Tagarchief: augustus

Bosveldkers : Cardamine flexuosa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes met (meestal) 6 meeldraden en
– de bochtige, behaarde stengel met 6-9 blaadjes en
– de 15 tot 25 mm lange vruchten die niet of nauwelijks boven de bloemen uitkomen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bosveldkers is een eenjarige (soms overblijvend) plant, die 5 tot 40 cm hoog kan worden. Ze groeit op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen, langs greppels en beekjes. Ze is plaatselijk algemeen voorkomend.

 

 

.

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf april tot en met augustus met kleine witte bloemetjes, die aan de top van de stengel in een tros van zes tot vijfentwintig bloemen staan.

 

 

.

 

 

Blad en stengel

 

Bosveldkers vormt meestal veel-stengelige polletjes. De stengels zijn bochtig, behaard en hebben 5 tot 9 verspreid staande oneven geveerde bladeren. De deelblaadjes van de onderste bladeren zijn rond tot eirond, die van de bovenste bladeren zijn smaller.

 

 

 

.

 

Vergelijkbare soorten veldkers

 

bosveldkers : vruchten komen niet of nauwelijks boven de bloemen uit, 6 meeldraden per bloem, bochtige behaarde stengel.

kleine veldkers : vruchten steken ruim boven de bloemen uit, 4 meeldraden per bloem, meestal niet behaarde stengel met 2 tot 4 bladeren.

bittere veldkers : veel grotere bloemen (ongeveer als pinksterbloemen) met paars-rode helmknoppen.

springzaadveldkers : bladstelen met oortjes.

 

.

kleine veldkers

 

 

 

bittere veldkers

 

 

 

springzaadveldkers

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig, soms overblijvend
– plaatselijk algemeen voorkomend
– 5 tot 40 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m augustus
– tros
– stervormig
– 5 tot 8 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top spits of stomp
– rand gekarteld of getand
– voet scheef of afgerond of wigvormig
– veernervig
– bovenkant verspreid behaard

Stengel
– rechtop
– bochtig
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

.

.

 

Smalle aster : Aster lanceolatus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de op madeliefjes lijkende, witte of zacht lila bloemhoofdjes
– in een pluim-vormige bloeiwijze
– aan struik-vormige, grote bestanden vormende plant

 

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Smalle aster is een uit Noord-Amerika afkomstige aster, die als sierplant in Europa is ingevoerd. Tegenwoordig zie je haar meer in het wild dan in siertuinen en daarom wordt ze als ingeburgerd beschouwd. Ze is plaatselijk al-gemeen voor komend in de Lage landen. Door ondergrondse uitlopers kan smalle aster zich in korte tijd sterk uitbreiden en groeit daardoor vaak in grote bestanden. Ze wordt 50 tot 120 cm hoog en groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond aan rivier- en kanaaloevers, en langs spoorwegen.

.

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf augustus tot en met oktober. De hoofdjes staan in een pluim-vormige bloeiwijze. Ze hebben witte of licht lila gekleurde straalbloemen en in het hart gele buisbloemen. Van oudere bloemhoofdjes worden de buisbloemen rozerood.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn langwerpig, verwijderd scherp gezaagd en hebben een aflopende, soms iets geoorde voet. Ze zijn niet half stengelomvattend, zoals de bladeren van gladde aster en Nieuw-Nederlandse aster. De rand van de bovenste bladeren is nagenoeg gaaf. De blaadjes in de bloeiwijze zijn lijnvormig en aanzienlijk kleiner.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Naast smalle aster wordt er in flora’s en op internet ook gesproken over kleine aster (Aster tradescantii). Beide planten lijken zo sterk op elkaar dat volgens Heukels ze niet duidelijk in 2 groepen te splitsen zijn. Volgens de Flora van Weeda is kleine aster in alles wat kleiner (en dan hebben we het over millimeters) en heeft ze geen geoorde bladeren.

Twee andere asters, gladde aster (Aster laevis) en Nieuw-Nederlandse aster (Aster novi-belgii) zijn ook afkomstig uit Noord-Amerika en worden als sierplant in tuinen gekweekt. De eerste verwildert zelden, de tweede vaker.

En tot slot zijn er nog de speciaal voor de tuin gekweekte herfstasters (Aster x versicolor). Ze lijken het meest op gladde aster, maar missen de blauwgroene kleur. Ook de herfstasters verwilderen vaak vanuit tuinafval.

De verwilderde asters vormen onderling kruisingen. Omdat ze veel op elkaar lijken en door de vorming van kruisingen blijft het lastig om asters juist te determineren.

.

 

kleine aster

.

 

.

smalle aster : geen stengelomvattende bladeren, soms wel iets geoord

 

 

smalle aster

 

 

 

 

.

gladde aster : middelste en bovenste bladeren duidelijk half stengelomvattend, blauwgroen, tuinplant, zelden verwilderd

 

 

gladde aster

 

 

 

 

Nieuw-Nederlandse aster : middelste en bovenste bladeren duidelijk half stengelomvattend, niet blauwgroen, tuinplant, vaak verwilderd

 

 

Nieuw-Nederlandse aster

 

 

 

zomerfijnstraal : straalbloemen zijn talrijker en smaller dan bij de asters, staan in meerder rijen. Ook zijn de omwindselblaadjes nauwelijks wisselend in lengte en vallen daarom ook niet dakpansgewijs over elkaar heen.

 

 

zomerfijnstraal

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– plaatselijk algemeen tot zeldzaam
– meestal verwilderd
– 50 tot 120 cm

Bloem
– wit of zeer licht gekleurd
– vanaf augustus t/m oktober
– hoofdje
– 12 tot 20 mm
– witte straalbloemen
– gele buisbloemen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig of lancetvormig
– top spits
– rand verwijderd gezaagd
– voet aflopend, soms geoord
– veernervig

Stengel
– rechtop
– verspreid kort behaard
– soms paarsrood aangelopen
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

.

 

 

 

Zomerfijnstraal : Erigeron annuus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de op madeliefjes lijkende bloemhoofdjes
– met zeer veel en zeer smalle witte straalbloemen

 

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Zomerfijnstraal is een eenjarige, vrij zeldzame plant die bloeit in juli en augustus.  Ze wordt 30 tot 75 cm hoog en groeit op natte tot vochtige, voedselrijke, omgewerkte grond aan rivieroevers, in bermen en op dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemhoofdjes zijn 1,5 tot 2 cm groot, meestal wit, soms iets blauw of lila aangelopen en staan in losse scher-men bij elkaar. De knopjes hangen. Zodra de bloemhoofdjes opgaan, richten ze zich op.

 

 

 

 

 

Stengel

 

De stengel is rechtopstaand en weinig behaard. Alleen de bovenste helft is vertakt.

 

 

.

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– vrij zeldzaam in Zuid-Limburg en
het rivierengebied
– 30 tot 75 cm hoog

Bloem
– witte straalbloemen
– gele buisbloemen
– juli en augustus
– hoofdje
– 1,5 tot 2 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– verspreid behaard
– onderste bladeren :
– omgekeerd eirond
– lang gesteeld
– verwijderd gezaagd/getand
– top stomp
– middelste bladeren :
– langwerpig
– kort gesteeld
– iets getand
– top spits
– bovenste bladeren :
– lancetvormig
– zittend
– gaafrandig
– top spits

Stengel
– rechtop
– alleen bovenaan vertakt
– verspreid behaard
– rolrond met lengteribben

zie wildebloemen

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Wilde cichorei : Cichorium intybus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
de prachtig lichtblauwe bloemhoofdjes, die in de bladoksels staan en die bestaan uit in een vlakke cirkel gespreide lintbloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilde cichorei komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied. In de Lage Landen is ze vrij algemeen voor komend. Ze groeit op vochtige, voedselrijke, kalkhoudende grazige grond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wilde cichorei bloeit in juli en augustus, soms tot de herfst, met lichtblauwe bloemen, die meestal alleen in de ochtend geopend zijn. Afhankelijk van de omstandigheden wordt de plant wordt 0,3 tot 2 m hoog. De plant is erg kwetsbaar, de stengel breekt snel, de bloemen verdragen geen regen, kou of aanraking en bij teveel warmte vallen ze af.

 

.

 

.

 

Toepassingen

Als medicinale plant geneest ze maagklachten en bevordert ze de galwerking. Tot in de Tweede Wereldoorlog werd van de wortel surrogaat koffie gemaakt. Tegenwoordig vind je cichorei samen met andere ingrediënten in koffie-vervangers. Een gekweekte vorm van cichorei kennen wij als witlof.

 

 

.

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– vrij algemeen in het rivierengebied,

– 0,3 tot 2 meter

Bloem
– lichtblauw, zelden roze of wit
– hoofdje
– juli en augustus, soms tot de herfst
– 5-tandige lintbloemen
– 2,5 tot 4,5 cm
– omwindselblaadjes met klierharen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– langwerpig
– bochtig veervormig gespleten
– grote spitse eindlob
– bovenste :
– lancetvormig
– half stengelomvattend
– top spits
– rand gaaf of getand
– netnervig
– onderkant ruw behaard

Stengel
– rechtop
– houtig
– sterk vertakt
– verspreid ruw behaard of nagenoeg
kaal
– gegroefd
– bevat bitter melksap

zie wildebloemen

.

 

 

 

.

 

 

 

 

Ruig klokje : Campanula trachelium

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de grote, lichtpaarse klokjes met lange, witte, stijve haren aan de binnenkant van de bloemkroon

 

 

 

.

 

Algemeen

 

Ruig klokje is een overblijvende, ruw behaarde plant van 60 tot 90 cm hoog. Ze groeit op vochtige, vaak kalk- houdende grond in lichte loofbossen, tussen hakhout en op beschaduwde beekoevers. Ze komt plaatselijk vrij algemeen voor in de Lage Landen. Ze wordt ook aangeboden als tuinplant. Ruig klokje is wettelijk beschermd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ruig klokje bloeit in juli en augustus met grote lichtpaarse, zelden witte, klokvormige bloemen. De binnenkant van de bloemkroon is behaard met lange, witte, stijve haren. De bloemen staan in de bladoksels, alleen of met 2 of 3. Ze staan eerst rechtop, later gaan ze recht afstaan of iets hangen. Samen vormen ze bebladerde, rijk-bloemige trossen.

 

 

ruig klokje : wit

 

 

 

Blad en stengel

 

De stevige, niet of weinig vertakte stengels staan rechtop, zijn scherpkantig, vaak rood aangelopen, ruw behaard en rijk bebladerd. De onderste bladeren zijn eivormig en gesteeld, de bovenste zijn langwerpig en kort gesteeld of zittend. Alle bladeren zijn aan de onderkant lichter van kleur, ruw behaard, hebben een spitse top en een onregelmatig gezaagde/getande rand.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

In de Lage Landen  komen 12 klokjes (Campanula) voor. Veel daarvan zijn ook als tuinplant te koop. Ruig klokje heeft samen met prachtklokje en breed klokje de grootste bloemen. Om de verschillende klokjes van elkaar te kunnen onderscheiden zie de pagina “Sleutel klokjes“.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– klokjesfamilie (Campanulaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot ontbrekend
– beschermd
– ook als tuinplant
– 60 tot 90 cm

Bloem
– lichtpaars, zelden wit
– juli en augustus
– tros
– klokvormig
– (2,5) 3 tot 5 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid en aan de
binnenkant lange, witte, stijve haren
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– eivormig
– lang gesteeld
– hartvormige voet
– bovenste :
– langwerpig
– kortgesteeld tot zittend
– aflopende voet
– top spits
– rand onregelmatg gezaagd/getand
– netnervig
– onderkant lichter van kleur
– stijf behaard

Stengel
– rechtop
– stijf behaard
– vaak rood aangelopen
– scherpkantig

zie wilde bloemen

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Roze vetkruid : Sedum spurium

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de tuilen stervormige roze (soms witte of rode) bloemen en
– de vlezige bladeren

 

 

 

 


Bloem 

 

Roze vetkruid is een overblijvende, zoden vormende vetplant op droge, vaak stenige plaatsen. Oorspronkelijk komt ze uit de Kaukasus. In de Lage Landen is ze vanuit tuinen verwilderd en heeft ze zich plaatselijk kunnen handhaven. Ze wordt 10 tot 20 cm hoog. Ze bloeit in juli en augustus met roze (soms rode of witte) bloemen die aan het einde van de bloeistengel in een platte, dichtbloemige tuil gegroepeerd staan.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– vetplantenfamilie (Crassulaceae)
– overblijvend
– plaatselijk ingeburgerd
– 10 tot 20 cm

Bloem
– roze, soms wit of rood
– juli en augustus
– tuil
– stervormig
– tot 2,5 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 vlezige kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– omgekeerd eirond
– top stomp
– rand gekarteld tot gezaagd
– voet wigvormig
– vlezig

Stengel
– rechtop
– kort behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

.

 

 

 

 

 

 

 

Wilde weit : Melampyrum arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de prachtige helder roze aarvormige bloeiwijzen met paars/gele bloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilde weit is een eenjarig plantje, dat helaas zeer sterk in aantal is afgenomen en op de rode lijst staat als ernstig bedreigd. Ze groeit op droge, enigszins omgewerkte kalkrijke grond. Wilde weit is een halfparasiet net als de ratelaars. Ze is voor water en mineralen afhankelijk van andere planten. Daardoor kan ze in een paar weken volledig uitgroeien en zich handhaven in droge milieus.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met prachtige bloemen die schuin omhoog gericht in dichte trossen bij elkaar staan en ze wordt 15 tot 50 cm hoog. De bloemen zijn aan de top paars met daar onder een geel of geel/witte rand.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn lancetvormig, de bovenste bladeren hebben priemvormige tanden. De helder roze schutbladen hebben lijnvormige tanden en donkere klierpuntjes aan de onderkant. Ze verkleuren naar groen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– bremraapfamilie (Orobanchaceae)
– eenjarig
– zeer zeldzaam
– 15 tot 50 cm

Bloem
– helder roze met geel/wit
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– lipbloem
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lijnlancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– veernervig
– kort behaard

Stengel
– rechtop
– vierkant
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oostenrijkse kers : Rorippa austriaca

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– trosjes gele, 4-tallige bloemetjes en
– de hogere stengelbladeren, die oortjes hebben en
– de bolvormige vruchtjes op lange stelen

 

 

blad oostenrijkse kers

 

 

 

Algemeen

 

Oostenrijkse kers is overblijvende plant, die groeit op natte, voedselrijke, omgewerkte grond op hoge rivieroevers, kribben en in bermen. Ze groeit in groepen en wordt 30 tot 90 cm hoog. Het is een vrij zeldzaam voorkomende plant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Oostenrijkse kers bloeit vanaf juni tot en met augustus met gele, 4-tallige bloemen, die bij elkaar in een tros aan het einde van de stengel en zijstengels staan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De onderste bladeren zijn gesteeld. De hogere hebben twee oortjes, waarmee ze de stengel omvatten. Ze zijn allemaal onregelmatig getand (niet gelobd). De vruchtjes staan op lange stelen en zijn bolvormig.

 

 

 

 

 

 

Herkennen Rorippa soorten

 

– zijn de kroonbladen ongeveer even groot als de kelkbladen ?
– nee …. heeft het blad oortjes ?
– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een smalle eindslip ?
– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een grote eindslip ?
ja
ja
ja
ja
anders
:
:
:
:
:
moeraskers
Oostenrijkse kers
akkerkers
valse akkerkers
gele waterkers

 

 

 

moeraskers

 

 

 

moeraskers

 

 

 

akkerkers

 

 

 

akkerkers

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

gele waterkers

 

 

 

gele waterkers

 

 

Valse akkerkers (Rorippa x anceps) is een kruising tussen gele waterkers en akkerkers, komt voornamelijk voor langs rivieroevers. Ze is van akkerkers te onderscheiden door de grote eindslip van het blad en van gele waterkers door de dieper ingesneden bladeren. De vruchten zijn korter dan die van akkerkers en langer dan die van gele waterkers. Daarnaast komt er nog een kruising voor, ontstaan uit Oostenrijkse kers en akkerkers (Rorippa x armoracioides). De verspreiding van deze kruising is onvoldoende bekend en deze vorm wordt vaak verward met akkerkers.

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– 8 tot 10 mm
– stervormig
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand onregelmatig getand
– onderste bladeren gesteeld
– middelste en bovenste
half stengelomvattend met oortjes
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gelderse roos : Viburnum opulus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– (hoge) struik met in juni witte, platte bloeiwijzen,
– waarvan de randbloemen duidelijk vergroot zijn of
– vanaf augustus met glanzend rode bessen én
– de handvormig gelobde bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gelderse roos is een dichte struik van 1,5 tot 3 meter hoog met iets hangende takken. Ze is algemee voor komend in de lage landen. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en struikgewas.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Gelderse roos bloeit in juni met witte bloemen, die in een platte, schermvormige bloeiwijze bij elkaar staan. De buitenste, steriele bloemen zijn vergroot, hebben vaak ongelijke kroonbladen en dienen om insecten te lokken voor bestuiving van de kleine bloemen, die in het midden staan. De kleine bloemen zijn regelmatig. De bloeiwijze van Gelderse roos doet schermvormig aan, maar is een tuil.

Het verschil is de plaats van aanhechting van de bloemstelen. Bij een scherm zitten alle bloemstelen binnen één scherm op dezelfde hoogte, bij een tuil op verschillende hoogte. In de bloeiwijze van Gelderse roos is de lengte van de bloemstelen ongelijk, waardoor de bloemen nagenoeg op dezelfde hoogte uitkomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en takken

 

De grote bladeren zijn handvormig, 3(soms 5)-lobbig en hebben een grof, onregelmatig getande rand. De bovenkant is kaal, de onderkant licht behaard. In de herfst kleuren ze prachtig donkerrood. Jonge takken hebben stompe kanten.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bessen van Gelderse roos zijn licht giftig en daarom voor mensen niet rauw eetbaar. Gekookt kunnen ze wel gegeten worden. De bessen blijven tot ver in de winter aan de struik hangen. Pas wanneer ze bevroren zijn geweest worden ze door vogels en kleine zoogdieren gegeten.

Gelderse roos heeft een bloeddrukverlagende, hart ondersteunende, kalmerende en krampwerende werking. In de fytotherapie wordt Gelderse roos onder andere toegepast bij stress gerelateerde klachten als hoge bloeddruk, hartkloppingen, migraine of spierkrampen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Er zijn meerdere struiken met witte bloemen, zoals gewone en Amerikaanse vogelkers, gewone vlier en wilde lijsterbes. Gelderse roos is in bloei makkelijk van de andere te onderscheiden door de vergrote randbloemen in de bloeiwijze. Van de struiken met rode bessen is ze te onderscheiden door haar bladeren. Als enige heeft ze handvormig, grof getande bladeren.

 

 

vlier

 

 

 

Amerikaanse vogelkers

 

 

 

wilde lijsterbes

 

 

 

Algemeen

 

muskuskruidfamilie (Adoxaceae)
– struik
– algemeen tot vrij zeldzaam
– 1,5 tot 3 m

Bloem
– (room)wit
– juni
– vlakke tuil
– kleine 4 tot 7 mm
– grote 1 tot 2 cm
– stervormig
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– handvormig
– top spits
– rand grof, onregelmatig getand
– voet afgerond of wigvormig
– hand- en veernervig
– zacht behaard

Takken
– rechtop

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bosandoorn : Stachys sylvatica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de aarvormige bloeiwijze van in schijnkransen staande donker paarsrode lipbloemen en
– de breed eironde, behaarde, gesteelde bladeren (lijken op brandnetelbladeren)

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bosandoorn is een overblijvende, bij kneuzing van de bladeren onaangenaam ruikende, behaarde plant van 50 tot 100 cm hoog, die bloeit vanaf juni tot en met augustus op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en aan heggen. Ze kan schaduw goed verdragen. Bosandoorn heeft ondergrondse uitlopers, waardoor ze woekert en grote bestanden kan vormen. Ze is algemeen voorkomend.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiwijze is een losse schijnaar aan het einde van de hoofd- en zijstengels. De schijnaar bestaat uit een aantal schijnkransen van meestal 6 donker paarsrode bloemen. De bloemen zijn tweelippig. Onder de helmvormige bovenlip staan de vier meeldraden en de stijl. De 3-lobbige onderlip is groter en heeft een patroon van witte lijnen en vlekken (honingmerk).

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren lijken veel op brandnetelbladeren; zonder bloemen lijkt bosandoorn op brandnetel. De bladeren zijn behaard, breed eirond met een hartvormige voet, spitse top en lange steel. De bovenste bladeren zijn wat minder breed, wel eirond en de steel is korter. De stengels zijn vaak boven het midden vertakt en roodachtig.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Vroeger werd bosandoorn gebruikt vanwege wondhelende, krampopheffende en zweetdrijvende eigenschappen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Betonie : helder roze bloemen, bladeren langwerpig met hartvormige voet, zeer zeldzaam, op de rode lijst.

 

 

 

 

 

Stinkende ballote : lichtpaarse bloemen, bladeren eirond met afgeronde voet, zeldzaam voorkomend, sterk ruikend.

 

 

 

 

 

Akkerandoorn : bleekroze bloemen, zelden wit, vrij tot zeer zeldzaam, op de rode lijst.

 

 

 

 

 

 

Bosandoorn : donker paarsrode bloemen, alle bladeren eirond met hartvormige voet en gesteeld, sterk ruikend

 

 

 

 

 

 

Moerasandoorn : roze bloemen, bovenste bladeren zittend en langwerpig.

 

 

 

 

 


Algemeen

 

lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– 50 tot 100 cm

Bloem
– donker paarsrood
– vanaf juni t/m augustus
– schijnkrans
– lipbloem
– 12 tot 18 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gezaagd
– voet hartvormig
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– ruw behaard
– scherp vierkantig

zie wilde bloemen