Tagarchief: loofbossen

Drienerfmuur

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_3975-gr-drienerfmuur

 

 

Goed te herkennen aan
– de onopvallende, kleine, witte, stervormige bloemetjes, waarvan
– de spitse kelkbladen duidelijk groter zijn dan de kroonbladen en
– de smal eironde, spitse bladeren met 3 nerven, soms 5

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Drienerfmuur is een eenjarige plant van 15 tot 30 cm. Ze is algemeen voorkomend in Europa en Azië. Drienerfmuur groeit op droge, matig voedselarme grond in loofbossen en onder struikgewas. Ze groeit in pollen.

 

 

578281752

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot in de herfst met onopvallende, kleine, witte bloemetjes. De ronde kroonbladen zijn duidelijk kleiner dan de spitse kelkbladen, die een vliezige, behaarde rand hebben.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn smal eirond met spitse punt en gewimperde, gave rand. Ze hebben 3 (soms 5) duidelijke, parallel lopende nerven, waaraan de plant haar naam dankt. De behaarde, sterk vertakte stengels zijn slap, liggend en aan de top opstijgend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 30 cm

Bloem
– wit
– vanaf mei tot in de herfst
– alleenstaand
– 4 tot 7 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– smal eirond
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– parallelnervig
– onderste gesteeld
– bovenste zittend

Stengel
– liggend en opstijgend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

266px-illustration_moehringia_trinervia0

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Gele anemoon ; Anemone ranunculoides

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen 

 

 

 

anemone-ranunculoides-gele-anemoon-02

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele, “anemoonachtige” bloemen met 5 aan de buitenkant behaarde bloemdekbladen en
– de drie, in slippen verdeelde, kort gesteelde, kransstandige stengelbladeren en
– de vroege bloeiperiode

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gele anemoon is een overblijvende plant van 15 tot 25 cm hoog, die groeit op vochtige, voedselrijke, vaak kalkhoudende grond in loofbossen, bermen en op dijken, na kap lang standhoudend. Ze is zeer zeldzaam in de Lage Landen. Ze wordt aangeplant als stinsenplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Gele anemoon bloeit vanaf maart tot en met mei. De bloemen zijn alleenstaand of staan met 2 of 3 bij elkaar en hebben 5 (soms tot 8) gele, eironde bloemdekbladen, die aan de buitenkant behaard zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De drie, in een krans staande, kort gesteelde stengelbladeren zijn elk bijna tot aan de voet gedeeld in drie slippen met grof gezaagde rand. Gele anemoon heeft een kruipende wortelstok, waardoor ze in groepen groeit.

 

 

 

 

 

 

veenendaal-044

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Gele anemoon is van de andere anemoon-soorten, zoals bosanemoon, blauwe anemoon en Oosterse anemoon, te onderscheiden door haar kleur.

Andere planten met gelijksoortige bloemen (qua kleur en vorm) zijn :

gewone dotterbloem > grotere bloemen, 6 (of meer) bloemdekbladen, groeit (meestal) aan het water.

boterbloemsoorten > bloemen met kelkbladen en rondere kroonbladen.

 

 

gewone dotterbloem

 

 

 

gewone boterbloem

 

 

 

Algemeen

 

– ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam of als stinsenplant
– 15 tot 25 cm

Bloem
– geel
– vanaf maart t/m mei
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 1,5 tot 2 cm
– 5 (soms tot 8) bloemdekbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– kransstandig
– enkelvoudig
– kort gesteeld
– handvormig ingesneden
– top spits
– rand grof gezaagd
– behaard

Stengel
– rechtop
– bloemsteel behaard
– steel wortelbladeren kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

John Astria

John Astria

Bosanemoon ; Anemone nemorosa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bosanemoon200406

 

 

Goed te herkennen aan
– de van binnen zuiver witte bloemen
– met meestal 6, doorzichtig geaderde bloemdekbladen en
– de drie handgedeelde bladeren onder de bloem

 

 

bosanemoon_02

 

 

 

Algemeen

 

Bosanemoon is een overblijvende plant van 5 tot 25 cm hoog, die algemeen voorkomt in het oosten en midden van het land, elders als stinsenplant.  Ze heeft een kruipende wortelstok, waardoor ze grote bestanden kan vormen. Ze groeit vooral in loofbossen, maar je kunt haar ook tegenkomen langs sloten en in grasland.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bosanemoon bloeit vanaf maart tot en met mei met witte bloemen, die ’s nachts en bij koud weer gesloten blijven. De halfknikkende tot rechtopstaande bloemen zijn meestal alleenstaand, hebben 6 tot 8 bloemdekblaadjes, die aan de onderkant vaak roze tot paars aangelopen zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– ook als stinsenplant
– 5 tot 25 cm

Bloem
– wit
– vanaf maart t/m mei
– alleenstaand
– stervormig
– 2 tot 4 cm
– 6 tot 8 bloemdekbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– kransstandig
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– top spits
– rand grof gezaagd
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

John Astria

John Astria

Gevlekt longkruid ; Pulmonaria officinalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

266px-pulmonaria_officinalis_gevlekt_longkruid

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de verschillend gekleurde bloemen en
– de gevlekte behaarde bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gevlekt longkruid is een overblijvende plant, die alleen in Zuid-Limburg in het wild voorkomt. Daar is ze zeldzaam. Elders in de Lage Landen is ze verwilderd vanuit tuinen (via tuinafval) of als stinsenplant aangeplant.
Ze groeit op vochtige, voedselrijke, lemige grond in loofbossen en op buitenplaatsen. De plant wordt 10 tot 30 cm hoog, is ruw behaard en groeit in pollen.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Gevlekt longkruid bloeit vanaf maart tot en met mei. Aanvankelijk zijn de bloemen roze, later verkleuren ze naar blauw-paars.

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De wortelbladeren verschijnen later en zijn lang gesteeld, de kleinere stengelbladeren zijn kort of niet gesteeld. Alle bladeren zijn licht gevlekt. De wortelstandige bladeren zijn in de winter blijvend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd gevlekt longkruid beschouwd als een geneeskrachtige plant. Ze zou helpen tegen longziektes.
In de volksgeneeskunde wordt gevlekt longkruid gebruikt bij diarree en voor de verzorging van wonden.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam
– 10 tot 30 cm

Bloem
– roze tot blauw-paars
– vanaf maart t/m mei
– schicht
– trechtervormig
– 10 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond
– top toegespits
– rand gaaf
– veernervig
– licht gevlekt
– behaard
– wortelbladeren :
– lang gesteeld
– hartvormige voet
– stengelbladeren :
– kort of niet gesteeld
– voet half stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

John Astria

John Astria

Grote muur : Stellaria holostea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

stellaria holostea-grote muur-02

 

 

 

Goed te herkennen aan

– de opvallende grote witte bloemen met vijf tot het midden gespleten kroonbladen en drie stijlen
– de ruw behaarde stengel, bladrand en middennerf

 

 

 

266px-Stellaria_holostea_Grote_muur_(2)

 

 

 

Algemeen

 

Grote muur is een overblijvende plant, die bloeit vanaf april tot en met juni. Ze groeit in loofbossen, langs heggen en bosranden en in beschaduwde bermen op vochtige tot vrij droge, matig voedselrijke grond en wordt 15 tot 50 cm hoog. Ze vormt grote bestanden. Grote muur is een plant van loofbossen en heggen. Ze groeit daar voorna-melijk in de bosrand en in wegbermen in de buurt van de bossen. De plant komt voor in Europa, Noord-Afrika en West-Azië.  Ze komt vrij algemeen voor in de Lage landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemen hebben vijf tot het midden gespleten witte kroonbladen, die twee maal zo lang zijn als de kelkbla-den.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is vrij slap, maar met de afstaande stijve bladeren zoekt de plant steun bij andere planten. De stengel, de rand van het blad  en de onderkant van de middennerf zijn ruw behaard.

 

 

Close-up opname van bloemen van Grote muur op een houtwal in Twente.

 

 

 

Bijzonderheden

 

Vroeger werd sap geperst van grote muur gebruikt bij oogaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot ontbrekend
– 15 tot 50 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– bijscherm
– stervormig
– 1,5 tot 3 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet gevleugeld
– 1-nervig
– niet gesteeld

Stengel
– opstijgend
– behaard
– scherp vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-extragr-grote muur

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Pinksterbloem : Cardamine pratensis

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de trossen zacht lila bloemen in het vroege voorjaar

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Pinksterbloem is een overblijvende, zeer algemeen voorkomende plant van 15 tot 50 cm hoog. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond in graslanden, loofbossen, moerassen en op drijftillen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Pinksterbloem bloeit vanaf april tot en met juni met zacht lila tot witte, donker geaderde bloemen. Het toppunt van de bloei ligt meestal eind april, dus ruim voor Pinksteren. De bloemen staan aan het einde van de stengel in een trosje. In de nacht en als het regent buigen de stengels zich en sluiten de bloemen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De onderste bladeren vormen een rozet. Alle bladeren zijn oneven geveerd. De deelblaadjes van de onderste bla-deren zijn hartvormig tot eirond. Naar boven toe worden de deelblaadjes steeds smaller, totdat ze uiteindelijk bijna lijnvormig zijn.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Pinksterbloemen worden door veel insecten bezocht, maar met name voor de oranjetip is de pinksterbloem een waardevolle plant. De vlinder haalt er nectar uit, zet haar eitjes af op de stengel, de rupsen voeden zich met de zaden en brengen de winter door als pop aan de voet van de plant. Zodra de pinksterbloemen gaan bloeien ver-schijnen ook de eerste vlinders. Op pinksterbloemen zie je vaak schuimvlokken zitten. Die worden gevormd door de larven van schuimcicaden (spuugbeestjes), die sappen uit de plant zuigen.

 

 

oranjetip op pinksterbloem

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 15 tot 50 cm hoog

Bloem
– zacht lila tot wit
– vanaf april t/m juni
– tros
– 8 tot 18 mm
– stervormig
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet en verspreid
– veervormig oneven samengesteld
– top stomp
– rand gaaf, zelden getand
– veernervig

Stengel
– rechtop
– niet of alleen vanaf het midden   vertakt
– glad en kaal
– rolrond, soms iets kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oosterse sterhyacint : Scilla siberica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– blauwe (zelden witte), knikkende, 6-tallige bloemen en
– de vroege bloei

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Oosterse sterhyacint is een bolgewas, oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Europa en Klein-Azië. Ze is zeldzaam en groeit op voedselrijke grond in loofbossen, vooral op buitenplaatsen. Ze behoort tot de stinsenplanten en is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Oosterse sterhyacint bloeit in maart en april met blauwe, stervormige, knikkende bloemen, die alleen of met 2 tot 5, bij elkaar in een eenzijdige tros aan het einde van de stengel staan. De bloemen hebben 6 bloemdekbladen (geen aparte kroon- en kelkbladen), die vanaf de basis uiteen wijken en in het midden een donkere streep heb-ben. De bloemen van grote en kleine sneeuwroem zijn ook blauw en stervormig, maar de bloemdekbladen van die bloemen zijn aan de basis een klein stukje met elkaar vergroeid. Dat is goed zichtbaar aan de achterkant van de bloem.

 

 

 

 

 

Blad

 

Oosterse sterhyacint heeft 2 tot 4 breed lijnvormige bladeren met een gekapte spitse top. Na de bloei groeien de bladeren nog verder uit.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Er zijn meerdere vroeg bloeiende bolgewassen met blauwe, stervormige bloemen, zoals grote en kleine sneeuwroem en vroege sterhyacint.

 

oosterse sterhyacint : bloemdek niet vergroeid, knikkende bloemen en bloemstelen korter dan de doorsnede van de bloem

 

vroege sterhyacint : bloemdek niet vergroeid, rechtopstaande bloemen en bloemstelen langer dan de doorsnede vd bloem

 

 

 

 

 

 

 

grote sneeuwroem : bloemdek vergroeid, doorsnede van de bloemen 20-35 mm, groot wit hart

 

 

 

 

 

 

 

kleine sneeuwroem : bloemdek vergroeid, doorsnede van de bloemen tot 12 mm, klein bleekblauw of wit hart

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– aspergefamilie (Asparagaceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– ook als tuinplant
– 10 tot 25 cm

Bloem
– blauw, zelden wit
– maart en april
– tros
– stervormig
– 6 tot 14 mm
– 6 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– bolstandig
– enkelvoudig
– breed lijnvormig
– top gekapt, spits
– rand gaaf
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Look-zonder-look : Alliaria petiolata (Alliaria officinalis)

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– trossen 4-tallige witte bloemetjes en
– de uien- of knoflookgeur, die vrijkomt als de bladeren gewreven of gekneusd worden

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Look-zonder-look is een tweejarige plant. Ze komt zeer algemeen voor in de Lage Landen. Ze heeft een voorkeur voor vochtige, zeer voedselrijke, meestal zandige grond op half beschaduwde plaatsen in loofbossen en langs beken. Het eerste jaar wordt een rozet van lang gesteelde niervormige bladeren gevormd. Het tweede jaar gaat de plant vanaf april tot en met juni bloeien met witte bloemetjes en kan dan tot 90 cm hoog worden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemetjes staan in trossen aan het einde van de stengel en in de bladoksels. Ze hebben 4 groene kelkbladen met witte rand, die vrij snel afvallen. Naarmate de bloei vordert vormt de plant een langgerekte tros met van bo-ven naar beneden de knoppen, bloemen, jonge vruchten en rijpe vruchten. Deze bloeiwijze is kenmerkend voor de kruisbloemenfamilie, waartoe look-zonder-look behoort.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn gesteeld en frisgroen van kleur. Als je het blad wrijft of kneust dan ruik je een uien- of knoflook-geur. Ook de zaden en wortels verspreiden deze geur. En dat is dan ook de enige overeenkomst met look, van-daar de naam.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

In de keuken is look-zonder-look goed te gebruiken; alle delen van de plant bevatten knoflook- en mosterdolie.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– tweejarig
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 15 tot 90 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– tros
– 8 tot 12 (18) mm
– stervormig
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid, eerste jaar rozet
– enkelvoudig
– rozetbladeren :
– niervormig
– grof gekarteld
– stengelbladeren :
– hartvormig
– onregelmatig getand
– netnervig
– bij wrijving of kneuzing geurend

Stengel
– rechtop
– niet vertakt
– rond met lengteribbels

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kruishyacint : Hyacinthoides x massartiana

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
de tros met meestal meer dan 12 blauw-paarse, witte of roze, breed klokvormige, hangende, redelijk grote bloemen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Aangenomen mag worden dat wilde hyacint in haar zuivere vorm niet meer in de Lage Landen voor- komt. De op wilde hyacint lijkende exemplaren zijn ontstaan door kruising van wilde hyacint (Hyancinthoides non-scripta) en Spaanse hyacint (Hyacinthoides hispanica) en worden kruishyacint genoemd (Hyacinthoides x massartiana). Zowel Spaanse als kruishyacint zijn te koop als tuinplant.

Kruishyacint groeit op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen. Ze komt vrij algemeen voor langs de binnen-duinrand. Elders is ze zeldzaam. Ze bloeit vanaf half april tot begin mei en wordt 15 tot 50 cm hoog. Kruishyacint behoort tot de stinsenplanten.

 

 

Spaanse hyacint

 

 

 

Vergelijkbare soorten
  wilde hyacint
– 6 tot 12 bloemen in eenzijdige trossen, aangenaam geurend
– meeldraden en helmknoppen roomkleurig
– voornamelijk blauw-paars
– top van de tros gebogen
– bladeren tot 10 mm breed
– smal klokvormig, einde van de bloemdekbladen   teruggeslagen
  kruishyacint
– meer dan 12 bloemen aan alle kanten van de tros, reukloos
– meeldraden en helmknoppen roomkleurig of in de bloemkleur
– blauw-paars, wit of roze
– top van de tros recht
– bladeren tot 15 mm breed, soms nog breder
– wijd klokvormig, einde van de bloemdekbladen uitstaand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

wilde hyacint

 

 

wilde hyacint

 

 

 

Algemeen

 

– aspergefamilie (Asparagaceae)
– overblijvend, bolgewas
– vrij algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 50 cm

Bloem
– blauw-paars, roze of wit
– april en mei
– tros
– breed klokvormig
– 12 tot 20 mm lang
– 6 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top stomp
– rand gaaf
– voet afgerond of wigvormig
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone smeerwortel : Symphytum officinale

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de omlaag hangende opgerolde bloeiwijze aan het einde van de stengels en zijstengels en
– de ruw behaarde bladeren en stengels

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewone smeerwortel is een overblijvende plant, die zeer algemeen voorkomt in de Lage Landen. Ze groeit op zonnige tot licht beschaduwde, vochtig tot natte, voedselrijke grond in wegbermen, loofbossen, slootkanten en op dijken.

.

 

 

.

 

Bloem

 

Gewone smeerwortel bloeit vanaf eind april tot en met augustus met witte, roze, lila of paarse bloemen. De bloe-men hangen aan korte stelen in paren omlaag zoals de staart van een schorpioen.

.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel, bladeren en kelkbladen zijn behaard, waardoor de plant ruw aanvoelt. De onderste bladeren zijn ge-steeld, groter en breder dan de hogere. De achterkant van de bladeren is geaderd.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Smeerwortel is een geneeskrachtige plant. De Grieken en Romeinen maakten hier al melding van. De soort-aanduiding ‘officinale’ geeft aan dat de plant gebruikt wordt voor medicinale doeleinden. De plant wordt uit-sluitend uitwendig toegepast, in de vorm van omslagen bij botbreuken, wonden, en gewrichtsontstekingen. On-derzoek heeft aangetoond dat de allantoïne uit de wortel de heling van wonden bevordert.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend, vrij zeldzaam
op de Waddeneilanden
– 30 tot 100 cm

Bloem
– paars, lila, roze of (room)wit
– vanaf eind april t/m augustus
– schicht
– buisvormig
– 12 tot 16 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig, onderste eirond tot   langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet aflopend
– netnervig
– ruw behaard
– onderkant geaderd
– onderste bladeren gesteeld

Stengel
– rechtop
– ruw behaard
– gevleugeld

zie wildebloemen