Tagarchief: behaard

Liggende ganzerik : Potentilla supina

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtgele bloemetjes, waarvan de 5 kroonbladen elkaar niet raken
– en korter dan of even lang zijn als de kelkbladen en
– de oneven geveerde, van onderen groene bladeren en
– de liggende, behaarde, ronde, niet wortelende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Liggende ganzerik is een eenjarige plant die groeit op open, natte, ’s zomers droogvallende, voedselrijke grond aan rivieroevers en op omgewerkte grond.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Liggende ganzerik bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen staan in de bladoksels. Ze hebben 5 lichtgele, omgekeerd eironde kroonbladen die elkaar duidelijk niet raken en die hoogstens zo lang zijn als de kelkbladen. Naast 5 kelkbladen hebben de bloemen ook 5 bij-kelkbladen, die langer zijn dan de kelkbladen. De bloemstelen buigen zich na de bloeitijd naar beneden.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De zacht behaarde bladeren zijn oneven veervormig met 3 tot 7 blaadjes. Naar boven toe wordt het aantal deelblaadjes minder. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste hebben een aflopende voet. De deelblaadjes zijn eirond tot langwerpig, hebben een gezaagde of diep gekartelde rand en zijn aan de onderkant groen; dit in tegenstelling tot de bladeren van zilverschoon, die aan de onderkant zilverwit zijn. De niet wortelende stengels zijn afstaand of iets aangedrukt, zacht behaard en meestal groen, soms iets paarsig aangelopen. Ze zijn slap, liggen op de grond of hangen op omringende vegetatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Het geslacht Potentilla kent ongeveer 500 soorten. In de Lage Landen komen 12 soorten voor, waarvan sommigen op het eerste gezicht veel op elkaar lijken. Samen met zilverschoon onderscheidt liggende ganzerik zich van de andere Potentilla’s door de oneven veervormig samengestelde bladeren.

 

 

zilverschoon

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– eenjarig
– vrij tot zeer zeldzaam
– 5 tot 45 cm

Bloem
– lichtgeel
– vanaf juni t/m september
– alleenstaand
– stervormig
– 5 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– veervormig oneven
– top spits of stomp
– rand gezaagd of diep gekarteld
– voet wigvormig
– veernervig
– zacht behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harig wilgenroosje : Epilobium hirsutum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de behaarde bladeren en stengel en
– alleenstaande helder roze bloemen en
– de lange vruchten

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Harig wilgenroosje is een overblijvende, zeer algemeen voorkomende plant van 60 tot 150 cm hoog. De stengel en bladeren zijn zacht behaard. Van de acht meeldraden zijn er vier langer en komen eerder tot ontwikkeling dan de andere vier. De plant groeit op natte, zeer voedselrijke grond langs oevers, in lichte bossen en in rietmoerassen. Ook op half beschaduwde plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen zijn helder roze van kleur en 2 tot 3 cm in doorsnede. Ze lijken op lange stelen te staan, maar de “steel” is het vruchtbeginsel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Wilgenroosje lijkt op harig wilgenroosje, maar is niet behaard. Daarnaast zijn de bloemen onregelmatiger van vorm en staan ze dichter bij elkaar, waardoor de bloeiwijze van wilgenroosje op een pluim lijkt. De kelkbladen zijn roodachtig.

 

 

gewoon wilgenroosje

 

 

 

Algemeen

 

teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 150 cm hoog

Bloem
– helder roze
– vanaf juni t/m september
– alleenstaand
– 2 tot 3 cm
– stervormig
– 4 uitgerande kroonbladen
– kroonbladen niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand onregelmatig scherp gezaagd   met haakvormige tanden
– voet (half) stengelomvattend of   aflopend
– netnervig
– zacht behaard, vooral op de nerven   lange afstaande haren

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– lang afstaand behaard
– rolrond

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewoon biggenkruid : Hypochaeris radicata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de paardenbloem-achtige bloemhoofdjes, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant blauwachtig grijs gestreept zijn en
– de brede, driehoekige, afgeronde eindslip van de bladeren en
– de vertakte, bladerloze bloeistengels, die onder het hoofdje iets verdikt zijn

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewoon biggenkruid is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant, die groeit op droge tot vochtige, voedselrijke, open grond in graslanden en bermen, op dijken en langs heiden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze wordt 15 tot 60 (80) cm hoog en bloeit vanaf juni tot en met september met gele paardenbloem-achtige bloemhoofdjes. Ze zijn de hele dag geopend, in tegenstelling tot de hoofdjes van glad biggenkruid, die maar een paar uur per dag geopend zijn. De bloemhoofdjes bestaan uitsluitend uit gele lintbloemen. De buitenste lintbloemen hebben aan de onderkant een blauwachtig grijze streep. De middennerf van de omwindselblaadjes is borstelig behaard.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan allen in een rozet, voelen stevig aan en zijn vrij stijf behaard. Soms hebben ze ook ruwe bobbeltjes. Ze zijn ongesteeld, diep ingesneden tot bochtig getand, van boven grasgroen en van onderen blauwgroen. De eindlob is breed, driehoekig en afgerond. De vertakte, blauwgroene stengels hebben geen bladeren, maar soms wel een aantal schubvormige bladeren. Alleen onderaan zijn de stengels verspreid borstelig behaard. Onder het hoofdje is de stengel nauwelijks verdikt; er is nog een duidelijke overgang tussen stengel en omwindsel. Bij vertakte leeuwentand verloopt de overgang veel geleidelijker en is de stengel bovenaan meer verdikt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

gewoon biggenkruid : lintbloemen ver buiten het omwindsel, onderkant buitenste lintbloemen blauwachtig grijs.

glad biggenkruid : lintbloemen nauwelijks buiten het omwindsel, onderkant buitenste lintbloemen geel.

 

.

 

 

 

 

 

vertakte leeuwentand : onderkant buitenste lintbloemen rood.

 

 

 

 

 

Gewoon biggenkruid behoort tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 15 tot 60 (80) cm

Bloem
– geel
– juni t/m september
– hoofdje, bestaande uit lintbloemen
– 2 tot 4 cm

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– top stomp
– rand bochtig getand
– voet steelachtig versmald
– veernervig
– stijf behaard

Stengel
– rechtop
– onderaan verspreid behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gele kamille : Anthemis tinctoria

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele op gewone margriet lijkende bloemhoofdjes en
– de viltig behaarde omwindselblaadjes en
– de geveerde bladeren met gelobde tot diep gezaagde slippen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gele kamille is een overblijvende, licht viltig behaarde plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze is zeldzaam in stedelijke gebieden, elders zeer zeldzaam. Ze groeit open, droge grond langs spoorwegen en op zandvlakten en oude muren. De plant is zeer decoratief en is tevens bruikbaar als zandbinder. Ze wordt daarom wel in nieuwe bermen, op taluds en zandterreinen in stedelijke gebieden ingezaaid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met grote bloemhoofdjes, die een hart van gele buisbloemen en een rand van gele drie-tandige straalbloemen hebben. De omwindselblaadjes zijn viltig behaard.

 

 

 

 

 

Blad

 

De enigzins viltig behaarde bladeren zijn geveerd met gelobde tot diep ingesneden slippen.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Het is van oudsher bekend dat bloemknoppen, bloemen en uitgebloeide bloemen van deze plant uitstekende gele, bruingele, olijfgroene en goudoranje kleurstoffen op kunnen leveren. Deze werden ooit gebruikt om stoffen voor kleding een kleurtje te geven.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Binnen de groep composieten met gele buis- en gele straalbloemen zijn gele kamille en gele ganzenbloem de enige twee met naar verhouding korte brede straalbloemen. Ze zijn daaraan makkelijk te herkennen. Om gele kamille en gele ganzenbloem uit elkaar te kunnen houden kijk je naar het blad. Het blad van gele ganzenbloem is kaal, iets vlezig, blauwgroen van kleur, grof getand tot veerspletig. Het blad van gele kamille is viltig behaard en geveerd met gelobde tot diep ingesneden slippen.

 

 

gele ganzenbloem

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– 30 tot 60 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni tot en met september
– bloemhoofdje
– buis- en straalbloemen
– 2 tot 5 cm
– viltig behaarde omwindselblaadjes

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– geveerd
– top spits
– rand gelobd tot diep gezaagd
– veernervig
– viltig behaard

Stengel
– rechtop
– licht viltig behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blauw glidkruid : Scutellaria galericulata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

1k0

 

 

Goed te herkennen aan
– de behaarde, paarsblauwe lipbloemen, waarvan
– de bovenlip duidelijker korter is dan de onderlip en
– de onderlip paars wit getekend is en
– het uitsteeksel bovenop de 2-lippige kelk

 

 

1k0-1

 

 

 

Algemeen

 

Blauw glidkruid is een overblijvende, behaarde plant van 15 tot 45 cm hoog. De plant komt zeer algemeen tot vrij algemeen voor. Ze groeit op natte, humusrijke grond in riet- en zeggemoerassen, aan waterkanten, op drijftillen, in duinvalleien en moerasbossen en op vochtige stenige plaatsen (bv sluismuren), maar ook op drogere, humusrijke plaatsen, vooral in de duinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juni tot en met september. De bloemen zijn paarsblauw, zelden lichtroze of wit en staan alleen in de bladoksels. Vaak staan twee bloemen, die op gelijke hoogte staan, dezelfde kant op en daardoor lijkt het alsof ze per paar in de bladoksels groeien. De bloemen hebben een behaarde kroon met een korte bovenlip en een langere onderlip, die wit paars getekend is (honingmerk). De kelk is 2-lippig en heeft aan de bovenzijde een uitsteeksel.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn vierkant en behaard. De bladeren zijn aan beide zijden behaard, langwerpig tot lancetvormig. Het onderste gedeelte van de stengel en de onderkant van de bladeren kunnen roodachtig verkleurd zijn.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd blauw glidkruid gebruikt als wondgenezend middel. Verwant aan ons blauw glidkruid zijn Amerikaans glidkruid (Scutellaria lateriflora) en glidkruid uit China (Scutellaria baicalensis). Beide worden nog medicinaal gebruikt. Vooral van Amerikaans glidkruid is bekend dat het in de fytotherapie onder andere gebruikt wordt als kalmerend en zenuwversterkend middel.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 45 cm

Bloem
– paarsblauw, zelden lichtroze of wit
– vanaf juni t/m september
– alleenstaand
– lipbloem
– 12 tot 22 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 2 kelkbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– kort gesteeld
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gekarteld
– voet hartvormig of afgerond
– veernervig
– beide zijden behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– vierkant

zie wilde bloemen

 

 

scuttelaria-galearica-img_9702

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

mijne-kop-a4

Slipbladige ooievaarsbek : Geranium dissectum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

geranium-dissectum-05-slipbladige_ooievaarsbek1-h4

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder roze, kleine bloemtjes met 5 uitgerande kroonbladen op korte bloemstelen én
– de lange afstaande beharing van de hele plant én
– de klierharen voornamelijk in de bloeiwijzen

 

 

geranium-dissectum-05-slipbladige_ooievaarsbek3-h4

 

 

 

Algemeen

 

Slipbladige ooievaarsbek is een eenjarige plant van 10 tot 40 cm hoog. Ze is zeer algemeen voorkomend. Ze groeit op open, vochtige, voedselrijke, meestal kleiige grond in akkers, op dijken, in bermen en aan slootkanten. De gehele plant is afstaand behaard en vooral in de bloeiwijzen ook met klierharen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Slipbladige ooievaarsbek bloeit vanaf mei tot en met september. De helder roze bloemen staan met 2 bij elkaar in de bladoksels. Ze hebben 5 uitgerande kroonbladen, die even lang zijn als de genaalde kelkbladen. Ze staan op stelen, die korter zijn dan 2 cm, waardoor ze wat tussen de bladeren verscholen zitten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De behaarde bladeren zijn in omtrek rond, handvormig 5- tot 7-delig met 3-spletige slippen. Slipbladige ooievaarsbek heeft ook rozetbladeren, die minder diep gespleten zijn en een rode rand hebben. Tijdens de bloei zijn de rozetbladeren al verdord. De stengel is liggend of opstijgend en wordt vaak gesteund door omringende vegetatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 10 tot 40 cm

Bloem
– helder roze
– vanaf mei t/m september
– alleenstaand
– stervormig
– tot 1 cm
– 5 uitgerande kroonbladen
– kroon niet vergroeid
– 5 genaalde kelkbladen
– 10 meeldraden
– 1 stijl met 5 stempels

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– 5- tot 7-delig
– in omtrek rond
– top spits
– rand gaaf
– handnervig
– afstaand behaard, bovenste ook met   klierharen

Stengel
– liggend of opstijgend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Waterviolier : Hottonia palustris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-hottoniapalustrisinflorescence

 

 

Goed te herkennen aan
– de ijle trossen witte tot bleekroze bloemen en
– de groeiplaats; ondiep zoet water

 

 

3897

 

 

 

Algemeen

 

Waterviolier is een zoutmijdende, overblijvende waterplant, die groeit in ondiep, zoet water op voedselrijke, veelal venige bodem. Ze is plaatselijk algemeen voorkomend. Het deel boven water wordt 20 tot 60 cm hoog.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Waterviolier bloeit in mei en juni. De bloemen zijn wit tot bleekroze en hebben een geel hart. De bloeiwijze is een ijle tros, waarin de bloemen in ver uit elkaar staande kransen rond de bloeistengel staan. Elke krans bestaat uit ongeveer 6 bloemen. De delen die boven water staan (het bovenste deel van de stengel, de bloemstelen en kelk) zijn behaard met kleverige klierharen. Tijdens het rijpen van de vruchten krommen de vruchtstelen zich naar beneden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvende waterplant
– plaatselijk algemeen voorkomend
– 20 tot 60 cm

Bloem
– wit tot bleekroze
– mei en juni
– pluim
– stervormig
– ongeveer 2 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig geveerd
– top spits
– rand gaaf
– 1-nervig
– alleen onder water

Stengel
– rechtop
– onder water kaal
– boven water beklierd
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

mijne kop a4

Klein hoefblad : Tussilago farfara

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

hoefbladklein-130406-120

 

 

 

Goed te herkennen aan


– de goudgele bloemhoofdjes met een straal van zeer veel smalle straalbloemen en

– de vroege bloei met alleen bloemhoofdjes, geen blad

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein hoefblad is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze is een echte pionierplant en groeit vooral op zonnige, vrij open plaatsen met omgewerkte, zeer voedselrijke, meestal kalkhoudende grond, waar nog weinig andere begroeiing is. De lange ondergrondse wortelstokken helpen de grond, als die de neiging heeft om-laag te glijden, goed op zijn plaats te houden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode begint vroeg in het voorjaar (soms al in februari). Ze bloeit met goudgele bloemenhoofdjes van 2-3 cm. De bloemstelen zijn 7 tot 15 cm hoog. De bloemenhoofdjes staan eerst rechtop, later knikkend. Na het rijpen van de zaden richten de hoofdjes zich weer op en groeien de bloemstelen uit tot ongeveer 30 cm. De bloe-menhoofdjes bestaan uit een straal van ongeveer 300 zeer smalle, vrouwelijke, draadvormige straalbloemen met in het hart 30 tot 40 mannelijke 5-slippige buisbloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Tijdens de bloei staan er groene of bruin- tot roodachtige, spinnenwebachtig behaarde, schubvormige blaadjes langs de wollig behaarde bloemsteel. De bladeren die na de bloei verschijnen zijn groen, (ei)rond tot hartvormig, gelobd en onregelmatig getand, wortelstandig en aan de onderkant blijvend wit viltig behaard. Aan de bovenkant zijn de bladeren spinnenwebachtig behaard, maar de beharing tussen de nerven verdwijnt later. De bladtanden zijn iets verdikt en bruin- tot zwartachtig. Vaak vertoont de hele bladrand een dergelijke kleur.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd klein hoefblad gebruikt als hoestdempend middel vanwege de rijkelijk aanwezige flavonoïden, slijm – en looistoffen. Inmiddels is bekend dat de plant ook pyrrolizidin-alkaloïden bevat, die de lever beschadigen en als kankerverwekkend worden beschouwd. Het gebruik van klein hoefblad is dan ook af te raden.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Evenals de andere hoefblad-soorten is ook klein hoefblad een naaktbloeier. Dat wil zeggen dat de bladeren zich pas na de bloei gaan ontwikkelen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

In de Lage Landen  komen 4 soorten hoefblad voor, die alle vier goed uit elkaar te houden zijn, zeker als je ze gezien hebt. Klein hoefblad is laag en heeft gele bloemen. Groot hoefblad heeft een kegelvormige, bleek-roze bloeiwijze. Japans en wit hoefblad lijken het meest op elkaar. Ze zijn het makkelijkst van elkaar te onderscheiden aan de hand van de schutbladen aan de bloeistengel; bij Japans hoefblad zijn die bladen duidelijk langer dan de bloeiwijze, bij wit hoefblad zijn ze korter.

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

Japans hoefblad

 

 

 

 

wit hoefblad

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 30 cm hoog

Bloem
– gele buisbloemen
– zeer smalle gele straalbloemen
– vanaf februari t/m april (mei)
– alleenstaand hoofdje
– 2 tot 3 cm

Blad
– stengelblad :
– enkelvoudig
– verspreid
– lancetvormig
– schubvormig
– groen of bruin- tot roodachtig
– voet halfstengelomvattend
– parallelnervig

– wortelstandig blad :
– enkelvoudig
– (ei)rond tot hartvormig
– 10 – 30 cm breed
– groen
– bovenkant spinnenwebachtig
behaard, later tussen de nerven kaal
– onderkant wit viltig behaard
– voet hartvormig
– gesteeld
– handnervig
– soms paars, rood, bont of gevlekt     gekleurd

Bloeistengel
– rechtop, later knikkend
– niet vertakt
– wollig behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

  

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

John Astria

John Astria

Grote muur : Stellaria holostea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

stellaria holostea-grote muur-02

 

 

 

Goed te herkennen aan

– de opvallende grote witte bloemen met vijf tot het midden gespleten kroonbladen en drie stijlen
– de ruw behaarde stengel, bladrand en middennerf

 

 

 

266px-Stellaria_holostea_Grote_muur_(2)

 

 

 

Algemeen

 

Grote muur is een overblijvende plant, die bloeit vanaf april tot en met juni. Ze groeit in loofbossen, langs heggen en bosranden en in beschaduwde bermen op vochtige tot vrij droge, matig voedselrijke grond en wordt 15 tot 50 cm hoog. Ze vormt grote bestanden. Grote muur is een plant van loofbossen en heggen. Ze groeit daar voorna-melijk in de bosrand en in wegbermen in de buurt van de bossen. De plant komt voor in Europa, Noord-Afrika en West-Azië.  Ze komt vrij algemeen voor in de Lage landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemen hebben vijf tot het midden gespleten witte kroonbladen, die twee maal zo lang zijn als de kelkbla-den.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is vrij slap, maar met de afstaande stijve bladeren zoekt de plant steun bij andere planten. De stengel, de rand van het blad  en de onderkant van de middennerf zijn ruw behaard.

 

 

Close-up opname van bloemen van Grote muur op een houtwal in Twente.

 

 

 

Bijzonderheden

 

Vroeger werd sap geperst van grote muur gebruikt bij oogaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot ontbrekend
– 15 tot 50 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– bijscherm
– stervormig
– 1,5 tot 3 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet gevleugeld
– 1-nervig
– niet gesteeld

Stengel
– opstijgend
– behaard
– scherp vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-extragr-grote muur

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Raapzaad : Brassica rapa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de compacte gele bloeiwijze, waarin de knoppen niet boven de open bloemen uit komen en
– de bovenste, (bijna) geheel stengelomvattende, blauwgroene bladeren en
– de ruw behaarde, liervormige, grasgroene, onderste bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Raapzaad is een tweejarige, plaatselijk algemeen voorkomende plant van 30 tot 80 cm hoog op open, vochtige, voedselrijke grond, vooral in bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De hoofdbloei valt in april, maar tot augustus kun je raapzaad bloeiend aantreffen. Haar 4-tallige bloemen zijn helder geel, zoet geurend en hebben 6 meeldraden en 1 stijl. De knoppen in een bloeiwijze zitten altijd lager dan de open bloemen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De onderste bladeren zijn grasgroen, liervormig en ruw behaard. De bovenste zijn blauwgroen, (bijna) geheel stengelomvattend met hartvormige voet en bijna altijd onbehaard.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Raapzaad is een plant, die in verschillende vormen wordt gekweekt als groente (meiraapjes, paksoi, Chinese kool en raapstelen), als veevoer (soorten met tot knol opgezwollen wortel) en voor haar oliehoudende zaden.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Hieronder vindt u de meest in het oog springende verschillen tussen raapzaad en koolzaad.

 

 

 

  koolzaad

– langgerekt bloeiwijze, knoppen boven de bloeiende bloemen
– alle bladeren blauwgroen
– bovenste bladeren half stengelomvattend of minder

 

 

 

 

 

 

 raapzaad

– compacte bloeiwijze, knoppen onder de bloeiende bloemen
– bovenste bladeren blauwgroen, onderste grasgroen
– bovenste bladeren (bijna) stengelomvattend

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– tweejarig
– plaatselijk algemeen voorkomend
– 30 tot 80 cm hoog

Bloem
– geel
– vanaf april t/m augustus
– tros
– 1 tot 2 cm
– stervormig
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– top rond
– netnervig
– onderste :
– grasgroen
– liervormig
– ruw behaard
– rand getand
– voet gevleugeld
– bovenste :
– blauwgroen
– langwerpig
– (bijna) stengelomvattend
– bijna altijd onbehaard
– rand gaaf
– voet diep hartvormig

Stengel
– rechtop
– groen, soms paarsig aangelopen
– soms verspreid enkele doornachtige   haren
– rolrond

zie wilde bloemen