Tagarchief: lichtpaars

Watermunt : Mentha aquatica

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
de bolvormige bloeiwijze van lichtpaarse bloemetjes aan het einde van de stengel

 

.

 

.

 

Algemeen

 

Watermunt is een overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog, die zeer algemeen voorkomt op natte, voedselrijke tot brakke grond aan waterkanten en sloten, moerassen, riet- en blauwgrasland, duinvalleien en lichte loofbossen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit van juli tot in de herfst met lichtpaarse bloemetjes, die in bolvormige bloeiwijze (schijnkransen vervormd tot bundel) aan de top van de stengel staan. Meestal staan daar onder nog 1 of 2 schijnkransen of bloeiende zijtakjes in de bladoksels. De meeldraden steken buiten de bloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel en bladeren zijn soms bruinrood gekleurd. Als je over het blad wrijft, ruik je de heerlijke muntgeur.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Watermunt is zowel vers als gedroogd te gebruiken. Ze is goed te gebruiken bij spijsverteringsproblemen, ver-koudheid en zwangerschapsmisselijkheid. Je kunt er een heerlijke thee maken.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

akkermunt : heeft geen bloeiwijze aan de stengeltop.

polei : nauwelijks behaard, geen bloeiwijze aan de top, staat op de rode lijst.

kransmunt : (kruising akkermunt-watermunt, lijkt het meest op watermunt) de meeldraden steken niet buiten de bloem

 

 

.

akkermunt

 

.

 

polei

.

 

 

kransmunt

 

 

 

 

Algemeen

 

– lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 30 tot 90 hoog
– tolerant voor brak/zout water

Bloem
– lichtpaars
– vanaf juli tot in de herfst
– schijnkrans of bundel
– lipbloem
– 4 tot 7 mm
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gezaagd tot gekarteld
– voet afgerond of wigvormig
– veernervig
– behaard
– muntgeur bij kneuzen

Stengel
– rechtop of stijgend
– behaard
– scherp vierkant

zie wilde bloemen

.

 

.

.

 

 

 

.

 

Ruig klokje : Campanula trachelium

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de grote, lichtpaarse klokjes met lange, witte, stijve haren aan de binnenkant van de bloemkroon

 

 

 

.

 

Algemeen

 

Ruig klokje is een overblijvende, ruw behaarde plant van 60 tot 90 cm hoog. Ze groeit op vochtige, vaak kalk- houdende grond in lichte loofbossen, tussen hakhout en op beschaduwde beekoevers. Ze komt plaatselijk vrij algemeen voor in de Lage Landen. Ze wordt ook aangeboden als tuinplant. Ruig klokje is wettelijk beschermd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ruig klokje bloeit in juli en augustus met grote lichtpaarse, zelden witte, klokvormige bloemen. De binnenkant van de bloemkroon is behaard met lange, witte, stijve haren. De bloemen staan in de bladoksels, alleen of met 2 of 3. Ze staan eerst rechtop, later gaan ze recht afstaan of iets hangen. Samen vormen ze bebladerde, rijk-bloemige trossen.

 

 

ruig klokje : wit

 

 

 

Blad en stengel

 

De stevige, niet of weinig vertakte stengels staan rechtop, zijn scherpkantig, vaak rood aangelopen, ruw behaard en rijk bebladerd. De onderste bladeren zijn eivormig en gesteeld, de bovenste zijn langwerpig en kort gesteeld of zittend. Alle bladeren zijn aan de onderkant lichter van kleur, ruw behaard, hebben een spitse top en een onregelmatig gezaagde/getande rand.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

In de Lage Landen  komen 12 klokjes (Campanula) voor. Veel daarvan zijn ook als tuinplant te koop. Ruig klokje heeft samen met prachtklokje en breed klokje de grootste bloemen. Om de verschillende klokjes van elkaar te kunnen onderscheiden zie de pagina “Sleutel klokjes“.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– klokjesfamilie (Campanulaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot ontbrekend
– beschermd
– ook als tuinplant
– 60 tot 90 cm

Bloem
– lichtpaars, zelden wit
– juli en augustus
– tros
– klokvormig
– (2,5) 3 tot 5 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid en aan de
binnenkant lange, witte, stijve haren
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– eivormig
– lang gesteeld
– hartvormige voet
– bovenste :
– langwerpig
– kortgesteeld tot zittend
– aflopende voet
– top spits
– rand onregelmatg gezaagd/getand
– netnervig
– onderkant lichter van kleur
– stijf behaard

Stengel
– rechtop
– stijf behaard
– vaak rood aangelopen
– scherpkantig

zie wilde bloemen

.