Tagarchief: buisbloemen

Koninginnekruid : Eupatorium cannabinum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de wollige uitziende roze (zelden witte) bloemschermen en
– de 3-of 5-delige bladeren, die aan een hennepblad doen denken en
– het grote formaat van de plant

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Koninginnekruid, ook wel leverkruid genoemd, is een overblijvende plant van 50 tot 150 cm hoog, die zich het best thuis voelt op plaatsen waar veel organisch materiaal snel tot ontbinding overgaat, zoals natte tot vochtige grond aan waterkanten, in rietlanden, duinvalleien, moerasbossen en op kapvlakten. Ze is een zeer algemeen voorkomende plant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Koninginnekruid bloeit vanaf juli tot en met september met roze (zelden witte) bloemhoofdjes, die zeer talrijk zijn en bij elkaar staan in dicht vertakte schermen. Elke bloemhoofdje bestaat uit 4 tot 6 (meestal 5) aan de top klokvormige buisbloemen. De bloemschermen hebben een wollig uiterlijk en geuren scherp en aromatisch.

 

 

 

 

 

Bladeren

 

De forse, behaarde, vaak rood aangelopen stengels zijn bebladerd met 3- tot 5-delige bladeren, die aan een hennepblad doen denken, vandaar de soortnaam cannabinum. De bovenste bladeren zijn niet gedeeld.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Koninginnekruid is een bekende plant in de volksgeneeskunde. Ze bevordert de spijsvertering en verhoogt de activiteit van de galblaas. In grote dosis is de plant echter giftig.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend,
in het noorden zeldzaam
– 50 tot 150 cm hoog

Bloem
– roze (zelden witte) buisbloemen
– vanaf juli t/m september
– hoofdjes in schermvormige pluimen
– tot 5 mm

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– handvormig 3 – 5 delig
– bovenste bladeren niet gedeeld
– top spits
– rand gezaagd
– netnervig

Stengel
– rechtop
– alleen bovenaan kort vertakt
– vaak rood aangelopen
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bleekgele droogbloem : Gnaphalium luteo-album

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de witte viltige beharing van bladeren en stengels en
– de gele tot oranje bloemhoofdjes, die in dichte kluwens staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bleekgele droogbloem is een een- of tweejarige plant van 5 tot 30 (50) cm hoog die vrij algemeen voorkomend is.  Ze groeit op open, vochtige tot natte, kalk- en/of voedselrijke zandgrond, vooral in duinvalleien, op zandplaten en in afgravingen, ook op stenige plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bleekgele droogbloem bloeit vanaf juli tot en met oktober met bloemhoofdjes, die in dichte kluwens staan aan het einde van de hoofd- en zijstengels. De hoofdjes bestaan enkel uit gele tot oranje buisbloemen, ze hebben geen straalbloemen. Het omwindsel bestaat uit witte of gelige, droogvliezige, glanzende omwindselbladen. Dat maakt de plant aantrekkelijk in gedroogde vorm.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bladeren en stengels zijn wit viltig behaard, wat de plant beschermd tegen uitdroging door de zon. De onderste bladeren staan dicht op elkaar (het lijkt daardoor een rozet), zijn spatelvormig en hebben een stompe top. De bovenste bladeren staan verder uit elkaar, zijn lancetvormig en hebben een spitse top. Ze hebben allemaal een iets omgerolde rand.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

bosdroogbloem : kluwens in alle bladoksels, stengel en onderkant bladeren wit viltig.

 

 

 

 

 

moerasdroogbloem : minder viltig dan bleekgele droogbloem, omwindsel bruin of geelachtig, kluwens omgeven door bladeren, die minstens 4x langer zijn dan de kluwens.

 

 

 

 

 

 

bleekgele droogbloem : dicht witte viltige beharing, ook bovenkant van de bladeren, omwindsel wit tot gelig, kluwens van volledig uitgegroeide bloeistengels omgeven door hooguit 2 kleine blaadjes.

 

dwergviltkruid : en andere viltkruiden zijn evenals de droogbloemen viltig behaard, alleen hebben ze veel kleinere bladeren.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig of tweejarig
– vrij algemeen tot ontbrekend
– 5 tot 30 (50) cm

Bloem
– geel, oranjeachtig
– juli t/m oktober
– hoofdjes in kluwens
– buisvormig
– 5 mm
– omwindsel droogvliezig

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– spatelvormig
– top stomp
– bovenste :
– lancetvormigvormig
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet half stengelomvattend
– 1 nervig
– viltig behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– viltig behaard
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Canadese fijnstraal : Conyza canadensis (Erigeron canadensis)

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de vorm van de plant, lang en dun, en
– de zeer veel kleine bloemhoofdjes met aan de rand
korte witte straalbloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Canadese fijnstraal is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant, oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. In de 17e eeuw is de plant naar Europa gebracht en sindsdien over heel Europa verspreid. Het is een zeer sterk kruid, dat zelfs bestand is tegen chemische bestrijdingsmiddelen en daardoor moeilijk uit te roeien.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Canadese fijnstraal bloeit vanaf juli tot de herfst met talrijke hele kleine bloemhoofdjes, die in een sterk vertakte lange pluim staan. Elk hoofdje produceert veel vruchtjes met pluis, die zeer licht zijn en makkelijk door de wind verspreid worden.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De rechtopstaande, stevige stengel is dun behaard en vooral in de bovenste helft vertakt. De plant groeit op open, droge, voedselrijke, omgewerkte, zandige, braakliggende grond, ook tussen plaveisel en wordt tot 75 cm hoog. Ze kan op zeer voedselrijke plaatsen hoger worden.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Canadese fijnstraal kent veel toepassingen. In Noord-Amerika werd de plant door de indianen gebruikt tegen slangengif, menstruatiepijnen en puisten. Door de samentrekkende werking is het ook een goed middel bij diarree, bloedend tandvlees, aambeien, inwendige bloedingen, bloedende wonden en neusbloedingen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 20 tot 75 cm

Bloem
– korte witte straalbloemen
– gele buisbloemen
– vanaf juli tot de herfst
– lange pluimen
– 3 tot 5 mm breed
– omwindselbladeren geelgroen,
lijnvormig, vliezig, kaal of weinig
behaard

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn- of lancetvormig
– top spits
– rand gaaf of fijn getand
– 1-nervig
– gewimperd en verspreid behaard

Stengel
– rechtop
– bovenaan rijk vertakt
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moederkruid : Tanacetum parthenium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de margrietachtige bloemhoofdjes, ongeveer zo groot als een madeliefje en
– de geveerde, vaak geelgroene, tere bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moederkruid is een overblijvende, sterk aromatische plant van 30 tot 60 cm hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Europa. Ze is algemeen voorkomend, vooral in stedelijke gebieden. Ook wordt ze gekweekt als sierplant, dan vaak met gevulde bloemen. Ze groeit op open, vochtige, omgewerkte grond, vooral nabij bebouwing, ook op muren en komt algemeen voor, vooral in de stedelijke gebieden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met september. De op margrieten lijkende bloemhoofdjes van 1,5 tot 2,5 cm (ongeveer zo groot als of iets groter dan een madeliefje) hebben een geel hart van buisbloemen met aan de rand witte, omgekeerd eironde straalbloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De tere, veervormig ingesneden, vaak geelgroene bladeren staan verspreid aan de enigzins behaarde, bovenaan rijk vertakte stengels.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Als artsenijplant is moederkruid over heel Europa verspreid en vanuit (moes)tuinen verwilderd. Ze wordt al sinds de middeleeuwen gebruikt in de traditionele kruidengeneeskunde. Ze heeft een positieve invloed op het geestelijk welzijn en de bloedcirculatie.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Moederkruid heeft veel weg van de kamillesoorten. Ze is daarvan het makkelijkst te onderscheiden door haar bladeren. De bladeren van de kamillesoorten zijn fijn verdeeld en hebben smalle, lijnvormige slippen. Het blad van moederkruid is in omtrek driehoekig tot eirond en veervormig met gelobde slippen. Daarnaast zijn de witte straalbloemen van moederkruid omgekeerd eirond; die van kamille langwerpig.

 

 

kamille

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen
– 30 tot 60 cm

Bloem
– gele buisbloemen
– witte straalbloemen
– vanaf juni t/m september
– hoofdjes in losse tros
– 1,5 tot 2,5 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– enkel of dubbel geveerd
– top afgerond
– rand gezaagd
– voet gevleugeld
– veernervig

Stengel
– rechtop
– verspreid kort behaard
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Harig knopkruid : Galinsoga quadriradiata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de onopvallende bloemhoofdjes met meestal 5 ver uit elkaar staande, witte, drie-tandige straalbloemen en
– de met afstaande witte haren bedekte bloeiende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Harig knopkruid is een eenjarige plant van 20 tot 45 cm. Ze is zeer algemeen voor komend in de Lage Landen. Harig knopkruid groeit op open, vochtige tot droge, zandige grond langs akkers, in bermen, op braakliggende terreinen en in moestuinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Harig knopkruid bloeit vanaf juni tot in de herfst met kleine bloemhoofdjes, die bestaan uit gele buisbloemen en 0 tot 6, meestal 5 witte drie-tandige straalbloemen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Naast harig knopkruid is er ook kaal knopkruid. Er zitten tussen beide soorten wat subtiele verschillen in de bloemen, maar het meest opvallende verschil is de beharing van de bloeiende stengels. De bloeiende stengels van harig knopkruid zijn behaard met witte afstaande haren, terwijl die van kaal knopkruid niet of spaarzaam zijn behaard met aanliggende haren.

 

 

kaal knopkruid

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot zeldzaam
– 20 tot 45 cm

Bloem
– witte straalbloemen
– gele buisbloemen
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdje
– 8 mm

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gezaagd
– voet afgerond
– netnervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gele ganzenbloem : Glebionis segetum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de goudgele op gewone margriet lijkende bloemhoofdjes met
– breed vliezig gerande omwindselblaadjes en
– de vlezige, blauwgroene, onregelmatig getand/gespleten bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gele ganzenbloem is een eenjarige plant van 30 tot 60 cm hoog en komt plaatselijk algemeen voor in de Lage Landen. Ze groeit open, vochtige tot droge, voedselrijke, zandige, omgewerkte grond in akkers en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot de herfst met grote goudgele bloemhoofdjes, die een hart van gele buisbloemen en een rand van gele drie of zes-tandige straalbloemen hebben. De omwindselblaadjes zijn breed vliezig gerand.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren van gele ganzenbloem zijn iets vlezig, blauwgroen van kleur, grof getand tot veerspletig. De bovenste zijn half stengelomvattend, de onderste steelachtig versmald.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Binnen de groep composieten met gele buis- en gele straalbloemen zijn gele kamille en gele ganzenbloem de enige twee met naar verhouding korte brede straalbloemen. Ze zijn daaraan makkelijk te herkennen. Om gele kamille en gele ganzenbloem uit elkaar te kunnen houden kijk je naar het blad. Het blad van gele ganzenbloemen is iets kaal, vlezig, blauwgroen van kleur, grof getand tot veerspletig. Het blad van gele kamille is viltig behaard en veerdelig met gelobde tot diep ingesneden slippen.

 

 

gele kamille

 

 

 

gele kamille

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– plaatselijk algemeen tot zeer   zeldzaam
– 30 tot 60 cm

Bloem
– goudgeel
– vanaf juni tot de herfst
– bloemhoofdje
– buis- en straalbloemen
– 3,5 tot 6 cm
– omwindselblaadjes met vliezige rand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig of veervormig
ingesneden
– top spits
– rand grof getand tot
veerspletig met getande slippen
– veernervig
– vlezig
– blauwgroen
– bovenste half stengelomvattend
– onderste steelachtig versmald

Stengel
– rechtop, iets vertakt
– kaal
– rolrond, iets gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

gele ganzenbloem

 

 

 

 

 

Bezemkruiskruid : Senecio inaequidens

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-senecio_inaequidens

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele voor kruiskruid kenmerkende bloemhoofdjes en
– de lange, smalle, lijnvormige bladeren tot 5 (8) mm breed

 

 

img_7404-gr-bezemkruiskruid

 

 

 

Algemeen

 

Bezemkruiskruid is een sterk vertakte, overblijvende plant van 0,2 tot 1,10 meter hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Afrika. Met de aanvoer van wol is bezemkruiskruid in Europa terecht gekomen. Ondanks haar afkomst uit Zuid-Afrika kan ze goed tegen vorst.

Hoewel ze zich bijna een halve eeuw heeft gedragen als adventief plant, is ze nu ingeburgerd en algemeen voorkomend. Je vindt bezemkruiskruid langs spoorwegen, aan rivieroevers, in bermen (ook langs snelwegen), op omgewerkte grond en in de duinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bezemkruiskruid is rijk bloeiend vanaf juni tot en met december met helder gele bloemhoofdjes, die bestaan uit een hart van gele buisbloemen, omgeven door 10 tot 15 iets naar beneden gerichte, glanzende, gele straal- bloemen. De hoofdjes staan in een losse pluim.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De (half) stengelomvattende bladeren met geoorde voet zijn wat vlezig en smal, 2-5(-8) mm. De rand is gaaf tot getand. De stengel is sterk vertakt, aan de voet verhout en soms rood aangelopen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– sterk toenemend
– 20 tot 110 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m december
– hoofdje
– buis- en straalbloemen
– 18 tot 25 mm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top spits
– rand gaaf of getand
– voet geoord
– een-nervig
– (half)stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– soms rood aangelopen
– glad en kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

bezemkruiskruis-nof

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Gewone margriet : Leucanthemum vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-leucanthemum_vulgare_filigran_flower_2200px

 

 

Goed te herkennen aan
– grote “madeliefjes-achtige” bloemen op lange stelen met
– donker gerande, groene omwindselblaadjes

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewone margriet is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze groeit op op open, vochtige tot matig droge, voedselrijke, grazige grond in graslanden, bermen en op dijken. Ze wordt ook ingezaaid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Vanaf mei tot en met augustus zie je de opvallende bloemenhoofdjes van gewone margriet. De hoofdbloei valt in juni. De vlakke bloemenhoofdjes zijn 3 tot 6 cm breed en bestaan uit een geel hart van buisbloemen en een krans van witte straalbloemen. Ze staan op weinig of niet vertakte stengels, die 30 tot 60 cm hoog kunnen worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 30 tot 60 cm

Bloem
– vanaf mei t/m augustus
– gesteeld alleenstaand
– gele buisbloemen en
– witte straalbloemen
– 3 tot 6 cm
– omwindselblaadjes met zwarte of
bruine rand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste lang steelvormig versmald
– top stomp
– rand gekarteld
– voet aflopend
– netnervig

Stengel
– rechtop
– kaal of weinig behaard

zie wilde bloemen

 

 

gewone-margriet1

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

John Astria

Wit hoefblad ; Petasites albus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_2609-m-wit-hoefblad

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de ronde tot kegelvormige trossen met witte tot geelwitte bloemhoofdjes en
– de vroege bloeiperiode

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wit hoefblad is geen inheemse plant. Ze behoort tot de stinsenplanten en komt oorspronkelijk uit de bergen van Midden-Europa en West-Azië, is hier te koop als sierplant en wordt aangeplant in parkbossen op schaduwrijke plaatsen met vochtige, voedselrijke grond, waar ze zich lang kan handhaven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wit hoefblad is een overblijvende, geurende plant. Ze wordt 5 tot 30 cm hoog en bloeit in februari en maart met (geel)witte ronde tot kegelvormige trossen, die bestaan uit een aantal bloemhoofdjes, die op hun beurt weer samengesteld zijn uit een aantal buisbloemen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Wit hoefblad is net als klein en groot hoefblad een naaktbloeier; de wortel-standige bladeren verschijnen aan het einde van de bloeiperiode. Ze zijn hartvormig, van onderen blijvend grijs-viltig en uitgegroeid tot 30 cm in doorsnee. Door de kruipende wortelstok breidt wit hoefblad zich uit en groeit ze in groepen.

 

 

petalbus5

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Groot en wit hoefblad lijken op elkaar. Beiden hebben een ronde tot kegelvormige bloeiwijze en opvallend grote bladeren, die pas na de bloei verschijnen. Ze verschillen in de kleur van de bloemen; groot hoefblad is roze, wit hoefblad is wit tot gelig. Daarnaast bloeit wit hoefblad eerder dan groot hoefblad.

 

 

groot hoefblad

 

 

 

groot hoefblad

 

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– voorkomend in parkbossen, soms
lang standhoudend
– 5 tot 30 cm

Bloem
– (geel)wit
– februari en maart
– ronde tot kegelvormige trossen
– buisbloem
– hoofdje circa 2,5 cm

Blad
– wortelstandig
– enkelvoudig
– top rond
– rand onregelmatig getand
– voet hartvormig
– hand- en netnervig

Stengel
– rechtop
– met bleke, smalle schutbladen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein hoefblad : Tussilago farfara

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

hoefbladklein-130406-120

 

 

 

Goed te herkennen aan


– de goudgele bloemhoofdjes met een straal van zeer veel smalle straalbloemen en

– de vroege bloei met alleen bloemhoofdjes, geen blad

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein hoefblad is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze is een echte pionierplant en groeit vooral op zonnige, vrij open plaatsen met omgewerkte, zeer voedselrijke, meestal kalkhoudende grond, waar nog weinig andere begroeiing is. De lange ondergrondse wortelstokken helpen de grond, als die de neiging heeft om-laag te glijden, goed op zijn plaats te houden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode begint vroeg in het voorjaar (soms al in februari). Ze bloeit met goudgele bloemenhoofdjes van 2-3 cm. De bloemstelen zijn 7 tot 15 cm hoog. De bloemenhoofdjes staan eerst rechtop, later knikkend. Na het rijpen van de zaden richten de hoofdjes zich weer op en groeien de bloemstelen uit tot ongeveer 30 cm. De bloe-menhoofdjes bestaan uit een straal van ongeveer 300 zeer smalle, vrouwelijke, draadvormige straalbloemen met in het hart 30 tot 40 mannelijke 5-slippige buisbloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Tijdens de bloei staan er groene of bruin- tot roodachtige, spinnenwebachtig behaarde, schubvormige blaadjes langs de wollig behaarde bloemsteel. De bladeren die na de bloei verschijnen zijn groen, (ei)rond tot hartvormig, gelobd en onregelmatig getand, wortelstandig en aan de onderkant blijvend wit viltig behaard. Aan de bovenkant zijn de bladeren spinnenwebachtig behaard, maar de beharing tussen de nerven verdwijnt later. De bladtanden zijn iets verdikt en bruin- tot zwartachtig. Vaak vertoont de hele bladrand een dergelijke kleur.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd klein hoefblad gebruikt als hoestdempend middel vanwege de rijkelijk aanwezige flavonoïden, slijm – en looistoffen. Inmiddels is bekend dat de plant ook pyrrolizidin-alkaloïden bevat, die de lever beschadigen en als kankerverwekkend worden beschouwd. Het gebruik van klein hoefblad is dan ook af te raden.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Evenals de andere hoefblad-soorten is ook klein hoefblad een naaktbloeier. Dat wil zeggen dat de bladeren zich pas na de bloei gaan ontwikkelen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

In de Lage Landen  komen 4 soorten hoefblad voor, die alle vier goed uit elkaar te houden zijn, zeker als je ze gezien hebt. Klein hoefblad is laag en heeft gele bloemen. Groot hoefblad heeft een kegelvormige, bleek-roze bloeiwijze. Japans en wit hoefblad lijken het meest op elkaar. Ze zijn het makkelijkst van elkaar te onderscheiden aan de hand van de schutbladen aan de bloeistengel; bij Japans hoefblad zijn die bladen duidelijk langer dan de bloeiwijze, bij wit hoefblad zijn ze korter.

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

Japans hoefblad

 

 

 

 

wit hoefblad

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 30 cm hoog

Bloem
– gele buisbloemen
– zeer smalle gele straalbloemen
– vanaf februari t/m april (mei)
– alleenstaand hoofdje
– 2 tot 3 cm

Blad
– stengelblad :
– enkelvoudig
– verspreid
– lancetvormig
– schubvormig
– groen of bruin- tot roodachtig
– voet halfstengelomvattend
– parallelnervig

– wortelstandig blad :
– enkelvoudig
– (ei)rond tot hartvormig
– 10 – 30 cm breed
– groen
– bovenkant spinnenwebachtig
behaard, later tussen de nerven kaal
– onderkant wit viltig behaard
– voet hartvormig
– gesteeld
– handnervig
– soms paars, rood, bont of gevlekt     gekleurd

Bloeistengel
– rechtop, later knikkend
– niet vertakt
– wollig behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

  

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

John Astria

John Astria