Tagarchief: straalbloemen

Klein vlooienkruid : Pulicaria vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
de kleine, half bolronde, gele bloemhoofdjes met korte straalbloemen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein vlooienkruid is een eenjarig plantje, dat je kan vinden langs de rivieren op voedselrijke en stikstofrijke zand- en kleigronden, die ’s winter onder water staan en ’s zomers droogvallen. Ze is vrij algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemen van klein vlooienkruid zijn geel, plat van boven en bolrond van onderen. De omwindselblaadjes zijn lijnvormig, ongelijk van lengte en wollig behaard. De straalbloemen zijn kort en 3-tandig. Klein vlooienkruid heeft een scherpe geur, waardoor insecten de bloemhoofdjes mijden.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De wollig behaarde stengels zijn wijd vertakt, waardoor klein vlooienkruid een struikachtig uiterlijk krijgt. De zijtakjes zijn langer dan de hoofdtak. Ook de bladeren zijn wollig behaard.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werden gedroogde planten onder het matras gelegd om vlooien uit het bed te weren.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Klein vlooienkruid kan goed tegen beweiding. Het vee eet haar niet vanwege de geur en het stuk trappen van het gras stimuleert de kieming van haar zaden.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

goudknopje : heeft geen straalbloemen en is niet wollig behaard.

 

 

 

 

 

 

heelblaadjes : is in alles veel groter en heeft langere straalbloemen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteracea)
– eenjarig
– vrij zeldzaam
– 10 to 40 cm

Bloem
– gele straalbloemen
– vuilgele buisbloemen
– sterk geurend
– vanaf juli t/m september
– kort gesteeld hoofdje
– 1 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf tot iets getand en zacht   golvend
– voet (half) stengelomvattend
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– wollig behaard
– rolrond
– meestal rood gekleurd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Canadese fijnstraal : Conyza canadensis (Erigeron canadensis)

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de vorm van de plant, lang en dun, en
– de zeer veel kleine bloemhoofdjes met aan de rand
korte witte straalbloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Canadese fijnstraal is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant, oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. In de 17e eeuw is de plant naar Europa gebracht en sindsdien over heel Europa verspreid. Het is een zeer sterk kruid, dat zelfs bestand is tegen chemische bestrijdingsmiddelen en daardoor moeilijk uit te roeien.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Canadese fijnstraal bloeit vanaf juli tot de herfst met talrijke hele kleine bloemhoofdjes, die in een sterk vertakte lange pluim staan. Elk hoofdje produceert veel vruchtjes met pluis, die zeer licht zijn en makkelijk door de wind verspreid worden.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De rechtopstaande, stevige stengel is dun behaard en vooral in de bovenste helft vertakt. De plant groeit op open, droge, voedselrijke, omgewerkte, zandige, braakliggende grond, ook tussen plaveisel en wordt tot 75 cm hoog. Ze kan op zeer voedselrijke plaatsen hoger worden.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Canadese fijnstraal kent veel toepassingen. In Noord-Amerika werd de plant door de indianen gebruikt tegen slangengif, menstruatiepijnen en puisten. Door de samentrekkende werking is het ook een goed middel bij diarree, bloedend tandvlees, aambeien, inwendige bloedingen, bloedende wonden en neusbloedingen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 20 tot 75 cm

Bloem
– korte witte straalbloemen
– gele buisbloemen
– vanaf juli tot de herfst
– lange pluimen
– 3 tot 5 mm breed
– omwindselbladeren geelgroen,
lijnvormig, vliezig, kaal of weinig
behaard

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn- of lancetvormig
– top spits
– rand gaaf of fijn getand
– 1-nervig
– gewimperd en verspreid behaard

Stengel
– rechtop
– bovenaan rijk vertakt
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zulte of zeeaster : Aster tripolium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– op herfstasters lijkende lichtpaarse bloemhoofdjes met een geel hartje (soms ontbreken de straalbloemen) en
– de groeiplaats; op zoute of brakke plaatsen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Zulte of zeeaster is een overblijvende, soms eenjarige, kale, min of meer vlezige plant van 5 tot 90 cm hoog. Ze komt algemeen voor langs de gehele kust en ze is plaatselijk algemeen in de Lage Landen. Ze groeit op natte, zoute en brakke, zeer voedselrijke grond op schorren en kwelders, in rietlanden, in uiterwaarden, op opgespoten terreinen en aan oevers.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot in de herfst. De bloemhoofdjes vormen grote, vaak iets schermvormige pluimen, hebben lichtpaarse straalbloemen (11 – 17 mm lang) en een hartje van gele buisbloemen. Soms ontbreken de straal- bloemen; dat betreft de variëteit discoideus. Deze vorm komt vooral voor in Zeeland en dan vrijwel uitsluitend op de buitendijkse schorren.

 

 

 

 

 

Blad

 

De stengelbladeren zijn smaller dan de rozetbladeren. De rozetbladeren zijn gesteeld, de stengelbladeren zittend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bladeren kunnen gegeten worden als groente en heten dan lamsoren, niet te verwarren met het plantje lamsoor (Limomium vulgare). Daarnaast is zulte een belangrijke voedingsbron voor bv rotganzen en schapen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Naast zulte komen er van het geslacht Aster in ons land nog 3 verwilderde soorten voor, alle 3 oorspronkelijk uit Noord-Amerika : smalle aster, gladde aster en Nieuw-Nederlandse aster. Gezien het verschil in milieu zul je zulte niet snel verwarren met één van deze asters. Maar mocht je twijfelen : de omwindselblaadjes van zulte zijn 2 tot 3 mm breed en hebben een stompe punt. Die van de andere asters zijn hooguit 1,5 mm breed en spits of ietsje stomp.

 

 

smalle aster

 

 

 

gladde aster

 

 

 

Nieuw Nederlandse aster

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– (vrij) algemeen
– 5 tot 90 (200) cm

Bloem
– lichtpaarse straalbloemen
– gele buisbloemen
– vanaf (april) juli tot in de herfst
– 0,8 tot 2,0 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– 1-, 3- of 5-nervig
– min of meer vlezig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schijfkamille : Matricaria discoidea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de groengele ei-ronde bloemhoofdjes zonder straalbloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Schijfkamille is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant met een duidelijke geur en een gedrongen bouw. Ze groeit op vochtige tot droge, betreden of omgewerkte grond, zoals in bermen, wegranden en tussen bestrating. Ze wordt 5 tot 30 cm hoog.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met november. De kort gesteelde, groengele bloemhoofdjes zijn ei-rond en bestaan uit talrijke kleine, vier-tandige buisbloemen. De straalbloemen ontbreken. Daardoor trekt ze weinig insecten aan en is ze voornamelijk aangewezen op zelfbestuiving.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 5 tot 30 cm

Bloem
– groengeel
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdje
– 5 tot 10 mm
– alleen buisbloemen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– 2- tot 3-voudig geveerd
– top spits
– rand gaaf
– voet gevleugeld
– veernervig
– iets vlezig

Stengel
– rechtop
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Duizendblad : Achillea millefolium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de brede, platte schermen, die bestaan uit talrijke witte of roze bloemhoofdjes met 5 straalbloemen en kleiner dan 7 mm en
– de dubbel geveerde, donkergroene, geurende bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Duizendblad is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant van 15 tot 50 cm hoog. Ze heeft ondergrondse uitlopers en kan zo hele grote bestanden vormen. Ze groeit op vochtige tot droge, omgewerkte, grazige grond. Maaien wordt goed verdragen, want uit de ondergrondse wortels schieten voortdurend nieuwe bloeiende en niet bloeiende stengels omhoog.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Duizendblad bloeit vanaf juni tot en met november met veel kleine witte, soms roze bloemhoofdjes, die bestaan uit (meestal) 5 straalbloemen en in het midden een aantal buisbloemen. De bloemhoofdjes staan samen in een brede, volle, platte, schermachtige bloeiwijze aan het einde van de stengel of zijstengels.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bovengrondse delen bevatten vluchtige olie, bitterstof, looistoffen en flavonoïde. Duizendblad bevordert de spijsvertering en heeft een krampstillende en ontstekingsremmende werking. In de volksgeneeskunde wordt ze uitwendig toegepast bij huidaandoeningen en verwondingen, vanwege de bloedstelpende werking. Voordat hop werd gebruikt bij de bierbereiding, gebruikte men duizendblad. Ook werden vroeger de blaadjes als groente gegeten of in de soep gedaan. Haar naam heeft duizendblad natuurlijk gekregen vanwege de in veel kleine slippen verdeelde bladeren.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Wilde bertram is het makkelijkst te onderscheiden van duizendblad door de bladvorm. Duizendblad heeft dubbel geveerde bladeren, terwijl wilde bertram ongedeelde bladeren heeft. Daarnaast zijn de bloemhoofdjes van wilde bertram groter en minder talrijk per scherm en hebben ze meer witte straalbloemen. Duizendblad heeft per hoofdje meestal maar 5 straalbloemen.

 

 

wilde bertram

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 15 tot 50 cm

Bloem
– witte, soms roze, straalbloemen
– geel of grijswitte buisbloemen
– vanaf juni t/m november
– scherm
– 3 tot 6 mm

Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel geveerd
– top spits
– rand gezaagd of getand
– voet gevleugeld
– veernervig
– bovenkant behaard
– onderste bladeren gesteeld
– bovenste bladeren enigszins   stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– wollig behaard
– alleen bovenaan vertakt
– rolrond of meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moeraskruiskruid

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele bloemhoofdjes met 12 tot 20 straalbloemen en
– de omhooggerichte, van onderen grijsviltig behaarde, enkelvoudige bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moeraskruiskruid is overblijvende plant, die groeit op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in rietlanden, moerassen, grienden en drassige hooilanden. Ze wordt 0,6 tot 1,8 meter hoog. In watergebieden is ze vrij algemeen maar elders is ze zeer zeldzaam tot ontbrekend.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Moeraskruiskruid bloeit vanaf juni tot en met augustus met gele bloemhoofdjes, die met 10 tot 30 bij elkaar in losse pluimen in de bladoksels van de bovenste bladeren staan.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is onvertakt. De lengte van de plant en de onvertakte stengel geven moeraskruiskruid een smal uiterlijk. De omhooggerichte bladeren staan verspreid aan de stengel en zijn aan de onderkant grijsviltig behaard.
Ook de bovenkant is enigzins behaard. Vaak is de rand van het blad omgerold. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste zittend en met een brede voet half stengelomvattend.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Moeraskruiskruid is eenvoudig van de andere kruiskruiden te onderscheiden door de omhooggerichte, van onderen grijsviltig behaarde, niet samengestelde bladeren.

 

 

 

bezemkruiskruid : blad vlezig en zeer smal

 

bezemkruiskruid

 

 

 

 

jacobskruiskruid : omwindselbladen met zwarte punt en blad is dubbel geveerd

 

jacobskruiskruid

 

 

 

 

viltig kruiskruid : omwindselbladen zonder zwarte punt en blad is dubbel geveerd

 

viltig kruiskruid

 

 

 

duinkruiskruid : zonder staalbloemen : blad dubbel geveerd

 

duinkruiskruid

 

 

 

waterkruiskruid : blad met grote eindslib (ongeveer de helft van het blad ) en blad is dubbel geveerd

 

waterkruiskruid

 

 

 

 

schaduwkruiskruid : tanden bladrand opzij gericht : blad langwerpig

 

schaduwkruiskruid

 

 

 

 

rivierkruiskruid : tanden bladrand naar de top gericht : blad langwerpig

 

rivierkruiskruid

 

 

 

moeraskruiskruid: onderkant grijs viltig behaard, bladeren staan ook vaak omhoog gericht : blad langwerpig.

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot ontbrekend
– 0,6 tot 1,8 meter

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje
– buis- en straalbloemen
– 3 tot 4 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand getand
– onderste gesteeld
– bovenste zittend
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– van boven (weinig) behaard
– kantig
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moederkruid : Tanacetum parthenium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de margrietachtige bloemhoofdjes, ongeveer zo groot als een madeliefje en
– de geveerde, vaak geelgroene, tere bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moederkruid is een overblijvende, sterk aromatische plant van 30 tot 60 cm hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Europa. Ze is algemeen voorkomend, vooral in stedelijke gebieden. Ook wordt ze gekweekt als sierplant, dan vaak met gevulde bloemen. Ze groeit op open, vochtige, omgewerkte grond, vooral nabij bebouwing, ook op muren en komt algemeen voor, vooral in de stedelijke gebieden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met september. De op margrieten lijkende bloemhoofdjes van 1,5 tot 2,5 cm (ongeveer zo groot als of iets groter dan een madeliefje) hebben een geel hart van buisbloemen met aan de rand witte, omgekeerd eironde straalbloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De tere, veervormig ingesneden, vaak geelgroene bladeren staan verspreid aan de enigzins behaarde, bovenaan rijk vertakte stengels.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Als artsenijplant is moederkruid over heel Europa verspreid en vanuit (moes)tuinen verwilderd. Ze wordt al sinds de middeleeuwen gebruikt in de traditionele kruidengeneeskunde. Ze heeft een positieve invloed op het geestelijk welzijn en de bloedcirculatie.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Moederkruid heeft veel weg van de kamillesoorten. Ze is daarvan het makkelijkst te onderscheiden door haar bladeren. De bladeren van de kamillesoorten zijn fijn verdeeld en hebben smalle, lijnvormige slippen. Het blad van moederkruid is in omtrek driehoekig tot eirond en veervormig met gelobde slippen. Daarnaast zijn de witte straalbloemen van moederkruid omgekeerd eirond; die van kamille langwerpig.

 

 

kamille

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen
– 30 tot 60 cm

Bloem
– gele buisbloemen
– witte straalbloemen
– vanaf juni t/m september
– hoofdjes in losse tros
– 1,5 tot 2,5 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– enkel of dubbel geveerd
– top afgerond
– rand gezaagd
– voet gevleugeld
– veernervig

Stengel
– rechtop
– verspreid kort behaard
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Jakobskruiskruid : Jacobaea vulgaris subsp. vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– gele bloemhoofdjes met 3-tandige straalbloemen en
– de tot dubbel geveerde bladeren en
– de omwindselbladen met zwarte top

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Jakobskruiskruid is een overblijvende plant, die groeit op open, grazige, droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, meestal zandige grond in grasland, duinen, uiterwaarden, bermen, op braakliggende gronden en dijken. Ze wordt 30 tot 90 cm hoog. Ze komt zeer algemeen voor.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Jakobskruiskruid bloeit vanaf juni tot en met oktober. De bloemenhoofdjes van jakobskruiskruid bestaan uit 12 tot 15 (meestal 13) gele afstaande straalbloemen met drie stompe tandjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot ontbrekend
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m oktober
– hoofdjes in schermvormige pluim
– lint- en straalbloemen
– 1,5 tot 2,5 cm
– omwindselbladen met zwarte punt

Blad
– vespreid
– onderste veerdelig met eindslip
– bovenste tot dubbel geveerd
– vaak gekroesd
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig

Stengel
– rechtop
– bovenaan sterk vertakt
– groen of roodbruin
– gegroefd
– spinnenwebachtige beharing, die later verdwijnt

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Harig knopkruid : Galinsoga quadriradiata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de onopvallende bloemhoofdjes met meestal 5 ver uit elkaar staande, witte, drie-tandige straalbloemen en
– de met afstaande witte haren bedekte bloeiende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Harig knopkruid is een eenjarige plant van 20 tot 45 cm. Ze is zeer algemeen voor komend in de Lage Landen. Harig knopkruid groeit op open, vochtige tot droge, zandige grond langs akkers, in bermen, op braakliggende terreinen en in moestuinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Harig knopkruid bloeit vanaf juni tot in de herfst met kleine bloemhoofdjes, die bestaan uit gele buisbloemen en 0 tot 6, meestal 5 witte drie-tandige straalbloemen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Naast harig knopkruid is er ook kaal knopkruid. Er zitten tussen beide soorten wat subtiele verschillen in de bloemen, maar het meest opvallende verschil is de beharing van de bloeiende stengels. De bloeiende stengels van harig knopkruid zijn behaard met witte afstaande haren, terwijl die van kaal knopkruid niet of spaarzaam zijn behaard met aanliggende haren.

 

 

kaal knopkruid

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot zeldzaam
– 20 tot 45 cm

Bloem
– witte straalbloemen
– gele buisbloemen
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdje
– 8 mm

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gezaagd
– voet afgerond
– netnervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gele ganzenbloem : Glebionis segetum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de goudgele op gewone margriet lijkende bloemhoofdjes met
– breed vliezig gerande omwindselblaadjes en
– de vlezige, blauwgroene, onregelmatig getand/gespleten bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gele ganzenbloem is een eenjarige plant van 30 tot 60 cm hoog en komt plaatselijk algemeen voor in de Lage Landen. Ze groeit open, vochtige tot droge, voedselrijke, zandige, omgewerkte grond in akkers en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot de herfst met grote goudgele bloemhoofdjes, die een hart van gele buisbloemen en een rand van gele drie of zes-tandige straalbloemen hebben. De omwindselblaadjes zijn breed vliezig gerand.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren van gele ganzenbloem zijn iets vlezig, blauwgroen van kleur, grof getand tot veerspletig. De bovenste zijn half stengelomvattend, de onderste steelachtig versmald.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Binnen de groep composieten met gele buis- en gele straalbloemen zijn gele kamille en gele ganzenbloem de enige twee met naar verhouding korte brede straalbloemen. Ze zijn daaraan makkelijk te herkennen. Om gele kamille en gele ganzenbloem uit elkaar te kunnen houden kijk je naar het blad. Het blad van gele ganzenbloemen is iets kaal, vlezig, blauwgroen van kleur, grof getand tot veerspletig. Het blad van gele kamille is viltig behaard en veerdelig met gelobde tot diep ingesneden slippen.

 

 

gele kamille

 

 

 

gele kamille

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– plaatselijk algemeen tot zeer   zeldzaam
– 30 tot 60 cm

Bloem
– goudgeel
– vanaf juni tot de herfst
– bloemhoofdje
– buis- en straalbloemen
– 3,5 tot 6 cm
– omwindselblaadjes met vliezige rand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig of veervormig
ingesneden
– top spits
– rand grof getand tot
veerspletig met getande slippen
– veernervig
– vlezig
– blauwgroen
– bovenste half stengelomvattend
– onderste steelachtig versmald

Stengel
– rechtop, iets vertakt
– kaal
– rolrond, iets gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

gele ganzenbloem