Tagarchief: tuinplant

Wilde kamperfoelie : Lonicera periclymenum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de trossen lange, smalle bloemen met ver uitstekende meeldraden,
– roze, (room)wit en geel gekleurd (of een combinatie hiervan),
– aan een klimmende plant

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilde kamperfoelie is een overblijvende plant, die algemeen voorkomt in de Lage Landen. Ze groeit op natte tot droge, vrij zure, matig voedselrijke grond in bossen, struikgewas, moerassen en aan slootwallen, in de duinen vaak op de grond liggend. Ze is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wilde kamperfoelie bloeit vanaf juni tot en met oktober. De bloemen vormen een gesteelde, hoofdjes-achtige bloeiwijze; het zijn een aantal kransen dicht op elkaar, gescheiden door kleine schutbladen. Vooral in de avond verspreiden de bloemen een heerlijke, zoete geur. Jonge bloemen zijn (room)wit, oudere bloemen worden geel. Bloemen en knoppen in de zon lopen vaak rozerood aan.

De bloemen hebben een lange kroonbuis, waarin zich de nectar bevindt. De ongedeelde onderlip en de bredere, 4-spletige bovenlip krommen zich ver achterwaarts, waardoor de bloemen een landingsplaats voor insecten missen. Ze worden daarom voornamelijk bezocht door nachtvlinders, die voor de bloem in de lucht blijven hangen en met hun lange tong de nectar uit de kroonbuis opzuigen.,De kelkbladen, de schutbladen, de jonge takken en de buitenkant van de bloemen zijn met klierharen behaard.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn eirond en kortgesteeld, bovenzijde groen, onderzijde grijs-groen. De stengel windt zich om de takken van struiken als meidoorn en duinroosje of draaien om elkaar. Bij gebrek aan steun liggen de stengels op de grond. Ze kunnen tot 10 meter lang worden. Vaak zijn ze rood-paars verkleurd. Jonge bladeren en takken hebben een lichte beharing, die na verloop van tijd verdwijnt.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

De bessen verkleuren van groen naar prachtig, mat glanzend rood. Ze dragen de resten van de kelk als een donker kroontje.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

Tartaarse kamperfoelie : 2 bloemen op 1 steel in de bladoksels, bloemen roze, rood of wit, buitenkant bloemkroon kaal.

 

 

 

 

 

 

Rode kamperfoelie : 2 bloemen op 1 steel in de bladoksels, bloemen geelwit, buitenkant bloemkroon viltig behaard.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tuinkamperfoelie : ongesteelde bloeiwijze, bladeren van bloeiende takken aan de voet tot een schoteltje vergroeid, geurend, zelden verwilderd.

 

 

 

 

 

 

Wilde kamperfoelie : gesteelde bloeiwijze, bladeren van bloeiende takken aan de voet niet vergroeid, geurend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot zeldzaam
– tot 3,00 meter

Bloem
– wit, geel, roze, rood
– vanaf juni t/m oktober
– gesteeld hoofdje
– 4 tot 5 cm
– buisvormig
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– neer- of overhangend, windend
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Wilde kamperfoelie : Lonicera periclymenum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de trossen lange, smalle bloemen met ver uitstekende meeldraden,
– roze, (room)wit en geel gekleurd (of een combinatie hiervan),
– aan een klimmende plant

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilde kamperfoelie is een overblijvende plant, die algemeen voorkomt in de Lage Landen. Ze groeit op natte tot droge, vrij zure, matig voedselrijke grond in bossen, struikgewas, moerassen en aan slootwallen, in de duinen vaak op de grond liggend. Ze is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wilde kamperfoelie bloeit vanaf juni tot en met oktober. De bloemen vormen een gesteelde, hoofdjes-achtige bloeiwijze; het zijn een aantal kransen dicht op elkaar, gescheiden door kleine schutbladen. Vooral in de avond verspreiden de bloemen een heerlijke, zoete geur. Jonge bloemen zijn (room)wit, oudere bloemen worden geel. Bloemen en knoppen in de zon lopen vaak rozerood aan.

De bloemen hebben een lange kroonbuis, waarin zich de nectar bevindt. De ongedeelde onderlip en de bredere, 4-spletige bovenlip krommen zich ver achterwaarts, waardoor de bloemen een landingsplaats voor insecten missen. Ze worden daarom voornamelijk bezocht door nachtvlinders, die voor de bloem in de lucht blijven hangen en met hun lange tong de nectar uit de kroonbuis opzuigen.,De kelkbladen, de schutbladen, de jonge takken en de buitenkant van de bloemen zijn met klierharen behaard.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn eirond en kortgesteeld, bovenzijde groen, onderzijde grijs-groen. De stengel windt zich om de takken van struiken als meidoorn en duinroosje of draaien om elkaar. Bij gebrek aan steun liggen de stengels op de grond. Ze kunnen tot 10 meter lang worden. Vaak zijn ze rood-paars verkleurd. Jonge bladeren en takken hebben een lichte beharing, die na verloop van tijd verdwijnt.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

De bessen verkleuren van groen naar prachtig, mat glanzend rood. Ze dragen de resten van de kelk als een donker kroontje.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

Tartaarse kamperfoelie : 2 bloemen op 1 steel in de bladoksels, bloemen roze, rood of wit, buitenkant bloemkroon kaal.

 

 

 

 

 

 

Rode kamperfoelie : 2 bloemen op 1 steel in de bladoksels, bloemen geelwit, buitenkant bloemkroon viltig behaard.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tuinkamperfoelie : ongesteelde bloeiwijze, bladeren van bloeiende takken aan de voet tot een schoteltje vergroeid, geurend, zelden verwilderd.

 

 

 

 

 

 

Wilde kamperfoelie : gesteelde bloeiwijze, bladeren van bloeiende takken aan de voet niet vergroeid, geurend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot zeldzaam
– tot 3,00 meter

Bloem
– wit, geel, roze, rood
– vanaf juni t/m oktober
– gesteeld hoofdje
– 4 tot 5 cm
– buisvormig
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– neer- of overhangend, windend
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Tripmadam : Sedum rupestre

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele bloemen in een vrij dichte tuil aan het einde van de stengel en
– de (bijna) ronde, grijs- of blauwgroene, dicht bij elkaar staande, spitse bladeren aan niet bloeiende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Tripmadam is een overblijvende plant van 15 tot 30 cm hoog. Ze is een zeldzame plant in de Lage Landen. Ze wordt ook aangeboden als tuinplant en verwilderd vanuit tuinen naar plaatsen waar je haar niet zou verwachten. Ze staat op de rode lijst als zeldzaam en sterk afgenomen. Ze groeit op open, droge, kalkarme zandgrond, voornamelijk op rivierduinen en zandige dijken, ook op stenige plaatsen, zoals in de spleten van basaltglooiingen.

 

 

Tripmadam

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in juni en juli met helder gele bloemen, die aan het einde van de stengel een vrij dichte tuil vormen. De bloemen hebben 5-8 (meestel 6) duidelijk gekielde kroonbladen, die 2 tot 2½ keer zo lang zijn als de vlezige kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De lijnvormige, (bijna) ronde bladeren zijn grijs- of blauwgroen en staan dicht bij elkaar aan niet bloeiende stengels. Aan de bloeiende stengels staan ze verwijderd. Tripmadam is zoden-vormend. Uit de wortelende, liggende stengels groeien korte, niet bloeiende, liggende tot opstijgende stengels en langere, verticale, bloeiende stengels.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

zacht vetkruid : bloemen kleiner dan 10 mm, de blaadjes hebben geen peperachtige smaak en zijn lijnvormig.

 

 

 

zacht vetkruid

 

 

 

muurpeper : bloemen 10 – 14 mm, alle bloemen 5-tallig, plat driehoekig, schubachtig blad, peperachtige smaak.

 

 

muurpeper

 

 

 

tripmadam : bloemen 14 of 15 mm, schermen met 5- tot 8-tallige bloemen met gekielde kroonbladeren en grijs- of blauwgroene, lijnlancetvormige, halfronde, spitse bladeren.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– vetplantenfamilie (Crassulaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– ook als tuinplant
– 15 tot 30 cm

Bloem
– geel
– juni en juli
– tuil
– stervormig
– 14 tot 15 mm
– 5-8 kroonbladen, niet vergroeid
– 5-8 kelkbladen
– 10-16 meeldraden
– 5-8 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnlancetvormig, (bijna) rond
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– zonder nerven
– vlezig

Stengel
– liggend of rechtop
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Rechte ganzerik : Potentilla recta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de bleekgele bloemen met 5 hartvormige kroonbladen, die
– langer zijn dan de kelkbladen en
– de handvormige 5 – 7 delige bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Rechte ganzerik is een overblijvende plant, die groeit op droge, matig voedselrijke, meestal omgewerkte grond in bermen en op zandige dijkhellingen. Ze komt vrij algemeen voor in de Lage Landen, waar ze halverwege de 19de eeuw vermoedelijk als sierplant is terecht gekomen. Ze wordt nog steeds beschouwd als een ingeburgerde plant. Allerlei cultivars met bloemen van wit tot donkergeel zijn te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Rechte ganzerik bloeit vanaf juni tot en met augustus. De bloemen zijn bleekgeel (soms lichtgeel), ze hebben 5 hartvormige kroonbladen en ze staan in een los bijscherm, dat niet meer dan 1/3 van de totale hoogte van de plant inneemt. Naast 5 kelkbladen hebben de bloemen ook 5 bijkelkbladen, die smaller en even lang of iets langer zijn dan de kelkbladen. Zowel kelk- als bijkelkbladen zijn behaard.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De lang behaarde, vrij forse stengelbladeren zijn handvormig 5 – 7 delig en lijken wel wat op hennepbladeren. Aan de voet van het bladstengel zit een diep gezaagd eveneens vrij fors steunblad. De bladeren in de bloeiwijze zijn handvormig (hooguit 3-delig), veerdelig of enkelvoudig met diep gezaagde rand. Zoals de naam al doet vermoeden is de stengel rechtopstaand en net als de andere groene delen van de plant lang behaard.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Het geslacht Potentilla kent ongeveer 500 soorten. In het schema “Sleutel ganzerik” kun je zien hoe je ze van elkaar kunt onderscheiden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam
– 30 tot 70 cm

Bloem
– bleekgeel (soms lichtgeel)
– vanaf juni t/m augustus
– bijscherm
– stervormig
– 20 tot 25 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– handvormig
– top spits
– rand gezaagd of getand
– voet wigvormig
– handnervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Puntwederik : Lysimachia punctata

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de schijnkransen van gele bloemen in een lange bebladerde pluim
– en de geheel groene kelkbladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Puntwederik is een overblijvende tuinplant oorspronkelijk afkomstig uit Oost- en Zuidoost-Europa. De plant is verwilderd (via tuinafval) en kan zich meestal goed handhaven. Ze groeit op vochtige, moerassige plaatsen, ook op grazige plaatsen tussen bomen en struiken en wordt 0,4 tot 1 meter hoog.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Puntwederik bloeit vanaf juni tot en met augustus met 5-tallige gele bloemen, die met 2-8 in schijnkransen in de bovenste bladoksels staan. De kroonbladeren zijn klierachtig gewimperd en aan de basis vaak oranjebruin. De kelkbladen zijn geheel groen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De eironde tot langwerpige, behaarde en gewimperde, kort gesteelde bladeren zitten met 3 of 4 in kransen aan de rechtopstaande zacht behaarde stengels. Ze zijn aan de onderkant beklierd.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

puntwederik : gele bloemen in schijnkransen in langgerekte bebladerde pluimen, kelkbladen geheel groen, kroonbladen gewimperd.

 

grote wederik : gele bloemen in pyramide-vormige pluimen aan het einde van de stengels en zijstengels, kelkbladen roodachtig gerand.

 

 

grote wederik

 

 

 

Algemeen

 

– sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvend
– verwilderd vanuit tuinen
– 40 tot 100 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– pluim
– stervormig
– tot 3 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kransstandig, kort gesteeld
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf, gewimperd
– voet afgerond
– veernervig
– zacht behaard
– onderkant beklierd

Stengel
– rechtop
– kort zacht behaard
– stomp vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Groot spiegelklokje : Legousia speculum-veneris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, paarse 5-tallige bloemen met
– kelkslippen ongeveer even lang als de kroonslippen en
– een onderstandig vruchtbeginsel, dat lijkt op een kantige steel

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Groot spiegelklokje is een eenjarig plantje van 10 tot 40 cm hoog, dat groeit op open, vochtige, kalkhoudende grond in graanakkers en open bermen. Ze staat op de rode lijst als ernstig bedreigd. Ze is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Groot spiegelklokje bloeit vanaf juni tot en met augustus met 5-tallige paarse bloemen, die samen een losbloemige pluim vormen. De cultuurplanten zijn vaak wit. De bloemen lijken op een lange, driekantige steel te staan, maar dat is het onderstandige vruchtbeginsel. De 5 kroonbladen zijn vergroeid en tot iets minder dan de helft gespleten. De kroonslippen van volledig geopende bloemen staan vlak af, zijn iets uitgerand en hebben een spitsje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

klokjesfamilie (Campanulaceae)
– eenjarig
– zeer zeldzaam
– ook als tuinplant
– 10 tot 40 cm

Bloem
– paars
– vanaf juni t/m augustus
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 15 tot 25 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand zwak gekarteld
– voet (half)stengelomvattend of
aflopend
– kromnervig

Stengel
– rechtop
– weinig behaard
– kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Franjekelk : Tellima grandiflora

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de in een eindelingse, eenzijdige trosstaande groengele, klokvormige, knikkende bloemen met teruggeslagen franje-achtige kelkbladen, die soms rozerood verkleuren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Franjekelk is een overblijvende tuinplant uit Noord-Amerika, die in de Lage landen verwilderd voorkomt en wellicht ingeburgerd is.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in mei en juni met groengele bloemen, die in een eenzijdige tros aan het einde van de stengel staan. De bloemen vallen op door hun franje-achtige kelkbladen, die soms rozerood verkleuren. De 5 kelkbladen zijn vergroeid en vormen een opgeblazen, vijftandige kelk. De franje-achtige kelkbladen komen tussen de kelktanden naar buiten en buigen zich in de loop van de bloeitijd helemaal terug.

 

 

 

 

 

Blad

 

De behaarde bladeren zijn in omtrek nagenoeg rond. Ze hebben een hartvormige voet. De rand is gelobd en getand. De onderste bladeren vormen een rozet en zijn lang gesteeld. De stengelbladeren zijn korter gesteeld. Naar boven toe worden de stelen korter; de bovenste bladeren zijn zittend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

steenbreekfamilie (Saxifragaceae)
– overblijvend
– verwilderd, wellicht ingeburgerd
– 30 tot 75 cm

Bloem
– groengeel, soms rozerood verkleurend
– mei en juni
– eenzijdig, aarvormige tros
– klokvormig
– tot 1 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 2 of 3 stijlen

Blad
– rozet en stengelbladeren
– enkelvoudig
– in omtrek nagenoeg rond
– top spits
– rand gelobd en getand
– voet hartvormig
– handnervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond
– groen tot roodbruin

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brede lathyrus : Lathyrus latifolius

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

Brede Lathyrus, Montenach

 

 

Goed te herkennen aan
– de rozerode tot helder roze vlinderbloemen met brede vlag en
– de uit 2 deelblaadjes bestaande, gerankte, blauwgroene bladeren
– en de gevleugelde, blauwgroene stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Brede lathyrus is een overblijvende plant oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Zuid-Europa. In de Lage Landen wordt ze aangeboden als tuinplant. Vanuit tuinen is ze verwilderd (via tuinafval) en kan zich hier en daar goed handhaven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met opvallende, grote, aangenaam ruikende vlinderbloemen, die in lang gesteelde trossen van 5 tot 15 bloemen staan. De vlag en zwaarden zijn gelijk van kleur, rozerood tot helder roze, zelden wit. De kiel is wit.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren hebben een gevleugelde bladsteel en bestaan uit twee elliptische tot lancetvormige deelblaadjes met daar tussen een vertakte rank. De deelblaadjes hebben 5 parallel lopende nerven (onderling verbonden door middel van kleinere nerven), zijn 1 tot 4 cm breed en 4 tot 12 cm lang. Zowel de bladeren als gevleugelde stengels zijn blauwgroen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

aardaker : stengel kantig en niet gevleugeld, hele bloem rozerood tot helder rood.
boslathyrus : vleugels bladsteel 0,5 tot 1,8 mm, gevleugelde stengel, vlag roze, zwaarden roodpaars, kiel geelgroen.
brede lathyrus : vleugels bladsteel 2 tot 4 mm, gevleugelde stengel, vlag en zwaarden rozerood tot helder roze en witte kiel.

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– verwilderd vanuit tuinen
– 90 tot 180 cm

Bloem
– rozerood tot helder roze, soms wit
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– vlinderbloem
– (15) 20 tot 30 mm breed
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– elliptisch tot lancetvormig
– top stomp met kort spitsje
– rand gaaf
– voet afgerond of wigvormig
– parallel- en netnervig
– rank
– vleugels bladsteel (1,5-) 1,8 – 4 mm

Stengel
– liggend of klimmend
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Wilde akelei : Aquilegia vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

2541480761_61680fe101-wilde

 

 

Goed te herkennen aan
de grote (3 – 5 cm), knikkende, paarsblauwe bloemen, met 5 uitstaande bloemdekbladen en 5 gespoorde nectariën in dezelfde kleur

 

 

60

 

 

 

Algemeen

 

Wilde akelei is een overblijvende plant van 45 tot 60 cm hoog. Ze groeit op vochtige, kalkrijke grond op lichte plekken in loofbossen, in beschaduwd grasland en in de duinen. Ze is vrij zeldzaam en wordt ook aangeboden als tuinplant. Als de kleur paarsblauw is, is het niet meer mogelijk om te bepalen of het gaat om wilde of door verwildering ontstane exemplaren. Andere kleuren, zoals wit, roze, rozerood of roodpaars, planten met gevulde bloemen of met bloemen met gereduceerd spoor zijn altijd exemplaren, die verwilderd zijn.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wilde akelei bloeit vanaf mei tot en met juli met grote, paarsblauwe, knikkende bloemen, die in losse, armbloemige trossen aan het einde van de gebogen stengel en zijstengels staan. Na de bloei strekken de stengels zich en staan de vruchten rechtop. De bloemen hebben 5 uitstaande bloemdekbladen. De nectariën staan rechtop tussen de bloemdekbladen in, hebben dezelfde kleuren en aan de bovenkant een naar binnen gekromde spoor.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn gesteeld, bovenkant groen en kaal, onderkant blauwgroen en behaard. De wortelbladen zijn het langst gesteeld, dubbel 3-tallig met gelobde blaadjes, de bovenste zijn 3-tallig tot 3-spletig, de hoogste bijna zittend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam tot zeldzaam
– ook als tuinplant
– 45 tot 60 cm

Bloem
– paarsblauw
– vanaf mei t/m juli
– armbloemige losse tros
– gespoord
– 3 tot 5 cm
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– meer dan 20 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– (dubbel) 3-tallig tot 3-spletig
– top stomp
– rand gelobd of gaaf
– veernervig
– onderkant blauwgroen en behaard
– bovenkant groen en kaal

Stengel
– rechtop
– kort behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4

 

Schijnpapaver : Meconopsis cambrica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

meconopsis_cambrica

 

 

Goed te herkennen aan
de gele en oranje klaproosachtige bloemen

 

 

p1060432

 

 

 

Algemeen

 

Schijnpapaver is een overblijvende stadsplant van beschaduwde, vochtige, vaak stenige plaatsen. Het is oorspronkelijk een tuinplant uit West-Europa, die zich makkelijk uitzaait en daardoor snel verwilderd langs heggen en muurtjes.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met juli met gele of oranje klaproosachtige bloemen, die 4 kroonbladen hebben en 2 snel afvallende, behaarde kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn dubbel veerdelig en de stengel afstaand verspreid behaard.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Schijnpapaver is een wachtkamersoort; een soort die eventueel opgenomen gaat worden op de Standaardlijst van de Nederlandse flora.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

papaverfamilie (Papaveraceae)
– overblijvend
– ingeburgerd
– 15 tot 60 cm

Bloem
– geel en oranje
– vanaf mei t/m juli
– lang gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 5 tot 8 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 2 kelkbladen, snel afvallend
– meer dan 20 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– dubbel veerdelig
– top spits
– rand getand tot gaafrandig
– voet aflopend
– veernervig
– kaal

Stengel
– rechtop
– verspreid afstaand behaard

zie wilde bloemen

 

 

voorjaar2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA