Tagarchief: Klein Hoefblad

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 3

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten

 

 

Klein Hoefblad (Compositae)

 

Een voorbode van de lente is het KLEIN HOEFBLAD (Tussilago farfara), dat met zijn bleekgele bloemetjes de maartse buien trotseert. De bloemen verschijnen lang vóór de getande, hartvormige bladeren, die in een rozet staan. De bloemstengels, die ongeveer 15 cm hoog worden, hebben rechtopstaande roze schubben, die om en om op de stengels staan. Ze zijn bedekt met een wit viltlaagje, net als de bladeren, die 10-12,5 cm breed zijn. Bij oudere planten is alleen de onderkant bedekt met deze viltlaag, die vroeger werd verzameld om gebruikt te worden in de tondeldoos.

De gewone stengels lopen onder de grond en vertakken zich naar alle kanten, wat Klein hoefblad tot een van de lastigste onkruiden in de tuin (en in de landbouw) maakt. Bovendien is de plant gek op gestoorde grond, zodat hij zich beter thuis voelt naarmate er meer in de grond wordt gespit enzovoort. De geslachtsnaam komt van het Latijnse woord tussis (hoest). Om hun bitterheid en samentrekkende werking werden (en worden) de gedroogde bladeren gerookt als geneesmiddel tegen astma en longklachten. De plant komt voor in geheel Europa, in Azië en Noord-Amerika. In ons land op allerlei plaatsen algemeen.

 

 

klein hoefblad

 

 

klein hoefblad

 

 

 

 

 

Klein Streepzaad (Compositae)

 

De geel bloeiende Composieten zijn berucht onder de botanici, omdat ze zo moeilijk uit elkaar te houden zijn. Dit geldt ook voor de leden van het geslacht Streepzaad.

De meest algemene soort in ons land is KLEINSSTREEPZAAD (Crepis capillaris), een eenjarig onkruid met een of meer rechtopstaande stengels van 30 tot 90 cm hoog. De heldergele bloemhoofdjes bestaan uit riemvormige bloemetjes waarvan de buitenste vaak aan de onderkant roodachtig zijn. Ze staan op lange vertakte bloeistengels, die ontspringen uit de oksels van de pijlvormige bladeren, die op de hoofdstengel zitten en een stengelomvattende voet hebben.

De grondrozet en de onderste bladeren zijn zeer variabel; de omtrek is langwerpig tot lancetvormig of nog smaller, gevormd als een lier of geveerd met de slippen naar achteren wijzend. De middelste en bovenste stengelbladeren zijn lancetvormig. De bladeren staan allemaal afwisselend, maar het oppervlak van de bladeren vertoont weer verschillen: het kan kaal zijn of enigszins harig aan een of twee kanten. De bloeiperiode loopt van juni tot in de herfst. Klein streepzaad komt voor in geheel Europa en plaatselijk in Noord-Amerika. In ons land een algemene verschijning langs wegen en dijken oen op braakliggende terreinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klimop (Araliaceae)

 

De bekende KLIMOP (Hedera helix), die van nature voorkomt in Europa, Noord-Afrika en het nabije Oosten, vormt twee soorten bladeren: die aan de niet-bloeiende takken hebben 3-5 min of meer driehoekige lobben; de bladeren aan de bloeiende takken hebben geen lobben en zijn ruitvormig. Klimop is een houtig gewas dat, zoals de naam al aangeeft, tegen muren, bomen en dergelijke opgroeit. Op droge en/of voedselarme bodem groeit hij uitsluitend op de grond.

De afwisselend geplaatste bladeren, die ’s winters aan de plant blijven, zijn glad en aan de bovenkant donkergroen, vaak met lichtere nerven en soms met een paars zweem; aan de onderkant zijn ze bleekgroen. In september-december verschijnen de kleine groene bloemen, die in schermen staan en het volgend voorjaar uitgroeien tot zwarte besachtige steenvruchten.

Het klimmen gebeurt met behulp van hechtwortels die zich verankeren in spleten en scheuren. Op de grond worden deze wortels gebruikt om zich in de bodem vast te houden. Het gewicht van takken en bladeren kan wel eens teveel worden voor oude bomen of dito muren, al wordt dit gevaar vaak erg overdreven. De dichte tapijten op de grond verhinderen dat regen diep in de bodem doordringt.

Op dicht beschaduwde plaatsen kan Klimop bepaald nuttig zijn. Hij kan daar bijvoorbeeld de taak overnemen van een oude heg waar het leven uit is en op die manier een windscherm leveren en een nestelgelegenheid voor verschillende vogels, uw natuurlijke bondgenoten bij het onder de duim houden van insecten. Let er echter altijd op dat geen zaden van klimop ontkiemen op plaatsen waar u de plant niet wilt hebben, want als hij zich eenmaal gevestigd heeft is hij moeilijk weer weg te krijgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Knopkruid (Compositae)

 

Klein Knopkruid

 

KLEIN KNOPKRUID (Galinsoga parviflora) is een eenjarige plant met een sterk vertakte rechtopstaande stengel van 30 tot 45 cm hoog. De puntige ovale bladeren groeien in paren en uit hun oksels komen de bloemsteeltjes. De bloemhoofdjes zien eruit als kleine Madeliefjes met een doorsnee van 6 mm en 4-6 (meestal vijf) straalbloemen. Deze zijn wit en staan rond de 10-60 gele buisbloemen. De bloeiperiode is van juni tot in de herfst en iedere plant kan een zeer groot aantal zaden voortbrengen. Soms zijn er wel 100.000 zaden per plant en ieder zaadje kan binnen 4 weken al weer een nieuwe bloeiende plant opleveren.

Het is dan ook geen wonder dat dit onkruid tegenwoordig over bijna de hele wereld verspreid is. In enkele landen is vrij nauwkeurig opgetekend hoe de verspreidingsgeschiedenis in zijn werk is gegaan. Zowel uit Engeland als uit Duitsland is bekend dat de eerste exemplaren werden ingevoerd ten behoeve van botanische tuinen. Klein knopkruid is thans in ons land algemeen, vooral op akkers en in tuinen op kalkarme, niet te zware grond die rijk is aan voedingsstoffen.

 

 

kein knopkruid

 

 

 

 

 

 

Harig knopkruid

 

Een verwante soort, HARIG KNOPKRUID (Galinsoga ciliata), die eveneens uit Midden- en Zuid-Amerika afkomstig is, breidt zich de laatste tijd sterk uit in ons land. Deze soort komt vooral voor op zwaardere gronden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Koekoeksbloemen (Caryophyllaceae)

 

De planten uit deze groep zijn te herkennen aan de opgeblazen kelk onder de witte, rode of roze bloemblaadjes.

 

 

Dag- en avondkoekoeksbloem

 

De DAGKOEKOEKSBLOEM (Melandrium rubrum) en de AVONDKOEKOEKSBLOEM (Melandrium album) lijken zoveel op elkaar dat ze vroeger als één soort werden beschouwd. De bloemkleur is bij de eerste soort bleekroze, bij de tweede wit of soms ook roze. Er zijn een paar goede kenmerken om de twee soorten van elkaar te onderscheiden. Bij de Dagkoekoeksbloem zijn de tanden van de vruchten omgerold, bij de Avondkoekoeksbloem staan ze rechtop. De eerstgenoemde soort is een tweejarige tot overblijvende plant met en slanke wortelstok; de laatstgenoemde is een gewoonlijk overblijvende, maar niet erg oud wordende plant. Soms is hij één- of tweejarig. De wortelstok is hier dik en bijna houtig.

De Dagkoekoeksbloem heeft talrijke niet-bloeiende min of meer liggende stengels en (rechtopstaande) bloeistengels van 30 tot 90 cm hoog. Bij de Avondkoekoeksbloem zijn de niet-bloeiende stengels gering in aantal, terwijl de bloeiende 45 cm tot een meter hoog worden. Avondkoekoeksbloem heeft de grootste bloemen; ’s avonds zijn deze welriekend. De zaden zijn bij deze soort grijs. De Dagkoekoeksbloem is reukloos en heeft zwarte zaden. Bij beide soorten zijn de vijf bloemblaadjes diep ingesneden en de stengelbladeren tegenoverstaand en lancetvormig.

De twee soorten komen voor in Europa en Siberië. In ons land zijn ze beide algemeen; de Dagkoekoeksbloem in bossen en heggen op zandige maar vruchtbare grond; de Avondkoekoeksbloem langs dijken en wegen en op droge, beschaduwde plaatsen. Beide soorten worden ook als sierplant gekweekt, meestal met gevulde bloemen. Er zijn ook kruisingen tussen de twee soorten bekend.

 

 

Dag

 

dag

 

 

dag

 

dag

 

 

Avond

 

avond

 

avond

 

 

 

De Blaassilene

 

De BLAASSILENE (Sinlene vulgaris) is in ons land minder algemeen dan de vorige twee soorten. Deze soort heeft witte bloemen, eveneens met vijf diep ingesneden bloemblaadjes. Het is een 30-60 cm hoog wordende overblijvende plant, met vertakte houtige wortels en ellipsvormige tot ovale bladeren die tegenover elkaar staan. De bleekgroene of roodachtige kelk heeft twintig nerven die netvormig met elkaar verbonden zijn. De doosvrucht heeft zes rechtopstaande tanden. Het verspreidingsgebied omvat Europa en de gematigde delen van Azië. Komt in ons land voor op wegbermen, langs dijken, op bouwland enzovoort.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kompassla (Compositae) en Veldsla (Valerianaceae)

 

 

Kompassla

 

KOMPASSLA (Lactuca serriola) is een een- of tweejarige plant die nauw verwant is aan de bekende kropsla. Oorspronkelijk afkomstig uit Europa is deze soort ingevoerd in Noord-Amerika waar hij thans een lastig onkruid vormt. De plant wordt 60 cm tot 1,20 meter hoog en is te herkennen aan het feit dat de stengelbladeren bijna verticaal staan in noord-zuid richting (vandaar de naam!). De bladeren zijn afwisselend geplaatst en meestal diep ingesneden met spitse lobben; ze hebben een pijlvormige, stengelomvattende basis. De bloeitijd is van juli tot in de herfst. In ons land weinig voorkomend, maar plaatselijk algemeen op droge zonnige plaatsen, langs wegen en op ruige terreinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone veldsla

 

GEWONE VELDSLA (Valerianella locusta) is de oorspronkelijke wilde vorm van de als groente gekweekte Veldsla. Het is een klein, een- of tweejarig plantje, dat er met zijn lila-blauwe bloempjes enigszins uitziet als ene miniatuur Vergeet-mij-nietje. De plant wordt niet hoger dan 25 cm; de stengels zijn tamelijk bros, sterk vertakt en aan de onderkant enigszins donzig. De bladeren staan in paren tegenover elkaar. De onderste zijn lancetvormig; de bovenste ovaal en smaller wordend naar de top van de stengel, met gevleugelde lobben aan de voet. De bloeitijd is april-mei en juli-augustus. Komt in het wild voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen langs wegen en dijken, zeldzamer op bouwland.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kraailook (Liliaceae)

 

Een heel vervelend onkruid is KRAAILOOK (Allium vineale). Deze plant kan zich op vijf manieren voortplanten; door de zaden die in het voorjaar ontstaan en in de herfst ontkiemen en door vier soorten bollen die in het late voorjaar, aan het eind van het groeiseizoen, te vinden zijn :

bolletjes die in een groepje bijeen aan de top van de lange dunne stengel groeien;

bollen met een harde buitenwand die ondergrond  in de oksels van de buitenste bladeren worden gevormd;

bollen die, ook ondergronds rond de hoofdas van de plant ontstaan

zachte bollen, de grootste van de vier typen, die rond de moederbol worden gevormd.

Deze verschillende bollen worden echter niet alle tegelijk geproduceerd. Er zijn twee typen van de plant, waarvan het ene een groepje bolletjes in de bloeiwijze vormt, samen met groenachtig-witte, roze of paarsachtige bloemen die worden gevolgd door zwarte zaden. Het andere type is een kleinere plant met bolletjes maar zonder bloemen. Zelden brengt de plant alleen bloemen voort. De lange holle bladeren hebben een schedevormende basis en zijn gestreept. De hoogte van de plant ligt tussen 30 en 70 cm.

Door de vele wijzen waarop Kraailook zich in stand kan houden is het een moeilijk uit te roeien plant, in het bijzonder wanneer hij in gazons verschijnt. De plant is bestand tegen droogte en kou; hij is gesteld op zware grond en kan goed tegen een slechte drainage. Kraailook komt voor in Europa, Azië en Noord-Amerika. In ons land een algemene verschijning in bossen, parken en graslanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kruisbloemigen (Cruciferae)

 

Deze familie dankt zijn naam aan het feit dat de bloemen altijd zijn opgebouwd uit vier bloemblaadjes die kruisgewijs tegenover elkaar staan.

 

 

Akkerkers

 

In een overzicht dat kort geleden werd opgesteld door de Britse Botanische Vereniging werd AKKERKERS (Rorippa sylvestris) genoemd als het meest voorkomende tuinonkruid in Groot-Brittannië. De gele bloemen zijn ±6 mm in doorsnee en verschijnen van juni tot en met augustus. Het is een overblijvende plant die uitlopers vormt. De vertakte stengels zijn soms min of meer liggend, soms rechtopstaand; afhankelijk van deze groeiwijze wordt de plant 20 tot 45 cm hoog.

De onderste bladeren zijn gesteeld en diep ingesneden, vaak tot bijna op de middennerf. De bovenste bladeren zijn veel kleiner en minder sterk verdeeld; ze groeien dicht tegen de stengel aan zonder bladsteel. Wanneer Akkerkers zich eenmaal ergens gevestigd heeft is hij buitengewoon moeilijk weer weg te krijgen. Dat komt niet alleen doordat de ondergrondse stengels gemakkelijk wortelen op de knopen, maar ook doordat – zelfs als de plant wordt uitgegraven – binnen een paar weken weer nieuwe planten kunnen ontstaan uit wortels die in de grond zijn achtergebleven.

Akkerkers komt in het wild voor op bouwland, langs wegen en dijken, op gestoorde grond en dergelijke. Hij kan lange droogteperiodes doorstaan. Verschijnt soms in de tuin als verontreiniging van graszaad. Komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika; in ons land algemeen.

 

 

akkerkers

 

akkerkers

 

blad akkerkers

 

 

 

 

Pinksterbloem

 

PINKSTERBLOEM (Cardamine pratensis) is een plant van graslanden, waterkanten, moerasgebieden en vochtige bossen. Hij komt soms als onkruid in de tuin voor, maar het is een charmant onkruid met zijn mooie lila, soms witte bloemen. De stengel staat rechtop, is soms vertakt en soms onvertakt, en wordt 15 tot 50 cm hoog. De laagste bladeren staan in een rozet, zijn diep ingesneden en bestaan uit ovale of rondachtige blaadjes. De bladeren aan de stengel bestaan uit lijnvormige tot breed elliptische blaadjes.

De vruchten zijn 2-2,5 cm lang en staan op lange steeltjes die onder een scherpe hoek op de stengels taan. De Pinksterbloem is een overblijvende plant met een korte wortelstok die vaak knolletjes heeft en soms uitlopers. Hij komt voor in Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika en is in ons land zeer algemeen. De bloeitijd is van april tot en met juni.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine Veldkers

 

KLEINE VELDKERS (Cardamine hirsuta) is het soort onkruid waar men weinig notitie van neemt, met de gedachte dat men er wel eens aandacht aan zal besteden als men tijd over heeft. Het is een kleine plant die ongeveer 15 cm hoog is (hij kan echter tweemaal zo hoog worden), met onbetekenende witte bloempjes. De winterrozetten van deze plant zijn donkergroen en diep ingesneden, met onregelmatig ronde blaadjes; ze kunnen strenge vorst verdragen. Zodra de temperatuur in het voorjaar wat begint op te lopen komt Kleine veldkers in bloei (maart-juni).

In de loop van een jaar kunnen verscheidene generaties tot rijpheid komen en hun zaden her en der verspreiden. De planten doen dat met behulp van een schitterend ballistisch mechanisme. De vruchten (hauwen) steken boven de bloeiwijze uit en bestaan ieder uit twee lange bootvormige kleppen die gescheiden zijn door een papierachtige scheidingswand. Tijdens het rijpingsproces van de vrucht worden de weefsels droog en trekken zich samen, waardoor een aanzienlijke spanning ontstaat. Wanneer een rijpe vrucht wordt aangeraakt, breken de kleppen los van de scheidingswand en buigen zich zo abrupt en hevig om dat de zaden ver in e lucht worden geslingerd.

Hoewel de gemiddelde zaadproductie per plant per jaar ongeveer 600 is, kan een groot exemplaar er wel 50.000 voortbrengen. Een verder hulpmiddel bij de verspreiding is dat de zaden bij bevochtiging kleverig worden, waardoor ze gemakkelijk aan vogelpoten blijven hangen. Het is dan ook geen wonder dat deze plant op het hele noordelijk halfrond algemeen voorkomt.

 

 

kleine veldkers

 

 

 

 

 

 

Bosveldkers

 

BOSVELDKERS (Cardamine flexuosa) is een gewoonlijk overblijvende (soms eenjarige) plant, die 10 tot 30 cm hoog wordt en bloeit van april tot en met juni (soms in juli en augustus opnieuw). Met zijn rozet van wortelbladeren, die gesteeld zijn en diep ingesneden, met vijf of meer paren afgeronde blaadjes, lijkt hij veel op Kleine veldkers. In tegenstelling tot die soort heeft hij een vertakte stengel met afwisselende bladeren, die eveneens diep ingesneden zijn, maar kort gesteeld of ongesteld. De bloemen zijn wit en onbetekenend. Ze worden gevolgd door peulen die niet boven de bloeiwijze uitsteken en min of meer rechtop staan op slanke steeltjes. Komt voor in de meeste delen van Europa en is verwilderd in het verre Oosten en Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen op vochtige beschaduwde plaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Witte krodde

 

De meest onverschrokken tuinlieden schrikken bij het zien van WITTE KRODDE (Thlaspi arvense) in de tuin. De stengels van deze plant zijn beladen met de ronde vruchten, die ongeveer 900 zaden per plant per jaar voortbrengen. Er is echter geen reden tot paniek, want dit onkruid is een indicator van goede leemachtige grond die rijk is aan voedingsstoffen en het is niet moeilijk uit te trekken. Witte krodde is een eenjarige plant, die een hoogte van 15 tot 50 cm bereikt. De aanvankelijk onvertakte stengel vertakt zich bovenaan sterk. Alle bladeren staan afwisselend. De onderste zijn gesteeld en smal ovaal; ze verwelken snel. De middelste en bovenste bladeren zijn langwerpig, gewoonlijk getand en stengelomvattend. De kleine, witte bloemen verschijnen van mei tot september. In het wild voorkomend in Europa, Azië en Noord-Afrika. Is in Noord-Amerika verwilderd en vormt daar een lastig onkruid. In ons land algemeen langs dijken en wegen en in bouwland op kleigrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Pijlkruidkers

 

PIJLKRUIDKERS (Lepidium draba) wordt 30-60 cm hoog en vermeerdert zich niet alleen door zaad, maar ook door middel van de talrijke uitlopers. De hoofdwortel kan 3-3,5 meter diep de grond in dringen en uit ieder afgebroken stukje wortel kunnen weer nieuwe planten ontstaan. Uitroeiing is daardoor moeilijk.

Pijlkruidkers heeft tamelijk grote, schermachtige bloeiwijzen van kleine crème-witte bloempjes (mei-juli). Deze worden gevolgd door breed-hartvormige  vruchten die rechtop staan op hun steeltjes. De bladeren zijn lang en getand, aan de voet voorzien van lobben en stengelomvattend; ze staan spiraalsgewijs om de stengel. De stengels zijn behaard. In ons land oorspronkelijk adventief; tegenwoordig vrij algemeen langs wegen, op braakliggend land en dergelijke.

De plant kwam in Engeland terecht na de slecht afgelopen expeditie naar Walcheren in 1809. De zieke soldaten werden toen gerepatriëerd op matrassen die waren gevuld met hooi dat daarna werd gekocht door een boer in Kent die het onderploegde als bemesting. Pijlkruidkers werd vroeger vanwege de scherpe smaak gebruikt als vervangingen voor peper.

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein Tasjeskruid

 

Een veel kleiner onkruid is het eenjarige KLEIN TASJESKRUID (Teesdalia nudicaulis), dat voorkomt in de meeste delen van Europa en plaatselijk in Amerika. Dit plantje wordt inclusief bloeistengels tot 20 cm hoog. Het rondrozet bestaat uit diep ingesneden bladeren met vijf kleine blaadjes. De stengel is meestal bladerloos maar draagt soms een enkel blad. Behalve door zijn geringe afmetingen is Klein tasjeskruid te herkennen door de witte of roze bloemblaadjes waarvan er twee groter zijn dan de andere. De vruchtjes zijn min of meer hartvormig. De bloemen verschijnen meestal van april tot juni (zelden ook in augustus/september). In ons land algemeen op droge zandgronden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Herderstasje

 

HERDERSTASJE (Capsella bursa-pastoris) is een een- of tweejarige plant met driehoekige hartvormige vruchtjes, die min of meer haaks op de stengel staan. De hoogte is zeer variabel, van een paar centimeter tot een meter. De bladeren van de wortelrozet variëren in vorm van diep ingesneden tot niet-ingesneden. Ook in de stengelbladeren zit nogal wat verschil; de niet-ingesneden exemplaren zijn aan de voet gelobd en stengelomvattend. De witte bloempjes zijn heel klein (2,5 mm in doorsnee) en verschijnen bijna het hele jaar door. Herderstasje komt oorspronkelijk uit het Middellands-zeegebied, maar is thans over de hele wereld verspreid. In ons land een van de meest algemene onkruiden op akkers, braakliggende terreinen, langs en op wegen, kortom eigenlijk overal.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewoon Barbarakruid

 

GEWOON BARBARAKRUID (Barbarea vulgaris) valt op door de dichte bloemtrossen van heldergele bloemen. Het is een tweejarige of overblijvende plant met een dikke geelachtige penwortel en een rechtopstaande, vertakte stengel van 30 tot 90 cm hoog. De plant heeft drie soorten bladeren; diep ingesneden exemplaren met vijf tot negen smal ovale blaadjes in een wortelrozet; bladeren onder op de stengel die alleen een paar zijlobben hebben en tenslotte aan de top bijna ronde, gekartelde bladeren zonder insnijdingen. Alle bladeren zijn diepgroen en glanzend. De bloemtrossen komen tevoorschijn uit de bladoksels en de slanke lange vruchten hebben lichtgele zaden. Barbarakruid komt op het gehele noordelijk halfrond voor, in de koelere delen. In ons land vrij zeldzaam.

 

 

 

 

 

 

 

 

Look-Zonder-Look

 

LOOK-ZONDER-LOOK (Alliaria petiolata) is een tweejarige plant die, zoals de naam al zegt, sterk naar uien ruikt. De rechtopstaande stengel is gewoonlijk onvertakt en wordt 15 tot 90 cm hoog. De onderste bladeren zijn bleekgroen en bijna niervormig, met getande randen. De stengelbladeren staan op steeltjes die naar boven toe steeds korter worden; ze staan afwisselend. De witte bloemen zitten op korte steeltjes nabij de top van de stengel in een vrij dichte bloeiwijze, die vaak is omgeven door de bovenste stengelbladeren. De vruchten zijn ongeveer 5 cm lang, bijna rolrond en heel smal. Look-zonder-look bloeit van april tot en met juni. Komt oor in Europa en het nabij Oosten. In ons land algemeen in bossen, tussen hakhout, langs heggen en op ruigten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein hoefblad : Tussilago farfara

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

hoefbladklein-130406-120

 

 

 

Goed te herkennen aan


– de goudgele bloemhoofdjes met een straal van zeer veel smalle straalbloemen en

– de vroege bloei met alleen bloemhoofdjes, geen blad

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein hoefblad is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze is een echte pionierplant en groeit vooral op zonnige, vrij open plaatsen met omgewerkte, zeer voedselrijke, meestal kalkhoudende grond, waar nog weinig andere begroeiing is. De lange ondergrondse wortelstokken helpen de grond, als die de neiging heeft om-laag te glijden, goed op zijn plaats te houden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode begint vroeg in het voorjaar (soms al in februari). Ze bloeit met goudgele bloemenhoofdjes van 2-3 cm. De bloemstelen zijn 7 tot 15 cm hoog. De bloemenhoofdjes staan eerst rechtop, later knikkend. Na het rijpen van de zaden richten de hoofdjes zich weer op en groeien de bloemstelen uit tot ongeveer 30 cm. De bloe-menhoofdjes bestaan uit een straal van ongeveer 300 zeer smalle, vrouwelijke, draadvormige straalbloemen met in het hart 30 tot 40 mannelijke 5-slippige buisbloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Tijdens de bloei staan er groene of bruin- tot roodachtige, spinnenwebachtig behaarde, schubvormige blaadjes langs de wollig behaarde bloemsteel. De bladeren die na de bloei verschijnen zijn groen, (ei)rond tot hartvormig, gelobd en onregelmatig getand, wortelstandig en aan de onderkant blijvend wit viltig behaard. Aan de bovenkant zijn de bladeren spinnenwebachtig behaard, maar de beharing tussen de nerven verdwijnt later. De bladtanden zijn iets verdikt en bruin- tot zwartachtig. Vaak vertoont de hele bladrand een dergelijke kleur.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd klein hoefblad gebruikt als hoestdempend middel vanwege de rijkelijk aanwezige flavonoïden, slijm – en looistoffen. Inmiddels is bekend dat de plant ook pyrrolizidin-alkaloïden bevat, die de lever beschadigen en als kankerverwekkend worden beschouwd. Het gebruik van klein hoefblad is dan ook af te raden.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Evenals de andere hoefblad-soorten is ook klein hoefblad een naaktbloeier. Dat wil zeggen dat de bladeren zich pas na de bloei gaan ontwikkelen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

In de Lage Landen  komen 4 soorten hoefblad voor, die alle vier goed uit elkaar te houden zijn, zeker als je ze gezien hebt. Klein hoefblad is laag en heeft gele bloemen. Groot hoefblad heeft een kegelvormige, bleek-roze bloeiwijze. Japans en wit hoefblad lijken het meest op elkaar. Ze zijn het makkelijkst van elkaar te onderscheiden aan de hand van de schutbladen aan de bloeistengel; bij Japans hoefblad zijn die bladen duidelijk langer dan de bloeiwijze, bij wit hoefblad zijn ze korter.

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

Japans hoefblad

 

 

 

 

wit hoefblad

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 30 cm hoog

Bloem
– gele buisbloemen
– zeer smalle gele straalbloemen
– vanaf februari t/m april (mei)
– alleenstaand hoofdje
– 2 tot 3 cm

Blad
– stengelblad :
– enkelvoudig
– verspreid
– lancetvormig
– schubvormig
– groen of bruin- tot roodachtig
– voet halfstengelomvattend
– parallelnervig

– wortelstandig blad :
– enkelvoudig
– (ei)rond tot hartvormig
– 10 – 30 cm breed
– groen
– bovenkant spinnenwebachtig
behaard, later tussen de nerven kaal
– onderkant wit viltig behaard
– voet hartvormig
– gesteeld
– handnervig
– soms paars, rood, bont of gevlekt     gekleurd

Bloeistengel
– rechtop, later knikkend
– niet vertakt
– wollig behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

  

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

John Astria

John Astria