoals we hieronder kunnen zien beschrijft Ipuwer gebeurtenissen van ongekende omvang. Gezien de periode waarin dit papyrus geschreven is, is het aannemelijk dat Ipuwer een getuige is geweest van wat er geschreven staat over de uittocht in Exodus. De opvallende gelijkenis is meer dan zomaar opmerkelijk. In onze (bescheiden) ogen dient dit papyrus dan ook gezien te worden als een Egyptische versie of samenvatting van de traumatische gebeurtenissen, zoals die beschreven staan in Exodus 7 tot en met 12.

 

 

     Ipuwer Papyrus                                      Thora / Exodus

2:5-6
 
Pest en plagen verspreid in het hele land. Bloed is overal.
 
7:20-21
 
 
 
 
8:6
 
 
8:17
 
 
8:24
In een oogwenk veranderde het water in bloed. Overal in Egypte was het water in bloed veranderd.
Kikkers kwamen van alle kanten opzetten en overstroomden het hele land.
Opeens verschenen in heel Egypte grote hoeveelheden luizen.
In alle huizen en in heel Egypte wemelde het van de steekvliegen.
2:9
De rivier (Nijl) is vol met bloed. Mensen drogen uit, verzwakken en snakken naar water.
7:25
En alle Egyptenaren moesten in de omgeving van de Nijl naar water graven, omdat ze uit de rivier niet meer drinken konden.
2:4
 
 
4:1
 
 
2:13
Veel doden zijn begraven in de rivier.
Elk dood persoon is een goed-geboren (Egyptisch) persoon.
Overal mannen die hun broers in de grond stoppen.
12:29
 
12:30
De eerstgeborene in elk Egyptisch gezin stierf.
Er was niet één huis waar geen doden waren. Er was een groot huilen in Egypte.
3:10-13
Dat is ons water! Dat is onze blijdschap. Wat kunnen wij hieraan doen? Alles is ten gronde gericht.
7:21
En de rivier was volledig bedekt met en stonk naar rottend vis.
5:5
Alle dieren, hun harten huilen. Het vee schreeuwt het uit.
9:1-7
De machtige hand van YHWH zal een dodelijke plaag sturen die al uw vee zal doden.
2:10
Poorten, zuilen, pilaren en muren worden verteerd door vuur.
9:23-25
En de bliksemschichten doorkliefden de hemel. En er was hagel, en er was vuur vermengd met de hagel.
6:3
5:12
 
 
 
 
3:3
 
 
4:11
 
5:2
Graan is overal vernietigd.
Alles is vernietigd wat er gisteren nog was. Het land is volledig aan zijn lot overgelaten.
Huisvrouwen klagen: hadden we maar iets te eten!
Bomen zijn geveld en struiken zijn kaal.
Magnaten zijn hongerig en gaan ten onder.
9:25
10:15
En de hagel doorploegde het veld en vernietigde alle oogst.
Er bleef geen enkel groen over, in de bomen, kruiden, specerijen noch in het veld, in heel Egypte.
9:11
Het land is zonder licht.
10: 21-29
Het werd aardedonker in het land, drie dagen lang. Gedurende die tijd kon niemand een hand voor ogen zien en zelfs niet opstaan om iets te doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Wie zijn de “andere schapen”?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Wie bedoelde Jezus met de“andere schapen”(Johannes10:16)?

 

 

De redding van een verloren schaap

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De herder is in het Oude Testament een bekend beeld voor de zorg van God voor zijn volk, voor de enkeling (Psalm 23), maar vooral voor de natie, die Hij uit slavernij leidde en voedde en beschermde (Psalm 74:1; 79:13; 80:2; 95:7; 100:3; Jesaja 63:5).

Het was geen toeval dat zowel de grote leider, Mozes, als de grote koning, David, herders waren voordat God hen riep om zijn volk te hoeden. Toen het volk Israël door zijn herders te gronde werd gericht, beloofde God dat Hij zelf zijn kudde zou redden via de Messias. God zou David aanstellen als hun herder: “Dan zal ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn” (Ezechiël 34:23).

Micha zei eveneens van Jezus die in Bethlehem geboren zou worden: “Dan zal hij staan en hen weiden in de kracht van de Here, zijn God”( Micha 5:3);

en Jesaja:

“Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen…”(Jesaja40:11).

Jezus was die goede herder die door de profeten aan Israël was beloofd. Gedurende zijn leven was zijn werk beperkt gebleven tot “de verloren schapen van het huis van Israël”( Mattheüs 15:24; 10:6). Pas na zijn dood en opstanding kregen zijn discipelen de opdracht om behoudenis in Hem in de hele wereld te gaan prediken.

Voortaan werden ook de heidenen geroepen om deel te hebben aan Gods beloften: ook zij waren binnen de kudde van Israël gebracht. In de woorden van Paulus in Efeziërs 2:13: “Thans in Christus Jezus bent u, die eertijds veraf was, dichtbij gekomen door het bloed van Christus”. De toekomstige niet-Joodse gelovigen werden dus de “andere schapen die niet van deze stal zijn”. Zij zouden aan Gods volk toegevoegd worden, om één kudde te vormen; en “het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens”(Openbaring 7:17).

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

De Openbaring aan Johannes en de brieven aan de christelijke gemeenten : Openbaring 1,2 en 3

Standaard

categorie : De Openbaring

 

 

 

 

Openbaring hoofdstuk 1, 2 en 3 uit net Nieuwe Testament: de openbaring

aan Johannes en de brieven aan de christelijke gemeenten

 

 

 

Hoofdstuk 1,2 en 3

 

pasteltekening van John Astria

 

 

Wat is het boek der Openbaring ?

 

De Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament en de Bijbel. Het werd geschreven door de apostel Johannes op het eiland Patmos, een eiland in de Egeïsche Zee vlakbij Turkije. Het boek is gedateerd in 96 NC, al-hoewel er ook argumenten zijn voor een vroegere datum. Omdat de teksten in het Grieks geschreven zijn, noemt men het boek ook de Apocalyps.

Hedendaags gebruikt men dit woord wanneer men de klemtoon wil leggen op een grote ramp. Het is een pro-fetisch boek en bevat 22 hoofdstukken. God openbaart Johannes via een visioen geheimen over de eindtijden, gebeurtenissen die de mens zijn verstand te boven gaan.

  • Johannes 17 : 3 > ‘’dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de enige ware God en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus.‘’
  • Openbaring 1 : 3 > ‘’gelukkig is hij die deze profetische woorden van de Here voorleest; en dat geldt ook voor de mensen die ernaar luisteren en het zullen onthouden. Want de tijd dat deze dingen werkelijkheid worden, komt steeds dichterbij.‘’
  • Openbaring 22 : 7 > Jezus zegt : ‘’ja, ik kom gauw. Gelukkig is hij die de profetische woorden van dit boek onthoudt.‘’

 

Dit zijn citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Het is aan de mens om de eerste stap te zetten. Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar.

In het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft. Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren ken-nen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toe-komst tegemoet kunnen gaan.

 

 

God geeft kennis over

 

-zijn doel met deze wereld

-de toekomst van Israël en de wereld

-het mysterie van het goede en het kwade

-de bestraffing van het goede en de bestraffing van het kwade

-de toekomstige natuurrampen en oorlogen

-de wederkomst van de Messias

-de dag des oordeel

-het uitzicht in de hemel en zijn troon

-de nieuwe  hemel en de nieuwe aarde

 

 

De Openbaring is moeilijk te begrijpen door de vele mystieke symbolen in de teksten en de verwijzingen naar het Oude Testament. De geschiedenis van Israël is een leidraad doorheen de 22 hoofdstukken. Jeruzalem wordt het centrum van Goddelijke theocratie voor gans de wereld.

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

Reine en onreine dieren

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

Reine en onreine dieren

 

De eerste keer dat we lezen over reine en onreine dieren in de Bijbel, is in de geschiedenis van de zondvloed. Noach kreeg de opdracht om zeven paar te nemen van alle rein vee en slechts twee van het onreine vee.

  • Ge 7:2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.

We weten niet hoe Noah rein en onrein vee onderscheidde, maar het toont aan dat al in de vroege dagen een onderscheid gemaakt werd tussen het reine en het onreine. Reine dieren waren ongetwijfeld geschikt om te offeren. Toen Noach uit de ark was gekomen, bracht hij brandoffers van al het reine vee en al het rein gevogelte.

  • Ge 8:20 En Noach bouwde een altaar voor de Heere; en hij nam van al het reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.

De dieren dienden vóór de zondvloed kennelijk nog niet tot voedsel, want pas na de zondvloed wordt gesproken over het eten van dierlijk voedsel.

  • Ge 9:3 Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.

 

Met Israël was het anders. Welke dieren mochten en moesten worden geofferd wordt duidelijk aangegeven. En wat voor dieren rein waren en konden worden gegeten en wat voor dieren onrein waren en niet gegeten konden worden, maakte God in bijzonderheden bekend.

  • Le 11:46 Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, Le 11:47 om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag.

God maakte duidelijk welk vlees onrein was in Zijn ogen. We weten uit andere geschriften, dat de onrein genoemde dieren niet werkelijk op zichzelf onrein zijn, want God schiep geen dieren die onrein waren. Toch wees hij dieren met bepaalde kenmerken als onrein en afschuwelijk voor de Israëliet aan.

 

Om de heiligheid

 

Het doel van deze wetgeving aangaande reine en onreine dieren was heiligheid, in overeenstemming met de heilige God.

  • Le 11:44 want Ik ben de Heere, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. Le 11:45 Want Ik ben de Heere, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig.
  • De 14:2 Want u bent een heilig volk voor de Heere, uw God. De Heere heeft u uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.  De 14:3 U mag niets eten wat een gruwel is.  De 14:4 Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit.

 

 

.

.

Landdieren

 

De Israëliet mocht alleen reine landdieren tot voedsel nemen. Reine landdieren zijn die welke zowel herkauwen als gespleten hoeven hebben (Lev. 11:2-3). Dit zijn bijvoorbeeld, volgens Deut. 14:4-6, het rund, het schaap, de geit, het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems.

 

 

Schapen waren voor de Israëliet reine dieren. Ze mochten gegeten en geofferd worden.

 

 

Tot de onreine dieren behoren vleeseters, zoals katachtigen, en ook, volgens Lev. 11: 4-8 :

  • de kameel (herkauwt, geen gespleten hoeven)
  • de klipdas 
  • de haas  
  • het varken (herkauwt niet, wel gespleten hoeven).

 

  • Al wie ze aanraakte, was onrein (Lev. 11:26). “Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein.” (Lev. 11:8; vgl. Deut. 14:3,7-8)

 

Alle zoolgangers onder al de dieren die op vier poten gaan, waren voor de Israëliet onrein.Bij zoolgangers raakt de hele voetzool van voor- en achterpoot de grond. Zoolgangers zijn meestal geen snelle dieren, maar ze kunnen zich wel goed afzetten en iets vastgrijpen. Voorbeelden zijn beren en mensen.

  • (Lev. 11:27). “Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein” (Lev. 11:28).

 

De kruipende landdieren, die zich over de aarde voortbewegen, hetzij op de buik of op poten, waren afschuwelijk en onrein voor de Israëliet en mochten niet gegeten worden.

  • (Leviticus 11:29-31; 41-44), zoals de mol, de muis, elke soort pad, de gekko, de varaan, de hagedis, de skink  en de kameleon.
  • (Lev. 11:31)“Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond”
  • (Lev. 11:43-44) “U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt,  want Ik ben de Heere, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig”

Deze kruipende dieren (mol, muis, pad enz.) kwamen in woningen dikwijls voor. Wanneer ze, stervende of reed gestorven, op of in iets vielen (pan, pot, kleed, zak) was dit onrein tot de avond. Het moest in water worden gelegd (Lev. 11:32). Een aarden pot, onrein geworden, moest gebroken worden. Voedsel en drank uit zo’n pot (vat, kruik) was onrein. Ook de verontreinigde oven en de bakpan moesten stukgebroken worden (Lev. 11:35). Een bron of waterput of zaaigoed (zaaibaar zaad) zou door het dode dier niet verontreinigd raken, het zou rein blijven. “Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt iets van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein.” (Lev. 11:38)

 

 

Waterdieren

 

De Israëliet mocht alleen reinewaterdierentot voedsel nemen. Reine waterdieren zijn die welke zowel vinnen als schubben hebben (Lev. 11:9; Deut. 14:9).

Wanneer een waterdier geen vinnen of schubben had, was het voor de Israëliet onrein en afschuwelijk en mocht hij het niet eten (Lev. 11:10-12; Deut. 14:10). Onrein en afschuwelijk zijn derhalve mosselen, kreeften, enz.

  • Lev. 11: 10 maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water leven, die zijn voor u iets afschuwelijks. Lev. 11: 11 Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. Lev. 11: 12 Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks.

 

 

.

.

Vogels

 

De arend was voor de Israëliet een onrein dier. 

 

 

 

De Israëliet mocht alleen reine vogels en reine gevleugelde dieren eten (Deut. 14:11,20).

Als onrein en afschuwelijk gevogelte wees God aan (Lev. 11:13-19; Deut. 14:12-18; 21:12) :

  • de arend, de lammergier of de havik, de monniksgier of de zeearend, de buizerd of de gier, elke soort kiekendief, elke soort wouw, elke soort raaf, de struisvogel, de velduil, de meeuw of de koekoek, elke soort valk of de sperwer, de steenuil, de visarend of het duikertje, de ransuil, de kerkuil, de kraai, de roerdomp, de aasgier, de pelikaan, de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. Dit zijn voornamelijk roofvogels en aasvogels.

 

 

Insecten

 

De op vier voeten kruipende, kleine gevleugelde dieren waren bijna alle onrein voor de Israëliet, hij mocht ze niet eten (Lev. 11:20, 23-25; Deut. 14:19).

  • De 14:19 Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden. De 14:19 Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden. 

Van alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan en die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen, mocht de Israëliet de volgende soorten wel eten:

(Lev. 11:21-22) elke soort veldsprinkhaan, elke soort sabelsprinkhaan, elke soort krekel en elke soort doornsprinkhaan .

  • (Lev. 11:24-25). Door de kruipende gevleugelde dieren zou de Israëliet zichzelf kunnen verontreinigen. “Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond.”

Van Johannes de Doper lezen wij dat hij sprinkhanen als voedsel nam.

  • Mt 3:4 Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kameelhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing.

 

.

.

Kadaver

 

Een wettelijk eetbaar dier werd onrein als het gestorven was. De Israëliet mocht geen enkel kadaver eten.

  • De 14:21 : U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de Heere, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 

Wie een dierlijk kadaver aanraakte, het droeg of daarvan at, was onrein tot de avond.

  • Le 11:39 En wanneer een van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. Le 11:40 Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond.

 

.

.

Het hemels gezicht van Petrus

 

In Hand. 10:9-16 krijgt de biddende en hongerige apostel Petrus een gezicht, waarin God hem toont dat de oude reinheidswet betreffende het eten van dieren niet meer geldt:

  • Hnd 10:11 En hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen als een groot laken, dat aan de vier hoeken op de aarde werd neergelaten; Hnd 10:12 daarin waren alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en vogels van de hemel. Hnd 10:13 En er klonk een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet! Hnd 10:14 Petrus echter zei: In geen geval, Heer, want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten. Hnd 10:15 En weer klonk een stem tot hem, voor de tweede keer: Wat God gereinigd heeft, zul jij niet voor onheilig houden. Hnd 10:16 En dit gebeurde tot driemaal, en terstond werd het voorwerp opgenomen in de hemel.

Het is duidelijk uit de Schrift dat het verbod van onreine dieren te eten alleen voor Israël gold. Het gezicht aan Peter gegeven openbaart dat de beperking is afgeschaft in Christus.

  • 1Ti 4:4 Want al het door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen, 1Ti 4:5 want het wordt geheiligd door Gods woord en door gebed.
  • Ge 9:3 Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.

 

.

.

Zinnebeeldige betekenis

 

De kenmerken van reine en onreine dieren hebben ongetwijfeld symbolische betekenissen voor Nieuwtestamentische gelovigen. 

Het verdelen van de hoef en het herkauwen kunnen wijzen op een vaste en volhardende wandel (als de kameel of de os) en het verteren of overdenken van wat wordt ontvangen (vgl. Ps 1:1,2; Spr. 12:27).

Bijna al het kruipend gevleugeld gedierte, dat zich op de aarde voortbeweegt, was onrein. De aarde is onder de vloek vanwege de zonde, en er moet een zedelijke verhoging zijn, een uitstijgen boven het platvloerse, het aardse. De sprinkhaan kon springen en mocht daarom gegeten worden.

  • Flp 3:18 Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn; Flp 3:19 hun einde is het verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen. Flp 3:20 Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten.

De reine vissen hebben vinnen en schubben: de vinnen stellen de vis in staat zich voort te bewegen en op te stijgen in het water, zijn koers te richten en gevaar te vermijden; de schubben bieden de vis bescherming. Om besmettingen van de wereld te vermijden is een omzichtige wandel nodig, met de bescherming die God heeft gegeven.

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Pretribulationisme

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Het pretribulationisme is de leer dat de Heer Jezus zijn gemeente van de aarde wegneemt aan het begin of vóór de verdrukking ofwel de laatste jaarweek van Daniël. Zij die deze leer houden worden pretribulationisten genoemd.

 

 

Christus’ oordeel

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Het woord pretribulationisme komt van ‘pre’ (= voor) en het Latijnse woord ‘tribulatio’ (= verdrukking). Het pretribulationisme hangt samen met het prechiliasme, dat is de leer dat de Heer Jezus terugkomt vóór het toekomstig, duizendjarig vrederijk. Prechiliasten hebben altijd geloofd dat er vlak vóór Christus’ wederkomst een tijd van verdrukking en benauwdheid zal wezen.

 

 

 

Argumenten

 

Voor de stelling dat de gemeente vóór de grote verdrukking wordt verwijderd van de aarde zijn onder meer de volgende argumenten aangevoerd:

 

 

Niet bestemd tot toorn

 

De Grote Verdrukking is de tijd dat de toorn van God over de aarde wordt uitgegoten. De aarde zal worden getroffen door rampen en plagen. De Grote Verdrukking is zwaarder en omvangrijker dan vroegere verdrukkingen. Hoewel de Gemeente verdrukking en vervolging heeft ondervonden en in veel landen nog ondervindt, zal zij niet worden blootgesteld aan de Grote Verdrukking. Want God heeft de Gemeente niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de behoudenis.

De Grote Verdrukking is een tijd van goddelijke toorn, waarvoor de Gemeente, bestaande uit mensen die met God verzoend zijn, niet bestemd is (1Th1:10; 5:9; Op6:16v.: 11:18).

1Th 1:9 want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om de levende en waarachtige God te dienen 1Th 1:10 en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn

1Th 5:9 want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de behoudenis door onze Heer Jezus Christus.

Ro 5:9 Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn.

Ro 5:10 Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon, veel meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door zijn leven. 

In de gemeenten zijn sterken en zwakken, rijken en armen, meesters en slaven. De wereldlingen zullen zich verbergen in de holen en de rotsen voor het aangezicht van God en voor de toorn van het Lam. Daar kunnen de gelovigen van de gemeente van Christus niet bij zijn, want de toorn van God en van het Lam zal hen niet treffen.

Opb 6:15 En de koningen van de aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de sterken en elke slaaf en vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen; Opb 6:16 en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam; Opb 6:17 want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan

 

 

Openbaring hoofdstuk 7 ; het breken van zegel 6

 

Pasteltekening van John Astria

 

Opb 11:15 En de zevende engel bazuinde, en er kwamen luide stemmen in de hemel die zeiden: Het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen, en Hij zal regeren tot in alle eeuwigheid. Opb 11:16 En de vierentwintig oudsten die voor God zitten op hun tronen, vielen op hun gezichten en aanbaden God Opb 11:17 en zeiden: Wij danken U, Heer, God de Almachtige, die is en die was, dat U uw grote kracht hebt aangenomen en uw koningschap hebt aanvaard. Opb 11:18 En de naties zijn toornig geworden, en uw toorn is gekomen en de tijd van de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw slaven de profeten, en aan de heiligen en aan hen die uw naam vrezen, de kleinen en de groten, en om te verderven hen die de aarde verderven

 

 

Openbaring hoofdstuk 8 ; zegel 7 en de eerste vier bazuinen

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Herstel van Israël na de bedeling van de gemeente

 

Wij leven nu in de tijd van de gemeente, waarin geen onderscheid is tussen Jood en heiden. Het volk Israël, dat zijn Messias niet kent, miskent of afwijst, is terzijde gesteld. Israël heeft echter niet afgedaan. Gods heilsbeloften aan het volk zijn definitief. Zo zal God Israël als volk terug winnen als Christus Zijn gemeente tot Zich genomen heeft. Duidelijk handelt God weer met Israël ten tijde van de oordelen over het aardrijk. Zo zondert Hij uit dit volk 144.000 dienstknechten af, beschermt hij een vrouw (symbool van het gelovig overblijfsel van Israël) en laat Hij in Jeruzalem twee getuigen optreden. Dat gebeurt allemaal als de bedeling van de gemeente voorbij is en de gemeente verwijderd is van de aarde.

 

 

Openbaring hoofdstuk 21 : het nieuwe Jeruzalem

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

 

 

Lazarus van Bethanië

Standaard

categorie : religie

 

 

Lazarus (= God heeft geholpen) van Bethanië is een man genoemd in het Nieuwe Testament, die woonde in het dorp Bethanië aan de Olijfberg bij Jeruzalem. Hij was een vriend van Jezus en een broer van Martha en Maria. Lazarus stierf door een ziekte en, nadat hij al enige dagen dood was, kwam de Heer en wekte hem uit de doden op. Deze opzienbarende gebeurtenis maakte dat velen in Jezus  geloofden. Schriftplaatsen: Joh 11:1-43; 12:1-17.

 

 

 

boven : Fresco met de opwekking van Lazarus. De fresco in een catacombe te Rome dateert van de 1e helft van de 4e eeuw na Chr.

 

 

Lazarus van Bethanië is te onderscheiden van de door de Heer Jezus verhaalde geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus (Luc. 16:19-31). In de Middeleeuwen werden de beide Lazarussen vaak verward. De naam Lazarus betekent ‘God heeft geholpen’.

Jezus hield van Martha, Maria en Lazarus (Joh. 11:5).

Joh 11:3 De zusters dan zonden tot Hem de boodschap: Heer, zie, hij die U liefhebt is ziek. Joh 11:5 Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief. 

 

De Heer sprak van Lazarus als ‘onze vriend’. Er is zeer weinig opgetekend van Lazarus, behalve het opvallende feit dat hij uit de doden is opgewekt door de Heer Jezus, een gebeurtenis die de heerlijkheid van God openbaarde en de Zoon van God verheerlijkte. Toen voor Jezus, enige tijd na dat wonderwerk, een maaltijd was bereid, was Lazarus een van degenen die daar in Bethanië met Hem aanlagen (Joh. 12:2).

Hij was een levende getuige van de kracht van de Zoon van God over de dood. Als zodanig liep Lazarus evenwel gevaar gedood te worden door de Joden die Jezus afwezen.

Joh 12:9 De grote menigte van de Joden dan wist dat Hij daar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus, maar ook opdat zij Lazarus zagen die Hij uit de doden had opgewekt. Joh 12:10 De overpriesters nu beraadslaagden om ook Lazarus te doden, Joh 12:11 omdat velen van de Joden om hem heengingen en in Jezus geloofden. 

 

Het wonderwerk wordt alleen vermeld in het Johannes-evangelie, dat de Heer Jezus in het bijzonder voorstelt als de Zoon van God. Deze is machtig de doden op te wekken en eeuwig leven te schenken.

 

 

levenskracht

 

Pasteltekening van John Astria

Lazarus als een type van Israël

 

Lazarus schijnt een type van het volk Israël te zijn. Nadat de Heer Jezus op het feest van de tempelwijding te Jeruzalem was verworpen en gevaar liep gegrepen te worden, ging Hij weg, over de rivier de Jordaan, buiten Judea. Daar werd hem van de zusters bericht dat Lazarus ziek was. “Heer, zie, die U liefhebt is ziek”. Terwijl de Heer elders is, is Israël ziek, ja, in een doodsslaap.

De Heer bleef “nog twee dagen in de plaats waar Hij was” (Joh. 11:6), in Bethanïe aan de overzijde van de Jordaan. Intussen was Lazarus gestorven. Een dag is voor de Heer als duizend jaar (2 Petr. 3:8). De Heer wacht nog tweeduizend jaar voordat Hij terugkomt en Israël opwekt. Jezus zei tot zijn leerlingen: “Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga heen om hem uit de slaap te wekken.” (Joh. 11:11).

‘Na twee dagen,’ zei de profeet Hosea, ‘zal Hij ons levend maken’.

Hos 6:2 Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.

 

Er zijn twee situaties opgetekend waarin Jezus weende.

  • Hij weende toen Hij Maria zag wenen en de Joden die met haar waren meegekomen zag wenen (Joh. 11:31). Hij wist echter dat hij Lazarus zou opwekken.
  • De tweede keer vinden wij Jezus wenen, toen hij, na de opwekking van Lazarus, de stad Jeruzalem naderde en de stad zag (Luc. 19:41). Hij weende over haar, omdat Hij wist welk onheil haar zou overkomen.

Misschien heeft de Heer al in het geval van Lazarus aan Israël gedacht. Lazarus lag vier dagen in het graf. Dit wordt in elk geval gezegd om te onderstrepen dat Lazarus echt dood was. Heeft dit aantal een symbolische betekenis? Als deze vier dagen vierduizend jaren voorstellen, denken we aan de periode van 2000 jaar vóór tot 2000 jaar ná Christus, dus van Abraham tot aan de wederopstanding van Israël.

Het getal 4 in de Bijbel verwijst naar wereldwijde bekendmaking van gebeurtenissen.

In de buurt van Bethanië aan de Olijfberg riep de Heer Jezus: “Lazarus, kom naar buiten! De gestorvene kwam naar buiten…” (Joh. 11:43). Wanneer Jezus voor Israël terugkomt en Zijn voeten op de Olijfberg zullen staan, zullen zij zien “Hem die zij doorstoken hebben” (Opb. 1:7; Zach. 12:10). En het volk zal een geestelijke opwekking meemaken.

Ro 11:15 … wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden?

 

Nadat Lazarus met de windsels uit de grafspelonk was gekomen, beval Jezus: “Maakt hem los en laat hem gaan.” (Luc. 11:44). De Heiland van Israël zal de banden van het volk, dat thans nog in benarde verhoudingen met de naburige volken is en zich afschermt (tegen aanslagen), doen losmaken en in vrijheid doen gaan.Velen geloofden in de Heer Jezus om het teken aan Lazarus gedaan. Ze kwamen om Jezus en Lazarus, de gestorvene en weer opgewekte, te zien. Kort daarna, bij de intocht van Jezus in Jeruzalem, wanneer het teken aan Lazarus nog een onderwerp van gesprek is (Joh. 12:17-18), zien we Grieken, die Jezus wensen te zien.

Om het toekomstige wonderwerk aan Isräel zullen velen, van heinde en ver, naar Israël komen. En van jaar tot jaar zullen de volken zich in Israël presenteren om de Heer te aanbidden en om het loofhuttenfeest te vieren.

Zac 14:16 En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den Here der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten. 

 

 

 

 

 

 

 

Ezechiël: 25-48 / met video

Standaard

Categorie: religie

Ezechiël 25–48

 

In de komende hoofdstukken krijgen we een diepe inkijk in de wereld van de geestelijke machten. In het boek Ezechiël wordt een grote tip van de sluier opgetild, waardoor wij een heldere glimp van de metahistorische werkelijkheid achter de geschiedenis te zien krijgen. Willen we iets meer gaan begrijpen van de majestueuze verschijning van de heerlijkheid des Heren aan het begin van het boek van Ezechiël dan moeten we goed luisteren naar de rest van de boodschap van Ezechiël.
In de hoofdstukken uit Ezechiël (25-32) die in deze les worden behandeld, richt de Heer God zich ten eerste tot de volken rondom Israël. Wegens de houding die zij hebben gehad ten opzichte van het volk Israël zegt de Heer God al deze volken het oordeel aan. Eerst komen kort de ‘kleine’ volken rond Israël aan bod: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen. Daarna worden er meerdere hoofdstukken gewijd aan zowel Tyrus (en Sidon) als aan Egypte.
Laten we om te beginnen ons richten op de hoofdstukken die de profetieën tegen Tyrus (en een kort stukje Sidon) behandelen. Dit begint in hoofdstuk 26, waar wordt voorzegd dat Tyrus zal vergaan. In hoofdstuk 27 is in de vorm van een klaaglied te lezen hoe groot en belangrijk Tyrus was. Tot slot treffen wij in hoofdstuk 28 een opmerkelijke dubbele laag aan die ons een bijzonder inzicht biedt over de werkelijke macht achter Tyrus.

 

 

 

 

Wie is de vorst van Tyrus en wat was zijn rol?

Samen met steden als Sidon en Biblos vormden Tyrus het gebied van de Phoeniciërs. Tussen deze steden bestond geen politieke eenheid, eigenlijk waren het verschillende afzonderlijke stadstaten die ieder hun eigen gang gingen. Tot aan 1000 vC was Sidon de belangrijkste stad, maar daarna nam Tyrus deze positie over. Koning David en met name koning Salomo hadden in die periode belangrijke betrekkingen met Hiram, de koning van Tyrus (1Sm 5:11, 1 Kn 5, 7, 9, 10).
Het gebied van de Phoenicische steden als Tyrus en Sidon is tegenwoordig bekend als het land Libanon. Een land dat tot voor kort verscheurd werd door een dramatische burgeroorlog tussen christenen en moslims. Tyrus was een economisch en politiek sterke handelsmacht die op een treurige wijze aan haar einde gekomen is. In de Bijbel vinden we echter een enkele aanwijzing dat Tyrus een slecht buurvolk was voor het volk Israël en dat zij uit was op haar ondergang (Ps 83:8, Jl 3:4-8). Naast deze fysieke dreiging ging er ook een sterke geestelijke dreiging van de Phoeniciërs uit.
Het grondgebied van de steden als Tyrus en Sidon was de bakermat voor de heidense vruchtbaarheidsgodsdienst met gruwelen als sacrale prostitutie en kinderoffers voor afgoden als Baäl en Asjera (of Astharte). Hoe groot en verderfelijk de invloed van de Phoenicische godsdienst was in het land Israël kunnen we zien aan het optreden van de beruchte koning Izebel, die een dochter was van de Phoenicische koning Etbaäl.
Als we deze aspecten van de steden Tyrus en Sidon bezien dan begrijpen wij meer van het oordeel dat de Heer God uitspreekt tegen dit volk. Maar als hoofdstuk 28 goed lezen, dan zien we dat er een dubbele laag zit in het oordeel dat de Heer God uitspreekt tegen Tyrus. In de verzen 2-10 spreekt de Heer tegen de ‘vorst van Tyrus’ en in de verzen 11-19 tegen de‘koning van Tyrus’. Op grond van de tekst zien we heel duidelijk het onderscheid dat in het eerste gedeelte een menselijke vorst aangesproken wordt, maar in het tweede gedeelte een hemelse/goddelijke vorst.
Ik heb niet kunnen achterhalen welke menselijke vorst bij name bedoeld wordt in het eerste gedeelte. Maar dat het om een menselijke vorst gaat, kunnen we concluderen uit de zinsnede ‘je achtte jezelf een god gelijk, terwijl je een mens bent en geen god’ (vs 2). Juist deze hoogmoed zal deze vorst duur komen te staan, want hierom zal hij overvallen en gedood worden door vreemdelingen en sterven als een heiden (‘een onbesnedene’, vs 10).
In het tweede gedeelte wordt echter een wezen van een totaal andere orde aangesproken. Er is duidelijk sprake van een wezen dat niet tot de mensen gerekend kan worden. Een korte opsomming: ‘je leefde in Eden’ (vs 13), ‘je was een cherub’ (vs 14, 16), ‘je was neergezet op de heilige berg van God’ of ‘heilige berg der goden’ (vs 14, 16), ‘neergeworpen op aarde’ (vs 17). Als we de tekst van Ezechiël lezen, dan wordt er duidelijk gesproken over een cherub, een engel die al leefde in de hof van Eden en die heeft vertoeft op de berg der goden, oftewel de berg waar de hemelwezens wonen. Hier wordt ons dus getoond dat achter de aardse vorst van Tyrus een geestelijke vorst schuilgaat.
Wie is deze vorst? In Lukas 10:18 zegt de Heer Jezus wanneer de tweeënzeventig enthousiast terugkeren van hun rondgang in het land en Hem vertellen over de macht die zij hadden over demonen, dat Hij ‘de satan als een bliksem uit de hemel zag vallen’. Ook in de Apocalyps die Johannes heeft gezien, wordt verhaald hoe een ster uit de hemel op de aarde valt (Op 9:1). Deze beschrijvingen komen overeen met de morgenster die uit de hemel valt (Js 14:12) en de cherub die van tussen de vlammende stenen van de berg der goden (een mogelijke metafoor
voor de hemel) wordt verbannen (Ez 28:16).
De vorst achter Tyrus, dat zoals we zagen Israël overspoelde met afgodische onreinheid en ook het bestaan van het volk bedreigde, is dus satan. Hiermee hebben we een belangrijk bewijs voor de metahistorisch werkelijkheid waarin de strijd tussen de Heer God en de satan duidelijk naar voren komt.
Nu we dat weten is het goed om de associatie tussen de vorst uit de verzen 2-10 en de koning uit de verzen 11-19 te bekijken. We weten dat de aardse vorst zich identificeerde met ‘zijn’god. Hij ziet zichzelf als mens dus in strijd met de goden en zelfs met de God van Israël, de Heer God. Dat de koning geassocieerd werd met de godheid van zijn land, is in de antieke oudheid een gebruikelijk verschijnsel en het juist dit waarover de Heer God zich uitspreekt in Ezechiël 28:2-10 tegen de koning van Tyrus, die zichzelf ook associeerde met een god.
De Heer God verbood Israël uitdrukkelijk om zich neer te buigen voor de hemellichamen. Wij kunnen daaruit concluderen dat heidense volken hemellichamen vereren als goden en dat deze hemellichamen meer zijn dan menselijke afgodische ideeën, maar werkelijke wezens. Ook uit een vergelijking tussen de twee teksten 2 Kn 17:16 en 1 Kn 22:19 kunnen we concluderen dat het ‘heer des hemels’, engelen zijn die geassocieerd worden met de hemellichamen.
Het boek Openbaring is een boek waarin de Bijbel ons een heel duidelijk beeld geeft van de geestelijke strijd die speelt achter de zichtbare historische gebeurtenissen. In Openbaring 12 zien we hoe de engel Michaël strijd voert tegen de satan en zijn engelen. Hier uit kunnen we concluderen dat satan ook beschikt over engelen.
conclusies:
1.Heidense volken vereren afgoden die geassocieerd worden met hemellichamen.
2.Engelen worden geassocieerd met hemellichamen.
3.Er zijn gevallen engelen van satan en er zijn engelen van de Heer God tussen deze twee groepen is er strijd.
4.Afgoden zijn gevallen engelen.
Als we met deze kennis opnieuw naar de verschijning van de heerlijkheid des Heren kijken dan springt direct de heerschappij van de Heer God over de hemelwezens in het oog. Hij troont op een troonwagen die is samengesteld uit hemelse wezen. Hij is niet gelijk aan deze hemelwezens, maar deze wezens dienen Hem.
Het is alsof de Heer God de gevallen hemelwezens die in het boek Ezechiël aangesproken worden als vorsten achter de aardse machten die Israël bedreigen, herinnert aan Zijn Majesteit. Al proberen zij zich steeds weer te verheffen tegen de Almachtige ze zullen falen. Zij zijn slecht schepselen en Hij is de Machtige Schepper. Zo wordt ook het volk Israël door de indrukwekkende verschijning van de heerlijkheid des Heren met hun neus op de feiten gedrukt. Zij vereren geschapen en gevallen engelen, terwijl zij de Schepper als Zijn eigen volk toebehoren, zoals de Heer God in Deuteronomium 4:20 stelt in contrast tot de andere volken.

 

 

 

 

 

Heilshistorie in Ezechiël

In hoofdstuk 33 wordt de opdracht van Ezechiël hernieuwd. Opnieuw wordt hij gewezen op de belangrijke taak die hij heeft als wachter. Ezechiël was verantwoordelijk als wachter over Israël om te waarschuwen voor het oordeel. Deed hij dat niet dan werd hij verantwoordelijk gehouden voor de dood van de mens die hij niet had gewaarschuwd. De ernst van deze boodschap mogen wij niet aan ons voorbij laten gaan. We hebben een geweldige boodschap niet alleen van oordeel, maar juist van verlossing. Deze boodschap klinkt ook heel duidelijk in het boek Ezechiël. De Heer God zegt dat Hij geen vreugde heeft aan de dood van een slecht mens, maar dat Hij wil dat de mensen zich bekeren en leven (33:11).
Als contrast tegenover de wachter worden in hoofdstuk 34 de slechte herders van Israël geplaatst. Wat heel belangrijk is in dit hoofdstuk is de belofte van de Goede Herder. Vanaf vers 7 volgt er een indrukwekkende opsomming van de dingen die de Heer God zelf gaat doen en in vers 23 zien we hoe Hij dat gaat doen. Hij zal ‘Zijn knecht David’ aanstellen als Herder. Uit Johannes 10:11 kunnen wij concluderen dat de Heer Jezus, dé Zoon van David, deze Goede Herder is.
In Ezechiël 36 zien we een tragische schildering van de verstrooiing van de joden onder de volken (16-21). Het is opmerkelijk hoe deze teksten in de verleden tijd staan geschreven en de rest van het hoofdstuk voornamelijk in de toekomende tijd. Het is dus alsof de Heer God terug kijkt, wanneer Israël hersteld is, op de periode dat ze verstrooid waren. Als wij denken aan de diaspora (de verstrooiing) dan denken wij niet aan de periode vanaf 70 (vernietiging Jeruzalem door de Romeinen) tot 1948 (heroprichting staat Israël). Dit is een lange periode waarin de donkere middeleeuwen hevige pogroms op de joden hebben voorgebracht en waarin de fel antisemitische negentiende eeuw is uitgelopen op de verschrikkelijke holocaust onder nazi-Duitsland. Met de kennis die wij nu hebben, zien wij heel duidelijk de dubbele laag in de profetie van Ezechiël.
De profetie heeft niet alleen betrekking op de situatie van de joden toen, maar ziet vooruit op de komende eeuwen tot de tijd dat Israël weer volledig hersteld zal worden. Dit wordt in Ezechiël 37 indrukwekkend uitgebeeld in het visioen van de dorre doodsbeenderen. Ik denk dat wij met het nationale herstel van Israël in 1948 al een begin van de vervulling van deze profetie hebben gezien. Bij al deze ontwikkelingen moeten wij echter goed in de gaten waar het echt om draait. Op drie plaatsen in Ezechiël 36 spreekt de Heer God uit dat het gaat om Zijn naam (vers 21, 22, 23). De Heer God zegt letterlijk dat Hij het niet doet om Israël, maar om Zijn heilige naam.
In Ezechiël 38 en 39 zien we vervolgens een loodzware strijd tegen Gog. Deze strijd wordt ook aangehaald in de Openbaring 20:8, waarin de satan ná het duizend jarige rijk zal uittrekken met o.a. Gog en Magog tegen de heiligen en de geliefde stad. Er zijn allerlei theorieën over wie Gog is. Met name Rusland is hiervoor in de laatste decennia vaak genoemd. De Bijbel zelf zegt hier natuurlijk niets over.  Vooralsnog is er geen aanleiding om bepaalde landen aan te wijzen als mogelijkheden voor Gog. Het enige waar de Bijbel met betrekking tot deze vorst iets over zegt is de afkomst. In Ezechiël 38:2 wordt gezegd: ‘Gog in het land Magog, de grootvorst van Mesek en Tubal’. Het opvallende is dat Magog, Mesek en Tubal alledrie kinderen waren van Jafeth (Gn 10:2). Hij is één van de drie stamvaders van de hedendaagse mensheid, die overigens door veel uitleggers als de stamvader van de Indo-Europese volkeren wordt beschouwd.
De laatste acht hoofdstukken van het boek Ezechiël zijn gewijd aan de nieuwe tempel. Gezien de gedetailleerde bouwkundige beschrijvingen denkt men dat de tempel van Ezechiël daadwerkelijk gebouwd gaat worden. Er zijn ook meerdere Bijbelteksten waaruit we kunnen concluderen dat er in de eindtijd weer een tempel zal zijn. Het belangrijkste is dat het een tempel zal zijn waar de heerlijkheid des Heren weer in zal kunnen wonen (Ezechiël 43).
Daarbij moeten we echter de geestelijke vervulling van de nieuwe tempel in de Heer Jezus niet voorbij gaan. Hijzelf sprak namelijk over Zijn lichaam als de tempel (Jh 2:21).Ook de beschrijving van het levende water in Ezechiël 47 zien we verklaard in de persoon van de Heer Jezus (Jh 4; 7:38).
Zo zien we dat de profetie van Ezechiël op meerdere plaatsen heen wijst naar de Heer Jezus. Dat Hij de vervulling is van Gods heilsplan is de geweldige boodschap die wij bij Ezechiël horen. In dat verband is het ook indrukwekkend om te horen hoe de Heer Jezus de plaatsen Tyrus en Sidon bezoekt en daar zijn volgelingen van Hem (Mk 3:8, 6:17) en ook Paulus treft later discipelen aan te Tyrus (Hd 21:3, 4). Het werk van de Heer Jezus beperkt zich niet tot het volk Israël. Het gaat dus niet meer om het volk waartoe mensen behoren, maar het gaat erom wat iedereen persoonlijk met de boodschap van de Heer Jezus doet.

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

 

Ezechiël 1 – 24 / met video

Standaard

Categorie: religie

 

 

Ezechiël 1 – 24 en 25-48

 

 

Ezechiël 1 – 24:  ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

De profetie van Ezechiël is een bijzonder boek met indrukwekkende visioenen, symbolische handelingen en boodschappen.

 

 

 ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 1
– Een stormwind uit het noorden
– Een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven voor een glans
– Midden in het vuur iets als blinkend metaal
– Midden in het blinkend metaal vier wezens
– Gedaante van een mens
– Vier aangezichten
– Vier vleugels
– Rechte benen
– Voetzolen als van en kalf fonkelend als gepolijst koper
– Onder de vleugels mensenhanden aan vier zijden
– Vleugels met elkaar verbonden
– Ieder ging recht voor zich uit
– Aangezicht ter rechterzijde leek op dat van een mens en dat van een leeuw
– Aangezicht ter linkerzijde leek op dat van een rund- Alle vier hadden ook het aangezicht van een arend
– Vleugels naar boven uitgespreid
– Twee vleugels waren met elkaar verbonden
– Twee vleugels bedekten hun lichaam, één van voren en één van achteren
– Het aanblik van de gedaante van de wezens was als brandende vuurkolen, als fakkels
die zich bewogen tussen de wezens
– Het vuur glansde en bliksemen schoten daaruit
– De wezens schoten heen en weer als bliksemschichten
– Op de grond voor de wezens was een rad
– De aanblik en het maaksel van de raderen was als de schittering van turkoois
– Alle vier de raderen hadden dezelfde vorm
– De aanblik en het maaksel van de raderen was alsof er een rad was midden in het rad
– Als de raderen gingen konden naar alle vier zijden gaan zonder zich om te keren
– De velgen waren hoog en ontzagwekkend en vol ogen
– Als de wezens gingen, gingen de raderen mee
– Boven het hoofd van de wezens was iets dat leek op een uitspansel, een
ontzagwekkend ijskristal
– Onder het uitspansel stonden de vleugels recht naar elkaar uitgestrekt
– Het geruis van de vleugelen als de wezens gingen was als het gebruis van vele
wateren, als de stem des Almachtige, een dreunend geluid als van een leger
– Als de wezens stilstonden lieten ze hun vleugels hangen
– Een stem klonk van boven het uitspansel (1:25; het lijkt erop dat Ezechiël wil zeggen
dat de stem opdracht geeft tot het gaan of stilstaan)
– Boven het uitspansel was iets als lazuursteen dat de vorm had van een troon
– Boven op datgene wat een troon leek was een gedaante die eruit zag als een mens
– Iets schitterde als metaal vanaf zijn lendenen naar boven omvat als vuur door een
omhulsel
– Vanaf zijn lendenen naar beneden was iets als vuur omgeven door een glans
– De aanblik van de omhullende glans was als de regenboog

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 10
– Wezens worden aangeduid als cherubs
– Het gehele lichaam van de wezens (rug, handen, vleugels) waren vol ogen
– De raderen werden ‘Werveling’ genoemd
– Ieder van de wezens had vier aangezichten: het eerste van een cherub, het tweede van
een mens, het derde van een leeuw, het vierde van een arend

 

 

 

 

 

 

 

Het visioen van de troonwagen

 

Direct bij aanvang van het boek wordt je gegrepen door het indrukwekkende en verbijsterende (3:15) visioen van de troonwagen of gloriewagen. Het staat niet voor niets aan het begin van het boek. De toon voor de profetie is gezet door de verschijning die Ezechiël een week lang verbijsterd of verdoofd achterlaat. Wat Ezechiël ziet in het eerste hoofdstuk komt ook op meerdere plaatsen in zijn profetie terug. Zo zien wij het een hele belangrijke rol spelen in de hoofdstukken 8 tot en met 11 en ook helemaal aan het einde van het boek in hoofdstuk 43.

Het visioen begint met een stormwind die Ezechiël uit het noorden ziet komen. Deze stormwind bestaat uit een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans. Midden in deze wolk is iets wat er uitziet als blinkend metaal en in het midden daarvan is een verschijning te zien die Ezechiël tot in detail schetst. Een stormwind, een wolk, iets blinkends, en dan de hele verschijning. Wat Ezechiël ziet, is opgebouwd uit verschillende lagen en dit bij elkaar wordt door Ezechiël ‘het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren’ (1:28) of ‘de heerlijkheid van de God van Israël’ (8:4) genoemd. De lagen zijn van onder naar boven:

– Werveling
Vier raderen van schitterend turkoois met velgen vol ogen, die in het midden allen nog een rad bezaten, zodat het voertuig naar alle kanten kon gaan. De raderen stonden ieder voor een cherub.

– Cherubs
Vier cherubs met vier vleugels en vier aangezichten. Twee vleugels waren uitgespreid naar boven en droegen het uitspansel en twee vleugels bedekten hun lichaam van voren en achteren. Hun aangezichten waren van rechts dat van een mens en een leeuw, van links dat van een rund en daarnaast ook nog het aangezicht van een arend.
De cherubs hadden rechte benen die uitliepen op koper gepolijste voetzolen als van een kalf. Tussen de cherubs was vuur als brandende kolen en fakkels. De cherubs zelfs schoten heen en weer als bliksemschichten. Wanneer de cherubs gingen, maakten hun vleugels een geruis als het bruisende water, de stem van de Almachtige, het dreunende geluid van een leger. De cherubs gehoorzaamden de stem die van boven het uitspansel klonk.

– Uitspansel
Een ontzagwekkend ijskristal gedragen door de vleugels van de cherubs.

– Troon
Op het uitspansel stond een lazuurstenen troon.

– Menselijke gedaante
Een gedaante als van een mens zat op de troon. Vanaf zijn lendenen schitterde iets als metaal naar boven, omvat als vuur door een omhulsel en naar beneden iets als vuur omgeven door een glans dat de aanblik had van een regenboog.

 

Wat zag Ezechiël? Als we het letterlijk willen nemen is het heel duidelijk. Alles staat tot in details beschreven. Zo gedetailleerd zelfs dat er door de lezer heel goed een voorstelling van te maken is. 

 

 

De hemelwezens

 

– Chayos/Chayah (wezens)
Voor de Chayah is de engelorde ook in overeenstemming met latere passages van Ezechiël waarin de wezens als cherubs worden aangeduid.

– Chasmal/Chasmalim (blinkend metaal)
Het woord voor blinkend metaal, Chasmal, is een moeilijk woord. Waarschijnlijk wordt er een legering van koper en zink bedoeld. De Griekse vertaling van deze verzen heeft “electron”, de naam van een mengsel van goud en zilver. Er kan sprake zijn van een verwijzing naar een hemels wezen. Er wordt dan echter alleen gedoeld op de vurige uitstraling van dit wezen. In Ezechiël 1:4 en 27 worden in ieder geval hetzelfde woord gebruikt. Dat ondersteunt het idee dat het om een hemelse aanblik gaat.

– Ofan/Ofanim (raderen)
De raderen, Ofan of Ofanim, zou mogelijk kunnen duiden op hemelwezens. De ontzagwekkende hoogte van de raderen en de ogen (1:18) doen inderdaad denken aan een wezen.

Galgal/Galgalim (werveling)
De laatste groep, Galgal of Galgalim, is onwaarschijnlijk als aanduiding voor hemelwezens, omdat het verwijst naar het geluid dat de raderen maakten (werveling).

 

Het is goed om op dit punt even stil te staan bij wat de Bijbel zegt over de hemelwezens. Er wordt eigenlijk onderscheid gemaakt tussen vier soorten hemelwezens:

(1) Engelen (mal’ak = bode)
In de Oude Testament worden deze wezens zonen Gods, goddelijken of heiligen genoemd.
Enkele eigenschappen die voor engelen gelden:
– Het zijn geesten (1 Kn 22:21)
– Ze zijn geschapen (Nh 9:6, Ps 33:6)
– Het zijn er veel (Dn 7:10)
– Ze kunnen verschijnen in mensengedaanten (Gn 18:2, 19:5)
– Ze worden geïdentificeerd als het ‘heer des hemels’ oftewel als de sterren (1Kn 22:19, Dt 4:19)

(2) Cherubs
Cherubs komen we in de Bijbel op meerdere plaatsen tegen:
– Als bewakers van de hof van Eden (Gn 3:24)
– Op het verzoendeksel van de ark van het verbond (Ex 25:19, 37:8)
– Als vervoerder van God (2 Sm 22:11 = Ps 18:10)
– Als troon van God (Ps 80:1, 99:1, Js 37:16)
– Opgesteld in de tempel (1 Kn 6:24)

(3) Serafs
Van serafs weten we heel weinig. Het enige wat we weten is gebaseerd op twee teksten uit Jesaja. Het zijn vliegende wezens met zes vleugels (Js 6:2,6). Zowel de cherubs als de serafs worden in de joodse traditie onder de engelen gerekend.

(4) Aartsengelen
Dit zijn hooggeplaatste engelen die ook wel vorsten worden genoemd. De Bijbel noemt er maar twee: Michäel en Gabriël (Lk 1:19, 26, Dn 8:26, 9:21). Maar op basis van Openbaring 8:3 kunnen we mogelijk concluderen dat het er zeven zijn. Binnen de joodse traditie worden de andere aartsengelen ook benoemd. Raphaël is daar één van. Nogmaals, de Bijbel zwijgt dus over de overige vijf naast Michaël en Gabriël.

 

 

 

 

 

De troon en de wagen

 

Een ander opmerkelijk punt is dat de verschijning eigenlijk uit twee delen bestaat: (1) de troon en (2) de wagen.
Het is waarschijnlijk dat de troon pas later in het visioen neerdaalt op de wagen. Enkele argumenten hiervoor zijn:
– Tot vers 21 wordt er namelijk helemaal niet gesproken over het ontzagwekkende uitspansel en de troon.
– In vers 9 wordt er gezegd dat de wezens ieder afzonderlijk recht vooruit gaan. Dat betekent dat het oppervlak dat ze beslaan groter en groter wordt. Alsof ze ruimte willen maken voor het ontzagwekkende uitspansel dat neerdaalt op hun vleugels.
– Verder vinden we in Ezechiël 10:18,19 ook nog een argument. Daar wordt beschreven hoe de heerlijkheid des Heren vanuit de tempel gaat staan boven de cherubs. Dat wil dus zeggen dat de heerlijkheid daarvoor niet boven de wagen stond.

 

 

De aangezichten

 

Ezechiël zag wezens met vier aangezichten: één van een mens, één van een leeuw, één van een arend en één van een rund die in tegenstelling tot 1:10 in 10:14 als het gezicht van een cherub wordt aangeduid. Er zijn meerdere soorten uitleggingen over de betekenis van de aangezichten.

De eerste groep ziet in de wezens duidelijke dienaars van God en stelt dat de aangezichten symbool staan voor bepaalde eigenschappen in die dienst.
– Het menselijk gezicht: zachtheid of begrip
– Het aangezicht van de leeuw: kracht
– Het aangezicht van de rund: geduld of volharding
– Het aangezicht van de arend: snelheid en alertheid

De tweede groep ziet in de aangezichten van de wezens representanten van de verschillende soorten op aarde. Ieder is binnen zijn soort de grootste.
– De mens als allergrootste
– De leeuw als de grootste van de wilde dieren
– De rund als grootste van het vee
– De arend als grootste van de vogels
Hiermee zouden de wezens dus Gods almachtige heerschappij in de schepping uitdrukken.Dit is natuurlijk een mooi beeld. Het is dan echter vreemd dat de zeedieren volledig in het beeld ontbreken.

Een derde groep ziet in de vier aangezichten een heenwijzing naar de vier evangelisten, die de ‘vier zuilen van de wereld’ genoemd werden:
– Mens: Mattheüs, omdat zijn evangelie begint met de menselijke afstamming van Christus
– Leeuw: Markus, omdat zijn evangelie begint met de boetepreken van Johannes die brulde als een leeuw
– Rund: Lukas, omdat zijn evangelie begint met het offer van Zacharias
– Arend: Johannes, omdat zijn evangelie begint met de hemelse afkomst van Christus

Een vierde groep wijst op de opmerkelijke overeenkomsten tussen de aangezichten en de Babylonische hoofdgodheden.

– Het menselijke gezicht: Nabu, de god van de openbaring
– Het gezicht van de leeuw: Nergal, de god van de onderwereld en de plaag
– Het gezicht van de rund: Marduk, de hoofdgod, die werd voorgesteld als een kolossale gevleugelde os
– Het gezicht van de arend: Ninib, de god van de jacht en oorlog

Heidense godheden waren in wezen niets anders dan personificaties van de krachten van de natuur. In de Babylonische godsdienst werden deze goden ook geassocieerd met vier sterrenbeelden die ook de eigenschappen van de aangezichten in zich droegen:
– Waterman
– Stier
– Leeuw
– Schorpioen; dit ongunstige teken werd vervangen door zijn vijand, het niet veraf gelegen sterrenbeeld van de Arend.

Wij moeten ons goed beseffen dat de Heer God zelf in Deuteronomium 4:15-19 al waarschuwt voor de verafgoding van afbeeldingen van menselijke en dierlijke wezens en de verafgoding van de hemellichamen.Het kan nooit zo zijn dat er in de heilige troonwagen van God daadwerkelijk afgoden te zien zijn.

Het is heel moeilijk om vast te stellen wat er nou voor betekenis achter de wezens in het visioen van Ezechiël schuilgaat. Uiteindelijk dragen de getoonde wezens bij aan de glorierijke majesteit van Hem die daar bovenop troont. Hem, de Heer God, komt alle eer toe!

 

We komen de opmerkelijke combinatie van dieren overigens op twee andere plaatsen in de
Bijbel tegen:

In 1 Koningen 7:29 worden ze vermeld als versierselen in de tempel die door koning Salomo gebouwd is en in Openbaringen 4:6-8 staan de wezens afzonderlijk (dus niet één wezen met vier aangezichten, maar vier afzonderlijke wezens gelijkend op een leeuw, een rund, een mens en een vliegende arend) voor Gods troon. Opmerkelijk is dat beide plaatsen direct zijn verbonden aan de heiligheid van God. De eerste keer in de woonplaats van de Heer God op aarde en de tweede keer bij de troon in de hemel. In de nieuwe tempel zoals Ezechiël die beschrijft aan het einde van zijn boek, zien we overigens de versierselen van een menselijk
gezicht en het aangezicht van een leeuw terugkomen (41:19).

 

 

 

 

 

 

Metahistorie: Godsverberging

 

De val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel is een duidelijk te markeren historische gebeurtenis in het jaar 586/587 vC. Vaak zijn wij geneigd om een dergelijke gebeurtenissen ook als historische verslaglegging te lezen en ons niet te beseffen wat de werkelijke impact is die deze gebeurtenis heeft gehad. We moeten ons echter goed beseffen dat de verwoesting van de tempel niet zomaar iets is, maar dat dit de verwoesting van Gods
woonplaats op aarde is.

In 1 Koningen 8 kunnen we lezen hoe de tempel door Salomo wordt ingewijd en hoe ‘de heerlijkheid des Heren het huis de Heren vervuld’ (vers 11). De plaats waar de heerlijkheid des Heren ooit was, was verwoest. Dat had natuurlijk grote consequenties voor Gods plaats op aarde. In dat verband is de profetie van Ezechiël zeer belangrijk. In de hoofdstukken 8 tot en met 11 zien we hoe de heerlijkheid des Heren geleidelijk de tempel verlaat. Ezechiël ziet hoe de heerlijkheid zich verplaatst van de ingang van de voorhof (8:7) naar de binnenste voorhof (8:16), naar de dorpel van de tempel (9:3), naar de ingang van de Oostpoort (10:19) en zich tenslotte opheft uit de stad Jeruzalem en zich vestigt op de berg ten Oosten van de stad (11:23). Dit is de Olijfberg. De berg waar Jezus weende over het lot van Jeruzalem (Lk 19:41) en de berg waar Hij uiteindelijk op zal terugkeren (Zc 14:4).

De verdwijning van de heerlijkheid des Heren is een aangrijpende en zeer belangrijke gebeurtenis in het Oude Testament en niet alleen voor het volk Israël, maar voor heel de wereld. Het boek De Zesde Kanteling van Ouweneel zet een interessante lijn uit. Ouweneel verdeelt de wereldgeschiedenis in de volgende zes kantelmomenten:
– Eerste kanteling: 4e millenium vC – Neolithische revolutie (landbouw, beschaving, cultuur)
– Tweede kanteling: 6e eeuw vC – Spilperiode (ontstaan grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten)
– Derde kanteling: komst van Christus
– Vierde kanteling: 7e eeuw nC – begin van de islam (de tegenactie)
– Vijfde kanteling: 16e eeuw nC – Wetenschappelijke revolutie (verbonden aan Renaissance, Reformatie, Humanisme)
– Zesde kanteling: ? (alles is ‘post’ -modern, – christelijk, -koloniaal, -industrieel)

De periode waar Ezechiël in leefde, wordt in de cultuurgeschiedenis de ‘Spilperiode’ genoemd. Dit was de periode waarin de grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten als het boeddhisme ontstonden. Als kerngebeurtenis ziet Ouweneel de verwoesting van de tempel in 586/587 en daarmee de verdwijning van de Sjechina van de aarde. De Sjechina is de ‘aanwezigheid van God’. Het woord komt van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘wonen’ of ‘verkeren’.

Zijn stelling is dat de Heer God Zich na de verwoesting heeft teruggetrokken in de hemel (Godsverberging) en dat dit gevolgen heeft gehad voor de hele aarde. Hierdoor veranderde er niet alleen iets in Gods relatie tot Israël, maar ook in Gods relatie tot de rest van de wereld. Voortaan werd Gods soevereine heerschappij namelijk geassocieerd met het volkerenhoofd die onder Gods toelating de macht kreeg. De allereerste hiervan was Nebukadnessar.

Zoals gezegd, is de Spilperiode, de tijd van Ezechiël dus, een periode waarin grote filosofische denksystemen zijn opgezet. In ieder geval lijkt het erop dat door de verberging van God, die begon met de terugtrekking van de heerlijkheid des Heren uit de tempel in Jeruzalem, overal op aarde allerlei godsdiensten en filosofische denksystemen zonder de ware God uit de grond schoten.

 

 

 

 

 

Heilshistorie

 

Ezechiël 1 tot en met 11 is een soort prelude tot de rest van het boek. Alle elementen van de boodschap van Ezechiël zijn er in terug te vinden:
– De heerlijkheid des Heren (1),
– De opdracht van Ezechiël (2-3)
– De waarschuwing voor het komende oordeel (4-7)
– De aanklacht: de beschrijving van Israëls zondigheid (8)
– De uitvoering van het oordeel (9-11)
– De belofte van het heil (11:14-21).

Deze volgorde komen we vaker tegen bij de profeten. De Heer God openbaart zich aan de profeet. Hij geeft hem de opdracht om het volk Israël te wijzen op haar zonden, te waarschuwen voor het komende oordeel hierover, maar ook de opmerkelijke belofte te doen van het heil dat de Heer God in de toekomst aan Zijn volk zal geven. Opvallend is daarbij dat het initiatief van het heil volledig bij de Heer God ligt. Hij zal het volk Israël weghalen bij de volken en terugbrengen naar hun land (11:17). Hij zal hen eensgezind maken, een nieuwe geest geven en hun versteende hart vervangen door een levend hart (11:19). Het initiatief ligt echter niet alleen bij de Heer God, want de gevolgen moeten heiliging (11:18) en gehoorzaamheid (11:20) zijn, waar iedereen persoonlijk voor moet kiezen (11:21).

De boodschap van Ezechiël draait om de verwoesting van de tempel. De verwoesting van de tempel betekende ook de opheffing van de tempeldienst. De Grote Verzoendag was de centrale gebeurtenis waarbij één keer per jaar de Hogepriester het Heilige der Heilige binnenging en de gemeenschappelijke offers te brengen om zo genoegdoening te doen voor de zonden van de individuen die onderdeel waren van het geheel. Door de verwoesting van de tempel viel ook dit weg. Als we in dat verband in hoofdstuk 18 lezen van het voorbeeld van de rechtvaardige vader, de goddeloze zoon en de rechtvaardige kleinzoon, dan is het opvallend dat er sterke nadruk komt te liggen op de individuele verantwoordelijkheid en ook het oordeel dat de Heer God aan ieder persoonlijk zal voltrekken.

Wij kennen nu de grote Hogepriester Jezus Christus (Hb 4:14). Ook voor het behoud dat door Zijn lijden, sterven en opstanding is bewerkt, geldt echter dat ‘ieder (individu) die in Hem gelooft het eeuwig leven krijgt’ (Jh 3:16).

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Wat kunnen wij leren van Ezechiël? Wat kunnen wij leren van het Oude Testament? We moeten ons goed beseffen dat de God van het Oude Testament en van het Nieuwe Testament precies Dezelfde is. Willen wij, als nieuwtestamentische gelovigen, God leren kennen dan zullen wij ook moeten studeren op het Oude Testament. We moeten de eigenschappen van God, zoals beschreven in het Oude Testament niet naast ons neerleggen als afgedaan of verouderd. De Bijbel geeft ons nergens aanleiding voor een dergelijke houding.

In de christenheid zie je steeds meer de ‘zachte’ eigenschappen van God benadrukt worden. Hij is onze liefhebbende Vader. De Heer Jezus heeft ons God doen kennen als onze Vader. Maar aan de andere kant neemt dat niets af van Gods heiligheid. God kan op geen enkele manier samenzijn met zondigheid. Johannes 1:5 en 6 zegt dat God licht is en dat in Hem geheel geen duisternis is en als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, maar in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet. Er is niet te onderhandelen over heiligheid! Het is een zwart-wit keuze. Je bent heilig of je bent het niet.

Het volk Israël was het niet. Als we in Ezechiël 8 lezen hoe de heerlijkheid des Heren Ezechiël rondleidt in de tempel dan schrik je. De gehele tempel is vervuld door afgoderij ontleent aan de heidens vruchtbaarheidsgod:

*Eerst ziet hij in de tempel van de Heer God een beeld voor de vruchtbaarheidsgodin Asjera of Astarte staan.

*Vervolgens wordt Ezechiël meegevoerd naar iets wat lijkt op een geheime kamer waar zeventig oudsten van het volk Israël occulte rituelen uitvoeren voor de afbeeldingen van dierlijke afgoden die op de muren geschilderd staan.

*Dan wordt Ezechiel een groep vrouwen ‘die Tammuz beweenden’ getoond. Tammuz was een van oorsprong Soemerische godheid die later geïdentificeerd werd met Baäl. Een god die stierf in de zomer aan het begin van de droogte en opstond met de komst van de regen in de herfst.

*Tot slot ziet Ezechiël een groep zonaanbidders. De tempel van Salomo schijnt door de Phoenisische architectuur zo gebouwd te zijn dat het zonlicht bij het begin van de herfst en de lente doordrong in de tempel. De mannen die Ezechiël zag, aanbaden echter in plaats van de Schepper van de zon het schepsel zelf.

Als wij deze afgoderij lezen dan begrijpen wij iets meer van de toon die in de hoofdstukken 12 tot en met 24 wordt aangeheven tegen Israël. De Heer God spreekt in zeer expliciete bewoording over de zondigheid van Israël. Met name de hoofdstukken 16 en 23 zijn heftige hoofdstukken, waarin de Heer God zich net als bij de profetie van Hosea beklaagt als bedrogen echtgenoot. De aanklachten zijn expliciet en zeer aangrijpend.

In Jacobus 4:1-10 en 2 Korinthe 11:1-3 zien we dat ook het Nieuwe Testament aanspoort om rein te blijven ten opzichte van Christus en ook daarbij wordt gesproken over een huwelijksrelatie en overspel. Binnen een goed huwelijk is het onmogelijk dat één van beide partners op welke manier dan ook ontrouw is aan de ander. Natuurlijk is het voor ons geen vraag of we ons storten in afgoderij, maar er zijn meerdere vormen van overspelig gedrag. Jacobus noemt daarbij heel duidelijk de vriendschap met de wereld.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget