Tagarchief: bloemhoofdjes

Akkerdistel : Cirsium arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bluhende_distel

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtpaarse, smalle, lang gesteelde, bloemhoofdjes en
– de stekelig, gegolfde of gekroesde bladeren

 

 

akkerdistel_01

 

 

 

Algemeen

 

Akkerdistel is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Van de distels is ze de meest voorkomende. De plant wordt 60 tot 120 cm hoog en bloeit van juni tot en met september met lichtpaarse, lila (zelden witte) lang gesteelde, geurende bloemhoofdjes, die in een pluim staan. Je ziet akkerdistel op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond op akkers, braakliggende terreinen en langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Onder de bloemhoofdjes zit een omwindsel, dat bestaat uit aangedrukte omwindselbladen. Ze hebben een stekelige punt, die afstaand maar niet teruggeslagen is. Het omwindsel is paars gekleurd wat de kleur van de bloeiwijze extra versterkt. Een enkele keer kun je in de hoofdjes van de mannelijke plant ook vrouwelijke bloemen vinden.

De mannelijke bloemenhoofdjes zijn tot anderhalf maal groter dan de vrouwelijke. De zoete, muskusachtige geur van de vrouwelijke bloemen trekt allerlei insecten aan, die beloond worden met veel nectar. De vruchtjes zijn een belangrijke voedselbron voor veel vogels. In de moeilijk toegankelijk distelhaarden broeden meerdere vogelsoorten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is niet of zeer smal stekelig gevleugeld, aan de top sterk vertakt, het bovenste deel is meestal kaal. De stekelige bladeren zijn lancetvormig, veerspletig met gegolfde of gekroesde rand, aan de bovenkant kaal en glanzend, de onderzijde kan zilverig wit zijn.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Akkerdistel is een lastig onkruid. Door de vele pluizige vruchtjes kan de plant zich sterk uitzaaien. Ook vormt ze worteluitlopers. Ploegen van akkers werkt in het voordeel van de plant, want elk stukje uitloper kan weer uitgroeien tot een zelfstandige plant. Bovendien is de plant resistent tegen veel onkruidverdelgende middelen. Akkerdistel heeft daarom als bijnaam “Boerenplaag”.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 120 cm hoog

Bloem
– lichtpaarse, zelden witte buisbloemen
– vanaf juni t/m september
– lang gesteelde hoofdjes in pluimen
– 1,5 tot 3 cm
– omwindselbladeren gestekeld
en topje afstaand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig, veerspletig
– top stekelpuntig
– rand stekelig getand, soms gegolfd
of gekroesd
– voet aflopend
– veernervig
– bovenkant glanzend en kaal
– onderkant kaal, soms wit viltig
behaard

Stengel
– rechtop
– aan de top sterk vertakt
– glad en kaal of zeer smal stekelig
gevleugeld

zie wilde bloemen

 

 

flora-g

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Onkruid soorten in ons land – letter T en V

Standaard

Categorie:  Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Tandzaad (Compositae)

 

Het geslacht Tandzaad telt ongeveer 200 soorten, de meeste in Amerika. Zij behoren tot de grootste familie der bloeiende planten, de Compositae of Samengesteldbloemigen. Zoals de naam al aangeeft is datgene wat men voor een bloem aanziet bij deze familie in feite een verzameling heel kleine bloemetjes. Deze zijn gezamenlijk op een bloembodem ingeplant en zien er samen vaak als een ‘gewone’ bloem uit. Wat op het eerste gezicht een normale bloem lijkt is dus in feite een complete bloeiwijze. Deze wordt bij de Samengesteldbloemigen een bloemhoofdje genoemd.

Soms zijn de bloemhoofdjes bolrond, zoals we dat van Distels kennen. Ook bij het geslacht Tandzaad komt dit voor. In ons land zijn vier soorten van dit geslacht in de loop der jaren plaatselijk algemeen geworden, vrijwel altijd op voedselrijke plaatsen langs waterkanten.

De meest algemene soort in ons land is DRIEDELIG TANDZAAD (Bidens tripartitus), een van 3-90 cm hoge, eenjarige plant met rechtopstaande bloemhoofdjes. De vruchtjes hebben 2-4 naalden die met weerhaakjes zijn bezet, waardoor de vruchtjes gemakkelijk door mens en dier verspreid kunnen worden.

 

 

 

 

 

 

 

Dat geldt ook voor de volgende soort, ZWART TANDZAAD (Bidens frondosus), een eveneens eenjarige plant met oranje-gele bloemhoofdjes. De plant wordt 30 cm tot 1 m hoog. De samengestelde bladeren bestaan uit 3-5 delen. Komt vooral voor langs rivieren en kanalen.

 

 

 

 

 

 

 

De andere twee soorten, Knikkend tandzaad (B. cernuus) en Vergroeidbladig tandzaad (B. connatus) zijn vaak moeilijk te onderscheiden van de twee reeds genoemde soorten.

 

 

Vergeet-mij-nietje (Boraginaceae)

 

Het VERGEET-MIJ-NIETJE (Myosotis arvensis) is geen erg lastig onkruid, ook al heeft het de neiging zich ongemerkt in de tuin te vestigen. De plant kan zich nogal snel verbreiden, doordat ieder exemplaar ongeveer 700 zaden produceert. De planten zijn echter gemakkelijk door wieden in bedwang te houden. De helderblauwe bloemen van 5 mm doorsnee met vijf bloemblaadjes en een geel oog maken de plant gemakkelijk te herkennen. Ze staan afwisselend, op korte steeltjes, aan het bovenste deel van de lang behaarde stengels.

Vóór de bloei zijn de stengels aan het eind naar binnen opgerold. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De onderste bladeren zijn gesteeld en rondachtig-ovaal: ze vormen een rozet aan de basis; de stengel-bladeren groeien afwisselend en zijn lancetvormig en stengelomvattend. Alle bladeren zijn aan weerszijden behaard. Het vergeet-mij-nietje is een eenjarige plant van 120 tot 60 cm hoogte. Algemeen voorkomend in praktisch geheel Europa, Noord- en Midden-Azië en Noord-Amerika. In ons land vooral op bebouwde zandgrond die rijk is aan humus in lichte bossen en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vetmuur (Caryophyllaceae)

 

LIGGENDE VETMUUR (Sagina procumbens) vormt een dichte rozet van lijnvormige blaadjes die 5-12 mm lang zijn en zich aan de top tot een stekelpuntje vernauwen. Uit de rozet komen liggende stengeltjes tevoorschijn met nog kleinere blaadjes, die in groepjes tegenover elkaar staan. Uit iedere groep blaadjes ontspringt een naar verhouding lange bloemsteel met een heel klein wit bloempje, dat vier bloemblaadjes bezig. Soms zijn de bloemblaadjes afwezig en zijn er alleen de vier grotere, groene kelkblaadjes. Dit onkruid komt voor in geheel Europa en in delen van Noord-Amerika. Bij ons zeer algemeen op zandgrond, tussen straatstenen, op muren en dergelijke. De bloemen verschijnen van mei tot september en bestuiven zichzelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vroegeling (Cruciferae)

 

Vroegeling (Erophila verna) is een heel klein rozetplantje dat zijn witte bloemetjes al vroeg in het jaar laat zien (februari-mei). De grootste hoogte die het plantje bereikt is 15 cm; soms is het niet hoger dan 3 cm. De bloemblaadjes zijn, zoals altijd bij de Kruisbloemenfamilie, vier in getal, maar ze zijn zo diep ingesneden dat het lijkt alsof het er acht zijn. De bladeren zijn spatelvormig tot lancetvormig, behaard en met of zonder getande randen. Uit het centrum van de rozet ontstaan verscheidene stengeltjes, die ieder een bloeiwijze dragen. Zoals de naam al zegt is Vroegeling een van de vroegst bloeiende wilde plantjes; het is een vormenrijke soort die voorkomt in geheel Europa, in Noord-Amerika, Noord-Afrika en Noord-Azië. Bij ons algemeen (en soms massaal voorkomend) op open, zandige terreinen, langs wegen, in parken en in de duinen. Ook op veengrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wit hoefblad ; Petasites albus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_2609-m-wit-hoefblad

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de ronde tot kegelvormige trossen met witte tot geelwitte bloemhoofdjes en
– de vroege bloeiperiode

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wit hoefblad is geen inheemse plant. Ze behoort tot de stinsenplanten en komt oorspronkelijk uit de bergen van Midden-Europa en West-Azië, is hier te koop als sierplant en wordt aangeplant in parkbossen op schaduwrijke plaatsen met vochtige, voedselrijke grond, waar ze zich lang kan handhaven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wit hoefblad is een overblijvende, geurende plant. Ze wordt 5 tot 30 cm hoog en bloeit in februari en maart met (geel)witte ronde tot kegelvormige trossen, die bestaan uit een aantal bloemhoofdjes, die op hun beurt weer samengesteld zijn uit een aantal buisbloemen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Wit hoefblad is net als klein en groot hoefblad een naaktbloeier; de wortel-standige bladeren verschijnen aan het einde van de bloeiperiode. Ze zijn hartvormig, van onderen blijvend grijs-viltig en uitgegroeid tot 30 cm in doorsnee. Door de kruipende wortelstok breidt wit hoefblad zich uit en groeit ze in groepen.

 

 

petalbus5

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Groot en wit hoefblad lijken op elkaar. Beiden hebben een ronde tot kegelvormige bloeiwijze en opvallend grote bladeren, die pas na de bloei verschijnen. Ze verschillen in de kleur van de bloemen; groot hoefblad is roze, wit hoefblad is wit tot gelig. Daarnaast bloeit wit hoefblad eerder dan groot hoefblad.

 

 

groot hoefblad

 

 

 

groot hoefblad

 

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– voorkomend in parkbossen, soms
lang standhoudend
– 5 tot 30 cm

Bloem
– (geel)wit
– februari en maart
– ronde tot kegelvormige trossen
– buisbloem
– hoofdje circa 2,5 cm

Blad
– wortelstandig
– enkelvoudig
– top rond
– rand onregelmatig getand
– voet hartvormig
– hand- en netnervig

Stengel
– rechtop
– met bleke, smalle schutbladen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein hoefblad : Tussilago farfara

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

hoefbladklein-130406-120

 

 

 

Goed te herkennen aan


– de goudgele bloemhoofdjes met een straal van zeer veel smalle straalbloemen en

– de vroege bloei met alleen bloemhoofdjes, geen blad

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein hoefblad is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze is een echte pionierplant en groeit vooral op zonnige, vrij open plaatsen met omgewerkte, zeer voedselrijke, meestal kalkhoudende grond, waar nog weinig andere begroeiing is. De lange ondergrondse wortelstokken helpen de grond, als die de neiging heeft om-laag te glijden, goed op zijn plaats te houden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode begint vroeg in het voorjaar (soms al in februari). Ze bloeit met goudgele bloemenhoofdjes van 2-3 cm. De bloemstelen zijn 7 tot 15 cm hoog. De bloemenhoofdjes staan eerst rechtop, later knikkend. Na het rijpen van de zaden richten de hoofdjes zich weer op en groeien de bloemstelen uit tot ongeveer 30 cm. De bloe-menhoofdjes bestaan uit een straal van ongeveer 300 zeer smalle, vrouwelijke, draadvormige straalbloemen met in het hart 30 tot 40 mannelijke 5-slippige buisbloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Tijdens de bloei staan er groene of bruin- tot roodachtige, spinnenwebachtig behaarde, schubvormige blaadjes langs de wollig behaarde bloemsteel. De bladeren die na de bloei verschijnen zijn groen, (ei)rond tot hartvormig, gelobd en onregelmatig getand, wortelstandig en aan de onderkant blijvend wit viltig behaard. Aan de bovenkant zijn de bladeren spinnenwebachtig behaard, maar de beharing tussen de nerven verdwijnt later. De bladtanden zijn iets verdikt en bruin- tot zwartachtig. Vaak vertoont de hele bladrand een dergelijke kleur.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd klein hoefblad gebruikt als hoestdempend middel vanwege de rijkelijk aanwezige flavonoïden, slijm – en looistoffen. Inmiddels is bekend dat de plant ook pyrrolizidin-alkaloïden bevat, die de lever beschadigen en als kankerverwekkend worden beschouwd. Het gebruik van klein hoefblad is dan ook af te raden.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Evenals de andere hoefblad-soorten is ook klein hoefblad een naaktbloeier. Dat wil zeggen dat de bladeren zich pas na de bloei gaan ontwikkelen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

In de Lage Landen  komen 4 soorten hoefblad voor, die alle vier goed uit elkaar te houden zijn, zeker als je ze gezien hebt. Klein hoefblad is laag en heeft gele bloemen. Groot hoefblad heeft een kegelvormige, bleek-roze bloeiwijze. Japans en wit hoefblad lijken het meest op elkaar. Ze zijn het makkelijkst van elkaar te onderscheiden aan de hand van de schutbladen aan de bloeistengel; bij Japans hoefblad zijn die bladen duidelijk langer dan de bloeiwijze, bij wit hoefblad zijn ze korter.

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

Japans hoefblad

 

 

 

 

wit hoefblad

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 30 cm hoog

Bloem
– gele buisbloemen
– zeer smalle gele straalbloemen
– vanaf februari t/m april (mei)
– alleenstaand hoofdje
– 2 tot 3 cm

Blad
– stengelblad :
– enkelvoudig
– verspreid
– lancetvormig
– schubvormig
– groen of bruin- tot roodachtig
– voet halfstengelomvattend
– parallelnervig

– wortelstandig blad :
– enkelvoudig
– (ei)rond tot hartvormig
– 10 – 30 cm breed
– groen
– bovenkant spinnenwebachtig
behaard, later tussen de nerven kaal
– onderkant wit viltig behaard
– voet hartvormig
– gesteeld
– handnervig
– soms paars, rood, bont of gevlekt     gekleurd

Bloeistengel
– rechtop, later knikkend
– niet vertakt
– wollig behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

  

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

John Astria

John Astria

Hopklaver : Medicago lupulina

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de helder gele bloemhoofdjes met vlinderbloemen, die na de bloei afvallen en
– de vruchthoofdjes met niervormige vruchtjes, die van groen naar zwart verkleuren en
– het driedelige klaverblad, waarvan de deelblaadjes een spitsje hebben

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Hopklaver is eenjarig en zeer algemeen voorkomend. Ze groeit op vochtige tot droge, voedselrijke grond in gras-landen en bermen, ook op stenige plaatsen. Hopklaver wordt 7 tot 50 cm hoog.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf april tot in de herfst met helder gele bloemhoofdjes van 10 tot 50 (gewoonlijk 30 tot 40) bloemen. De bloemhoofdjes staan op een lange steel in de bladoksels, zijn eerst rond, later eirond. Na de bloei vallen de bruinachtig geworden bloemetjes af en worden vruchthoofdjes zichtbaar met niervormige vruchtjes, die eerst groen zijn en later bij rijpheid zwart worden.

 

 

 

 

 

Blad

 

De verspreid staande bladeren bestaan uit 3 deelblaadjes, die omgekeerd eirond, behaard en boven het midden het breedst zijn. Het topblaadje is langer gesteeld dat de twee andere.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Hopklaver is snelgroeiend en wordt daarom soms als veevoer gekweekt. Behalve als veevoer wordt ze ook uitge-zaaid als groenbemester, omdat ze met behulp van bacteriën stikstof in de bodem kan vastleggen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

hopklaver : 10-50 bloemig helder geel hoofdje, niervormige groene (later zwarte) vruchtjes, afvallende bloemen, vierkantige stengel.

 

kleine klaver : 3-15(-25) bloemig geel hoofdje, waarvan de bloemen na de bloei verkleuren naar geelbruin, niet afvallen maar gaan hangen, ronde stengel.

 

 

 

 

 

 

 

liggende klaver : 20-40 bloemig citroen- tot gouddeel hoofdje, waarvan de bloemen een duidelijk geplooide, brede vlag hebben, niet afvallen, kleurloos tot lichtbruin verkleuren, ronde stengel.

 

 

 

 

 

Algemeen

– vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 7 tot 50 cm

Bloem
– helder geel
– vanaf april tot in de herfst
– hoofdje, 4-8 mm
– vlinderbloem
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld handvormig
– deelblaadjes :
– omgekeerd eirond
– zeer kort gesteeld
– top iets gerand met spitsje
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig
– behaard

Stengel
– opstijgend of liggend
– behaard
– vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein kruiskruid : Senecio vulgaris

Standaard

kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de gele bloemhoofdjes zonder straalbloemen en
– de glanzende geveerde bladeren

 

.

 

.

 

Algemeen

 

Klein kruiskruid is zeer algemeen voorkomende eenjarige plant. Ze kan tot 50 cm hoog worden. Vooral omge-werkte grond heeft de voorkeur, maar ook tussen stoeptegels kom je klein kruiskruid tegen.

 

 

 

 

.

Bloem

 

Klein kruiskruid bloeit bijna het hele jaar, behalve bij strenge vorst, met kleine gele bloemhoofdjes, die meer hoog dan breed zijn met zwart gepunte omwindsel blaadjes. De bloemhoofdjes staan in losse pluimen aan het einde van de stengel. Ze bestaan uitsluitend uit gele buisbloemen, straalbloemen ontbreken. De hoofdjes blijven lang gesloten en gaan ook nooit erg ver open.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren van klein kruiskruid zijn glanzend groen.

 

 

 

.

 

Bijzonderheden

 

Voor de bestuiving zorgt de plant zelf. Dus ook bij ongunstig weer, wanneer het nog te koud is voor de insecten, produceert ze veel zaadjes. De zaden groeien in zeer korte tijd uit tot volwaardige planten. Ook die produceren weer opnieuw zaden, die door het vruchtpluis makkelijk door de wind verspreid worden. Al met al een plantje dat je niet snel uit je tuin krijgt.

 

 

 

.

 

Vergelijkbare soorten

 

boskruiskruid : heeft een aantal naar buiten omgerolde straalbloemen, sterk ruikend, niet kleverig.

kleverig kruiskruid : kleverig door talrijke klierharen.

 

 

boskruiskruid :

.

  •  heeft een aantal naar buiten omgerolde straalbloemen, sterk ruikend, niet kleverig.

 

.

 

Boskruiskruid Senetio sylvaticus 5

 

 

 

.

kleverig kruiskruid : 

.

  • kleverig door talrijke klierharen
  • De bovenkant van de bladeren is glanzend groen en enigszins behaard, soms ook kaal.
  • De omwindselblaadjes hebben een zwarte punt.
  • De buitenste (onderste) omwindselblaadjes zijn voor de helft zwart.
  • De hoofdjes bestaan enkel uit buisbloemen, straalbloemen ontbreken.

.

 


01191Kruiskruid klerverig bloem 1copy

 

 

.

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 7 tot 50 cm hoog

Bloem
– geel
– hele jaar, behalve bij strenge vorst
– hoofdje
– 1 cm lang, 4 à 5 mm breed
– buisbloemen
– omwindselbladeren zwarte top

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig
– veervormig ingesneden tot de helft
– top spits
– rand getand of gelobd
– voet onderste bladeren steelvormig   versmald
– voet bovenste al dan niet   stengelomvattend
– veernervig
– vlezig
– bovenkant glanzend
– kaal of gedeeltelijk spinnenwebachtig   behaard

Stengel
– rechtop
– licht behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

.

 

Boerenwormkruid : Tanacetum vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de talrijke gele schijfvormige bloemhoofdjes en
– de geveerde bladeren en
– de groei in grote pollen

 

 

.

.

 

Algemeen

 

Boerenwormkruid is een sterk ruikende, overblijvende plant van 60 tot 120 cm hoog. Ze vormt grote pollen door ondergrondse uitlopers. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen. Je vindt boerenwormkruid op vochtige tot droge, omgewerkte grond op dijken en in bermen, de uiterwaarden, langs spoorwegen en aan akkerranden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot en met september met gele bloemen, die schermvormige pluimen vormen aan het einde van de stengel.

 

 

.

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren doen wat denken aan varenbladeren. In het volle zonlicht richten zij zich plat naar het zuiden. Als ze gewreven worden geven ze een kruidige geur af. De stengel is enigszins verhout en bovenaan sterk vertakt.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Boerenwormkruid kent vele toepassingen. Zo is het een insecten werend middel en verjaagt onder andere vlie-gen, muggen, mieren en vlooien. Vroeger werd het bij mens en dier gebruikt als middel tegen wormen. Verder is ze zeer geschikt voor droogbloem boeketten, omdat de bloemen bij droging mooi hun gele kleur behouden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– vrij zeldzaam in het noordelijk   zeekleigebied
– 60 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juli t/m september
– hoofdje
– schermvormige pluim
– alleen buisbloemen
– 7 tot 13 mm
– omwindselblaadjes vliezig gerand

Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel afgebroken veerdelig
– top spits of toegespitst
– rand scherp gezaagd
– voet gevleugld
– veernervig
– bovenste niet gesteeld

Stengel
– rechtop
– enigszins verhout
– glad en kaal
– bovenaan vertakt
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

.

.

 

 

 

 

Vertakte leeuwentand : Leontodon autumnalis

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

 

Goed te herkennen aan
– de paardenbloem-achtige bloemhoofdjes, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant een brede rode streep hebben en
– de smalle eindslip van de bladeren en
– de vertakte, bladerloze bloeistengels, die onder het hoofdje iets verdikt zijn

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Vertakte leeuwentand is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant van 7 tot 45 cm hoog. Ze groeit op open plaatsen op vochtige, voedselrijke, soms brakke grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juli tot en met oktober. Ze bloeit met paardenbloem-achtige bloemhoofdjes van 2 tot 3,5 cm, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant een brede rode streep hebben. De bloem- hoofdjes zijn geel,  staan aan het einde van de kale of weinig behaarde stengel en zijstengels, en vormen samen een losse pluim. Onder het hoofdje is de bloeistengel iets verdikt. De overgang tussen stengel en omwindsel is geleidelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan in een rozet aan de voet van de stengel. Ze blijven ’s winters groen, zijn langwerpig tot lancetvormig, kaal tot weinig behaard en bochtig getand tot veervormig gedeeld met lange smalle eindslip. De overige slippen zijn eveneens smal en staan ver uit elkaar. De bladeren hoger aan de stengel (niet de bloei-stengel) zijn lijnvormig met gave rand. De bloeistengel heeft geen bladeren; wel vrij veel schubvormige bladeren vooral aan het bovenste gedeelte.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Vertakte leeuwentand lijkt veel op gewoon biggenkruid. Het duidelijkste verschil is de bladtop; bij gewoon biggenkruid is de top breed driehoekig, bij vertakte leeuwentand smal langwerpig. Daarnaast verschilt de kleur van de onderkant van de buitenste lintbloemen; bij gewoon biggenkruid zijn ze blauwachtig grijs, bij vertakte leeuwentand rood. Ruige en kleine leeuwentand hebben allebei knikkende knoppen en een onvertakte stengel. Vertakte leeuwentand behoort tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

gewoon biggenkruid

 

 

 

kleine leeuwentand

 

 

 

ruige leeuwentand

 

 

.

In totaal bestaat de groep uit 39 soorten. Ze zijn te verdelen in twee groepen :

 

– de groep met minimaal 2 volwaardige bladeren aan de bloeistengel; zie de pagina “Sleutel gele composieten met blad“.

– de groep met een kale bloeistengel of met hooguit 1 blad of een aantal schubvormige bladeren. Hiertoe behoort vertakte leeuwentand. Zie de pagina “Sleutel gele composieten zonder blad

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 7 tot 45 cm

Bloem
– gele lintbloemen
– vanaf juli t/m oktober
– hoofdjes in een pluim
– 2 tot 3,5 cm

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– veervormig gedeeld
– top stomp
– rand gaaf of bochtig getand
– voet steelachtig versmald
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal of weinig behaard
– rolrond en gegroefd
– vertakt

zie wilde bloemen

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

Wilde bertram : Achillea ptarmica

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

.

Goed te herkennen aan
– de losse bloemschermen met witte bloemhoofdjes en
– de smalle, lancetvormige bladeren met fijn gezaagde rand

 

 

 

.

 

Algemeen

 

Wilde bertram is een algemeen voorkomende overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog. Ze groeit op natte, meer of minder voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden, uiterwaarden, greppels en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot en met september met witte schermachtige bloeiwijzen. De bloemhoofdjes bestaan uit 8 tot 13 witte straalbloemen en in het hart talrijke 5-tandige geelachtig witte buisbloemen.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De wortel bevat een scherpe, maar lekker smakende stof en werd daarom vroeger gekauwd.

 

.

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Wilde bertram is het makkelijkst te onderscheiden van duizendblad door de bladvorm. Duizendblad heeft dubbel geveerde bladeren, terwijl wilde bertram ongedeelde bladeren (met gezaagde rand) heeft.
Daarnaast zijn de bloemhoofdjes van wilde bertram groter en hebben ze meer witte straalbloemen dan de bloemhoofdjes van duizendblad. Verder bestaan de bloemschermen van wilde bertram uit minder bloemhoofdjes, de schermen zijn minder compact.

 

 

duizendblad

 

 

 

duizendblad

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 30 tot 90 cm

Bloem
– witte straalbloemen
– geelachtig witte buisbloemen
– vanaf juli t/m september
– hoofdjes in losse schermen
– 12 tot 18 mm
– omwindselblaadjes viltig behaard

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gezaagd
– voet gevleugeld
– veernervig
– meestal kaal
– glanzend

Stengel
– rechtop
– bovenaan behaard en vertakt
– meerkantig

zie wildebloemen

 

 

 

.

 

 

 

 

Speerdistel : Cirsium vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de forse, helder roze tot lichtpaarse bloemhoofdjes met stekelig omwindsel en
– de vorm van de bladeren; ze lijken op een speer

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Een zeer algemeen voorkomende grote distel is speerdistel die wel 1,2 meter hoog kan worden. Het is een tweejarige plant. Het eerste jaar vormt zich een groot rozet van bladeren (zie laatste foto), die gelijk een spinnen- web behaard zijn. Het tweede jaar gaat ze de hoogte in en vormt bloemen en vruchten. De bladeren van het tweede jaar zijn ruw behaard. Speerdistel groeit op zonnige open plaatsen, zoals ruige bermen, weilanden en dijken. Ze wordt ook als sierplant gebruikt.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in juli en augustus. De bloemhoofdjes zijn helder roze tot lichtpaars, zelden wit. Ze zijn 3 tot 5 cm lang. De hoofdjes zijn net onder de buisbloemen iets ingesnoerd. Onder het hoofdje met buisbloemen zit het omwind- sel. De omwindselbladeren zijn stekelig en afstaand. De stuifmeelrijke bloemhoofdjes worden druk bezocht door insecten.

 

 

Speerdistel

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren lopen uit in lange puntige gele stekels, hebben een iets omgekrulde rand en lijken op een speer.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Speerdistel onderscheidt zich van de andere distels het meest door haar bladeren. Ook heeft de plant van alle distels de scherpste en grootste stekels. Zie “Sleutel distels” voor een compleet overzicht.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– tweejarig
– zeer algemeen voorkomend
– tot 120 cm hoog

Bloem
– helder roze tot lichtpaarse
buisbloemen
– juli en augustus
– hoofdje
– alleenstaand
– 3 tot 5 cm
– omwindselbladen stekelig, afstaand
en licht spinnenwebachtig behaard

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top stekelpuntig
– rand iets omgekruld en met stekels
van 0,5 cm lang
– voet aflopend
– veernervig
– bladeren tweede jaar bovenkant
ruw behaard
– rozetbladeren spinnenwebachtig
behaard

Stengel
– rechtop
– behaard en/of gestekeld
– rolrond of gevleugeld

zie wilde bloemen

 

 

 

.