Tagarchief: rund

Ezechiël 1 – 24 / met video

Standaard

Categorie: religie

 

 

Ezechiël 1 – 24 en 25-48

 

 

Ezechiël 1 – 24:  ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

De profetie van Ezechiël is een bijzonder boek met indrukwekkende visioenen, symbolische handelingen en boodschappen.

 

 

 ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 1
– Een stormwind uit het noorden
– Een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven voor een glans
– Midden in het vuur iets als blinkend metaal
– Midden in het blinkend metaal vier wezens
– Gedaante van een mens
– Vier aangezichten
– Vier vleugels
– Rechte benen
– Voetzolen als van en kalf fonkelend als gepolijst koper
– Onder de vleugels mensenhanden aan vier zijden
– Vleugels met elkaar verbonden
– Ieder ging recht voor zich uit
– Aangezicht ter rechterzijde leek op dat van een mens en dat van een leeuw
– Aangezicht ter linkerzijde leek op dat van een rund- Alle vier hadden ook het aangezicht van een arend
– Vleugels naar boven uitgespreid
– Twee vleugels waren met elkaar verbonden
– Twee vleugels bedekten hun lichaam, één van voren en één van achteren
– Het aanblik van de gedaante van de wezens was als brandende vuurkolen, als fakkels
die zich bewogen tussen de wezens
– Het vuur glansde en bliksemen schoten daaruit
– De wezens schoten heen en weer als bliksemschichten
– Op de grond voor de wezens was een rad
– De aanblik en het maaksel van de raderen was als de schittering van turkoois
– Alle vier de raderen hadden dezelfde vorm
– De aanblik en het maaksel van de raderen was alsof er een rad was midden in het rad
– Als de raderen gingen konden naar alle vier zijden gaan zonder zich om te keren
– De velgen waren hoog en ontzagwekkend en vol ogen
– Als de wezens gingen, gingen de raderen mee
– Boven het hoofd van de wezens was iets dat leek op een uitspansel, een
ontzagwekkend ijskristal
– Onder het uitspansel stonden de vleugels recht naar elkaar uitgestrekt
– Het geruis van de vleugelen als de wezens gingen was als het gebruis van vele
wateren, als de stem des Almachtige, een dreunend geluid als van een leger
– Als de wezens stilstonden lieten ze hun vleugels hangen
– Een stem klonk van boven het uitspansel (1:25; het lijkt erop dat Ezechiël wil zeggen
dat de stem opdracht geeft tot het gaan of stilstaan)
– Boven het uitspansel was iets als lazuursteen dat de vorm had van een troon
– Boven op datgene wat een troon leek was een gedaante die eruit zag als een mens
– Iets schitterde als metaal vanaf zijn lendenen naar boven omvat als vuur door een
omhulsel
– Vanaf zijn lendenen naar beneden was iets als vuur omgeven door een glans
– De aanblik van de omhullende glans was als de regenboog

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 10
– Wezens worden aangeduid als cherubs
– Het gehele lichaam van de wezens (rug, handen, vleugels) waren vol ogen
– De raderen werden ‘Werveling’ genoemd
– Ieder van de wezens had vier aangezichten: het eerste van een cherub, het tweede van
een mens, het derde van een leeuw, het vierde van een arend

 

 

 

 

 

 

 

Het visioen van de troonwagen

 

Direct bij aanvang van het boek wordt je gegrepen door het indrukwekkende en verbijsterende (3:15) visioen van de troonwagen of gloriewagen. Het staat niet voor niets aan het begin van het boek. De toon voor de profetie is gezet door de verschijning die Ezechiël een week lang verbijsterd of verdoofd achterlaat. Wat Ezechiël ziet in het eerste hoofdstuk komt ook op meerdere plaatsen in zijn profetie terug. Zo zien wij het een hele belangrijke rol spelen in de hoofdstukken 8 tot en met 11 en ook helemaal aan het einde van het boek in hoofdstuk 43.

Het visioen begint met een stormwind die Ezechiël uit het noorden ziet komen. Deze stormwind bestaat uit een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans. Midden in deze wolk is iets wat er uitziet als blinkend metaal en in het midden daarvan is een verschijning te zien die Ezechiël tot in detail schetst. Een stormwind, een wolk, iets blinkends, en dan de hele verschijning. Wat Ezechiël ziet, is opgebouwd uit verschillende lagen en dit bij elkaar wordt door Ezechiël ‘het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren’ (1:28) of ‘de heerlijkheid van de God van Israël’ (8:4) genoemd. De lagen zijn van onder naar boven:

– Werveling
Vier raderen van schitterend turkoois met velgen vol ogen, die in het midden allen nog een rad bezaten, zodat het voertuig naar alle kanten kon gaan. De raderen stonden ieder voor een cherub.

– Cherubs
Vier cherubs met vier vleugels en vier aangezichten. Twee vleugels waren uitgespreid naar boven en droegen het uitspansel en twee vleugels bedekten hun lichaam van voren en achteren. Hun aangezichten waren van rechts dat van een mens en een leeuw, van links dat van een rund en daarnaast ook nog het aangezicht van een arend.
De cherubs hadden rechte benen die uitliepen op koper gepolijste voetzolen als van een kalf. Tussen de cherubs was vuur als brandende kolen en fakkels. De cherubs zelfs schoten heen en weer als bliksemschichten. Wanneer de cherubs gingen, maakten hun vleugels een geruis als het bruisende water, de stem van de Almachtige, het dreunende geluid van een leger. De cherubs gehoorzaamden de stem die van boven het uitspansel klonk.

– Uitspansel
Een ontzagwekkend ijskristal gedragen door de vleugels van de cherubs.

– Troon
Op het uitspansel stond een lazuurstenen troon.

– Menselijke gedaante
Een gedaante als van een mens zat op de troon. Vanaf zijn lendenen schitterde iets als metaal naar boven, omvat als vuur door een omhulsel en naar beneden iets als vuur omgeven door een glans dat de aanblik had van een regenboog.

 

Wat zag Ezechiël? Als we het letterlijk willen nemen is het heel duidelijk. Alles staat tot in details beschreven. Zo gedetailleerd zelfs dat er door de lezer heel goed een voorstelling van te maken is. 

 

 

De hemelwezens

 

– Chayos/Chayah (wezens)
Voor de Chayah is de engelorde ook in overeenstemming met latere passages van Ezechiël waarin de wezens als cherubs worden aangeduid.

– Chasmal/Chasmalim (blinkend metaal)
Het woord voor blinkend metaal, Chasmal, is een moeilijk woord. Waarschijnlijk wordt er een legering van koper en zink bedoeld. De Griekse vertaling van deze verzen heeft “electron”, de naam van een mengsel van goud en zilver. Er kan sprake zijn van een verwijzing naar een hemels wezen. Er wordt dan echter alleen gedoeld op de vurige uitstraling van dit wezen. In Ezechiël 1:4 en 27 worden in ieder geval hetzelfde woord gebruikt. Dat ondersteunt het idee dat het om een hemelse aanblik gaat.

– Ofan/Ofanim (raderen)
De raderen, Ofan of Ofanim, zou mogelijk kunnen duiden op hemelwezens. De ontzagwekkende hoogte van de raderen en de ogen (1:18) doen inderdaad denken aan een wezen.

Galgal/Galgalim (werveling)
De laatste groep, Galgal of Galgalim, is onwaarschijnlijk als aanduiding voor hemelwezens, omdat het verwijst naar het geluid dat de raderen maakten (werveling).

 

Het is goed om op dit punt even stil te staan bij wat de Bijbel zegt over de hemelwezens. Er wordt eigenlijk onderscheid gemaakt tussen vier soorten hemelwezens:

(1) Engelen (mal’ak = bode)
In de Oude Testament worden deze wezens zonen Gods, goddelijken of heiligen genoemd.
Enkele eigenschappen die voor engelen gelden:
– Het zijn geesten (1 Kn 22:21)
– Ze zijn geschapen (Nh 9:6, Ps 33:6)
– Het zijn er veel (Dn 7:10)
– Ze kunnen verschijnen in mensengedaanten (Gn 18:2, 19:5)
– Ze worden geïdentificeerd als het ‘heer des hemels’ oftewel als de sterren (1Kn 22:19, Dt 4:19)

(2) Cherubs
Cherubs komen we in de Bijbel op meerdere plaatsen tegen:
– Als bewakers van de hof van Eden (Gn 3:24)
– Op het verzoendeksel van de ark van het verbond (Ex 25:19, 37:8)
– Als vervoerder van God (2 Sm 22:11 = Ps 18:10)
– Als troon van God (Ps 80:1, 99:1, Js 37:16)
– Opgesteld in de tempel (1 Kn 6:24)

(3) Serafs
Van serafs weten we heel weinig. Het enige wat we weten is gebaseerd op twee teksten uit Jesaja. Het zijn vliegende wezens met zes vleugels (Js 6:2,6). Zowel de cherubs als de serafs worden in de joodse traditie onder de engelen gerekend.

(4) Aartsengelen
Dit zijn hooggeplaatste engelen die ook wel vorsten worden genoemd. De Bijbel noemt er maar twee: Michäel en Gabriël (Lk 1:19, 26, Dn 8:26, 9:21). Maar op basis van Openbaring 8:3 kunnen we mogelijk concluderen dat het er zeven zijn. Binnen de joodse traditie worden de andere aartsengelen ook benoemd. Raphaël is daar één van. Nogmaals, de Bijbel zwijgt dus over de overige vijf naast Michaël en Gabriël.

 

 

 

 

 

De troon en de wagen

 

Een ander opmerkelijk punt is dat de verschijning eigenlijk uit twee delen bestaat: (1) de troon en (2) de wagen.
Het is waarschijnlijk dat de troon pas later in het visioen neerdaalt op de wagen. Enkele argumenten hiervoor zijn:
– Tot vers 21 wordt er namelijk helemaal niet gesproken over het ontzagwekkende uitspansel en de troon.
– In vers 9 wordt er gezegd dat de wezens ieder afzonderlijk recht vooruit gaan. Dat betekent dat het oppervlak dat ze beslaan groter en groter wordt. Alsof ze ruimte willen maken voor het ontzagwekkende uitspansel dat neerdaalt op hun vleugels.
– Verder vinden we in Ezechiël 10:18,19 ook nog een argument. Daar wordt beschreven hoe de heerlijkheid des Heren vanuit de tempel gaat staan boven de cherubs. Dat wil dus zeggen dat de heerlijkheid daarvoor niet boven de wagen stond.

 

 

De aangezichten

 

Ezechiël zag wezens met vier aangezichten: één van een mens, één van een leeuw, één van een arend en één van een rund die in tegenstelling tot 1:10 in 10:14 als het gezicht van een cherub wordt aangeduid. Er zijn meerdere soorten uitleggingen over de betekenis van de aangezichten.

De eerste groep ziet in de wezens duidelijke dienaars van God en stelt dat de aangezichten symbool staan voor bepaalde eigenschappen in die dienst.
– Het menselijk gezicht: zachtheid of begrip
– Het aangezicht van de leeuw: kracht
– Het aangezicht van de rund: geduld of volharding
– Het aangezicht van de arend: snelheid en alertheid

De tweede groep ziet in de aangezichten van de wezens representanten van de verschillende soorten op aarde. Ieder is binnen zijn soort de grootste.
– De mens als allergrootste
– De leeuw als de grootste van de wilde dieren
– De rund als grootste van het vee
– De arend als grootste van de vogels
Hiermee zouden de wezens dus Gods almachtige heerschappij in de schepping uitdrukken.Dit is natuurlijk een mooi beeld. Het is dan echter vreemd dat de zeedieren volledig in het beeld ontbreken.

Een derde groep ziet in de vier aangezichten een heenwijzing naar de vier evangelisten, die de ‘vier zuilen van de wereld’ genoemd werden:
– Mens: Mattheüs, omdat zijn evangelie begint met de menselijke afstamming van Christus
– Leeuw: Markus, omdat zijn evangelie begint met de boetepreken van Johannes die brulde als een leeuw
– Rund: Lukas, omdat zijn evangelie begint met het offer van Zacharias
– Arend: Johannes, omdat zijn evangelie begint met de hemelse afkomst van Christus

Een vierde groep wijst op de opmerkelijke overeenkomsten tussen de aangezichten en de Babylonische hoofdgodheden.

– Het menselijke gezicht: Nabu, de god van de openbaring
– Het gezicht van de leeuw: Nergal, de god van de onderwereld en de plaag
– Het gezicht van de rund: Marduk, de hoofdgod, die werd voorgesteld als een kolossale gevleugelde os
– Het gezicht van de arend: Ninib, de god van de jacht en oorlog

Heidense godheden waren in wezen niets anders dan personificaties van de krachten van de natuur. In de Babylonische godsdienst werden deze goden ook geassocieerd met vier sterrenbeelden die ook de eigenschappen van de aangezichten in zich droegen:
– Waterman
– Stier
– Leeuw
– Schorpioen; dit ongunstige teken werd vervangen door zijn vijand, het niet veraf gelegen sterrenbeeld van de Arend.

Wij moeten ons goed beseffen dat de Heer God zelf in Deuteronomium 4:15-19 al waarschuwt voor de verafgoding van afbeeldingen van menselijke en dierlijke wezens en de verafgoding van de hemellichamen.Het kan nooit zo zijn dat er in de heilige troonwagen van God daadwerkelijk afgoden te zien zijn.

Het is heel moeilijk om vast te stellen wat er nou voor betekenis achter de wezens in het visioen van Ezechiël schuilgaat. Uiteindelijk dragen de getoonde wezens bij aan de glorierijke majesteit van Hem die daar bovenop troont. Hem, de Heer God, komt alle eer toe!

 

We komen de opmerkelijke combinatie van dieren overigens op twee andere plaatsen in de
Bijbel tegen:

In 1 Koningen 7:29 worden ze vermeld als versierselen in de tempel die door koning Salomo gebouwd is en in Openbaringen 4:6-8 staan de wezens afzonderlijk (dus niet één wezen met vier aangezichten, maar vier afzonderlijke wezens gelijkend op een leeuw, een rund, een mens en een vliegende arend) voor Gods troon. Opmerkelijk is dat beide plaatsen direct zijn verbonden aan de heiligheid van God. De eerste keer in de woonplaats van de Heer God op aarde en de tweede keer bij de troon in de hemel. In de nieuwe tempel zoals Ezechiël die beschrijft aan het einde van zijn boek, zien we overigens de versierselen van een menselijk
gezicht en het aangezicht van een leeuw terugkomen (41:19).

 

 

 

 

 

 

Metahistorie: Godsverberging

 

De val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel is een duidelijk te markeren historische gebeurtenis in het jaar 586/587 vC. Vaak zijn wij geneigd om een dergelijke gebeurtenissen ook als historische verslaglegging te lezen en ons niet te beseffen wat de werkelijke impact is die deze gebeurtenis heeft gehad. We moeten ons echter goed beseffen dat de verwoesting van de tempel niet zomaar iets is, maar dat dit de verwoesting van Gods
woonplaats op aarde is.

In 1 Koningen 8 kunnen we lezen hoe de tempel door Salomo wordt ingewijd en hoe ‘de heerlijkheid des Heren het huis de Heren vervuld’ (vers 11). De plaats waar de heerlijkheid des Heren ooit was, was verwoest. Dat had natuurlijk grote consequenties voor Gods plaats op aarde. In dat verband is de profetie van Ezechiël zeer belangrijk. In de hoofdstukken 8 tot en met 11 zien we hoe de heerlijkheid des Heren geleidelijk de tempel verlaat. Ezechiël ziet hoe de heerlijkheid zich verplaatst van de ingang van de voorhof (8:7) naar de binnenste voorhof (8:16), naar de dorpel van de tempel (9:3), naar de ingang van de Oostpoort (10:19) en zich tenslotte opheft uit de stad Jeruzalem en zich vestigt op de berg ten Oosten van de stad (11:23). Dit is de Olijfberg. De berg waar Jezus weende over het lot van Jeruzalem (Lk 19:41) en de berg waar Hij uiteindelijk op zal terugkeren (Zc 14:4).

De verdwijning van de heerlijkheid des Heren is een aangrijpende en zeer belangrijke gebeurtenis in het Oude Testament en niet alleen voor het volk Israël, maar voor heel de wereld. Het boek De Zesde Kanteling van Ouweneel zet een interessante lijn uit. Ouweneel verdeelt de wereldgeschiedenis in de volgende zes kantelmomenten:
– Eerste kanteling: 4e millenium vC – Neolithische revolutie (landbouw, beschaving, cultuur)
– Tweede kanteling: 6e eeuw vC – Spilperiode (ontstaan grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten)
– Derde kanteling: komst van Christus
– Vierde kanteling: 7e eeuw nC – begin van de islam (de tegenactie)
– Vijfde kanteling: 16e eeuw nC – Wetenschappelijke revolutie (verbonden aan Renaissance, Reformatie, Humanisme)
– Zesde kanteling: ? (alles is ‘post’ -modern, – christelijk, -koloniaal, -industrieel)

De periode waar Ezechiël in leefde, wordt in de cultuurgeschiedenis de ‘Spilperiode’ genoemd. Dit was de periode waarin de grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten als het boeddhisme ontstonden. Als kerngebeurtenis ziet Ouweneel de verwoesting van de tempel in 586/587 en daarmee de verdwijning van de Sjechina van de aarde. De Sjechina is de ‘aanwezigheid van God’. Het woord komt van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘wonen’ of ‘verkeren’.

Zijn stelling is dat de Heer God Zich na de verwoesting heeft teruggetrokken in de hemel (Godsverberging) en dat dit gevolgen heeft gehad voor de hele aarde. Hierdoor veranderde er niet alleen iets in Gods relatie tot Israël, maar ook in Gods relatie tot de rest van de wereld. Voortaan werd Gods soevereine heerschappij namelijk geassocieerd met het volkerenhoofd die onder Gods toelating de macht kreeg. De allereerste hiervan was Nebukadnessar.

Zoals gezegd, is de Spilperiode, de tijd van Ezechiël dus, een periode waarin grote filosofische denksystemen zijn opgezet. In ieder geval lijkt het erop dat door de verberging van God, die begon met de terugtrekking van de heerlijkheid des Heren uit de tempel in Jeruzalem, overal op aarde allerlei godsdiensten en filosofische denksystemen zonder de ware God uit de grond schoten.

 

 

 

 

 

Heilshistorie

 

Ezechiël 1 tot en met 11 is een soort prelude tot de rest van het boek. Alle elementen van de boodschap van Ezechiël zijn er in terug te vinden:
– De heerlijkheid des Heren (1),
– De opdracht van Ezechiël (2-3)
– De waarschuwing voor het komende oordeel (4-7)
– De aanklacht: de beschrijving van Israëls zondigheid (8)
– De uitvoering van het oordeel (9-11)
– De belofte van het heil (11:14-21).

Deze volgorde komen we vaker tegen bij de profeten. De Heer God openbaart zich aan de profeet. Hij geeft hem de opdracht om het volk Israël te wijzen op haar zonden, te waarschuwen voor het komende oordeel hierover, maar ook de opmerkelijke belofte te doen van het heil dat de Heer God in de toekomst aan Zijn volk zal geven. Opvallend is daarbij dat het initiatief van het heil volledig bij de Heer God ligt. Hij zal het volk Israël weghalen bij de volken en terugbrengen naar hun land (11:17). Hij zal hen eensgezind maken, een nieuwe geest geven en hun versteende hart vervangen door een levend hart (11:19). Het initiatief ligt echter niet alleen bij de Heer God, want de gevolgen moeten heiliging (11:18) en gehoorzaamheid (11:20) zijn, waar iedereen persoonlijk voor moet kiezen (11:21).

De boodschap van Ezechiël draait om de verwoesting van de tempel. De verwoesting van de tempel betekende ook de opheffing van de tempeldienst. De Grote Verzoendag was de centrale gebeurtenis waarbij één keer per jaar de Hogepriester het Heilige der Heilige binnenging en de gemeenschappelijke offers te brengen om zo genoegdoening te doen voor de zonden van de individuen die onderdeel waren van het geheel. Door de verwoesting van de tempel viel ook dit weg. Als we in dat verband in hoofdstuk 18 lezen van het voorbeeld van de rechtvaardige vader, de goddeloze zoon en de rechtvaardige kleinzoon, dan is het opvallend dat er sterke nadruk komt te liggen op de individuele verantwoordelijkheid en ook het oordeel dat de Heer God aan ieder persoonlijk zal voltrekken.

Wij kennen nu de grote Hogepriester Jezus Christus (Hb 4:14). Ook voor het behoud dat door Zijn lijden, sterven en opstanding is bewerkt, geldt echter dat ‘ieder (individu) die in Hem gelooft het eeuwig leven krijgt’ (Jh 3:16).

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Wat kunnen wij leren van Ezechiël? Wat kunnen wij leren van het Oude Testament? We moeten ons goed beseffen dat de God van het Oude Testament en van het Nieuwe Testament precies Dezelfde is. Willen wij, als nieuwtestamentische gelovigen, God leren kennen dan zullen wij ook moeten studeren op het Oude Testament. We moeten de eigenschappen van God, zoals beschreven in het Oude Testament niet naast ons neerleggen als afgedaan of verouderd. De Bijbel geeft ons nergens aanleiding voor een dergelijke houding.

In de christenheid zie je steeds meer de ‘zachte’ eigenschappen van God benadrukt worden. Hij is onze liefhebbende Vader. De Heer Jezus heeft ons God doen kennen als onze Vader. Maar aan de andere kant neemt dat niets af van Gods heiligheid. God kan op geen enkele manier samenzijn met zondigheid. Johannes 1:5 en 6 zegt dat God licht is en dat in Hem geheel geen duisternis is en als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, maar in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet. Er is niet te onderhandelen over heiligheid! Het is een zwart-wit keuze. Je bent heilig of je bent het niet.

Het volk Israël was het niet. Als we in Ezechiël 8 lezen hoe de heerlijkheid des Heren Ezechiël rondleidt in de tempel dan schrik je. De gehele tempel is vervuld door afgoderij ontleent aan de heidens vruchtbaarheidsgod:

*Eerst ziet hij in de tempel van de Heer God een beeld voor de vruchtbaarheidsgodin Asjera of Astarte staan.

*Vervolgens wordt Ezechiël meegevoerd naar iets wat lijkt op een geheime kamer waar zeventig oudsten van het volk Israël occulte rituelen uitvoeren voor de afbeeldingen van dierlijke afgoden die op de muren geschilderd staan.

*Dan wordt Ezechiel een groep vrouwen ‘die Tammuz beweenden’ getoond. Tammuz was een van oorsprong Soemerische godheid die later geïdentificeerd werd met Baäl. Een god die stierf in de zomer aan het begin van de droogte en opstond met de komst van de regen in de herfst.

*Tot slot ziet Ezechiël een groep zonaanbidders. De tempel van Salomo schijnt door de Phoenisische architectuur zo gebouwd te zijn dat het zonlicht bij het begin van de herfst en de lente doordrong in de tempel. De mannen die Ezechiël zag, aanbaden echter in plaats van de Schepper van de zon het schepsel zelf.

Als wij deze afgoderij lezen dan begrijpen wij iets meer van de toon die in de hoofdstukken 12 tot en met 24 wordt aangeheven tegen Israël. De Heer God spreekt in zeer expliciete bewoording over de zondigheid van Israël. Met name de hoofdstukken 16 en 23 zijn heftige hoofdstukken, waarin de Heer God zich net als bij de profetie van Hosea beklaagt als bedrogen echtgenoot. De aanklachten zijn expliciet en zeer aangrijpend.

In Jacobus 4:1-10 en 2 Korinthe 11:1-3 zien we dat ook het Nieuwe Testament aanspoort om rein te blijven ten opzichte van Christus en ook daarbij wordt gesproken over een huwelijksrelatie en overspel. Binnen een goed huwelijk is het onmogelijk dat één van beide partners op welke manier dan ook ontrouw is aan de ander. Natuurlijk is het voor ons geen vraag of we ons storten in afgoderij, maar er zijn meerdere vormen van overspelig gedrag. Jacobus noemt daarbij heel duidelijk de vriendschap met de wereld.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

Dommer dan de dieren

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

In het eerste hoofdstuk van het boek Jesaja staat in vers 2 en 3 het volgende:

 

 

‘Hoort, hemelen en aarde, neigt uw oor, want de Here spreekt: Ik heb kinderen groot gebracht en opgevoed, maar zij zijn van Mij afvallig geworden. Een rund kent zijn eigenaar, en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, Mijn volk geen inzicht’.

 

Als u het begin van de Bijbel de beide boeken van Genesis en Exodus leest, ziet u hoe God alles geschapen heeft. Hoe God de mens een pracht plekje op aarde gaf, waar geen voedsel of ruimteprobleem heerste. U leest daar ook hoe de mens ontrouw is geworden en hoe het kwaad in deze schepping is binnengedrongen. In Exodus kunt u lezen hoe God Z’n volk verlost uit de slavernij in Egypte en het brengt naar het land Kanaän of Palestina. God had grote plannen met dat volk. Uit Israël zou namelijk de Verlosser geboren worden. Het moest laten zien wat het betekent een volk van God te zijn. Maar het volk faalde hopeloos.

Hier in Jesaja trekt God een vergelijking tussen hen en het vee, en dan blijkt het vee verstandiger te zijn dan de mensen. Een rund kent immers zijn eigenaar, het loopt in de wei al naar de boer toe als hij er aan komt. Een ezel weet tenminste waar en van wie hij zijn voedsel krijgt. Israël dacht echter niet aan de zorgen die God aan hen besteed had. Wij mensen doen alsof er geen God in de hemel is. We doen alsof we eigen baas zijn hier op aarde. We hebben de evolutietheorie uitgevonden, we zijn uit de dieren geëvolueerd en zijn zogezegd ontwikkeld. Dat moet echter wel een neerwaarts gerichte evolutie zijn geweest.

Diep in ons hart weten we natuurlijk wel dat er een God is, maar we willen aan Hem liever niet denken. Want als er een God is, dan zullen we eenmaal voor Hem rekenschap hebben af te leggen. De stem van ons geweten leggen we daarom het zwijgen op. En hoe beroerd ’t in de wereld ook toegaat – en het gaat steeds beroerder – we kloppen onszelf trots op de schouder, want we kunnen toch heel wat. Onderwijl echter is iedere koe in de wei een aanklacht. Zo’n beest is verstandiger dan de mens, die God de rug heeft toegekeerd.

Heeft u God gedankt voor uw gezondheid? ‘Daar zorgt de dokter toch voor!’ zegt u misschien. Heeft u God gedankt voor uw eten? ‘Daar werk ik toch voor!’ Zo kunnen we doorgaan. En toch houdt diezelfde God, waar u geen gedachte aan wilt wijden, die Schepper, die u niet wenst te erkennen, deze schepping nog in stand en zorgt nog dat uw voedsel groeit. Bovenal zond diezelfde God Zijn Zoon, Jezus Christus, om voor uw zonde te sterven, opdat wanneer wij ons niet meer dommer dan de dieren zouden willen gedragen, u met Hem weer in contact zou kunnen komen.

Diezelfde God roept u op om u tot Hem te bekeren vóór het te laat is en Hij de afrekening aan deze wereld gaat presenteren. Dit is geen dreigement, maar realiteit. In het verleden heeft de wereld ook de rekening van haar ontrouw en zonde gepresenteerd gekregen in de zondvloed. In de toekomst zal het weer gebeuren in het eindoordeel, dat deze wereld zal treffen.

 

 

Daarom roepen we u op uw schuld voor God te belijden en Jezus Christus als uw Heiland te aanvaarden.

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget