Tagarchief: bloeiwijze

Gewoon barbarakruid : Barbarea vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

Barbarea_vulgaris_002

 

 

Goed te herkennen aan
– de 4-tallige helder gele bloemen en
– de glanzende, niet gesteelde bovenste bladeren
– met bochtig ingesneden rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewoon barbarakruid is een overblijvende (meestal tweejarige) niet behaarde plant, die bloeit vanaf april tot en met juni. Ze wordt 20 tot 90 cm hoog en is vrij algemeen voorkomend. Ze wordt ook uitgezaaid. Je vindt gewoon barbarakruid op open of licht beschaduwde plaatsen in grazige, vochtige, voedselrijke grond in bermen, aan slootkanten en rivieroevers, ook in de duinen.

 

 

winterkers

 

 

 

Bloemen

 

Gewoon barbarakruid bloeit met gele 4-tallige bloemen, die eerst in een zeer dichte bloeiwijze staan. Als de vruchten zich gaan ontwikkelen wordt de bloeiwijze langer.

 

 

bloeiende-plant-gewoon-barbarakruid

 

 

 

Bladeren

 

De kroonbladen zijn tweemaal zo lang als de kelkbladen en staan min of meer twee aan twee tegenover elkaar in plaats van een kruis te vormen, zoals gebruikelijk is bij kruisbloemigen. De bladeren van gewoon barbarakruid zijn glanzend. De onderste zijn gesteelde wortelbladeren, diep geveerd met aan beide kanten twee tot vijf eirond tot langwerpige deelblaadjes en een groot, rond-achtige topblaadje.

De bovenste bladeren zijn (half) stengelomvattend met (meestal) kale oortjes, ongedeeld, bochtig ingesneden en met of zonder een paar zijslippen. De jonge bladeren kunnen rauw of gekookt gegeten worden. Ze bevatten veel vitamine C, maar smaken wel wat bitter.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend, meestal tweejarig
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 20 tot 90 cm

Bloem
– helder geel
– vanaf april t/m juni
– tros
– stervormig
– 1 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– bochtig getand
– top stomp
– rand bochtig getand
– voet (half) stengelomvattend
– veernervig
– glanzend
– kaal

Stengel
– rechtop
– kaal
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Gewoon barbarakruid : Barbarea vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

Barbarea_vulgaris_002

 

 

Goed te herkennen aan
– de 4-tallige helder gele bloemen en
– de glanzende, niet gesteelde bovenste bladeren
– met bochtig ingesneden rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewoon barbarakruid is een overblijvende (meestal tweejarige) niet behaarde plant, die bloeit vanaf april tot en met juni. Ze wordt 20 tot 90 cm hoog en is vrij algemeen voorkomend. Ze wordt ook uitgezaaid. Je vindt gewoon barbarakruid op open of licht beschaduwde plaatsen in grazige, vochtige, voedselrijke grond in bermen, aan slootkanten en rivieroevers, ook in de duinen.

 

 

winterkers

 

 

 

Bloemen

 

Gewoon barbarakruid bloeit met gele 4-tallige bloemen, die eerst in een zeer dichte bloeiwijze staan. Als de vruchten zich gaan ontwikkelen wordt de bloeiwijze langer.

 

 

bloeiende-plant-gewoon-barbarakruid

 

 

 

Bladeren

 

De kroonbladen zijn tweemaal zo lang als de kelkbladen en staan min of meer twee aan twee tegenover elkaar in plaats van een kruis te vormen, zoals gebruikelijk is bij kruisbloemigen. De bladeren van gewoon barbarakruid zijn glanzend. De onderste zijn gesteelde wortelbladeren, diep geveerd met aan beide kanten twee tot vijf eirond tot langwerpige deelblaadjes en een groot, rond-achtige topblaadje.

De bovenste bladeren zijn (half) stengelomvattend met (meestal) kale oortjes, ongedeeld, bochtig ingesneden en met of zonder een paar zijslippen. De jonge bladeren kunnen rauw of gekookt gegeten worden. Ze bevatten veel vitamine C, maar smaken wel wat bitter.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend, meestal tweejarig
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 20 tot 90 cm

Bloem
– helder geel
– vanaf april t/m juni
– tros
– stervormig
– 1 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– bochtig getand
– top stomp
– rand bochtig getand
– voet (half) stengelomvattend
– veernervig
– glanzend
– kaal

Stengel
– rechtop
– kaal
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Gewone smeerwortel : Symphytum officinale

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de omlaag hangende opgerolde bloeiwijze aan het einde van de stengels en zijstengels en
– de ruw behaarde bladeren en stengels

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewone smeerwortel is een overblijvende plant, die zeer algemeen voorkomt in de Lage Landen. Ze groeit op zonnige tot licht beschaduwde, vochtig tot natte, voedselrijke grond in wegbermen, loofbossen, slootkanten en op dijken.

.

 

 

.

 

Bloem

 

Gewone smeerwortel bloeit vanaf eind april tot en met augustus met witte, roze, lila of paarse bloemen. De bloe-men hangen aan korte stelen in paren omlaag zoals de staart van een schorpioen.

.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel, bladeren en kelkbladen zijn behaard, waardoor de plant ruw aanvoelt. De onderste bladeren zijn ge-steeld, groter en breder dan de hogere. De achterkant van de bladeren is geaderd.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Smeerwortel is een geneeskrachtige plant. De Grieken en Romeinen maakten hier al melding van. De soort-aanduiding ‘officinale’ geeft aan dat de plant gebruikt wordt voor medicinale doeleinden. De plant wordt uit-sluitend uitwendig toegepast, in de vorm van omslagen bij botbreuken, wonden, en gewrichtsontstekingen. On-derzoek heeft aangetoond dat de allantoïne uit de wortel de heling van wonden bevordert.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend, vrij zeldzaam
op de Waddeneilanden
– 30 tot 100 cm

Bloem
– paars, lila, roze of (room)wit
– vanaf eind april t/m augustus
– schicht
– buisvormig
– 12 tot 16 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig, onderste eirond tot   langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet aflopend
– netnervig
– ruw behaard
– onderkant geaderd
– onderste bladeren gesteeld

Stengel
– rechtop
– ruw behaard
– gevleugeld

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine sneeuwroem : Chionodoxa sardensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
niet knikkende, blauwe, 6-tallige bloemen kleiner dan 12 mm met een klein wit of bleekblauw hart

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kleine sneeuwroem is een bolgewas, oorspronkelijk afkomstig uit Klein-Azië en in de 19de eeuw bij ons inge-voerd. Ze is op buitenplaatsen als stinsenplant aangeplant en vandaar langzaam verwilderd. Ze is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kleine sneeuwroem bloeit in april. De bloeiwijze is een tros van 4 tot 12 bloemen, die min of meer aan dezelfde kant van de bloeistengel zitten. Ze zijn blauw en hebben 6 bloemdekbladen (geen aparte kroon- en kelkbladen), die aan de basis 3 tot 4 mm met elkaar vergroeid zijn. Ze hebben een klein wit of bleekblauw hart.

 

 

 

 

 

Blad

 

Per bol zijn er 2 of 3 gootvormige bladeren van 1,5 cm breed met een kapvormige top.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Er zijn meerdere vroeg bloeiende bolgewassen met blauwe, stervormige bloemen, zoals grote sneeuwroem en vroege- en oosterse sterhyacint.

 

 

 

oosterse sterhyacint : bloemdek niet vergroeid, knikkende bloemen en bloemstelen korter dan de doorsnede van de bloem.

 

 

 

 

 

 

 

vroege sterhyacint : bloemdek niet vergroeid, rechtopstaande bloemen en bloemstelen langer dan de doorsnede vd bloem.

 

 

 

 

 

 

 

grote sneeuwroem : bloemdek vergroeid, doorsnede van de bloemen 20-35 mm, groot wit hart.

 

 

 

 

 

kleine sneeuwroem : bloemdek vergroeid, doorsnede van de bloemen tot 12 mm, klein bleekblauw of wit hart.

 

 

Algemeen

 

– aspergefamilie (Asparagaceae)
– overblijvend
– verwilderd, plaatselijk ingeburgerd
– 5 tot 15 cm
– stinsenplant
– ook te koop als tuinplant

Bloem
– blauw
– april
– tros
– stervormig
– tot 12 mm
– 6 bloemdekbladen, vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– bolstandig
– enkelvoudig
– breed lijnvormig
– top gekapt, spits
– rand gaaf
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Smalle aster : Aster lanceolatus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de op madeliefjes lijkende, witte of zacht lila bloemhoofdjes
– in een pluim-vormige bloeiwijze
– aan struik-vormige, grote bestanden vormende plant

 

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Smalle aster is een uit Noord-Amerika afkomstige aster, die als sierplant in Europa is ingevoerd. Tegenwoordig zie je haar meer in het wild dan in siertuinen en daarom wordt ze als ingeburgerd beschouwd. Ze is plaatselijk al-gemeen voor komend in de Lage landen. Door ondergrondse uitlopers kan smalle aster zich in korte tijd sterk uitbreiden en groeit daardoor vaak in grote bestanden. Ze wordt 50 tot 120 cm hoog en groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond aan rivier- en kanaaloevers, en langs spoorwegen.

.

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf augustus tot en met oktober. De hoofdjes staan in een pluim-vormige bloeiwijze. Ze hebben witte of licht lila gekleurde straalbloemen en in het hart gele buisbloemen. Van oudere bloemhoofdjes worden de buisbloemen rozerood.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn langwerpig, verwijderd scherp gezaagd en hebben een aflopende, soms iets geoorde voet. Ze zijn niet half stengelomvattend, zoals de bladeren van gladde aster en Nieuw-Nederlandse aster. De rand van de bovenste bladeren is nagenoeg gaaf. De blaadjes in de bloeiwijze zijn lijnvormig en aanzienlijk kleiner.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Naast smalle aster wordt er in flora’s en op internet ook gesproken over kleine aster (Aster tradescantii). Beide planten lijken zo sterk op elkaar dat volgens Heukels ze niet duidelijk in 2 groepen te splitsen zijn. Volgens de Flora van Weeda is kleine aster in alles wat kleiner (en dan hebben we het over millimeters) en heeft ze geen geoorde bladeren.

Twee andere asters, gladde aster (Aster laevis) en Nieuw-Nederlandse aster (Aster novi-belgii) zijn ook afkomstig uit Noord-Amerika en worden als sierplant in tuinen gekweekt. De eerste verwildert zelden, de tweede vaker.

En tot slot zijn er nog de speciaal voor de tuin gekweekte herfstasters (Aster x versicolor). Ze lijken het meest op gladde aster, maar missen de blauwgroene kleur. Ook de herfstasters verwilderen vaak vanuit tuinafval.

De verwilderde asters vormen onderling kruisingen. Omdat ze veel op elkaar lijken en door de vorming van kruisingen blijft het lastig om asters juist te determineren.

.

 

kleine aster

.

 

.

smalle aster : geen stengelomvattende bladeren, soms wel iets geoord

 

 

smalle aster

 

 

 

 

.

gladde aster : middelste en bovenste bladeren duidelijk half stengelomvattend, blauwgroen, tuinplant, zelden verwilderd

 

 

gladde aster

 

 

 

 

Nieuw-Nederlandse aster : middelste en bovenste bladeren duidelijk half stengelomvattend, niet blauwgroen, tuinplant, vaak verwilderd

 

 

Nieuw-Nederlandse aster

 

 

 

zomerfijnstraal : straalbloemen zijn talrijker en smaller dan bij de asters, staan in meerder rijen. Ook zijn de omwindselblaadjes nauwelijks wisselend in lengte en vallen daarom ook niet dakpansgewijs over elkaar heen.

 

 

zomerfijnstraal

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– plaatselijk algemeen tot zeldzaam
– meestal verwilderd
– 50 tot 120 cm

Bloem
– wit of zeer licht gekleurd
– vanaf augustus t/m oktober
– hoofdje
– 12 tot 20 mm
– witte straalbloemen
– gele buisbloemen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig of lancetvormig
– top spits
– rand verwijderd gezaagd
– voet aflopend, soms geoord
– veernervig

Stengel
– rechtop
– verspreid kort behaard
– soms paarsrood aangelopen
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

.

 

 

 

 Gewone engelwortel : Angelica sylvestris

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de witte of enigszins roze schermen bestaande 15 tot 40 bolvormige deelschermen
– de bedauwde roze tot paars-bruine, rolronde, gegroefde stengels
– en de gootvormige bladstelen van de onderste bladeren

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Gewone engelwortel is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende, donkergroene, niet sterk ruikende plant van natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en lichte loofbossen. Ze wordt 90 tot 180 cm hoog. Vaak staan er vele planten bij elkaar.

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juli tot in de herfst, soms tot het begin van de winter. De bloeiwijze is een scherm van 3 tot 15 cm breed, bestaande uit 15 tot 40 ronde deelschermen met kleine witte of rozeachtige bloemetjes. De bloemetjes hebben 5 even grote kroonbladen. Onder het samengestelde scherm zitten 3 omwindselbladen, die snel afvallen. Onder elk deelscherm zitten talrijke omwindselblaadjes. De schermstralen zijn zacht behaard.

.

 

 

 

 

Blad

 

De grote bladeren zijn 2- tot 3-voudig geveerd. De deelblaadjes zijn langwerpig, scherp gezaagd. De bovenste bladeren zijn vergroeid tot een bolvormige schede rond de jonge bloeiwijze. De wortelbladeren hebben een gootvormige steel, 1 van de verschillen met grote engelwortel.

 

 

 

 

Toepassingen

 

Gewone engelwortel werd vroeger gebruikt voor het maken van een slijmoplossend middel. Ook werden de jonge stengels en bladeren gekookt in zout water en als groente gegeten.

.

 

 

 

Vergelijkbare soorten  

 

gewone engelwortel

– scherm 3 tot 15 cm breed, 15 tot 40 stralen
– bloemen zijn 2 mm, wit of roze
– plant donkergroen, nauwelijks ruikend
– eindblaadjes ongedeeld, voet niet aflopend
– tot 1,8 meter hoog
– wortelbladeren met gootvormige stengel 

 

 grote engelwortel

– scherm tot 20 cm breed, 20 tot 40 stralen
– bloemen zijn 3 tot 4 mm, groenachtig wit
– plant lichtgroen, bij kneuzing sterk ruikend
– eindblaadjes vaak 3-delig met aflopende voet
– tot 2,5 meter hoog
– wortelbladeren met rolronde stengel

 

 

 

grote engelwortel

 

Naast de twee bovengenoemde soorten zijn er nog een aantal (zeer) algemeen voorkomende planten met witte schermbloemen, zoals fluitenkruid en gewone berenklauw.

.

 

fluitenkruid

 

 

 

Gewone berenklauw

.

 

 

Algemeen

– schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 90 tot 180 cm

Bloem
– wit of roze
– vanaf juli tot in de herfst
– meervoudig scherm
– 2 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– 2- of 3-voudig oneven veervormig
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gezaagd
– voet afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– bedauwd roze tot paarsbruin
– rond en gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweekleurig springzaad : Impatiens balfourii

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan 
tweekleurige (wit en roze/lila), hangende, typische balsemien-bloemen met nagenoeg recht spoor langer dan 1 cm.

 

 

 

 

.

Algemeen

 

Tweekleurig springzaad is eenjarige tuinplant, oorspronkelijk afkomstig uit de Himalaya. Ze ontsnapt regelmatig uit tuinen en kan zich dan goed handhaven. Op dit moment mag ze als ingeburgerd beschouwd worden in stedelijke gebieden en een aantal duingebieden. Ze word 40 tot 80 cm hoog en groeit het liefst in vochtige grond op beschaduwde plekken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Tweekleurig springzaad bloeit vanaf juni tot in de herfst. De bloeiwijze is een tros van 4 tot 8 bij elkaar staande tweekleurige bloemen. Ze zijn wit en roze of lila. Ze hebben een nagenoeg recht spoor, dat aan het onderste kelkblad zit. Dat kelkblad is zakvormig vergroeid en is wit/roze van kleur. De overige 2 kelkbladen zijn kleiner en wit en zitten bovenop aan de zijkant van de bloem. Het bovenste kroonblad is wit.

De middelste twee (veel kleinere) kroonbladen zijn ook wit en de onderste twee zijn roze of lila. Op de twee onderste kroonbladen en wat dieper in de bloem zitten donkergele vlekken en streepjes (honingmerk). De spoor van de knoppen is nog terug gekromd, maar strekt zich later bijna recht uit.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn eirond tot langwerpig en hebben een regelmatig fijn gezaagde rand. Ze staan verspreid aan de stengel.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Net als de andere springzaad soorten zaait tweekleurig springzaad zich heel gemakkelijk uit. Bij aanraking van de plant springen de rijpe zaaddozen open en worden de zaden er met kracht uitgeslingerd.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

klein springzaad : ichtgele kleine bloemen, nagenoeg recht spoor (niet teruggekromd), rechtopstaande bloemstelen.

 

 

 

 

 

 

 

groot springzaad : gele bloemen, krom spoor, hangende bloemstelen.

 

 

 

 

 

 

 

oranje springzaad : oranje bloemen met roodachtige vlekken, krom spoor, hangende bloemstelen.

 

 

 

 

 

 

 

reuzenbalsemien : bloemkleur is een combinatie van roze/lila/paars en wit, krom spoor.

 

 

 

 

 

 

 

tweekleurig springzaad : bloemkleur is een combinatie van roze/lila en wit, nagenoeg recht spoor, recent ingeburgerd in stedelijke gebieden.

 

 

 

 

Algemeen

 

– balsemienfamilie (Balsaminaceae)
– eenjarig
– recent ingeburgerd
– 40 tot 80 cm

Bloem
– wit en roze of lila
– vanaf juli tot in de herfst
– tros, 4 tot 8 bloemen
– gespoord
– incl. spoor tot 3 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 3 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top toegespits
– rand fijn gezaagd
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– kantig

zie wildebloemen

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Watermunt : Mentha aquatica

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
de bolvormige bloeiwijze van lichtpaarse bloemetjes aan het einde van de stengel

 

.

 

.

 

Algemeen

 

Watermunt is een overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog, die zeer algemeen voorkomt op natte, voedselrijke tot brakke grond aan waterkanten en sloten, moerassen, riet- en blauwgrasland, duinvalleien en lichte loofbossen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit van juli tot in de herfst met lichtpaarse bloemetjes, die in bolvormige bloeiwijze (schijnkransen vervormd tot bundel) aan de top van de stengel staan. Meestal staan daar onder nog 1 of 2 schijnkransen of bloeiende zijtakjes in de bladoksels. De meeldraden steken buiten de bloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel en bladeren zijn soms bruinrood gekleurd. Als je over het blad wrijft, ruik je de heerlijke muntgeur.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Watermunt is zowel vers als gedroogd te gebruiken. Ze is goed te gebruiken bij spijsverteringsproblemen, ver-koudheid en zwangerschapsmisselijkheid. Je kunt er een heerlijke thee maken.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

akkermunt : heeft geen bloeiwijze aan de stengeltop.

polei : nauwelijks behaard, geen bloeiwijze aan de top, staat op de rode lijst.

kransmunt : (kruising akkermunt-watermunt, lijkt het meest op watermunt) de meeldraden steken niet buiten de bloem

 

 

.

akkermunt

 

.

 

polei

.

 

 

kransmunt

 

 

 

 

Algemeen

 

– lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 30 tot 90 hoog
– tolerant voor brak/zout water

Bloem
– lichtpaars
– vanaf juli tot in de herfst
– schijnkrans of bundel
– lipbloem
– 4 tot 7 mm
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gezaagd tot gekarteld
– voet afgerond of wigvormig
– veernervig
– behaard
– muntgeur bij kneuzen

Stengel
– rechtop of stijgend
– behaard
– scherp vierkant

zie wilde bloemen

.

 

.

.

 

 

 

.

 

Kruisdistel : Eryngium campestre

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de bleek-groene kleur van de hele plant en
– het stekelige uiterlijk

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kruisdistel is een opvallende bleek-groene overblijvende plant van 15 tot 60 cm hoog. Het hele jaar is ze zeer decoratief. Ze is plaatselijk vrij algemeen voor komend op vochtige tot droge, kalkhoudende grond op rivierduinen, zandige dijken, in kalkgraslanden en in grazige duinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kruisdistel bloeit in juli en augustus met kleine witte bloemen die gerangschikt zitten in een bol- of eirond, gesteeld, stekelig, hoofdjesachtig scherm van 1 tot 1,5 cm. De witte kroonbladen zijn kleiner dan de kelkbladen, waardoor de bloeiwijze een groenig uiterlijk krijgt. De 4 tot 6 schutbladen onder de bloeiwijze zijn langwerpig tot lijnvormig en hebben meestal stekels.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn leerachtig en scherp gestekeld. De onderste zijn gesteeld en groter dan de stengelomvattende bovenste bladeren.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Uit de wortels en de bloeiende plant worden stoffen gewonnen tegen nierstenen en huidaandoeningen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort 

 

Blauwe zeedistel is blauw(grijs)groen van kleur en heeft een (meestal) paarseblauwe bloeiwijze.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend
– plaatselijk vrij algemeen
– 15 tot 60 cm

Bloem
– wit
– juli en augustus
– hoofdjesachtig scherm
– buisvormig
– bloeiwijze 1 tot 1,5 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– (dubbel) veervormig ingesneden
– top stekelpuntig
– rand stekelig getand
– veernervig
– onderste gesteeld
– bovenste stengelomvattend
– leerachtig

Stengel
– rechtop
– kaal
– sterk vertakt
– zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zwarte toorts : Verbascum nigrum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de paars, wollig behaarde meeldraden en
– de purperrode vlek aan de basis van de kroonbladen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Zwarte toorts is een overblijvende plant, die 60 tot 150 cm hoog die vrij algemeen voorkomt in de Lage Landen. Ze groeit op droge, matig voedselrijke grond in zandige bermen, ruig grasland, duinen, kapvlakten in bossen en op dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Zwarte toorts bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen hebben gele kroonbladen, die aan de voet purperrood gevlekt zijn. Ze staan met twee tot tien in dichte kluwens, die samen een aarvormige, meestal onvertakte bloeiwijze vormen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Alle bladeren zijn van onderen zacht viltig behaard, de bovenkant is minder behaard. De onderste bladeren zijn duidelijk gesteeld met hartvormige voet. De bovenste bladeren zijn bijna zittend. Ook de stengel is een beetje viltig behaard.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

keizerskaars : niet of kort aflopende bladeren.

 

 

 

 

 

 

koningskaars : drie van de vijf meeldraden zijn wit wollig behaard. Bladeren lopen langs de steel af tot het vorige blad.

 

 

 

 

 

 

stalkaars : heeft een sterk vertakte, wollig behaarde stengel met talrijke bloeiaren en krijgt daardoor een bossig uiterlijk.

 

 

 

 

 

 

 

melige toorts : alle helmdraden wit wollig behaard, meestal witte bloemen soms geel. Zeer zeldzaam.

 

 

 

 

 

 

 

mottenkruid : bruin/rood-achtige bloemknoppen, helmdraden paars wollig behaard.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– helmkruidfamilie (Scrophulariaceae)
– overblijvend
– van zeer zeldzaam tot plaatselijk vrij   algemeen
– 60 tot 150 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m september
– aarvormige tros
– stervormig
– 1,2 tot 2,5 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 paars behaarde meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig-eirond
– top spits
– rand gekarteld
– netnervig
– onderkant zacht viltig behaard
– onderste gesteeld met hartvormige   voet
– bovenste bijna zittend

Stengel
– rechtop
– licht viltig behaard
– geribd of meerkantig

zie wildebloemen.be