Tagarchief: meeldraden

Kikkerbeet : Hydrocharis morsus-ranae

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine, witte bloemen op een lange steel boven water en
– de op het water drijvende, ronde bladeren met hartvormige voet en opvallende kromme nerven

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kikkerbeet is een drijvende waterplant, die groeit in ondiep, (matig) voedselrijk, zoet of zwak brak, zacht stromend of stilstaand, luw water; niet in groot open water. Ze is ook geschikt voor aquaria en siervijvers. Ze is algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juni tot en met augustus. De bloemen zijn zoet geurend en hebben drie witte kroonbladen, die aan de basis geel zijn. Ze staan op lange stelen boven het water. Ze zijn mannelijk of vrouwelijk. In het hart van de vrouwelijke bloemen staan 6 gele, 2-lobbige stijlen. In het hart van de mannelijke bloemen staan 12 gele meeldraden. De vrouwelijke bloemen zijn alleenstaand. De mannelijke staan met 2 tot 5 bij elkaar, maar meestal is er maar eentje in bloei, zelden 2. Elke bloem is maar 1 dag open.

 

 

 

 

 

Blad

 

De op het water drijvende, vlezige bladeren zijn cirkelrond, 2 tot 7 cm groot. Ze hebben een diep hartvormige voet en opvallende nerven; in het midden van het blad een rechte nerf en zijdelings daarvan aan elke kant 2 boogvormige nerven.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

waterkaardefamilie (Hydrocharitaceae)
– drijvende waterplant
– algemeen tot vrijwel ontbrekend
– 15 tot 30 cm

Bloem
– wit
– vanaf juni t/m augustus
– alleenstaand
– stervormig
– 2 tot 3 cm groot
– 3 kroonbladen, niet vergroeid
– 3 kelkbladen
– 12 meeldraden
– 6 stijlen

Blad
– verspreid of rozet
– enkelvoudig
– rond
– top stomp
– rand gaaf
– voet diep hartvormig
– kromnervig
– vlezig
– op het water drijvend

Stengel
– ondergedoken
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein kaasjeskruid : Malva neglecta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de buisvormig vergroeide meeldraden en
– de bleekroze tot witachtige kleine bloemen met donkere strepen op de kroonbladen en
– de liggende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein kaasjeskruid is een overblijvende, soms eenjarige plant. Ze is algemeen voorkomend en groeit op open, stikstofrijke, vaak omgewerkte grond, vooral bij dorpen, boerderijen en aan wegranden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juni tot en met september. Ze bloeit met bleekroze tot witte bloemen, die 5 uitgerande kroonbladen met donkere strepen hebben. De bloemen staan met 3 tot 6 bij elkaar. De meeldraden zijn buisvormig vergroeid.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengelbladeren zijn bijna rond en bestaan uit 5 tot 7 niet diep ingesneden lobben. De stengels zijn behaard en liggend, alleen het uiteinde is opgericht. De plant wordt 10 tot 40 cm hoog.

 

 

 

.

 

Toepassingen

 

Net als de andere kaasjeskruiden bevatten de bladeren van klein kaasjeskruid veel slijmstoffen en kleine hoeveelheden looistof. Deze combinatie werkt goed bij ontstekingen van slijmvliezen van bijvoorbeeld de maag en mond- en keelholte. De slijmstoffen gaan de hoestprikkel tegen, de looistof werkt samentrekkend en beschermt zo het kwetsbare slijmvlies. De plant wordt in de vorm van gorgeldrank, en soms ook als hoestdrank gebruikt of als thee voor de maag.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kaasjeskruidfamilie (Malvaceae)
– overblijvend of eenjarig
– algemeen tot minder algemeen
– 10 tot 40 cm

Bloem
– bleekroze tot wit
– vanaf juni t/m september
– bundel of krans
– stervormig
– 1,5 tot 3 cm
– 5 kroonbladen, uitgerand en niet   vergroeid
– 5 kelkbladen
– 3 bijkelkblaadjes
– meer dan 20 meeldraden
– 5 tot meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– rond met 5-7 afgeronde lobben
– top stomp
– rand gekarteld
– voet hartvormig
– handnervig

Stengel
– liggend, uiteinde rechtop
– aanliggend behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harig wilgenroosje : Epilobium hirsutum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de behaarde bladeren en stengel en
– alleenstaande helder roze bloemen en
– de lange vruchten

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Harig wilgenroosje is een overblijvende, zeer algemeen voorkomende plant van 60 tot 150 cm hoog. De stengel en bladeren zijn zacht behaard. Van de acht meeldraden zijn er vier langer en komen eerder tot ontwikkeling dan de andere vier. De plant groeit op natte, zeer voedselrijke grond langs oevers, in lichte bossen en in rietmoerassen. Ook op half beschaduwde plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen zijn helder roze van kleur en 2 tot 3 cm in doorsnede. Ze lijken op lange stelen te staan, maar de “steel” is het vruchtbeginsel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Wilgenroosje lijkt op harig wilgenroosje, maar is niet behaard. Daarnaast zijn de bloemen onregelmatiger van vorm en staan ze dichter bij elkaar, waardoor de bloeiwijze van wilgenroosje op een pluim lijkt. De kelkbladen zijn roodachtig.

 

 

gewoon wilgenroosje

 

 

 

Algemeen

 

teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 150 cm hoog

Bloem
– helder roze
– vanaf juni t/m september
– alleenstaand
– 2 tot 3 cm
– stervormig
– 4 uitgerande kroonbladen
– kroonbladen niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand onregelmatig scherp gezaagd   met haakvormige tanden
– voet (half) stengelomvattend of   aflopend
– netnervig
– zacht behaard, vooral op de nerven   lange afstaande haren

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– lang afstaand behaard
– rolrond

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote teunisbloem : Oenothera glazioviana

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 Goed te herkennen aan
– de grote lichtgele bloemen met een stijl, die even lang of langer is dan de meeldraden en
– de behaarde kelkbladen met rode strepen, of die later helemaal rood worden en
– de behaarde stengel met rode knobbels, strepen en/of vlekken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote teunisbloem is een stevige, zacht behaarde, tweejarige plant van 50 tot 150 cm hoog en groeit op open, droge, vaak omgewerkte zandige of stenige grond. In het eerste jaar ontwikkelt zich een bladrozet, in het tweede jaar de stevige bloeistengel. Ze komt vrij algemeen voor en is waarschijnlijk oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is in Europa als sierplant geïntroduceerd. Daarna is ze op enkele plaatsen verwilderd, soms in grote aantallen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote teunisbloem bloeit vanaf juni tot en met september met grote, geurende bloemen, die samen een aarvormige bloeiwijze vormen aan het einde van een rijk bebladerde stengel. Ze hebben 4 lichtgele kroonbladen, die duidelijk langer zijn dan de meeldraden. De bloemen bloeien maar 1 dag, hooguit 2 dagen. Ze openen zich in de avond. De kelkbladen klappen zich in een snelle beweging om naar de steel en in 15 tot 20 minuten heeft de bloem zich geopend. De bestuiving vindt voornamelijk plaats door insecten, die in de avond en nacht actief zijn. De kelkbladen hebben rode strepen of worden later helemaal rood. De stengel en het vruchtbeginsel hebben rode knobbels, strepen en/of vlekken.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Sinds de 80-er jaren wordt grote teunisbloem gekweekt vanwege haar oliehoudende zaden. Teunisbloemolie kent vele toepassingen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

grote teunisbloem : bloemen 35-50 mm, stengel en vruchtbeginsel met rode knobbels, strepen en/of vlekken, kelkbladen met rode strepen of later helemaal rood.
middelste teunisbloem : bloemen 20-28 mm, groene stengel, kelkbladen en vruchtbeginsel.
duinteunisbloem : bloemen 8-16 mm, stengel met rode knobbels, vlekken en/of strepen, kelkbladen vaak rood.
zandteunisbloem : bloemen 8-12 mm, groene stengel, kelkbladen en vruchtbeginsel.

 

 

middelste teunisbloem

 

 

 

duinteunisbloem

 

 

 

zandteunisbloem

 

 

 

Algemeen

 

teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– tweejarig
– vrij algemeen in duin- en stedelijke   gebieden
– 50 tot 150 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m september
– gesteeld alleenstaand in aar
– stervormig
– 3,5 tot 6 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– veernervig, met lichte middennerf
– voet wigvormig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– rolrond
– behaard
– met rode knobbels, vlekken en/of  strepen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grijskruid : Berteroa incana

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes,
– die in een dichte tros aan het einde van de stengel staan en
– de door beharing grijsgroene bladeren en stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grijskruid is een 20 tot 50 cm hoge, eenjarige plant. Ze groeit op open plaatsen met matig voedselrijke, zandige grond in bermen, langs spoordijken, in de duinen, op industrieterreinen en in graslanden. Ze is vrij algemeen voor komend. Grijskruid wordt ook uitgezaaid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grijskruid bloeit vanaf juni tot en met september met witte bloemetjes, die 4 gespleten kroonbladen hebben. De bloemen van grijskruid staan in dichte trossen aan het einde van de stengel.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Behalve op de kroonbladen hebben alle delen van de plant een dichte, aanliggende, stervormige beharing, wat de plant een grijsgroen uiterlijk geeft. De stengelbladeren staan verspreid aan de stengel, zijn lancetvormig met een stompe top en gave (soms getande) rand.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vrucht

 

Tijdens de bloei worden de stengels langer en vormen zich onder de bloeiwijze langs de stengel elliptische, iets bolle, behaarde, rechtopstaande vruchtjes. In elke vruchtje zitten 6 tot 10 zaden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– vrij algemeen tot zeldzaam
– ook uitgezaaid
– 20 tot 50 cm

Bloem
– wit
– vanaf juni t/m september
– dichte tros
– stervormig
– 8 tot 16 mm
– 4 gespleten kroonbladen
– niet vergroeid
– 4 behaarde kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top stomp
– rand gaaf of iets getand
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geelhartje : Linum catharticum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de witte, 5-tallige, kleine bloemetjes
– met een geel hart
– op vochtige tot vrij natte plaatsen (o.a. duinvalleien)

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Geelhartje is een laag, blauwgroen plantje, dat groeit op open plaatsen met vochtige tot vrij natte, al of niet kalkhoudende grond in duinen, op kalkgraslanden, in heide op leem, schraallanden, op afgravingen, zandplaten en soms in trilveen. Ze is plaatselijk algemeen voorkomend in de Lage Landen. Ze staat op de rode lijst als kwetsbaar.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Geelhartje bloeit vanaf juni tot en met augustus. De bloemen staan op draadvormige, ronde stelen en vormen samen een ijle bloeiwijze. Geopende bloemen staan rechtop, knoppen hangen over. Ze hebben 5 witte kroonbladen, die aan de basis geel gekleurd zijn, waardoor geelhartje (zoals de naam al zegt) een geel hartje heeft. Dat wordt nog versterkt door de gele meeldraden en stijlen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Elk plantje heeft meestal maar 1 stengel, die bovenin gevorkt vertakt is. De bladeren voelen ruw aan, hebben 1 nerf en staan tegenover elkaar. De onderste zijn eirond met stompe punt, de bovenste langwerpig met (toege)spitste punt.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Geelhartje maakt stoffen aan die haar giftig maken; ze beschermt zich hiermee tegen vraat door planteneters. Maar hoewel giftig, vroeger werd ze gebruikt als laxeermiddel. In de homeopathie wordt ze nog steeds toegepast bij bronchitis, aambeien en diarree.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Geelhartje is door haar gele hart direct van de andere kleine witte bloemetjes te onderscheiden.

 

 

 

.

 

Algemeen

 

vlasfamilie (Linaceae)
– een- of tweejarig, soms overblijvend
– plaatselijk algemeen tot zeer   zeldzaam, rode lijst
– 5 tot 20 cm

Bloem
– wit met geel hart
– vanaf juni t/m augustus
– alleenstaand
– stervormig
– 4 tot 6 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden, soms 4
– 5 stijlen, soms 4

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top stomp, spits of toegespitst
– rand gaaf
– voet aflopend
– 1-nervig

Stengel
– rechtop

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Bosrank : Clematis vitalba

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de talrijke trossen roomwitte bloemen met lange meeldraden en
– houtige stengels tot 30 meter hoog

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bosrank is een overblijvende, houtige klimplant die vrij algemeen voorkomt. Ze groeit op vochtige, voedselrijke, kalkhoudende grond aan bosranden, in heggen en in struikgewas. Recent ook in plantsoenen en als bodembedekker op kribben langs de grote rivieren.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bosrank bloeit vanaf juni tot en met augustus met roomwitte bloemen. De bloemen vallen vooral op door de talrijke lange meeldraden. Ze staan in okselstandige en eindelingse trossen. Ze hebben vier, aan beide zijden viltig behaarde bloemdekbladen, die iets teruggeslagen staan, aan de top soms omgerold zijn en spoedig afvallen. De binnenkant van de bloemdekbladen is wit, de buitenkant groenig.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn samengesteld geveerd en bestaan 3 tot 5 glanzende deelbladeren. De bladstelen slingeren zich om takken en stengels van andere planten zodra ze ermee in contact komen. De stengels zijn houtig en kunnen een lengte van 30 meter bereiken. Ze gaan hangen, zodra ze de top van een boom of struik bereikt hebben.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheid

 

Bosrank is giftig en kan huidirritaties veroorzaken.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen en toenemend
– tot 30 meter

Bloem
– roomwit
– juni t/m augustus
– tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 4 bloemdekbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– samengesteld
– veervormig oneven
– top spits
– rand gaaf, gelobd of getand
– voet hartvormig
– netnervig
– glanzend
– rankende bladsteel

Stengel
– klimmend of hangend
– behaard en kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beenbreek : Narthecium ossifragum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

steel1-g

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele stervormige bloemen met oranje helmknoppen en geel behaarde meeldraden
– na de bloei aan de mooie donker oranje doosvruchten omgeven door de resten van de bloem

 

 

4434-640

 

 

 

Algemeen

 

Beenbreek is een overblijvende, in grote groepen groeiende, zeldzame plant, die groeit op natte, zure grond in heide- en veengebieden. Ze staat op de rode lijst als zeer sterk afgenomen plant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met gele bloemen, die in vrij dichte aarvormige trossen aan het einde van de tot 30 cm hoge stengels staan. De bloemen hebben zes bloemdekbladen, die aan de buitenkant een brede groene middenstreep hebben.

Na de bloei vallen de bloemdekbladen en meeldraden niet af, maar kleuren ze samen met de zaaddozen donker oranje. De helder gele bloemen met oranje helmknoppen zorgen ervoor dat beenbreek tijdens de bloeitijd makkelijk te herkennen is. En ook in het najaar blijft de plant vanwege de grote, donker oranje doosvruchten een mooie en opvallende verschijning.

 

 

 

 

 

Blad

 

Beenbreek heeft twee soorten bladeren, stengelbladeren en wortelstandige bladeren. De stengelbladeren zijn duidelijk kleiner dan de wortelstandige bladeren en staan min of meer plat tegen de stengel. De wortelstandige bladeren zijn langwerpig, zwaardvormig.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Op de Shetland Eilanden werd deze plant zowel als verfstof, als in de geneeskunde gebruikt.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

beenbreekfamilie (Nartheciaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– 10 tot 30 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 6 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid of wortelstandig
– enkelvoudig
– zwaard- of lijnvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– niet vertakt
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-gr-beenbreek

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Adderwortel : Persicaria bistorta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

polygonum-bistorta-adderwortel-03

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze, lang gesteelde, alleenstaande, aarvormige bloeiwijze
– met een doorsnede van 1 tot 2 cm en
– de meeldraden die buiten de bloemetjes steken en
– de bladschijf die afloopt langs de bladsteel

 

 

img_6816-gr-adderwortel

 

 

 

Algemeen

 

Adderwortel is een overblijvende stinsenplant van 20 tot 50 cm hoog, die groeit op natte, matig voedselrijke grond in beekdalgraslanden en langs slootkanten. Ze groeit ook in vochtige loofbossen, maar dan bloeit ze meestal niet. Adderwortel is vrij zeldzaam, wordt ook aangeboden als tuinplant en verwildert vaak.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode valt in juni en juli. Soms is er een tweede bloeiperiode in augustus en september. Ze wordt 20 tot 50 cm hoog en bloeit met roze, langwerpige, dichtbloemige, stompe schijnaren, die 1 tot 2 cm breed zijn. In de schijnaar staan de bloemetjes met 2 of 3 bij elkaar. Elk bloemetjes heeft 5 bloemdekbladen (kelkbladen ontbreken) en 8 meeldraden die buiten de bloem steken. De schijnaar bloeit van onder naar boven en zodra de eerste serie bloemetjes is uitgebloeid, bloeit de schijnaar nogmaals, weer van onder naar boven. De eerst bloeiende bloemen hebben lange meeldraden en korte stijlen. Bij de tweede serie is dit omgekeerd.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De wortelbladeren zijn lang gesteeld en de bladschijf loopt af lang de steel. De stengelbladeren zijn kleiner, kort gesteeld of zittend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Adderwortel kent vele toepassingen. Jonge stengels en bladeren kunnen als spinazie gegeten worden of verwerkt worden in soep. Medicinaal is adderwortel onder andere te gebruiken als gorgelmiddel bij tandvleesproblemen, kiespijn of keelontsteking. Daarnaast is het door de zeer sterke samentrekkende werking te gebruiken bij bloedingen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

duizendknoopfamilie (Polygonaceae)
– overblijvend
– vrij tot zeer zeldzaam
– stinsenplant
– ook als tuinplant
– 20 tot 50 cm

Bloem
– roze, zelden wit
– in juni en juli, soms weer in
augustus en september
– aarvormige bloeiwijze
– 4 tot 5 mm
– stervormig
– 5 bloemdekbladen, vergroeid
– 8 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– wortelstandig en verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gegolfd of gaaf
– voet hartvormig
– veernervig
– wortelbladeren lang gesteeld
– stengelbladeren kort gesteeld of
zittend

Stengel
– rechtop
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

plaatthome

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Smalle weegbree : Plantago lanceolata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-plantago_lanceolata_inflorescense

 

 

Goed te herkennen aan
– het rozet van lange, smalle bladeren met duidelijk zichtbare parallel lopende nerven en
– de bloeiwijzen aan het einde van de stengel met uitstekende (room)witte meeldraden

 

 

bloeiende-plant-smalle-weegbree

 

 

 

Algemeen

 

Smalle weegbree is een 5 tot 45 cm hoge, zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant. Ze bloeit vanaf mei tot de herfst en groeit op open en grazige, vochtige, meestal omgewerkte of betreden grond langs wegen en dijken en in graslanden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemetjes van smalle weegbree staan in een korte, eironde tot langwerpige donkere aar op een duidelijk gegroefde stengel. Ook de vorm en grootte van de aar is afhankelijk van de kwaliteit van de grond. Korter en boller betekent minder voedselrijke omstandigheden.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan in een wortelstandige rozet, zijn lancetvormig (zelden breder), zacht behaard en voorzien van 3 tot 7 duidelijk zichtbare parallel lopende nerven. De bladeren versmallen zich geleidelijk in een gootvormige steel. In voedselrijke omstandigheden staan de bladeren rechtop. Zijn de omstandigheden minder gunstig dan blijft de hele plant kleiner en liggen de bladeren op de grond.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Smalle weegbree is vanouds een bekende geneeskrachtige plant. De bladeren bevatten een slijmoplossend en hoestprikkel dempend middel. Het sap van de bladeren kan tevens gebruikt worden bij jeukende insectensteken.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 5 tot 45 cm

Bloem
– (room)wit
– vanaf mei tot de herfst
– aar
– stervormig
– 15 tot 25 mm lengte hoofdje
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 4 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– geleidelijk versmallend
– parallelnervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– zacht behaard
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

smalleweegbree1

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4