Tagarchief: zonde

Wat is bekering?

Standaard

categorie : religie

 

.

Bekering is een algehele verandering van iemands levensrichting: een afkeer van het kwaad en een omkeer tot God, om Hem te gehoorzamen en te dienen. God wil dat we ons tot Hem bekeren en geloven in Zijn Zoon, Jezus Christus, de verlosser. Bekering gaat daarom gepaard met geloof in Jezus Christus. Bekering gaat ook samen met een geestelijke wedergeboorte, de onzienlijke kant van dezelfde ingrijpende levensgebeurtenis. Bekering geeft God gelegenheid en reden om vergeving van zonden, het eeuwige leven en de gave van de Geest te schenken. Bekering leidt tot een blijvende verandering ten goede: vrucht dragen, goede werken doen.

 

 

christelijk-geloof-verlossing

 

 

 

Noodzaak

 

De mens is een zondaar, die, om behouden te worden van Gods oordeel over de zonde en het eeuwige leven te beërven, bekering nodig heeft. De twaalf leerlingen die de Heer Jezus uitzond predikten ‘dat men zich moest be-keren’ (Marc. 6:12).


Mr 6:12 .En zij vertrokken en predikten dat men zich moest bekeren.

 

In het oude- en nieuwe testament wordt deze eis gesteld om weer met God in gemeenschap te komen en ontrukt te worden aan het dreigende oordeel. De grondslag hiervoor is gelegd door het werk van Christus aan het kruis volbracht.

.

 

 

Bekering van

 

Wie zich bekeert, bekeert zich van iets: van de geestelijke en zedelijke duisternis, van de macht van Satan.

Hnd 26:18 opdat zij zich bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij.

De bekeerling is zich niet altijd bewust van de macht van de satan of van de duisternis waarin hij zich bevond. Hij breekt met een slecht leven of met een slechte praktijk en wil met Jezus een nieuw begin maken. In de ogen van de Heiland is er meer aan de hand: wie zich bekeert, keert zich af van de duisternis en van de macht van satan.

.

 

 

Bekering tot

 

De waarachtige bekering is een bekering tot God. De door de zonde verstoorde verhouding tot een heilige en rechtvaardige God wordt door de bekering hersteld. Wie zich bekeert treedt tot God in een nieuwe betrekking. Het is alsof een verloren zoon thuis komt bij zijn vader, die in liefde naar zijn kind uitzag. Bekering is een relationele verandering die leidt tot een persoonlijk kennen en omgaan met God.

De Godsgezant Paulus betuigde de bekering tot God:

Hnd 20:21 terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde.

 

.

Ook de Heer Jezus, die aan Paulus verscheen, spreekt van bekering tot God:

Hnd 26:18 opdat zij zich bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij.

 

.

Bekering tot God gaat gepaard met het aanroepen van God, het berouw hebben over zonden, het erkennen/belijden van zonden en het geloven in de Heer Jezus Christus (Hand 2:21). Wie zich bekeert, neemt zich voor verkeerde dingen  voortaan na te laten en wendt zich tot God met erkenning van persoonlijke zonden.

 

 

4234137

 

 

 

In- en uitwendig.

 

Deze ommekeer dient een hartezaak te zijn, niet slechts uitwendig: niet alleen een uitwendige gedragsveran-dering of een woordelijke belijdenis:

Hnd 3:19 Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer

Hnd 26:20 maar ik heb eerst hun die in Damaskus en in Jeruzalem waren en in het hele land van Judea en aan de volken verkondigd, dat zij berouw moesten hebben en zich tot God bekeren en werken doen, de bekering waardig.

Deut. 30:2 En gij zult u bekeren tot den Heere God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

 

.

Soms wordt in de Bijbel over bekering gesproken als over een inwendige verandering; soms echter ook over een uiterlijk zichtbare verandering en ook wordt van een inwendige én uitwendige ommekeer melding gemaakt. De verandering bij een bekering is zowel uitwendig als inwendigeen andere weg inslaan alsook andere gedachten of gezindheid aannemen:

 


Jes 55:7 De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den Heere zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

 

.

geloof-beproeving

 

.

 

 

Gods werk vóór de bekering

 

De bekering is een antwoord op Gods werk aan het hart en geweten van een mens. Door middel van woorden (van christenen, uit de Bijbel), ontmoetingen, gebeurtenissen of omstandigheden spreekt God de mens aan. Evangelisten en andere christenen brengen de boodschap van de verlossing door Christus, gepaard met de oproep tot bekering en geloof.

.

 

 

Onze verantwoordelijkheid

 

Bekeren is iets dat wijzelf moeten doen. God werkt, doch de mens moet ook iets doen, hij moet zich bekeren. Wij kunnen ons er niet aan onttrekken met te zeggen: ‘God bekeert mij (nog) niet’. We moeten niet op God wachten voor onze bekering. Integendeel, God wacht op ons tot wij ons bekeren. God geeft tijd en na onze bekering vergeeft hij. De menselijke en goddelijke werkzaamheden komen in de volgende verzen naar voren:

 

Opb 2:21 En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich van haar hoererij zou bekeren, maar zij heeft zich niet bekeerd.

Jer 36:3 Misschien zullen die van het huis van Juda luisteren naar al het onheil dat Ik hun denk aan te doen, zodat zij zich bekeren, ieder van zijn slechte weg en Ik hun ongerechtigheid en hun zonden zal vergeven.

Mt 13:15zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.

 

.

 

Gevolg van de bekering

 

Het gevolg van Godswege voor de bekeerling is de ondervinding van Gods ontferming, de vergeving en uitwissing van zonden, de gave van van Heilige Geest en een eeuwig hemels erfdeel.

Jes 55:7 De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de HEER, zo zal Hij Zich over hem ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldig.

Hnd 3:19 Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer

Hnd 2:38 En Petrus zei tot hen: Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.

 

God wil iedere berouwvolle bekeerling vergeving van zonden schenken, zodat de gemeenschap met Hem weer wordt hersteld en de mens opnieuw, door de Heilige Geest, in staat is Hem van harte te dienen.

 

.

 

Na de bekering de doop

.

Op de bekering hoort de doop te volgen.

 

Hnd 2:38 En Petrus zei tot hen: Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.

 

 

doopl1

.

 

.

Levensverandering

 

Bekering leidt tot een verandering in denken, willen, voelen en gedrag. De nieuwe levenswijze vloeit deels op ‘natuurlijke’ wijze voort uit de nieuwe natuur die de gelovige door de wedergeboorte ontvangt en uit het ver-nieuwende werk van God. Zo moet de bekeerling gevolg geven aan zijn bekering en zich gedragen de bekering waardig. Bekering moet door gehoorzaamheid aan God leiden tot een andere levensstijl.

 

Hnd 26:20 maar ik heb eerst hun die in Damaskus en in Jeruzalem waren en in het hele land van Judea en aan de volken verkondigd, dat zij berouw moesten hebben en zich tot God bekeren en werken doen, de bekering waardig.

Mt 3:8 Brengt dan vrucht voortde bekering waardig;

Tit 2:11 -14 Want de genade van God, heilbrengend voor alle mensen, is verschenen
en onderwijst ons, dat wij met verzaking van de goddeloosheid en de wereldse begeerten ingetogen, rechtvaardig en godvruchtig zouden leven in deze tegenwoordige eeuw,
in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus, die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken

1Th 1:8-10 Want van u uit heeft het woord van de Heer weerklonken, niet alleen in Macedonië en in Achaje, maar in elke plaats is uw geloof jegens God uitgegaan, zodat wij daarvan niets hoeven te zeggen; want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om de levende en waarachtige God te dienen en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn.

 

Miljoenen hebben, door Gods Geest en door Zijn woord bewerkt, de wondere uitwerking van deze verandering ervaren en gaan als gelukkige mensen door het leven, zij het niet zonder struikeling of strijd. Met de jongste zoon uit de gelijkenis van Luk. 15 delen zij in de vreugde “verzoend te zijn met God” en een plaats te hebben in het huis des Vaders.

 

.

 

Blijdschap in de hemel

 

Voor God is de bekering van een mens een grote, vreugdevolle verandering, zoals de Heer Jezus duidelijk maakt in de gelijkenis van de verloren zoon:

 

Lu 15:24 want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn. 

 

 

.

Noodzakelijk voor ieder mens

 

De bekering tot God, met het geloof in Jezus Christus, is nodig voor de joden en voor de andere volken, dus voor alle mensen en is nog noodzakelijk voor ieder mens, of hij religieus is of niet. Immers, er is niemand die wegens zijn zonde van nature voor God kan bestaan. Zoals Gods gezant Paulus zegt:

 

Hnd 20:21 terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde. 

Hnd 26:20 maar ik heb eerst hun die in Damascus en in Jeruzalem waren en in het hele land van Judea en aan de volken verkondigd, dat zij berouw moesten hebben en zich tot God bekeren en werken doen, de bekering waardig.

 

 

geloof-en-wetenschap

.

 

 

Bekering + geloof = behoudenis

 

Bekering dient samen te gaan met geloof in Jezus Christus. Bekering + geloof = behoudenis. Deze behoudenis omvat werkelijk veel heil en zegen. In onderstaande tabel worden bekering en geloof naast elkaar geplaatst en nader verduidelijkt:

 

.

Bekering + geloof = behoudenis
Erkennen tegenover God dat het niet goed zit met je, dat je gezondigd hebt.

Je afkeren en bereid zijn je af te keren van wat slecht is en je keren tot God.

Willen breken met verkeerde gewoonten.

Bekering betekent dat je een ander, een nieuw leven wilt gaan leiden met God.

Bekering is afslaan van een weg zonder God, invoegen op een weg met God.

 Je vertrouwen vestigen op Jezus. Je waagt het met Hem.

God op zijn Woord nemen.

Geloven dat God ook jou wil redden van je zonden en daarvoor Zijn Zoon heeft gegeven.

Een aanbod, een geschenk aannemen uit de handen van God.

Jezelf aan God overgeven.

Rusten in een werk dat volbracht is.

“Dank u wel” zeggen tegen God” voor het werk dat Jezus aan het kruis heeft volbracht.

Niet verloren gaan.

Niet in het oordeel van God komen.

Vergeving van zonden.

Uitwissing van zonden.

Kind van God geworden.

Een nieuwe schepping.

Een eeuwig erfdeel in de hemel.

Gemeenschap en omgang met God.

 

 

 

Bekering en het Koninkrijk van God

 

De oproep tot bekering klinkt in het Nieuwe Testament al vóór het verlossingswerk dat Jezus Christus aan het kruis volbracht. Het was een onderdeel van de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk van God. Het goede nieuws (‘evangelie’) dat het Koninkrijk van God nabij was gekomen werd verkondigd door Johannes de Doper en daarna door Jezus Christus.

De bekering moest niet zonder gevolg zijn, maar tot een blijvende verandering ten goede leiden: vrucht dragen, goede woorden en daden voortbrengen. Johannes de Doper zei:

 

Mt 3:8  Brengt dan vrucht voort, de bekering waardig;

De oproep tot bekering ging gepaard met de oproep om te geloven in het goede nieuws (evangelie) van het Koninkrijk:

Mr 1:14-15  Maar nadat Johannes was overgeleverd, kwam Jezus naar Galilea en predikte het evangelie van het koninkrijk van God en zei: De tijd is vervuld en het koninkrijk van God is nabij gekomen; bekeert u en gelooft in het evangelie.

De Koning werd echter verworpen en gekruisigd. Doch God maakte hiervan een verlossingswerk. Aan het kruis droeg Jezus onze zonden en onderging de straf over onze zonden. Wie zich bekeert tot God en in Zijn Zoon Jezus gelooft, wordt overgebracht in het koninkrijk van de Zoon.

Col 1:12-14  terwijl u de Vader dankt, die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht; die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde,  in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden.

Door de bekering komt men op een ander terrein, het terrein van het Koninkrijk van God.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

John Astria

Twintigste Miniatuur : eerste visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

.

.

Twintigste Miniatuur: Eerste visioen van het Derde Boek

 

 

Scivias%20T%2020_Boek%20III,1

 

 

Voor de soevereine majesteit van God stond Lucifer als een grote Ster te schitteren. We hebben in de tiende miniatuur gezien, dat de engelen zijn geschapen toen God sprak: “Het worde licht.” Hier worden zij voorgesteld als gouden sterren tegen een zilveren achtergrond.

Dit zilver heeft in de voorgaande miniaturen twee bijzondere betekenissen: het wijst op de almacht van God de Vader, het ondoorgrondelijk licht, maar ook op het licht van het geloof waaraan ieder schepsel zich onderwerpt dat God gehoorzaamt, zowel engel als mens.

Maar de hemelse geesten bleven niet allemaal engelen van het licht. Een aantal onder hen hield op de Goddelijke Schoonheid te aanbidden en keek naar zichzelf. Zij raakten verstrikt in de zonde van de hoogmoed. Daarom werden zij neergeworpen in de afgrond van het Noorden vèr van het aanschijn van God. Hun schittering veranderde in duisternis.

Het licht dat zij verloren werd bestemd voor de gelukzaligen die God mettertijd vormen zou uit het leem der aarde. We merken dat de gouden sterren van de gevallen engelen in een soort kolk naar beneden getrokken worden. Daarbij doven de sterren uit en worden zij meer en meer verduisterd. Door haar eenvoud van compositie, klaarheid van symboliek en harmonie van kleuren is deze miniatuur één van de mooiste van heel de serie.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

Leerstellingen in de Bijbel

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 17 Grote leerstellingen van de bijbel

.

In dit hoofdstuk zullen we enkele grote leerstellingen van de Bijbel onderzoeken. Al deze woorden komen dikwijls voor in de Bijbel en in Bijbelstudies. Soms lezen we ze zo dikwijls, dat we niet meer gaan nadenken over wat ze betekenen. En het kan gevaarlijk zijn te vertrekken van een verkeerd of onduidelijk begrip van wat ze betekenen. Zelfs als we denken nogal goed te weten wat sommige van die woorden betekenen, is het geen slecht idee deze termen af en toe eens opnieuw van nabij te onderzoeken.. Het is altijd mogelijk iets meer erover te leren of ons huidig begrip ervan te verrijken.

 

.

A. HET AVONDMAAL

Zoals een officiële feestdag herinnert aan bijzondere gebeurtenissen, is het Avondmaal een herinneringsmaaltijd, waarbij de Christenen belangrijke gebeurtenissen uit het verleden herdenken (1 Korintiërs 11:23-26). Vandaag gebruiken Christenen het Avondmaal om te gehoorzamen aan Jezus’ verzoek en aldus Zijn dood op het kruis te herdenken. Het brood stelt het lichaam van Jezus voor en de wijn of druivensap Zijn bloed. Die gebeurtenissen worden herdacht, omdat het daardoor is dat God ons vergeven heeft en de Gemeente heeft opgericht. Drie andere punten zijn belangrijk.

  • Ten eerste, het Avondmaal is niet alleen een terugblik op Jezus’ dood. We eten het op de eerste dag van de week (Handelingen 20:7), de dag waarop Jezus uit het graf werd opgewekt (zie Opstanding). We weten dat Jezus opgewekt werd en nog altijd leeft en met die maaltijd verheerlijken we Zijn opstanding, zowel als Zijn dood.
  • Ten tweede, gebruiken de Christenen het Avondmaal samen. Wij zijn Gods familie en hebben elkaar lief (1 Korintiërs 10:17).
  • Ten derde, wanneer we het Avondmaal eten kijken we verlangend uit naar de tijd, wanneer Jezus zal terugkeren en bij Zijn familie zal zijn (1 Korintiërs 16:22).

 

 

laatste-avondmaal-pascha

 

.

 

B. CHRISTUS

Het woord ‘Christus’ komt van het Grieks, ‘christos’, dat betekent ‘gezalfde’ (zie Messias). Vroeger werden koningen en andere belangrijke mensen ‘gezalfd’ (1 Samuël 10:1, 16:1-13) om aan te tonen dat ze speciaal werden uitgekozen door God. Jezus wordt de Christus genoemd, omdat Hij Gods uitverkoren Zoon is, door wie God de wereld redt (Handelingen 10:38).

 

 

christus-de-gerechtigte

 

.

 

C. DE DOOP

Het woord ‘doop’ is de vertaling van het Grieks ‘baptizo’, dat betekent iets of iemand ‘in of onderdompelen in water.’ De eerste Christenen werden gedoopt – ondergedompeld in water – omdat ze Jezus Christus aanvaardden als Gods Zoon. De doop wordt toegepast om te gehoorzamen aan Jezus’ gebod te dopen (Mattheus 28:16-20 en Marcus 16:15-16). Door de doop, schenken we onszelf aan God en door onze daden bevestigen we dat we niet zelfzuchtig willen leven, maar zoals Christus het wil. Bij het dopen gebeuren er 4 belangrijke dingen.

  • Ten eerste, worden onze zonden door God weggenomen. De schuld van voorbije slechte daden wordt vergeven – weggewassen – door de doop (Handelingen 2:38).
  • Ten tweede, komt de Heilige Geest van God, dezelfde Geest die Jezus uit het graf liet opstaan, in ons wonen (Romeinen 8:11 en Handelingen 2:28) (zie ook ‘Opstanding’ en ‘Heilige Geest’}. De Geest die in de Christen leeft, helpt hem in zijn dagelijkse leven, geeft hem de sterkte niet te zondigen en helpt hem tot God te bidden (Romeinen 8:26).
  • Ten derde, wordt de gedoopte persoon bij de doop bij de Gemeente gevoegd. Het wordt zijn nieuwe familie van broeders en zusters.
  • Ten vierde, wordt de doop de ‘nieuwe geboorte’ genoemd en de Christen ‘een nieuwe schepping’ (2 Korintiërs 5:17) niet alleen omdat de gedoopte persoon in een nieuwe familie wordt geboren, maar ook omdat hij bij de doop zijn leven herbegint. In die zin is het belangrijk in te zien dat de doop geen einde, maar een begin is van het nieuwe opwindende leven van de Christen met God en de mensen.

 

.

doop%20van%20een%20kind

 

.

 

D. EREDIENST

Eren is dienen. Wanneer we God eren, dienen we Hem. We eren God op twee manieren.

  • Ten eerste eren we God, wanneer we elke dag leven zoals God het wil en Hem welgevallig zijn (Romeinen 12:1-2).
  • Ten tweede, eren we God wanneer we met onze familie en anderen samenkomen om God te eren met het zingen van liederen, het lezen uit de Bijbel en door tot Hem te bidden.

.

.

642595045erdienst

 

.

 

E. HET EVANGELIE

Dit woord betekent ‘goed nieuws’. Het Christelijke Evangelie is het goede nieuws van wat God voor ons gedaan heeft door Zijn Zoon, Jezus. Jezus heeft ons Gods liefde getoond door Zijn leven en Zijn dood op het kruis, waaraan Hij stierf  voor onze zonden (zie ‘Kruisiging’). Verder toont Zijn opstanding (zie ‘Opstanding’) ons Gods macht en liefde, die de dood en de zonde overwint. Het Evangelie is goed nieuws, omdat het ons vertelt dat God ons liefheeft, ons vergeving schenkt, en ons ook uit net graf zal opwekken, om voor eeuwig met Hem te leven.

 

 

cuthbert-evangelie-gr

 

.

 

F. GEBED

Bidden is communicatie hebben met God. Dikwijls denken mensen dat het gebed vooral bedoeld is om God gunsten te vragen. Vragen is echter slechts een deel van het gebed, net zoals het maar een deel is van gesprekken met onze vrienden. Bidden omvat ook God eren, Hem bedanken, ons onderwerpen aan Zijn wil en Hem onze vergissingen vertellen. Omdat Hij ons liefheeft wenst God dat we met Hem zouden praten. En omdat Hij ons liefheeft, beantwoordt Hij onze gebeden ook.

 

 

112-f2887f53731ad3cb1633570407d90979gebed

 

.

 

G. GELOOF

Geloof is een van de hoofdthema’s in de Bijbel. Geloof betekent ongeveer hetzelfde als ‘vertrouwen.’ Wanneer we in iemand geloven, vertrouwen we die persoon. Kinderen geloven in hun ouders, omdat ze weten dat hun ouders hen liefhebben. Zo ook geloven we in God en vertrouwen we Hem, zowel als Jezus, omdat we Gods liefde voor ons kennen. De Bijbel vertelt ons over Gods liefde voor ons en dat Hij wil dat we in Hem vertrouwen zouden hebben.

Dat betekent echter niet dat we God altijd zullen begrijpen. Een klein kind verstaat misschien niet waarom het niet op straat mag spelen. En wij verstaan misschien ook niet altijd Gods wil, maar we weten dat Hij ons liefheeft en we vertrouwen Hem. We vertrouwen erop, dat Hij voor ons zal zorgen en de beloften zal houden, die Hij ons deed. Wanneer we spreken over ‘het geloof’ dan bedoelen we daarmee de waarheid die God ons gegeven heeft (Judas 3).

 

 

Ik Geloof

 

.

 

H. DE GEMEENTE

De Gemeente is een groep mensen, die door God werden samengebracht. De Gemeente is geen gebouw, alhoewel we soms spreken van ‘de Gemeente’ om het gebouw aan te duiden waar Christenen samenkomen voor de eredienst. De Gemeente werd door Christus gesticht en ze dient Hem (en ook God) door het Evangelie te prediken, erediensten te houden, anderen te helpen en een liefdevol leven te leiden.

 

 

bbs2gemeente

 

.

 

I. GENADE

Het woord ‘genade’ mag verstaan worden als liefhebbende goedheid. Genade beschrijft de wijze, waarop God ons liefheeft. Gods genade moet duidelijk begrepen worden als een liefde tot de mensen die blijft bestaan, ook wanneer de mensen ondankbaar zijn en zich tegen Hem keren. We zouden kunnen zeggen dat Gods genade onverdiende liefde is. God heeft ons lief, ook al verdienen we Zijn liefde niet. Gods genade is nog verbazender, wanneer we vaststellen dat Hij ons niet liefheeft omdat we goed of verdienstelijk zijn.

Hij houdt van ons opdat we goed zouden worden. De hele Bijbel is het verhaal van Gods genade, van Zijn trouwe, liefhebbende goedheid. Het hoogtepunt van dit verhaal is de dood van Jezus, (zie ‘Kruisiging’) waar Gods genade heel duidelijk word: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft” (Johannes 3:16).

 

 

genade-kruis-zondaar

 

.

 

J. DE HEILIGE GEEST

De Heilige Geest is de kracht, waardoor God vele van Zijn grote daden verricht. Het was door de Geest dat God het heelal schiep (Genesis 1:2). De grote leiders van Israël – Richters, Koningen en Profeten – kregen allen kracht en instructies van Gods Heilige Geest. De Heilige Geest was echter vooral werkzaam in het leven van Jezus, in Zijn onderricht en Zijn vele grote mirakels. Het was Gods Geest, die Jezus uit het graf heeft opgewekt (Romeinen 8:11) .

Vandaag doet de Geest vele dingen in de Gemeente. Hij werkt wanneer het goed nieuws (zie ‘evangelie’) word gepredikt (1 Thessalonissenzen 1:5 en 1 Korintiërs 2:4). De Geest is ook werkzaam wanneer iemand gedoopt wordt, (zie ‘doop’). De Geest komt in de gedoopte wonen. De Gemeente ontvangt sterkte en wijsheid van de Geest en Hij woont in de Christenen om hen te helpen te leven, zoals God het wil (Efeziërs 3:16).

 

 

De-Heilige-Geest3

 

.

 

K. DE KRUISIGING

Het woord ‘kruisiging’ komt natuurlijk van het woord ‘kruis.’ De kruisiging is de wijze, waarop Jezus vrijwillig de straf voor de zonden van alle mensen op Zich nam. De Kruisiging toont ons de liefde van God en Christus tot ons, een liefde die zo groot was, dat Hij bereid was onverdiende pijn en de dood te lijden. De kruisiging is een onderdeel van het Christelijke goede nieuws (zie ‘Evangelie’), omdat daaruit Gods grote liefde en vergevingsgezindheid blijkt.

 

 

kruisiging

 

.

 

L. LIEFDE

Liefde is de basis van het Christelijke geloof. God zelf is liefde (1 Johannes 4:8) en heeft door het leven en de dood van Jezus Christus bewezen dat Hij ons liefheeft (1 Johannes 4:9-10). Jezus toont Gods liefde, omdat Hij bereid was iets te geven, tot Zijn leven toe, voor ons welzijn (Romeinen 5:6-8). Omdat God en Jezus ons zo lief hebben gehad, moeten we de andere mensen liefhebben (1 Johannes 4:11). In feite is dit onze belangrijkst taak (Romeinen 13:8-10 en 1 Korintiërs 1:1-13).

Liefde is echter niet gewoonweg een gevoel, zoals de vreugde, die we ervaren met onze familie en onze vrienden. Liefde is de manier, waarop we handelen tegenover andere mensen. In die betekenis is liefde vriendelijk en hulpvaardig zij: voor andere mensen doen, wat we zouden willen dat zij voor ons doen (Lucas 10:25-37).

 

 

liefde

 

.

 

M. MESSIAS

‘Messias’ is het Hebreeuwse woord dat, betekent ‘de gezalfde (zie ‘Christus’). In het Oude Testament werden priesters, profeten en koningen allen door God gezalfd voor hun opdracht. De term ‘Messias’ kwam echter later om diegene aan te duiden, die verwacht werd om Gods vrede en redding voor alle mensen te brengen. Het Nieuwe Testament vertelt ons de komst van de langverwachte gezalfde of Messias. Hij is Jezus van Nazareth (Lucas 4:16-21 en Handelingen 4:17).

 

 

jezus-the-messias

 

.

 

N. DE OPSTANDING

Het Nieuwe Testament vertelt ons dat God Jezus uit het graf opwekte na de kruisiging. Het woord ‘opstanding’ duidt deze gebeurtenis aan. De opstanding van Jezus gebeurde op een zondag en daarom vergaderen de Christenen op zondag, de eerste dag van de week, om God te eren. Opstanding is ook de gebeurtenis, waar alle Christenen naar uitkijken: hun eigen opstanding uit de dood. Omdat Christus uit de dood opstond, weten ze dat God ook hen na hun dood zal opwekken om eeuwig met Hem te leven.

 

 

2013-03-31-18-36-53_jezus%20opgestaan%2004

 

.

 

O. DE SCHEPPING

De bijbel vertelt ons dat God de hemel en de Aarde schiep en alles wat erop is en ook de mensen (Genesis 1 en 2). De aarde is goed omdat God ze schiep. Zolang ze gebruikt wordt op de manier, die God bedoelde, blijft ze goed. Het feit dat God alles geschapen heeft leert ons ook dat God niet Aanwezig is in de sterren of in de bergen zoals vele primitieve volkeren geloofden.

God heeft alles gemaakt en daarom is Hij gescheiden van de Schepping. Daarbij komt nog dat alles God toebehoort. God heeft de mens gemaakt om Hem te helpen zorg te dragen voor de Schepping, om ze te gebruiken en te beschermen op de wijze, waarop God dit wil.

 

 

296ffe83ecff7ba1e6d1dbcf432ff83aschepping

 

.

 

P. VERBOND

‘Verbond’ betekent een overeenkomst tussen twee partijen. De personen die bij een verbond betrokken zijn, beloven elkaar trouw te zijn, maar ook de andere persoon altijd te eren, in gedachten, woorden en daden. Het huwelijk bijvoorbeeld is een verbond tussen twee mensen, die elkaar iets beloven voor het leven. Net zoals man en vrouw elkaar een ring geven om te tonen dat ze een verbond gesloten hebben, gebruiken mensen, die in de Bijbel een verbond gesloten hebben ook uiterlijke tekens om te tonen, dat er een overeenkomst, gesloten werd.

In Genesis 31:16-17 lezen we dat een grote steenhoop werd aangelegd om te tonen dat er een verbond of overeenkomst werd gesloten tussen twee mannen. Verbonden worden niet alleen tussen mensen gesloten, maar ook tussen de mensen en God. Een verbond met God ging ook gepaard met uiterlijke tekens. Zo werden er bijvoorbeeld dikwijls speciale maaltijden gegeten om te kennen te geven, dat er een verbond of overeenkomst met God werd gesloten (Exodus 24:3-11).

De twee delen van de Bijbel – het Oude en het Nieuwe Testament – verwijzen naar twee verschillende verbonden, die God met de mensen gesloten heeft (2 Korintiërs 3:6-18). Door Mozes sloot God een verbond met de joden. Door Jezus heeft God een nieuw verbond gesloten met ons. Daardoor vergeeft Hij onze zonden en roept Hij ons op Hem lief te hebben en te gehoorzamen. Tekenen van dit verbond zijn het Avondmaal en de doop.

 

 

Calice-HLverbond

 

.

 

Q. ZONDE

Zonde is zich tegen God keren en weigeren Zijn wil te doen. God, die ons geschapen heeft, weet wat goed is voor ons. Hij houdt van ons en wenst alleen het beste voor ons. Zondigen is dit ontkennen of vergeten. Net zoals bloemen zonder water verwelken, doen we ons schade aan wanneer we ons afkeren van God, de bron van het leven, en voor de zonde kiezen.

 

 

zondesgo

 

 

.

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

mijne kop a4  JOHN ASTRIA

 

 

Het woord “hart” in de Bijbel

Standaard

categorie : religie

 

 

Het woord “hart” is een van de meest gebruikte woorden in de Bijbel.

Het komt zowaar 876 keer voor.

 

 

De Heilige Geest

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

1. De boom en de vruchten

 

 Jezus Christus zegt in:

 

Mattheus 12:33-35
“Want aan de vrucht wordt de boom gekend…. Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond. De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het hart, en de slechte mens brengt slechte dingen voort uit de slechte schat.

 

Mattheus 7:16-18
“Men plukt toch geen druif van doornstruiken of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruch-ten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.

 

Een vrucht is altijd het product van een boom die het voortbrengt. Geen enkel fruit wordt geproduceerd zonder boom, en het kan ook niet verschillen van de boom die het voortbrengt. De Heer gebruikt hier dit beeld om ons te vertellen dat het gene wat een mens voortbrengt het overeenkomstig resultaat is van de schat die hij in zijn hart heeft. Een goed hart brengt goede vruchten voort en een slecht hart, slechte vruchten.

 

Spreuken 4:23
“Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is, want daaruit zijn de uitingen van het leven.

 

Uit het hart komen de uitingen van het leven d.w.z de resultaten, de vruchten die we voortbrengen in ons le-ven. Dus, het hart en wat daarin gaat, bepaalt de vruchten die eruit komen.

 

 

 

2. Het Woord en de vruchten

 

Gezien hebbend dat de resultaten die we voortbrengen in ons leven afhankelijk zijn van de schatten die we in ons hart hebben, en aannemend dat we alles willen doen om goede vruchten voort te brengen, zullen we nu zien welke goede schat geschikt is voor zulke vruchten. Hiervoor gaan we naar Spreuken 4:20. Daar spreekt God als een Vader en zegt:

 

Spreuken 4:20-21
“Mijn zoon, sla acht op mijn woorden, neig je oor tot wat ik zeg. Laat ze niet wijken van je ogen, bewaar ze in het binnenste van je hart.”

 

Onze Vader roept ons op om acht te slaan op zijn woorden, ons oor te neigen tot wat Hij zegt en zijn woorden in het binnenste van ons hart te bewaren. Zoals we eerder al zagen, de schatten die we in ons hart hebben bepalen de vruchten die we voortbrengen in ons leven. Dit geldt eveneens voor het Woord van God. Dat brengt ook vruchten voort wanneer we het in ons hart bewaren. Wat voor vruchten dat zijn, lezen we in vers 21:

 

Spreuken 4:21-22
bewaar ze [God’s woorden] in het binnenste van je hart. Ze zijn immers leven voor wie ze vinden, en genezing voor heel hun vlees.

 

De woorden van God, bewaard in het hart, zijn leven en gezondheid. Zoals Jezus zei:

 

Mattheus 4:4
“De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.

 

Het is onmogelijk voor de mens te leven zonder het Woord van God. Maar om de goede vrucht van het Woord voort te brengen moet hij dit Woord in zijn hart bewaren. Zoals Jezus vertelde in zijn uitleg van de welbekende gelijkenis van de zaaier:

 

Lucas 8:11-15
“Dit is de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God. Zij bij wie langs de weg gezaaid wordt, zijn zij die het horen; maar daarna komt de duivel en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet geloven en zalig worden. Zij bij wie op de rots gezaaid wordt, zijn zij die het Woord met vreugde ontvangen, wanneer zij het gehoord hebben. Maar dezen, die maar voor een bepaalde tijd geloven, hebben geen wortel, en in een tijd van verzoeking worden zij afvallig. En bij wie het zaad in de dorens valt, dat zijn zij die het hebben gehoord, maar die gaandeweg door de zorgen en rijkdom en genietingen van het leven verstikt worden en geen vrucht dragen. En waar het zaad in de goede aarde valt, dat zijn zij die het Woord horen, het in een oprecht en goed hart vasthouden, en in volharding vruchten voortbrengen.

 

Het is het Woord van God, vernomen en bewaard in een goed en nobel hart, dat goede vruchten voorbrengt, het overvloedige leven, precies zoals God verlangt dat wij hebben (Johannes 10:10)

 

 

De Heilige Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

3. God kijkt naar het hart en verlangt ons hart

 

Dat de Heer geïnteresseerd is in het hart blijkt ook duidelijk uit andere delen van het Woord:

 

1 Samuel 16:7
“Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Heer ziet het hart aan

 

De Heer is geïnteresseerd in het hart. Hij geeft niet om de uiterlijke verschijning of wij goed en vroom zijn. De Farizeeën waren zo. Uiterlijk leken zij vroom maar van binnen waren zij huichelaars! Zoals Jezus Christus zo kenmerkend tegen hen zei:

 

Lucas 16:15
“En Hij zei tegen hen: U bent het die uzelf rechtvaardigt voor de mensen, maar God kent uw hart.”

 

1 Korinthe 4:5

Er zal een dag komen wanneer de Heer wat in de duisternis verborgen is aan het licht zal brengen en de voornemens van het hart openbaar zal maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen. In tegenstelling tot de mens die belang stelt in het uiterlijk is God geïnteresseerd in het innerlijk, het hart.

 

Spreuken 23:26
“Mijn zoon, geef mij je hart, en laten je ogen behagen scheppen in mijn wegen.”

 

Veel mensen zijn bereid om verschillende dingen te doen in de naam van de Heere. Maar wat Hij wil is dat we Hem simpelweg ons hart geven. Hij wil niet eerst de vruchten, onze werken, maar de boom die de vruchten voortbrengt. Als die boom -ons hart- aan Hem behoort, dan zullen de vruchten die voortkomen ook goed zijn, komend vanuit een hart, overgegeven aan en geleid door Hem.

 

 

 

4. “Met heel uw hart”

 

Niet alleen is God geïnteresseerd in ons hart, maar Hij verlangt het ook in zijn geheel:

 

Mattheus 22:35-37
“En een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken: Meester, wat is het grote gebod in de wet? Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.

 

Deuteronomium 10:12
“Nu dan, Israël, wat vraagt de Heer, uw God, van u dan de Heer, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en de Heer, uw God, te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel

 

Deuteronomium 4:29
“Dan zult u daar de Heer, uw God, zoeken en u zult Hem vinden, als u Hem met heel uw hart en heel uw ziel zoekt

 

Jeremia 29:13 
“U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar mij zult vragen met heel uw hart “

 

Joel 2:12-13
“Ook nu echter, spreekt de Heer, bekeer u tot Mij met heel uw hart… scheur uw hart en niet uw kleren. Bekeer u tot de Heer, uw God, want Hij is genadig en barmhartig, geduldig en rijk aan goedertierenheid.”

 

Spreuken 3:1,2,5,6
“Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, en laat je hart mijn geboden in acht nemen, want lengte van dagen en jaren van leven en vrede zullen ze voor jou vermeerderen. Vertrouw op de Heer met heel je hart, en steun op je eigen inzicht niet. Ken Hem in al je wegen, dan zal Hij je paden rechtmaken.”

 

2 Kronieken 6:14

zegt: de Heer: “houdt het verbond en de goedertierenheid tegenover Zijn dienaren die met heel hun hart wandelen voor zijn aangezicht.

 

 

5. Zonde: Een zaak van het hart

 

Mattheus 5:27-28
“U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: U zult geen overspel plegen. Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft “

 

Dit schriftgedeelte heeft velen verward omdat men de zonde verbindt met uiterlijke daden. Maar God doet dit niet. Hij verbindt zonde met het hart, het innerlijk van de mens, datgene waar Hij naar kijkt. Wanneer het kwaad deel uitmaakt van ons hart is het zonde, ongeacht of en wanneer het zich zal uiten.

 

Psalm 66:18
Had ik in mijn hart onrecht op het oog gehad, de Heer zou mij niet hebben gehoord.”

 

Jesaja 59:1-2 
“Zie, de hand van de Heer is niet te kort dat ze niet zou kunnen verlossen, en Zijn oor is niet toegestopt dat het niet zou kunnen horen. Maar uw ongerechtigheden maken scheiding tussen u en uw God, uw zonden doen Zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij u niet hoort.

 

Zonde verbreekt onze gemeenschap met God op het moment dat zonde in ons hart bevrucht raakt. Daarom is het zo noodzakelijk ons hart te bewaken.

 

 

6 Conclusie

 

In de Schriften zijn 876 verwijzingen naar het woord “hart”. In de voorbeelden hebben we gezien hoe belangrijk het hart is en hoeveel waarde God eraan hecht. Zodoende zagen we:

i) Het hart, het innerlijke deel van ons wezen, is de boom waarvan de vruchten die we in ons leven voortbrengen afhankelijk zijn. Wanneer datgene wat we in ons hart hebben goed is dan zullen de vruchten die we voortbrengen ook goed zijn, en omgekeerd.

ii) Opdat het hart goede vruchten voortbrengt is het noodzakelijk dat het het Woord van God bevat. De woorden van God, in ons hart bewaard, zijn leven.

iii) Aangezien de vruchten die we dragen afhankelijk zijn van de schat die we in ons hart bewaren (Mattheus 7:16-18) en sinds goede vruchten alleen voortgebracht worden door diegenen die het Woord van God in hun hart bewaren (Lucas 8:15) kunnen we concluderen dat we het kwade moeten afwijzen.

iv) Het hart is datgene waar God naar kijkt en wat Hij van ons verlangt.

v) Hij wil dat wij Hem liefhebben met heel ons hart.

vi) Dat wij Hem dienen met heel ons hart.

vii) Dat wij Hem zoeken met heel ons hart.

viii) Wanneer wij afwijken van Zijn wegen, dat wij tot Hem terugkeren met heel ons hart.

ix) Dat wij Hem vertrouwen met heel ons hart.

x) Dat zonde een zaak van het hart is en als zodanig moet worden behandeld.

 

Mogen we zodoende ons hele hart aan de Vader geven, zoals Hij ons oproept. Zoals de Heer zei:

 

Johannes 15:4-8 
“Blijf in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen. Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen. Hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt en Mijn discipelen bent.”

 

 

 

 

 

 

 

Leugens die misleiden

Standaard

Categorie: religie

 

.

Misleidende leugens

 

1 Ze (de slang) zei tegen de vrouw: “Heeft God werkelijk gezegd dat je van geen enkele boom in de tuin mag eten?”
2 De vrouw zei tegen de slang: “Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin.”
3 God heeft alleen gezegd: “Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat mag je niet eten; je mag haar zelfs niet aanraken; anders zul je sterven.”
4 Maar de slang zei tegen de vrouw: “Je zult helemaal niet sterven!” (Gen. 3:1-4, Willibrordvertaling)

 

 

Satan, de tegenstrever, de vader van de leugen

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De keuze van Adam en Eva om tegen Gods onderwijzing in te gaan heeft verschrikkelijke gevolgen gehad voor de hele schepping. Het was een daad van rebellie, een gewillige overtreding van Gods gebod. Het gevolg was dat alle harmonieuze relaties die er tot dan toe waren, werden verstoord. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Hoe is het mogelijk dat Adam en Eva, terwijl ze zo veel van de Here hadden ontvangen en zo gelukkig waren, toch in zonde zijn gevallen? Laten wij eens kijken naar hoe de slang hen hiertoe heeft verleid. Het is de moeite waard hier kennis van te nemen, omdat de duivel nog steeds dezelfde tactieken hanteert om de mens onderuit te halen. Hoe meer wij begrijpen van de listen van satan, hoe beter wij in staat zullen zijn om zijn vurige pijlen af te ketsen. Het betreft eigenlijk allemaal leugens. Hieronder twee beproefde leugens van de vader der leugen.

 

 

1. God wil je leven beperken!

 

De slang komt niet gelijk met een directe opmerking, maar hij stelt Eva een vraag. Het is wel een venijnige vraag, omdat er een leugen in verwerkt is: “Heeft God werkelijk gezegd dat je van geen enkele boom in de tuin mag eten?” De Here had helemaal niet gezegd dat zij van geen enkele boom mochten eten. Zij mochten van álle bomen in de tuin eten, behalve van die ene. God wordt hier dus negatief afgeschilderd: ‘Hij heeft jullie in die tuin geplaatst om jullie te plagen. Hij verbiedt jullie van alles. Wat saai als je dat allemaal niet mag. Wat gemeen van God dat Hij van alles voor jullie neerzet en jullie er niet aan mogen komen. Wat worden jullie beperkt, dat is toch niet leuk meer! Er is veel meer te beleven!’

Met deze leugen verslaat de vijand nog steeds zijn tienduizenden: Als je God gehoorzaamt dan mag je bepaalde dingen niet, die nou juist zo leuk zijn. God dienen betekent dat je beperkt wordt en daardoor niet gelukkig kan zijn. Hoe vaak hoor ik mensen niet zeggen: Ja, echt mijn leven aan Christus geven, dat betekent dat ik sommige dingen moet opgeven en dat kan ik (nog) niet. Alsof Christus je roept tot een saai leven. Alsof wat God geeft niet genoeg is om gelukkig te kunnen zijn. Alsof de duivel een leuker en beter leven voor ons heeft.

 

 

Keuze tussen Satan en Christus en de eeuwige gevolgen

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

2. God laat je toch niet doodgaan?

 

Eva voelt zich genoodzaakt om het voor God op te nemen nadat de slang een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. Daarom corrigeert zij de slang ten aanzien van wat God heeft gezegd. Maar alleen al door het ingaan op zijn vraag treedt de eerste verduistering van haar verstand op. Door het gesprek alleen al wordt ze al een beetje vergiftigd in haar denken. Ten eerste voegt ze iets toe aan het verbod van de Here, namelijk dat ze de boom in het midden van de hof niet eens mogen aanraken. Onbewust wordt ze dus toch een beetje meegezogen in de suggestie van de slang dat God heel veel heeft verboden, want nu voegt ze ook zelf toe aan wat God heeft verboden. Ook vandaag de dag voegen mensen soms allerlei niet door God uitgesproken verboden toe aan het dienen van de Here, net als de Farizeeërs hadden gedaan in de tijd van Jezus.

Ten tweede zwakt ze het oordeelswoord van de Here af: “Als wij wel eten van de boom die in het midden staat, dan zullen wij sterven.” De Here had echter gezegd: “zul je onherroepelijk sterven” (NBV), “zul je voorzeker sterven” (NBG) (Gen. 2:17). Het Hebreeuws heeft zoiets van ‘stervende zul je sterven’. De duivel springt daar gelijk bovenop en zegt: “’Je zult helemaal niet sterven!” ‘God zal toch niet zo wreed zijn dat Hij jullie veroordeelt voor het eten van een appel of zoiets?! Eva, luister! God is goed! Hij is één en al barmhartig. Hij zal je toch niet laten doodgaan?! Je gelooft toch niet dat Hij een korte tijd van zonde straft met eeuwige ellende en dood?!’

Ook deze gedachte is springlevend onder de mensen vandaag de dag. Ik ben bang dat zelfs veel kerkmensen in deze leugen zijn gaan geloven. Er is geen besef van de ernst van de zonde omdat er geen geloof is in het oordeel over de zonde. We willen liever niet geloven dat het loon van de zonde de dood is. We spreken liever niet meer zo duidelijk over het oordeel dat komen gaat en de werkelijkheid van de hel. We benadrukken liever Gods barmhartigheid en genade. Maar wat betekent genade nog als we het oordeel weglaten?

Het blijkt dus dat het verhaal van Genesis 3 zijn relevantie niet heeft verloren. Daarom blijft het ook voor ons van levensbelang om nauwkeurig naar het Woord van God te luisteren.

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

De Bijbel over het duizendjarig vrederijk en daarna

Standaard

Categorie: religie

 

 

de ware- en de valse Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De Bijbel over het duizendjarig vrederijk en daarna

 

De profetie in het boek Openbaringen noemt allerlei verschrikkelijke plagen en verdrukkingen die de wereld zullen treffen in de laatste tijden. In wat “de grote verdrukking” genoemd wordt, zal Gods brandende toorn alle dienaren van Satan treffen. Dan is de maat vol van de ontwikkeling van de zonde op aarde. Zolang de zonde de macht had, raakte de wereld steeds meer verdorven en beschadigd.

Maar na dit alles zal Jezus Christus terugkomen, samen met de legerscharen van de hemel, en dan breekt er een heerlijke, genezende tijd aan op aarde. Dit is het begin van een periode van duizend jaar vrede, wat het duizendjarig vrederijk wordt genoemd.

 

 

 

Wat is het duizendjarig vrederijk?

 

Het duizendjarig vrederijk is een tijd van vrede en harmonie op aarde, waar Jezus en de heiligen heersen in gerechtigheid. Het is een tijd van herstel, waarin de wereld gereinigd wordt van al het kwade. In Jesaja 65:20-25 kun je een uitgebreidere beschrijving vinden van de wonderbaarlijke harmonie die deze tijd zal kenmerken.

Niemand zal een ander uitbuiten, niemand zal stelen of moorden. De gehele aarde zal bestuurd worden door Christus, Zijn bruid (de Gemeente) en de martelaren. (Openbaring 20:4) Hun heerschappij zal rechtvaardig zijn en nauwkeurig volgens Gods wetten. Het zal zó op aarde worden, als God het vanaf het begin bedoeld heeft. Een paradijs van vrede, gerechtigheid en blijdschap. Een schepping in volkomen harmonie met haar Schepper.

De mensen zullen veel langer leven dan nu het geval is. (Jesaja 65:20) Zelfs de dieren zullen elkaar niet meer doden voor voedsel; alle zullen gras en planten gaan eten. (Jesaja 65:25)

 

 

Perfecte natuur in het Vredesrijk

 

 

 

Zal er zonde zijn in het duizendjarig vrederijk?

 

Ondanks dit alles is de zondige natuur, die alle mensen aankleeft, niet veranderd. De mensen zullen nog steeds geboren worden met een vlees waarin geen goed woont. (Romeinen 7:18) De mensen zullen nog steeds kunnen kiezen om te zondigen.

Maar omdat Satan in die tijd gebonden is (Openbaring 20:2), zal hij niet in staat zijn de mensen van buitenaf te beïnvloeden. Het zal voor de mensen veel gemakkelijker zijn om ervoor te kiezen God te dienen en een rechtvaardig leven te leiden, wanneer ze aan alle kanten om hen heen dezelfde rechtvaardigheid zien, als er overal gelijkheid is, recht en genade, geduld en nederigheid, in plaats van oorlog, hongersnood, tirannie en onrecht.

Wie er evenwel voor kiezen een zondig leven te leiden en toe te geven aan hun eigen trots en zelfzucht in deze tijd, zullen worden vervloekt, sterven en naar de hel verwezen worden (Jesaja 65:20). Gods wetten zijn nog steeds van toepassing en niemand die zondigt zal daar ongemerkt mee wegkomen.

 

 

 

Jezus, de bruid en de martelaren

 

Jezus en zijn bruid zullen, samen met de martelaren die gedood zijn tijdens de grote verdrukking, de aarde regeren. Zij zijn Gods meest betrouwbare dienaren. Jezus, die in alles verzocht is zonder te zondigen, heeft absolute macht over alle zonde en ongerechtigheid. Hij is het voor de volle honderd procent eens met Gods wil. Zij, die tot de bruid van Christus behoren, hebben ook de zonde overwonnen in hun leven. Ook zij hebben bevoegdheid om te oordelen en te heersen in gerechtigheid, omdat zij zich door God hebben laten onderrichten in deze gerechtigheid gedurende hun tijd op aarde.

God heeft hen beproefd, zij zijn gelouterd door het vuur, op dezelfde wijze als Jezus. Jezus en Zijn bruid zullen de tranen afwissen en blijdschap en vrede brengen bij de mensen. Zij hebben zelf geen tranen die afgewist moeten worden, want zij zijn reeds vol van Gods goedheid en blijdschap. De martelaren van de grote verdrukking zijn ook beproefd en mogen ook mee regeren in het duizendjarig vrederijk, want zij hebben ook hun leven gegeven voor God, zij het op een andere wijze dan de bruid. (Openbaring 20:4-6) De heerlijkheid en de verantwoordelijkheid van de bruid van Christus zullen veel groter zijn dan die van de martelaren, omdat hun offer ook groter was. Zij zullen er samen op toezien dat de wereld zich in vrede, harmonie, gerechtigheid en godsvrucht zal ontwikkelen tijdens het duizendjarig vrederijk.

 

 

Vrede en harmonie in het Vredesrijk

 

 

 

Na het duizendjarig vrederijk

 

Hoewel het Duizendjarig Vrederijk een tijd zal zijn van leven in vrede en gerechtigheid, is het niet Gods uiteindelijke doel voor zijn schepping. Satan werd wel gebonden, maar niet volkomen verdelgd. Ondanks de wonderbaarlijke vrede en harmonie op aarde, is deze nog steeds niet perfect in Gods ogen, omdat zij nog steeds de eeuwige smet van de zonde draagt.

Aan het einde van het duizendjarig vrederijk wordt Satan voor een korte tijd uit zijn gevangenis losgelaten, hoe lang is niet precies bekend. Dit is zijn laatste kans om alle volken te misleiden en de mensen zo ver te krijgen dat ze hem volgen. En het is niet te geloven, maar hij zal genoeg mensen uit de hele wereld vinden om een leger te vormen, en zij zullen nogmaals Jeruzalem omsingelen, in een laatste, wanhopige poging om Gods schepping te overmeesteren.

Maar dan is eindelijk de maat vol, dan is de tijd van Satan voorbij. Dan zendt God vuur vanuit de hemel, dat hen zal verteren. De duivel zal tenslotte in de poel van vuur en zwavel geworpen worden, waar het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen daar gepijnigd worden in alle eeuwigheden. (Openbaring 20:7-10). Dit luidt het einde in van het duizendjarig vrederijk, het is de laatste gebeurtenis voor het laatste oordeel plaatsvindt; de tijd niet meer bestaat en de eeuwigheid begint.

 

 

 

Wat zegt de Bijbel over de dag des oordeels?

 

De dag des oordeels is ook wel bekend als het laatste oordeel. Het is het allerlaatste wat er gebeurt voordat God de oude hemel en de oude aarde vernietigt, die zijn verdorven door de zonde. Voordat hij Zijn nieuwe hemel en nieuwe aarde schept, moet hij alles vernietigen wat zonde in de nieuwe schepping kan brengen.

De duivel is net in de vuurzee gegooid, waar het beest en de valse profeet (de Antichrist) al waren sinds Jezus terugkwam en ze overwon voordat het duizendjarig vrederijk begon. Dit zal de eeuwige vergelding zijn voor hun zonden en hun opstand tegen God. Nu is het tijd dat God zal berechten wie bij hen in de vuurzee gegooid moet worden, en wie het waard is om een plaats op de nieuwe aarde te krijgen.

“Want we moeten allemaal voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, zodat iedereen wegdraagt wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naar wat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” 2 Korintiërs 5:10.

 

 

Keuze tussen goed en kwaad en de eeuwige gevolgen>oordeel

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De bruid en de martelaars

 

Wie bij de bruid van Christus horen, worden dan niet geoordeeld. Zij hebben al voor de rechterstoel van Christus gestaan in hun dagelijkse omstandigheden. Zij hebben Gods licht laten schijnen in hun harten, hebben uit eigen vrije wil hun zonden erkend, zijn de strijd tegen de zonde aan gegaan en hebben Christus erkend als zoenoffer voor hun zonden op het kruis van Golgotha.  hebben niet alleen vergeving van zonden ontvangen, maar ze hebben de kracht die beschikbaar is in de Heilige Geest gebruikt om over de zonde te overwinnen.

“Maar als we onszelf oordelen, komen we niet onder het oordeel. Maar onder het oordeel van de Here worden we getuchtigd, zodat we niet met de wereld worden veroordeeld.” 1 Korintiërs 11:31-32.

De martelaars die de grote beproeving hebben doorstaan, die het beest hebben weerstaan, niet het teken van het beest aangenomen hebben, en gedood zijn om hun trouw (Openbaring 13:15-17), zijn al beproefd geweest en hebben geregeerd met Jezus in het duizendjarig vrederijk. (Openbaringen 20:4)

 

 

 

De boeken worden geopend

 

“En ik zag een grote witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel vluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het boek des levens; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken.” Openbaring 20:11-15.

Gods boekhouding is zo nauwkeurig dat Jezus zegt dat we verantwoording af moeten leggen voor ieder onnuttig woord. Ieder van ons schrijft een boek met zijn leven. Alles wat we doen wordt genoteerd. Denk er eens aan hoe het zal zijn als God door onze herinneringen heen begint te bladeren. Als we gezondigd hebben, hebben we nu tijdens ons leven de mogelijkheid om ons te bekeren en vergeving te krijgen. Dan wist God onze zonden uit en worden ze voorgoed vergeten. Als de boeken dan worden geopend hoeven we alleen maar verantwoording af te leggen voor onze goede werken.

Let wel: Wie bij de bruid van Christus horen, samen met de martelaren, worden niet geoordeeld maar beloond.

“…en hun zonden en ongerechtigheden zal ik niet meer gedenken.” Hebreeën 10:17.

 

 

Het einde van de draak (666) door het kruis

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Rechtvaardig oordeel

 

“En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand.” Matteüs 25:31-46.

Iedereen wordt voor de grote witte troon geroepen op die dag, ook de miljoenen mensen die nooit hebben gehoord van de wet of het evangelie. Toch heeft God ieder individu geschapen met iets geweldig belangrijks – een geweten. De wetten van goed en kwaad zijn geschreven in het hart, en het geweten moet sturen wat iemand doet. Daarom hebben ook zij iets om verantwoording voor af te leggen op de dag dat God het verborgene van de mensen zal oordelen. Als ze geen begrip van goed en kwaad hadden op een bepaald gebied dan worden ze daar niet om veroordeeld. (Lees Romeinen 2:12-16)

Dan zal Jezus zeggen: “Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven?” Matteüs 25:35-37.

Ook al hadden ze geen idee dat ze Jezus dienden met wat ze deden, zal hij tegen ze zeggen: “Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af.” Matteüs 25:34. Dit is hun beloning voor het luisteren naar hun geweten en naar de wetten die in de harten van de mensen geschreven zijn.

“Maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. Want er is geen aanzien des persoons bij God.” Romeinen 2:10-11.

Tegen iedereen die zijn hart verhard heeft tegen het goede, die tegen zijn geweten in ging en deed wat slecht was ook al wist hij beter, zal Jezus zeggen: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen is bereid.” Matteüs 25:41.

 

 

 

Het uur van de afrekening

 

“En de dood en het dodenrijk werden in de vuurzee geworpen. Dat is de tweede dood: de vuurzee. En wanneer iemand niet was opgeschreven in het boek des levens, werd hij in de vuurzee geworpen.” Openbaring 20:14-15. Het is niet zo raar dat Jezus zei dat we ons moeten verblijden omdat onze namen in het boek des levens opgeschreven zijn!

Dan is de afrekening klaar en is alles is op de juiste plaats terecht gekomen. De zonde en de dood zijn eindelijk voorgoed verdwenen. Uit al het lijden en de ellende, en ondanks Satans bedrieglijke macht, heeft God in zijn wijsheid en macht zijn werk met de bruid, de martelaars en de schapen die verzameld zijn door Jezus’ rechterhand afgerond. Zij zijn het, die opgeschreven zijn in het boek des levens, en die eeuwig zullen leven met de Vader en de Zoon in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde.

 

 

de ware- en de valse Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Vóór het einde

 

Het is heerlijk om na te denken over de enorme vreugde die het duizendjarig vrederijk zal brengen, als alle zorgen en tranen eindelijk afgewist zullen worden. Maar Jezus en zijn bruid zullen de aller gelukkigsten zijn. Zij hebben het grootste loon, omdat zij het grootste offer gebracht hebben.

Nu is er nog tijd om te kiezen waar jij zult zijn. Ieders heerlijkheid zal verschillen in de eeuwigheid. Hoe afschuwelijk zou het zijn om onze eeuwige heerlijkheid in te ruilen voor de voorbijgaande zondige pleziertjes hier op aarde! Waarom zouden we niet nu kiezen om tot de bruid te behoren? Kies ervoor om één van hen te zijn die Gods oordeel en leiding aanvaardt in hun leven. Op deze wijze wil Hij jou opleiden voor de verantwoordelijkheid van het besturen van de wereld tijdens het duizendjarig vrederijk. Kies om mee te helpen met het afwissen van tranen, in plaats van zelf tranen te hebben die afgewist moeten worden.

 

 

 

JESAJA 65: 17-25; leven in het 1000 jarige vredesrijk

 

God belooft een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

 

17 De Heer zegt: “Want let op, Ik maak een nieuwe hemel  en een nieuwe aarde. Alles wat vroeger gebeurd is, zal vergeten zijn. Niemand zal er nog aan denken. 18 Wees voor eeuwig blij over de nieuwe dingen die Ik doe. Juich erover! Want let op, Ik zal ervoor zorgen dat Jeruzalem en mijn volk weer blij zullen zijn. 19 En Ik zal blij zijn over Jeruzalem en over mijn volk. Er zal in Jeruzalem geen gehuil of geschreeuw meer te horen zijn. 20 Geen baby zal kort na zijn geboorte sterven. Alle mensen zullen oud worden. Iemand van honderd jaar zal zelfs nog jong worden genoemd. Als een slecht mens op zijn honderdste sterft, zal er van hem gezegd worden dat hij jong gestorven is doordat hij door God vervloekt was.

PS: wie zondigt in het 1000 jarige vredesrijk wordt oud maar zal toch sterven en naar de hel verwezen worden! Nadat Satan, zijn demonen en de alle ongelovigen in de vuurpoel geworpen zijn komt er een nieuwe hemel en nieuwe aarde waar er nooit meer gezondigd zal worden!

21 De mensen zullen zelf wonen in de huizen die ze hebben gebouwd. Ze zullen zelf de wijn drinken van de wijngaarden die ze hebben geplant. 22 Ze zullen geen huizen bouwen waar niet zij, maar anderen in zullen wonen. Ze zullen geen wijngaarden planten waar niet zij, maar anderen de wijn van zullen drinken. Want de mensen van mijn volk zullen zo oud worden als bomen. Ze zullen genieten van dat waar ze zelf zo hard voor hebben gewerkt. 23 Ze zullen niet voor niets hard gewerkt hebben. Ze zullen geen kinderen krijgen die jong sterven. Want zij zijn de nakomelingen van het volk dat door de Heer gezegend is. En hun familie ná hen ook. 

24 En Ik zal antwoorden, nog vóórdat ze Mij om hulp hebben geroepen. Ik zal hun al antwoorden terwijl ze nog tegen Mij spreken. 25 Wolven en schapen zullen samen grazen. Leeuwen zullen net als koeien gras eten. Slangen zullen stof eten. Ze zullen niemand kwaad doen. Op mijn heilige berg zal niemand een ander nog kwaad doen, zegt de Heer.”

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Reïncarnatie en Christendom

Standaard

Categorie: religie

 

 

Het ware geloof

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Is Reïncarnatie verenigbaar met Christendom?

 

Meer dan ooit accepteren de mensen in het Westen het idee van reïncarnatie, namelijk dat de ziel bij de dood het lichaam verlaat en in een nieuw geboren lichaam terechtkomt. Onderzoek toont aan dat bijna 60% van de Amerikanen geloven dat incarnatie mogelijk waar is. De brede acceptatie van de reïncarnatieleer kan toegeschreven worden aan verscheidene factoren. Men probeert ‘wetenschappelijke’ bewijzen aan te wenden; getuigenissen aan te voeren van prominente mensen, zoals Shirley MacLaine en acteur Glenn Ford, die over hun “voormalige levens” vertellen; er zijn bestsellers (zoals MacLaines Out on a Limb) die het leven hierna en de cirkel van de wedergeboorte beschrijven; en dan zijn er ook zulke ‘christelijke’ reïncarnatiegelovigen zoals Jeanne Dixon en wijlen Edgar Cayce.

Sensatiebladen, zoals de National Enquirer hebben ook bijgedragen tot de verspreiding van het reïncarnatie geloof door hun constante aandacht aan het onderwerp. In de late jaren 1960 en vroege 1970 werden boeken zoals ‘Jonathan Livingston Seagull’ (Richard Bach) en ‘A World Beyond’ (Ruth Montgomery) erg populair, en ze plantten in de geesten van lezers de zaden van de Hindoeïstische en occulte filosofie, waarvan de reïncarnatieleer afstamt. Tegen de late jaren 1970 werden de ideeën van Bach en Montgomery grotendeels vervangen door die van Elisabeth KublerRoss, schrijfster van boeken als ‘On death and Dying’ en ‘Questions and Answers on Death and Dying’, en Raymond Moody, schrijver van ‘Life After Life’ en ‘Reflections of Life After Life’.

Deze twee schrijvers brengen naar voor dat de fysische dood het begin is van een ander, geestelijk leven, en dat alle mensen rust en vrede vinden in dat nieuwe leven. Zowel Kubler-Ross als Moody verwerpen het christelijke begrip van een oordeel door God. Zij geloven ook beiden in reïncarnatie. Alhoewel sommige christenen een kritische reactie hebben geboden op de filosofie van reïncarnatie, blijven vele christenen onwetend over de implicaties ervan. Geconfronteerd met het algemene stilzwijgen van de Kerk en de schijnbaar overtuigende incarnatieleer, zijn vele christenen gaan concluderen dat reïncarnatie een werkelijkheid is, of dat ze tenminste de mogelijkheid ervan niet kunnen afwijzen.

 

 

de ware- en de valse Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Wat is Reïncarnatie?

 

Reïncarnatie, de leer dat een ziel overgaat van lichaam tot lichaam door een geboorte-dood-wedergeboorte cyclus, is een voortvloeisel uit de Hindoe-Boeddhistische-leer van ziel-transmigratie. Transmigratie houdt de mogelijkheid in dat een ziel kan geboren worden in het lichaam van een dier. De status van het opnieuw geboren lichaam varieert van de huisvlieg tot een goed functionerend persoon, en geeft een indicatie van de levenskwaliteit van de ziel in zijn vorige lichaam. Een goed leven brengt wedergeboorte naar een hogere vorm; een slecht leven brengt wedergeboorte naar een lagere vorm. Deze opwaartse of neerwaartse promotie vervult de Wet van Karma, een centraal dogma van het Hindoeïsme.

Karma leert dat goede daden worden beloond en de slechte bestraft. Het Hindoeïstische doel van de ziel is om uit de karmacyclus te breken en één te worden met het universum. De westerse geest, die blijkbaar niet houdt van het idee dat men wedergeboren kan worden als een muskiet of slak, heeft de dieren uit de cyclus geweerd. Reïncarnationisten geloven ook dat zielen een eeuwig voorbestaan hadden. ‘A World Beyond’ van Ruth Montgomery, is een boek waarvan zij beweert dat het ontstond door ‘automatisch schrijven’ en dat het ingegeven werd door Arthur Ford, een medium, die in de geestelijke wereld wachtte om in een ander lichaam
te treden.

In dat boek staat blz. 7: “Laat ons beginnen met de premisse dat elk persoon een continuerende entiteit is doorheen alle eeuwigheid. Geen begin en geen einde, ondanks wat sommige moralisten zeggen over ons levensbegin in de fysische geboorte als baby en eindigend met het Laatste Oordeel. Onzin! Er is nooit een tijd geweest dat wij er niet waren, en wij zullen er altijd zijn, alhoewel in voortdurend veranderende levensvormen en niveaus, omdat wij net zoveel God zijn als dat God een deel is van ons”.

 

 

Satan, de tegenstrever

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Wat is haar aantrekkingskracht?

 

De klaarblijkelijke aantrekkingskracht die reïncarnatie uitoefent bij westerlingen is de belofte dat het leven verder gaat, en dat we zoveel kansen krijgen die we nodig hebben om alles in orde te brengen. Indien reïncarnatie juist is, dan voelt de mens geen dwingende behoefte om in dit leven vrede te maken met een rechtvaardige God, of zelfs om zijn naaste met liefde en respect te behandelen. Als een mens zoveel levens krijgt die hij nodig heeft om de perfectie te bereiken, zou hij wel eens kunnen denken: “Waarom niet vrijuit leven en de goede werken en vrede met God overlaten aan een volgend leven?”

De behoefte om met God vrede te maken zou eigenlijk nooit voorkomen bij échte reïncarnationisten, want die geloven niet in een persoonlijke God. Reïncarnatie gaat hand in hand met pantheïsme, het geloof dat alles God is en God alles is, elk mens inbegrepen. De doctrines van pantheïsme en reïncarnatie zijn de hoekstenen van het Hindoeïsme en occultisme, die erg populair geworden zijn in de westerse wereld. Op de pagina’s 84-85 van zijn boek “Mirakels”, zegt C.S. Lewis het volgende over de aantrekkingskracht van pantheïsme en reïncarnatie:
“Pantheïsme is verwant met onze geesten, niet omdat het het finale stadium is in een traag proces van verlichting, maar omdat het haast zo oud is als de mens. Het kan zelfs de meest primitieve van alle religies zijn … Pantheïsme is in feite de permanente, natuurlijke menselijke denkwijze; het permanente simpele niveau waarin de mens soms zinkt … en waarboven hij het op eigen kracht niet lang kan uithouden”.

 

Demon in de mens

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Wat zijn de bewijzen?

 

Maar de moderne mens neemt niet aan dat zijn denken gezonken is tot deze kleinste gemene deler, en dus zoekt hij bewijzen om zijn geloof te rechtvaardigen. Zijn inspanningen hebben vele ‘bewijzen’ opgeleverd die de leer van reïncarnatie ondersteunen. De meest aangevoerde verdediging van de reïncarnatiegedachte is het fenomeen van “verleden-leven herinnering”: de bekwaamheid om zich details te herinneren van schijnbaar vroegere levens. Dit kan bereikt worden door hypnose en spontane of intuïtieve herinnering, dat soms ook “deja-vu” genoemd wordt. Sommige verledenleven verslagen die door personen onder hypnose opgedist worden, kunnen toegeschreven worden aan fantasie, of aan suggesties van de hypnotiseur. Maar en zijn ook twee andere verklaringen.

Het ene kan het “Bridey Murphy Effect” genoemd worden, dat besproken werd in het boek “The Search for Bridey Murphy”. Het boek spreekt van het verhaal van een vrouw die, wanneer onder hypnose gebracht, details kon geven van Ierland en zelfs Gaelic kon spreken, een taal waarmee zij niet vertrouwd was. Dit werd toegeschreven aan haar vorig leven in Ierland. Maar onderzoek bracht aan het licht dat zij opgevoed was door een Gaelic-sprekende grootmoeder die haar verhaaltjes vertelde over het oude Ierland. De ‘verleden-leven herinneringen’ bleken vergeten ervaringen te zijn uit de kinderjaren die naar boven gebracht werden door hypnose.

Sommige herinneringen echter doorstaan elke toetsing en zijn blijkbaar echt. Om deze te verstaan moeten wij ons realiseren dat een mens, die onder hypnose is, de controle van zijn of haar geest overgeeft aan iemand anders. De hypnotiseur zou de teugels kunnen overnemen. Hij of een andere entiteit zou suggesties in de geest kunnen planten. In zijn boek “Reincarnations and Christianity” zegt Dr. Robert Morey: “een hypnotische trance is de exacte mentale toestand die mediums en heksen al eeuwenlang bij zichzelf tot stand brengen, om zich open te stellen voor de invloed van geesten of demonen”.

Als zoiets gebeurt, dan is het niet moeilijk om te denken aan een demonische ‘taking over’ (overname) van de
wil van het gehypnotiseerde subject en dat er door hem of haar heen gesproken wordt. De demon, die de beschikking heeft over allerlei kennis uit het verleden, kan herinneringen aaneenrijgen en ze het gehypnotiseerde subject inplanten en laten uitspreken, en zo verleden-levens suggereren. Gezien de natuur van demonen, kunnen die plausibele verhalen inprenten die niet te weerleggen of te verifiëren zijn. Hoeveel plezier moeten die wel hebben wanneer ze goedgelovige mensen duperen met geschiedenissen van een dozijn verschillende personen die allemaal beweren dat zij eens Cleopatra waren!

Deja vu, het gevoel dat een persoon krijgt wanneer hij een vreemde plaats of omstandigheid komt, die hij nooit eerder gezien heeft, wordt dikwijls gebruikt als steunbeer voor de reïncarnatiegedachte. Haast iedereen kan zich zo’n ervaring herinneren. Dr. Walter Martin, citeert in een opgenomen toespraak “Het raadsel van reïncarnatie”, een ervaring die hij had terwijl hij in Zwitserland een berg zag. Hij wist dat hij dit bepaalde gezicht reeds eerder had gezien, alhoewel hij nog nooit in Zwitserland was geweest. In het naar huis gaan ontdekte Martin de oorzaak van zijn ervaring: een postkaart van dezelfde berg die hij had gezien. Een mens gebruikt slechts 10% van zijn hersenen, die voortdurend informatie opstapelen die nooit herinnerd worden tenzij men er plots mee geconfronteerd wordt door een ervaring zoals die van Martin.

Deja-vu-ervaringen kunnen ook geïnspireerd worden door de demonenwereld, en niet enkel door toedoen van menselijke oorzaken. De “god van deze wereld” (2 Kor 4:4), “de overste van de macht der lucht, de geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid” (Ef 2:2), tracht de mensen te bedriegen en te misleiden. Sommige mensen zijn ontvankelijker dan anderen voor de spirituele infiltraties van de geestenwereld. 2 Joh. 9:1-3: “En in het voorbijgaan zag Hij een mens die blind was van de geboorte af. En Zijn discipelen vroegen Hem: Rabbi, wie heeft er gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren zou worden? Jezus antwoordde: Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet …” – de blinde was blind geboren en dus kon zonde-in-dit-leven niet de oorzaak zijn van zijn blindheid, maar sommigen hielden rekening met de valse karma-leer. SV kantt. 3 zegt: “Het schijnt dat de discipelen in deze dwaling waren, welke toen bij sommige Joden was, dat als de mens sterft, zijne ziel dan weder zou gaan in een ander lichaam, en dat derhalve de ziel des blindgeborenen in een ander lichaam zou gezondigd hebben”.

 

 

2 KORINTIËRS 4: 3-4

 

Toch zijn er altijd mensen bij wie er dan een ‘doek’ over hun hart blijft liggen. Daardoor kunnen ze het goede nieuws niet begrijpen. Maar dat gebeurt alleen bij de mensen die verloren gaan. 4 Dat zijn de ongelovige mensen. Zij zijn door de god van deze wereld  (Satan) blind gemaakt in hun denken. Daardoor kunnen ze het licht niet zien van het goede nieuws van Christus. Terwijl juist aan Christus precies te zien is wie God is. Hij is de afbeelding van God.

 

 

Keuze tussen goed en kwaad

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Leert de Bijbel reïncarnatie?

 

Mensen die in reïncarnatie geloven citeren soms de Schrift om hun geloof te ondersteunen. De 4 schriftplaatsen die zij het meest aanhalen zijn Johannes 3:3, Mattheüs 11:14, Hebreeën 7:2-3 en Johannes 9:2.

  • 1. In Johannes 3:3 zegt Jezus tot Nicodemus dat om het Koninkrijk van God te zien men opnieuw moet geboren worden. Jezus, de zo gezegde reïncarnationist, leert dat een reeks wedergeboorten noodzakelijk zijn om de volmaaktheid te bereiken. Deze interpretatie houdt echter geen steek. Nicodemus drukte zijn verwarring uit en sprak van een tweede fysische geboorte (niet exact hetzelfde als die waarvan men spreekt in de reïncarnatieleer, maar gelijkend). Jezus corrigeerde Nicodemus onmiddellijk en zei dat de wedergeboorte waarvan Hij sprak een geestelijke was (Johannes 3:4-6). Dus, Jezus verklaarde niet de Wet van Karma, maar weerlegde haar juist.

 

  • 2. Reïncarnationisten wijzen ook op Jezus’ verklaring in Mattheüs 11:14 dat Johannes de Doper Elia was. Maar men moet verder in de Schrift lezen. Lukas 1:17 zegt dat Johannes voor Christus zou heengaan “in de geest en de kracht van Elia”. Johannes de Doper, een man die vervuld was met de Heilige Geest van in de moederbuik, ontkende zelf dat hij Elia was (Johannes 1:21). De Schrift zegt ook dat Elia nooit de fysieke dood ondergaan heeft (Hebreeën 11:5) en tijdens de aardse bediening van Christus nog steeds bestond als Elia, zoals aangetoond werd door zijn verschijning, samen met Mozes op de berg van de transfiguratie (Mattheüs 17:3).

 

  • 3. Een andere geliefde Bijbelse passage bij reïncarnationisten is Hebreeën 7:2-3. Deze tekst, zo zeggen zij, leert ons dat Jezus in een vroegere incarnatie Melchizedek was. Maar men hoeft de geciteerde verzen maar te lezen om direct in te zien dat de oudtestamentische Melchizedek “de Zoon van God gelijk geworden” is als type, niet dat hij letterlijk Jezus (de Zoon van God) was. De schrijver van Hebreeën zegt enkel dat er geen verslag bestaat van Melchizedeks geboorte, dood of familie. Bovendien, Melchizedeks priesterschap was hierin uniek dat het niet werd overgedragen op een ander. Melchizedek was enkel gelijkend op Christus en wordt nooit een vroegere incarnatie van Hem genoemd.

 

  • 4. De vierde schriftplaats die dikwijls wordt geciteerd is Johannes 9:1-3, die gaat over een blind geboren man en de vraag van de discipelen wiens zonde deze blindheid veroorzaakt had. Deze vraag lijkt, oppervlakkig gezien, in overeenstemming te zijn met de Wet van Karma. Maar Christus’ antwoord dat de blindheid van deze man geenszins iets met zonde te maken had, maakt het standpunt van de reïncarnationisten onverdedigbaar. Nu we gezien hebben wat de Bijbel NIET zegt ter ondersteuning van de reïncarnatieleer, gaan wij ons nu richten tot wat de Bijbel WEL leert tegen reïncarnatie.
    De enige kans van de mens Met slechts één vers verwoest de Bijbel het concept van reïncarnatie.

Hebreeën 9:27 zegt: “En gelijk het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel …”

 

Meer schriftplaatsen:

Jakobus 4:14: “Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijd gezien wordt, en daarna verdwijnt”.

De Psalmen staan vol met referenties naar de tijdelijke natuur van het mensenleven. Psalmen 39:6, 103:15 en 144:4 zijn slechts enkele voorbeelden. Deze verzen weerleggen ook de theorie dat zielen eerder of eeuwig hebben bestaan, zoals ook het verslag in Genesis 2 over het ontstaan van de mens.

 

Psalm 39: 6: Mijn leven duurt voor U maar een ogenblik. Een mensenleven is voor U als één enkele zucht. Elk mens, hoe goed het ook met hem gaat, is uiteindelijk niets.

 

Psalm 103: 15/16: Ons leven duurt maar éven. Een mens lijkt op een bloem in het gras: 16 één windvlaag en hij is er niet meer, er is niets meer van hem over.

 

Psalm 144: 4: De mens is maar één zucht. Zijn leven is als een schaduw die voorbij glijdt.

 

 

Goddelijke bescherming

 

 

 

Het probleem van het kwaad

 

Alhoewel de Wet van Karma de kwestie van het kwaad lijkt te behandelen, met haar systeem van beloningen en straffen, blijft, op een bredere schaal, het probleem onopgelost. In zijn boek “Reincarnation: A Christian Appraisal”, schrijft Mark Albrect op blz. 119: “De eindeloze cycli van de reïncarnatie lossen nooit het probleem van het kwaad op; het kwaad is eeuwig, het idee dat het kwaad voor altijd voortduurt is ondenkbaar in het christendom. Het kwaad is overwonnen door de dood en opstanding van Jezus Christus, en het zal voor altijd
weggedaan worden wanneer Hij wederkomt om de wereld te oordelen”.

 

 

 

Reïncarnatie en spiritisme

 

Reïncarnatie-aanhangers overtreden ook dikwijls de Bijbelse bevelen tegen spiritisme. De Bijbel is erg duidelijk in zijn verbod contacten te leggen met de geesten van de doden, wat vele reïncarnationisten trachten te doen wanneer een ziel, naar bewering, zich “tussen” incarnaties in bevindt. Leviticus 20:6, 27, Deuteronomium 18:11, Jesaja 8:19 en 1 Kronieken 10:13 maken duidelijk dat God niet wil dat Zijn volk in zulke activiteiten betrokken is. Geen enkele nieuwtestamentische schrijver heeft ooit gezegd dat dit verbod werd opgeheven. Beroemde reïncarnationisten, zoals Ford, Cayce, Dixon, Montgomery en Kubler-Ross, geven openlijk hun spiritistische en mediamieke praktijken toe. Erger nog, sommige van deze auteurs, in het bijzonder Cayce en Dixon, beweren dat hun geloof in overeenstemming is met het christendom.

 

Leviticus 20: 6+27

Als iemand aan de geesten van gestorven mensen om raad vraagt, of naar waarzeggende geesten gaat en daarmee ontrouw aan Mij is, dan zal Ik zijn vijand zijn en hem doden. 7 Leef dus heilig, want Ik ben jullie Heer God. 8 Doe alles precies zoals Ik het jullie bevolen heb. Ik ben de Heer en Ik wil dat jullie alleen Mij dienen.

Als iemand de geest van een dode of een waarzeggende geest door zich heen laat spreken, moet hij worden gedood. Hij moet met stenen doodgegooid worden. Hij verdient de doodstraf.”

 

 

Deuteronomium 18:11

Jullie mogen ook geen geesten oproepen, met geesten praten of de geesten van gestorven mensen om raad vragen. 12 Want de Heer vindt het verschrikkelijk als jullie dat doen. De volken die nu in het land wonen, doen deze verschrikkelijke dingen wel. Juist daarom jaagt de Heer God hen voor jullie weg.

 

 

Jesaja 8:19-22

Mensen zullen aan jullie vragen: ‘Willen jullie voor ons aan waarzeggende geesten en aan de geesten van doden om raad vragen?’ Maar die mompelen en piepen alleen maar wat! We moeten toch alleen aan onze God om raad vragen? Waarom zou je aan de doden om raad vragen voor de levenden? 20 Luister naar wat de wet van God zegt. En luister naar wat ik namens God heb gezegd! Als mensen andere dingen zeggen, is er geen hoop meer voor hen. 21 Hopeloos en hongerig zullen ze door het land trekken. Ze zullen razend van de honger zijn. Woedend zullen ze hun koning vervloeken. Ze zullen omhoog kijken en hun God vervloeken. 22 Overal waar ze kijken, zullen ze alleen maar ellende zien. Ze zullen doodsbang en opgejaagd zijn. Het zal een donkere tijd zijn.

 

 

1 Kronieken 10:13

Zo stierf Saul, omdat hij ontrouw aan de Heer was geworden. Want hij had de Heer niet gehoorzaamd. Hij had zelfs een waarzegster om raad gevraagd, in plaats van aan de Heer. 14 Daarom doodde Hij hem en maakte David, de zoon van Isaï, koning in de plaats van Saul.

 

 

In Mattheüs 7 waarschuwde Christus Zijn volgelingen dat valse profeten zullen komen als wolven in schapenvacht. Deze zelfbenoemde ‘christenen’ vervullen Christus’ waarschuwing. Reïncarnatie is in geen enkel opzicht in overeenstemming met het christelijke geloof. De Bijbel leert dat het loon van de zonde de dood is (Romeinen 6:23).

 

De reïncarnatieleer is dezelfde leugen die Satan aan Eva vertelde in de Hof van Eden: “Gij zult de dood niet sterven” (Genesis 3:4).

 

De Bijbel leert dat redding van de zonde, en zijn eeuwige consequenties, een gave is die God vrijelijk geeft (Efeziërs 2:8-9); reïncarnatie leert dat redding er pas komt wanneer een mens zichzelf vervolmaakt. Christus, die ons schiep, weet dat wij slechts één leven hebben en Hij heeft gezien wat wij doen met deze enige kans. Daarom offerde Hij Zichzelf als een afbetaling voor onze zonden. Onze Redder nam onze ‘slechte Karma’ op Zichzelf. “Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht” zei Hij in Mattheüs 11:30. Zelfs indien wij zouden kunnen terugkomen, opnieuw en opnieuw, zou daar geen enkele zinnige reden voor kunnen zijn, vermits al onze schulden en tekortkomingen door Hem afbetaald werden. Laat ons u dan helpen om een nieuw leven te ontdekken, in gemeenschap met de Heer Jezus Christus!

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

De eeuwige moederliefde van God

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

hildegard

.

 

 

Een psalm van Hildegard: Laus Trinitati:

 

Geloofd zij de Drieëenheid, die klank en leven geeft

.

in het bestaan van alle schepselen 

 

.

 

scivias-t-11

 

 

Het mooiste visioen uit de Scivias is dat van de Drieëenheid (T 11 II,2): een mensengestalte omgeven door een cirkel van rood trillend vuur met daar omheen een cirkel van helder licht.

Hildegard heeft zelf geen titel aan dit visioen gegeven. Wel beschrijft ze in de tekst de Moederliefde van God: de ‘materna dilectio amplexionis Dei’ (de moederlijke liefde van Gods omhelzing).
Ze duidt de Vader aan door het zilver (trillend, levend licht), de Heilige Geest door goud (trillende, levende warmte) en het Mensgeworden Woord door saffierblauw, de Zoon (daaruit voortgekomen).

Hildegard ervaart in het visioen van de drie-enige God een levend licht. Dit levende licht komt naar haar toe en opent voor haar de geheimen van God. In dit visioen wordt voor haar een verborgen werkelijkheid getoond. Ze wordt betrokken in een diepte die alomvattend is en waarin de hele werkelijkheid ligt besloten.

Ze moet dit opschrijven: “Zoals het overeenkomt met de wil van degene, die alles weet, alles ziet en alles in de verborgenheid van zijn geheimenissen ordent.” (God, de algeest, alwetend, alwijs, alliefhebbend, almachtig) God werkt. God openbaart zich in haar visioenen, die zichtbaar worden door een goddelijke kracht. Ze ziet een volheid, die een dynamiek in zich heeft en die alles uit zichzelf tevoorschijn brengt en het een eigen bestaan geeft.

In dit visioen geeft de levende God aan zich te ervaren als oerkracht. God openbaart zich als een volheid die met een scherpe kracht overal ‘stroompjes van kracht’ (L. ‘rivulos fortium’: stroom van kracht, krachtstroom; van ‘rivus’ stromen) heeft geplant.

Deze ‘volheid’ verwijst naar de geheimen van God, de grond van alle dingen, waarin ‘al wat is’ leeft, beweegt en is. Alle schepselen zijn in hun oorsprong geplant door de levende God. In ieder mens, dier en ding bevindt zich een stroompje, een klein beekje (een stromende krachtbron, de geest) dat door Gods kracht is aangelegd.

 

 

 

Het stroompje van kracht

.

Dat betekent, dat al het geschapene niet in zichzelf bestaat. De oorsprong van alles ligt in de hand van de schepper, die de schepping ontworpen en geordend heeft. In hun oorsprong zijn alle schepselen verbonden met hun schepper. Ieder schepsel heeft een geheim in zich, dat in zijn oorsprong verwijst naar de levende God.

Dit geheim duidt Hildegard aan als ‘het beekje van kracht’ (de geest als stromende bron). Ieder schepsel heeft daardoor de mogelijkheid ontvankelijk te zijn voor de levende God. Ieder beekje is verbonden met de volheid, die de grote stroom van Gods leven is.

Deze ‘beekjes van kracht’ zijn altijd aanwezig en gaan aan alles vooraf. Door dit beekje ondergaat ieder schepsel de werking van Gods geheimen, ook de mens. De mens kan er niet over beschikken. Het geheim is er altijd, ook als de mens zich ervan afkeert, ervan vervreemd is en in zonden leeft.

 

 

.

levenskracht

levenskracht

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De moederliefde van God

.

De levende God wil werkzaam zijn als scheppende kracht. Zolang de beekjes onder stenen bedolven zijn en met ijs bedekt (de toestand van onbewuste vereenzelviging), kan de volheid niet naar het beekje toestromen. Zolang de mens in zichzelf besloten is (de stroom voor zichzelf houdt), kan de levende God de mens niet herscheppen en vernieuwen.

Hildegard beschrijft in dit visioen, hoe wij weer in verbinding met dit beekje van kracht kunnen komen. Daarvoor is het belangrijk dat dit beekje van kracht bevrijd wordt. In dit visioen beschrijft Hildegard hoe zij ziet, hoe God zichzelf opent en zich aan ons geeft (als Jezus, Gods Zoon). Dit aanbod krijgt gestalte in moederliefde. Deze moederliefde beschrijft Hildegard als natuurlijk, gevoelsmatig en opvoedend.

Als moederliefde stelt God zich geheel beschikbaar als voedende en behoedende. Als opvoedster leert de moederliefde van God de mens boetvaardigheid, opdat de band met de levende God wordt hersteld. De moederliefde van God opent de mens, waardoor hij deze liefde kan ontvangen en bevrijd wordt van de zonde.

Het is de moederliefde van God die ons weer in contact brengt met het beekje van kracht, waardoor wij ons kunnen openen voor de werking van Gods geheimen.  Dit proces beschrijft Hildegard in dit visioen. Hildegard ziet in dit visioen dat God werkt als een scheppende kracht in drie Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Deze dynamiek openbaart zich door met ons iets te doen en door ons om te vormen.

Deze omvorming heeft als doel dat wij weer contact krijgen met het oorspronkelijke leven dat ons is ingeschapen, namelijk het beekje van kracht, het geheim dat verbonden is met de geheimen Gods. Deze omvorming wordt door de moederliefde Gods in gang gezet. Hildegard gebruikt het moederbeeld om de verlossing te beschrijven.

.

 

 

Het visioen vanuit de spiritualiteit benaderd

.

Onder spiritualiteit wordt verstaan de voortgaande omvorming van een persoon, betrokken op een onvoorwaardelijke aanspraak. Er is sprake van spiritualiteit waar iemand antwoord geeft op de uitnodiging en het appèl, die de Eeuwige onontwijkbaar op hem of haar richt. Aan Mozes openbaarde deze Aanspraak zich als ‘Ik ben er’. Voor Jezus droeg zij de naam Abba, Vader.

Voor Hildegard van Bingen draagt zij de naam: het Levende Licht. Zij wordt door dat licht persoonlijk geroepen. Haar antwoord hierop krijgt vorm in haar leven, werk en haar geschriften. In het visioen van de Drieëenheid ontstaat er een betrokkenheid tussen de drie goddelijke personen, die zich als één licht en één kracht wil geven aan Hildegard.

Deze betrokkenheid is een uitnodiging aan Hildegard om zich te laten betrekken in Gods levende licht, dat aan haar de geheimen Gods openbaart. Het visioen is een mystieke ervaring. Mystiek betekent de ervaring van een verborgen zin of onzichtbare werkelijkheid, waarin iemand binnengevoerd wordt. De betekenis van de geheimen wordt aan haar getoond, doordat zij in deze verborgen werkelijkheid betrokken wordt.

Deze ervaring zet een proces in gang en brengt een verandering teweeg. Dit proces wordt vanuit de spiritualiteit een omvorming genoemd. Dit proces houdt in: loskomen uit de oude vorm (de oude mens) en ingaan in de nieuwe vorm (de nieuwe mens). Deze omvorming voltrekt zich als een geestelijk proces. De oude mens is een mens die nog ongevormd is ten aanzien van de vorm die als mogelijkheid aanwezig is (het beekje van kracht) en ongeordend voor zover hij hiervan afwijkt.

In dit visioen is het de moederliefde Gods die de oude mens bevrijdt en hem in contact brengt met het ‘stroompje’ van goddelijk leven (de menselijke geest), opdat de ‘volheid’ van Gods kracht (de algeest) de mens kan herscheppen naar Gods beeld en gelijkenis. Er is een voortdurende werking van de goddelijke kracht die de mens omvormt van ‘onvolmaaktheid’ naar ‘volmaaktheid’.

De goddelijke kracht duidt Hildegard in haar visioen aan als ‘volheid waaraan niets ontbreekt’ (de algeest). Deze werkt en ontvouwt zich in de ervarende persoon, opdat ‘al wat leeft’ tot ontwikkeling en voltooiing komt. Dit proces is daarom niet alleen dynamisch, maar ook structurerend, wat zich verwerkelijkt in de ervarende persoon.

In deze omvorming zijn de goddelijke dynamiek en de menselijke ervaring op elkaar betrokken. Als schering en inslag zijn ze voortdurend met elkaar verweven. Dit is een nooit eindigend proces. In het eerst visioen ‘De Verlosser’ heeft Hildegard gezien dat de schepping geschied door de drie goddelijke personen. De Vader ziet ze als een hellicht vuur, de Zoon als een hemelsblauwe vlam die in de zachte adem van de heilige Geest brandt.

Van deze goddelijke personen gaat een neerdalende beweging uit naar de mensheid op aarde. Deze beweging zet de geschiedenis in gang vanaf de schepping ‘in den beginne’ tot aan de menswording van de Zoon van God. De menswording van de Zoon van God is de openbaring van dit visioen: God deelt zichzelf mee.

In het visioen van de drie-enige God is er geen neerdalende beweging te zien van God uit naar de mensheid, maar een innerlijke beweging tussen de drie personen. Er is een levende dynamiek tussen hen. De personen van de goddelijke Drieëenheid werken op elkaar in, om zichzelf te openen als drie-enige God voor de mens.

Hildegard ziet dit als een dynamisch proces tussen het heldere licht en het rode vuur. Ze stromen door elkaar heen. ‘Dit heldere licht doorstroomt het hele rode vuur en dit rode vuur doorstroomt weer heel het heldere licht. En dit heldere licht en dit rode vuur stromen door heel deze mensengestalte zodat het één licht en één kracht van mogelijkheden vormt’.

Verder valt op dat er in het visioen van de drie-eenheid van God gesproken wordt over ‘een allerhelderst licht’ en een ‘allerzoetst rood vuur’. In dit visioen hebben het licht en het vuur een intensiteit in de hoogste mate. Ook valt op dat de hemelsblauwe vlam zich ontwikkeld heeft tot een ‘mensengestalte’ in de kleur van saffierblauw.

 

 

de ware en de valse Drievuldigheid

de ware en de valse Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

.

De tekst van het visioen over de drie personen :

Daarom zie je een allerhelderst licht, dat zonder smet van begoocheling (misleiding, onwaarheid), zonder smet van verduistering (gebrek aan inzicht) en zonder smet van bedrog (onwaarheid) de Vader aanduidt. (‘Vader’, licht, komt overeen met: denken).

En daarin de mensengestalte in de kleur van saffierblauw, die zonder smet van verharding (harteloosheid), zonder smet van (gevoelens van) afgunst en zonder smet van onrechtvaardigheid de Zoon openbaart, die voor de tijden als God uit de Vader is geboren en in de tijd als mens is geïncarneerd. (‘Zoon’, komt overeen met: voelen)

Datgene wat geheel brandt met een allerzoetst rood vuur, een vuur zonder smet van dorheid (levenloosheid), zonder smet van sterfelijkheid (levenskracht) en zonder smet van duisternis (bewustzijn) wijst op de heilige geest (‘Heilige Geest’, komt overeen met: bewuste kracht, waarnemen en willen), waaruit dezelfde eniggeborene van God, naar het vlees ontvangen en uit de maagd in de tijd geboren, een licht van ware helderheid in de wereld uitgoot.

Maar dat dit heldere licht geheel dit rode vuur doorstroomt en ditzelfde heldere licht en rode vuur weer samen de hele mensengestalte doorstromen, zodat het één licht in één kracht van mogelijkheden vormt. Dat betekent dat de Vader, die de rechtvaardigste gelijkheid is, niet zonder de Zoon en niet zonder de heilige Geest bestaat de goddelijke eenheid is onafscheidelijk in deze drie personen van kracht .

.

Waar dit Woord (Jezus) al het goede tot stand bracht, hen (de mensen) door zijn zachtmoedigheid naar het leven terugvoerde, die door de onreinheid van zonde (door de onbewuste vereenzelviging) verworpen waren en die niet meer in de heiligheid, die zij verloren hadden, in staat waren terug te keren (Jezus, komt overeen met voelen).

Want door deze levensbron (Jezus) kwam de moederliefde van Gods omhelzing tot ons die ons tot leven voedde en die onze helpster (parakleitos) in gevaren is en die de diepste en allerzoetste liefde is, door ons boetvaardigheid te leren (Jezus, komt overeen met voelen).

.

 

 

Gods krachtstroom in de mens

.

Hildegard wordt betrokken in een diepte, die alomvattend is en waarin de hele werkelijkheid ligt besloten. In deze diepte doorschouwt ze de grond van alle dingen. Hildegard ziet dat de geheimen van God de absolute oorsprong zijn van alle schepselen. In de diepte ziet ze een oerkracht die al het geschapene heeft geplant: ‘Deze volheid heeft met een scherpe kracht stroompjes van kracht geplant’. De volheid van Gods levenskracht heeft beekjes geplant.

Ieder schepsel heeft een ‘beekje van kracht’, dat ontspringt aan de volheid van Gods levensstroom. In dit visioen ziet ze dat de schepping niet is ontstaan uit een niets of uit een oerknal. Ze schouwt de geheimen van God als een levensbron, als een volheid waar al wat leeft uit voortkomt. Hildegard schouwt dat de oorsprong van de dingen niet in de dingen zelf ligt. De schepping bestaat niet in zichzelf. God is de bron van al wat bestaat.

Het stroompje van kracht (de geest als bron) bevindt zich in ieder schepsel. Daar bevindt zich de levenskracht. Door dit stroompje is ieder schepsel met de volheid van Gods geheimen verbonden. Door dit stroompje kan God naar het geschapene stromen. Ieder heeft de mogelijkheid om ontvankelijk te zijn voor en om deel te nemen aan de volheid van Leven. Iedereen kan deelnemen aan deze goddelijke levenskracht. God is een stuwende kracht, die zich wil openen om naar de stroompjes toe te stromen.

Hildegard schouwt in haar visioen, dat er een relatie is tussen God en heel Gods schepping. De relatie tussen God en al wat geschapen is, is wezenlijk, opdat God zich kan ontvouwen in de schepselen. Goddelijk leven is overal aanwezig als een stroompje van kracht, waardoor Gods levenskracht in alle schepselen werkzaam kan zijn. God verhoudt zich tot heel de schepping als een volheid tot alle stroompjes van kracht, die in al het zichtbare en onzichtbare leven aanwezig zijn.

 

 

 

God in drie personen

.

Het goddelijke leven laat zich zien als een allerhelderst licht, als rood vuur (warmte) en een mensengestalte in de kleur van saffierblauw. Het rode vuur duidt op de Heilige Geest. Het is een vuur zonder smet van dorheid. Dit lijkt een tegenstrijdigheid, omdat vuur immers door hitte alles verdort. Het voorafgaande visioen over de verlosser werpt een licht op deze tegenstrijdigheid. Daar wordt dit rode vuur in verband gebracht met de plaats, waar het goddelijke woord kan incarneren.

Deze plaats wordt aangeduid als ‘morgenrood’, het vuur, waarin God zijn ‘Woord vol verlangen’ zond. God gaf dit woord als een ‘vruchtbrengende vrucht’ en liet het ‘als een geweldige bron tevoorschijn komen. Wie van deze bron drinkt, zal nooit meer van dorst vergaan. In dit licht van het morgenrood ontbrandde een buitengewone wil. Want in de glans van het rode licht toonde zich de groene kracht (viriditas, levenskracht, de Heilige Geest komt overeen met: willen) van het grote oude raadsbesluit.

 

 

De oneindigheid van de Drievulkdigheid

De oneindigheid van de Drievulkdigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Samengebundelde kracht van goddelijk leven

.

Nu gaat er iets nieuws gebeuren. In het visioen ontstaat beweging. Het heldere licht en het rode vuur (de ongevormde oertoestand) stromen door elkaar heen en worden één om samen de gehele mensengestalte te doorstromen (de gevormde toestand). In het goddelijke leven is beweging zichtbaar. Het licht en het vuur en de mensengestalte stromen zo door elkaar heen, dat ze worden tot één krachtbundel: ‘Dit heldere licht doorstroomt het hele rode vuur en dit rode vuur stroomt weer door heel het heldere licht.

En dit heldere licht en en dit rode vuur stromen door geheel deze mensengestalte, zodat het één licht in een kracht van mogelijkheden vormt’. Deze samengebundelde kracht van goddelijk leven is een beginsel, een concentratie van mogelijkheden. Dit beginsel is een stuwende kracht die in beweging zet; een krachtbron voor al wat leeft (door de geestelijke vermogens). Deze kracht heeft een rijkdom aan mogelijkheden.

 

 

 

God werkt in drie personen

.

God is werkzaam als een dynamische kracht in drie personen (drie vormen). De Vader is werkzaam als ‘rechtvaardigste gelijkheid’. Rechtvaardig staat in verband met trouw en goedheid. Als ‘rechtvaardigste gelijkheid’ laat de Vader ieder schepsel tot zijn recht komen op ‘gelijke’ wijze. Ieder schepsel heeft eenzelfde ‘krachtstroom’.

De Heilige Geest maakt een beweging naar de gelovigen. Zij worden aangeraakt en in vuur en vlam gezet door de Geest. De Zoon is de ‘volheid van de vruchtbaarheid’. Hij draagt de mogelijkheid in zich heel de schepping vruchtbaar te doen zijn: ‘alles is door hem geworden en zonder hem is niets geworden wat geworden is’. Deze volheid van vruchtbaarheid is in alle dingen.

Het is een alomvattende kracht die met heel de schepping is verbonden en die ‘al wat is’ leven geeft. Alles is met de Zoon in de oorsprong verbonden. De hele schepping draagt een kiem van deze volheid. De Vader als de rechtvaardigste gelijkheid, de Heilige Geest als de ontsteker van de harten van de gelovigen en de Zoon als de volheid van de vruchtbaarheid, bestaan niet zonder elkaar.

Ze werken samen. De drie goddelijke personen vormen een eenheid en zijn als personen met elkaar verweven en op elkaar betrokken. In de goddelijke natuur zijn ze met elkaar verbonden. De drie personen van de Drieëenheid zijn tot een eenheid samengevoegd. De ene persoon staat niet boven de ander, ‘ze zijn één God in een onverdeelde majesteit’.

Ze zijn niet verdeeld, maar werken wel afzonderlijk als personen (de geestelijke vermogens). Als personen staan ze met elkaar in relatie. De Vader wordt kenbaar gemaakt door de Zoon. De Zoon weerspiegelt het allerhelderste licht dat de Vader is. ‘De Zoon wordt kenbaar gemaakt door de oorsprong van de schepselen’.

De volheid van de vruchtbaarheid van de Zoon is aanwezig in alle schepselen. ‘De heilige Geest wordt kenbaar gemaakt door dezelfde menswording van de Zoon’. De Vader bracht zijn Zoon voort in eeuwigheid. Dit is niet aan tijd gebonden: de Vader schept in eeuwigheid. Bij de Zoon begint de schepping. Door hem worden alle schepselen geboren uit de Vader.

Alle dingen hebben hun oorsprong in de Zoon. In de Zoon komen alle schepselen aan het licht (de gevormde toestand). De volheid van de vruchtbaarheid van de Zoon kan zich in alle schepselen openbaren. Ieder schepsel is vruchtbaar en kan tot voltooiing komen, dat is: worden zoals de Vader het in zijn allerhelderste licht heeft bedoeld. De Heilige Geest wordt kenbaar gemaakt door de menswording van Gods Zoon. De Heilige Geest, die zichtbaar werd als een duif bij de doop in de Jordaan, maakt Jezus Mensenzoon.

 

.

 

God verlangt naar de mens

.

God verbindt zich tot één licht en één kracht, als de ene God in drie personen, die verlangt naar een relatie met de mensen. De ene God wil zich openen en de mensen uitnodigen zich te laten betrekken in Gods leven: ‘De mens mag nooit vergeten, mij, de ene God in deze drie personen, aan te roepen’.
God wordt persoonlijk en verlangt naar een relatie met de mens: de mens mag mij aanroepen.

In het Latijn staat ‘invocare’, wat zowel aanroepen als inroepen betekent. De ene God aanroepen is vragen om contact en zich toewenden (het streven naar de hereniging). God inroepen is zich openen om God binnen te laten komen. God neemt er geen genoegen mee verzonken te zijn in zichzelf en wil betrokken zijn op mensen. God wil zichzelf te buiten gaan.

God wil zich niet opsluiten in zijn eigen wezen, in tegendeel, deze ene God in drie personen wil bestaan in een onbegrensde openheid naar de mensen toe, ‘want daartoe heb ik hen aan de mens geopenbaard, opdat de mens des te heviger aangeraakt in liefde tot mij ontbrande’. De bedoeling van Gods openbaring is dat de mens aangeraakt wordt in liefde en dat er een verlangen wakker wordt gemaakt, waardoor onze liefde tot God ontwaakt.

De mens is als schepsel in aanleg geschapen om de volle diepte van Gods liefde te ontvangen en van daaruit te leven. Daarnaar verlangt God en daartoe openbaart God zichzelf in de drie personen … opdat zij beseffen, dat de diepste beweging tussen God en mens er een is van liefde.

 

.

Eer aan God in de Hoge

Eer aan God in de Hoge

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

.

Gods initiatief

.

Het initiatief van de liefde ligt niet bij de mensen, maar bij God. Deze liefde duidt Hildegard aan met ‘caritas’ (liefdadigheid), de liefde die in God woont. Deze liefde openbaart zich, doordat God zijn eniggeboren Zoon aan de mensheid schenkt. Het doel hiervan is, dat wij zullen leven. De zelfgave van God in zijn Zoon betekent leven voor ons. God deelt zichzelf mee en schenkt liefde aan de mensheid door de menswording van zijn Zoon, die hij heeft gezonden ‘tot verzoening van onze zonden’.

Christus is mens geworden opdat wij wegtrekken uit de duisternis van de zonde. De zonde is dat de mensen zich hebben afgewend van God (door de onbewuste vereenzelviging met de stof). Zij hebben geen contact meer met ‘het stroompje dat God zelf in hen heeft geplant’. Zij zijn hiervan vervreemd (ze zijn onbewust geworden, vervreemd van zichzelf als geest) en hebben dit goddelijke bewustzijn verloren. God wil deze relatie herstellen door zichzelf te geven in zijn Zoon, om zo de oorspronkelijke verbinding te herstellen.

Deze liefde duidt Hildegard aan met het woord ‘dilectio’. Deze liefde leidt tot het schenken van genade (‘genade’: welwillendheid). Het woord dilectio komt van ‘diligere’, dat uitkiezen en liefhebben betekent. God kiest ons uit door ons te beminnen en zo aan ons onze oorspronkelijke waarde terug te geven. Doordat God ons heeft bemind ‘is een ander heil ontstaan, dan wat wij bij onze eerste oorsprong bezaten’.

Onze eerste oorsprong duidt op de schepping van de eerste mensen in het paradijs, die leefden in verbondenheid met hun goddelijke oorsprong en die de erfgenamen waren van onschuld en heiligheid.
De eerste mensen konden nog geen onderscheid maken tussen goed en kwaad. Daarom kon het niet anders dan dat onze onschuld en heiligheid beproefd werden (op de aarde als leerschool).

Deze beproevingen zijn een kans om te groeien. Want in de beproevingen heeft de hemelse Vader aan ons zijn liefde laten zien, zegt Hildegard. Deze liefde duidt Hildegard aan met ‘caritas’. De liefde van God ervaren wij als een beproeving. Over deze beproevingen schrijft ze in het visioen van de oorsprong van het kwaad: ‘De grote heerlijkheid en eer, die aan de mensen gegeven is, kan niet zonder beproeving blijven, anders zou de mens nietig en ijdel zijn.

Goud moet in het vuur gelouterd worden, kostbare stenen moeten gereinigd en geslepen worden. Ook de mens, die volgens beeld en gelijkenis van God is geschapen, moet, om te kunnen bestaan, beproefd worden. Meer dan ieder wezen moet de mens beproefd worden en zijn toetsstenen zijn (zijn omgang met) de schepselen.

De geest toetst zich aan de geest (in de ontmoeting met medemensen), het vlees aan het vlees. Zo wordt de mens door ieder schepsel beproefd in het paradijs, op aarde en in de onderwereld. Willen wij groeien naar Gods beeld en gelijkenis, dan is het noodzakelijk dat wij (onze zelfstandigheid en vermogen de juiste keuzes te maken) worden beproefd, anders zouden wij nietig en ijdel blijven.

.

 

 

In de ban van de zonde

.

God laat zijn liefde zien als een beweging naar de mensen toe: Hij openbaart zijn ene Woord voor de mensenkinderen als een mogelijkheid voor hen om zich te laten betrekken in het goddelijke leven (de hereniging). Ze blijven ontvankelijk voor dit Woord, ondanks hun duisternis: ‘En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet aangenomen’ (Joh. 1:5).

De mensen kunnen niet zelf uit hun duisternis (onbewustheid) breken. Toch wil God hen openen om opnieuw met hen de relatie aan te gaan. Dat kan enkel gebeuren ‘door een hemelse kracht’ die de Vader naar de wereld zendt, in zijn ene Woord, namelijk door de menswording van het ene Woord in Jezus Christus: ‘Het ware licht, dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld’ (Joh. 1:9).

Dit mensgeworden Woord werkt al het goede uit: ‘door zijn zachtmoedigheid voert het Woord de mens terug tot het leven’. Niet door hardheid, niet door de macht, maar door zachtheid en mildheid wordt de mens teruggevoerd naar het leven.

Ondanks hun duisternis (onbewustheid) blijven de mensen de mogelijkheid behouden om open te staan voor deze hemelse kracht. Door de zonde zijn zij ervan af gekeerd en vervreemd, en kunnen niet op eigen kracht terugkeren, omdat de macht van de zonde hen in de ban heeft (door de onbewuste vereenzelviging met de stof).

 

 

Vader liefde en moeder liefde

Vader liefde en moeder liefde

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

.

De moederliefde van God

.

De levensbron van God ontsluit zich als moederliefde, die als een omhelzing tot ons komt. De levensbron opent zich voor ons, opdat wij open worden voor God. De liefde, die uit deze levensbron stroomt, biedt een opening voor ons. Gods liefde maakt zich kenbaar als moederliefde. Deze liefde maakt een verbinding naar ons, opdat er tussen God en ons een relatie kan ontstaan.

Zoals een moeder zichzelf beschikbaar stelt met lichaam en ziel, opdat haar kind zal leven, zo voedt de moederliefde van God de mens ten leven. Zoals de moeder haar kind behoedt, zo is de moederliefde van God onze helpster (parakleitos, de heilige Geest) in gevaren. Hildegard duidt deze aspecten van moederliefde aan met het woord ‘dilectio’: de liefde, die de mens bevrijdt uit de duisternis, de liefde die werkt als een genade.

Waar de mens geopend is, kan Gods liefde naar de mens toestromen. Waar de mens kan ontvangen, kan God geven. Dit is één gebeuren. Dit wordt ervaren als ‘de diepste en allerzoetste liefde’. De moederliefde van God is er voor de mensen en nodigt hen uit tot leven. In deze relatie kan de mens bij zichzelf en bij God komen.

In deze aanwezigheid van God kan het besef doorbreken van zondig zijn, dat wil zeggen: van vervreemd zijn van God, afgesneden en niet zichzelf. Dit besef zet de mens op de weg naar terugkeer en herstel (bekering), ‘zo leert God ons te leven in boetvaardigheid’.

 

 

.

De innerlijke bewogenheid van God met de mens

.

God wil de relatie met de mens herstellen en dat gebeurt doordat God zich de mens herinnert. God heeft immers de mens geschapen uit liefde. Het beeld van de mens ligt onuitwisbaar in het geheugen van God getekend. Het is de herinnering aan het grote werk van God, die de mens geboetseerd heeft uit het slijk der aarde. God heeft de mens geschapen uit goddelijke kracht als ‘zijn kostbaarste parel’. De schoonheid van de mens ligt als een parel in het binnenste van God getekend.

De mens is geschapen als een parel én de parel ligt in de herinnering van God. Hier raken God en mens elkaar (het streven naar de hereniging). God heeft de mens tot leven gewekt door hem levensadem in te blazen. Zo werd de mens bezield met goddelijke geest. God heeft de mens gewekt, maar hij is nog niet tot voltooiing gekomen. Het krachtstroompje ligt nog bedolven. De kostbare parel, die in de diepte verborgen ligt, is nog niet aan het licht gekomen (door de onbewuste vereenzelviging).

Een parel groeit in de zee als parelmoerstof in het lichaam van een pareloester. Door onze(!) stroompjes zijn we verbonden met de ‘zee’, met de volheid (de goddelijke algeest), waaraan onze ‘stroompjes’ ontspringen. Door middel van onze stroompjes kunnen we op zoek gaan naar de parel (jezelf als geest) die daar in de diepte (van de ziel) verborgen ligt.

Gods herinnering aan de mens is vol barmhartigheid. God is bewogen met de mens, die hij tot leven heeft gewekt. Zoals een moeder de vrucht draagt tot haar dagen vervuld zijn, zo draagt God de mens in zijn innerlijk tot de vruchten voldragen zijn. God zet met zijn scheppende liefde een proces in gang en gaat een verbintenis aan met het leven, dat verwekt is. Gods barmhartigheid, die gestalte krijgt als moederliefde van God, voedt en behoedt als een zwangere vrouw dit komende leven opdat deze verbintenis tot voltooiing komt.

God verlangt naar ons en is met ons begaan. Deze bewogenheid is een stuwende kracht van verlangen, die naar ons kan toestromen als we worden bevrijd (van onze toestand van vereenzelving met de stof). Dan kan de volheid, waar alle leven uit voortkomt, naar onze stroompjes toestromen en ons herscheppen.

 

 

.

In de spiegel van Gods barmhartigheid

.

Gods moederliefde stelt zich beschikbaar voor ons en nodigt ons uit tot leven. Gods liefdevolle aanwezigheid betekent niet dat alles wordt toegedekt. We mogen onszelf tegenkomen in heel ons doen en laten (bewustworden door zelf ervaringen op te doen en te verwerken met onze vermogens). Gods barmhartigheid houdt ons een spiegel voor en confronteert.

In deze spiegel beseffen we onze zelfgenoegzaamheid, onze zelfzuchtigheid (door de onbewuste vereenzelviging met de stof). Deze houding noemt Hildegard hoogmoed en deze schrijft zij toe aan de duivel. Hier staan God en duivel tegenover elkaar. God die de mens wil verlossen en de duivel die hoogmoedig is en de mens in zijn ban heeft.

In aanwezigheid van Gods moederliefde kunnen we uit deze ban worden bevrijd en afdalen, opdat we nederig worden. In de Latijnse tekst van Hildegard staat ‘humilitas’, nederigheid. Dit woord is afkomstig van ‘humus’ en ‘humilis’. Humus betekent ‘grond’. Humilis betekent ‘laag bij de grond’, eenvoudig, deemoedig, nederig.

Nederigheid betekent: bij de grond zijn, buigen naar de aarde. Nederigheid maakt ontvankelijk (de geest is daardoor een ‘leegte’ en staat open voor God). Iemand die nederig is, vervult zichzelf niet met alles wat hij heeft en is. De duivel kent geen nederigheid. Die wil zelf op de plaats van God zitten. Dit zijn de hoogmoedige verzinsels van de listige slang.

Hoogmoed staat tegenover nederigheid. Hoogmoed verbeeldt zichzelf heel wat, terwijl nederigheid zichzelf ontledigt. Hoogmoed vervult zichzelf en is gericht op zichzelf (zelfgerichtheid), nederigheid is een houding van louter ontvangen in verbondenheid met de grond van het bestaan, waar onze stroompjes van kracht ontspringen.

 

 

 

Herschepping door liefde

.

Het initiatief tot onze verlossing neemt God als moederliefde die naar ons toekomt en ons bevrijdt. Barmhartigheid raakt de naam van God in het hart: Ik ben er. Barmhartigheid is teder én houdt ons een spiegel voor. Barmhartigheid omvat zowel de tedere kant als de confronterende kant van God. Deze twee aanzichten heeft de moederliefde van God. Gods moederliefde is een bron van genade, die uitnodigend is, opdat wij leven én houdt ons een spiegel voor, waarin wij onszelf kunnen tegenkomen (en zo tot zelfkennis kunnen komen).

Gods liefde is nabij én schept afstand. Zo komen wij in aanraking met ons stroompje van kracht en kunnen naar binnen keren om de diepte in te gaan, waar het diepste leven gewekt kan worden: de parel (geest) die vanaf onze oorsprong in ons aanwezig is (die wij vanaf onze oorsprong zelf zijn, maar onbewust).

Als barmhartige keert God zijn hart naar ons toe en verlangt ernaar ons te betrekken in zijn scheppende liefde, opdat wij worden tot wie wij zijn: schepsel naar het beeld van de ene God. God noemt Hildegard hier Schepper en Heer. De Zoon duidt Hildegard aan als Hoofd en Verlosser. Zijn levenskracht is van eeuwigheid werkzaam in alles wat leeft en omvat hemel en aarde.

Christus is een Verlosser, die onze zonden heeft afgewassen. Hij is onze zielverzorger, die ons verpleegt en verzorgt (voelen). Hij maakt onze wonden schoon. De Zoon van God is werkzaam als een verpleegkundige, een arts, die de mens geneest. Uit Christus komt het geneesmiddel voort, waardoor wij geheeld worden.

Deze werkzaamheid van het goddelijke leven is er altijd, zegt Hildegard. De geheimen van God zijn van eeuwigheid werkzaam. God kan ons ieder moment herscheppen. De mens heeft de mogelijkheid om door het krachtstroompje (de menselijke geest) deel te nemen aan de volheid, die oneindig diep is en waaraan niets ontbreekt (de goddelijke algeest). Deze kan zich ontvouwen in ieder schepsel en het voltooien (door geestelijke ontwikkeling).

De stroompjes blijven altijd aanwezig, ondanks het feit dat wij aan tegenslagen en veranderlijkheid onderhevig zijn. Door de stroompjes kunnen wij steeds weer opnieuw in contact komen met de geheimen van God waarin de drie goddelijke personen bewegen en die ‘ondeelbaar levend in de eenheid van de goddelijkheid’ zijn.

 

.

 

Slotbeschouwing

.

Als zwangere gaat Gods moederliefde een verbintenis aan met de mens, opdat het leven, dat gewekt is, voldragen wordt. Als zwangere draagt God het vruchtwater in zich, waarin mensen gedragen worden tot de tijden zijn vervuld, opdat zij opnieuw geboren worden (zelfverwerkelijking en hereniging).
Ook heel de schepping wacht op voltooiing: ‘De hele natuur kreunt en lijdt in barensweeën, altijd door’ (Rom. 8:23).

Waar God ons herschept, ervaren we dat we niet zelf de oorsprong en ontwerper zijn van het leven. Ons leven kent een dieper geheim. Betrokken op dit levensgeheim beseffen we dat we verbonden zijn met een alomvattende kracht die in heel de schepping aanwezig is en die ‘al wat is’ leven geeft (de goddelijke algeest). In ons zit dit geheim als een parel verborgen (wijzelf als de menselijke geest), die de belofte is van een nieuwe schepping.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

.

voorpagina openbaring a4

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

.

 

JOHN ASTRIA

Waarom zwijgen in onze tijd ?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

.

Waarom zwijgen in onze tijd?

 

Meestal wordt het zwijgen in onze tijd eenzijdig geïdealiseerd door mensen die er wel naar verlangen, maar er geen ervaring mee hebben. Aan hun lofzang ontbreekt één aspect dat de monastieke traditie steeds opnieuw benadrukt: het zwijgen stelt eisen aan ons, is een opgave om aan onszelf te werken en onszelf daardoor te veranderen. Deze geestelijke opgave vergt inzet van de héle mens. Zwijgen betekent voor de monnik vooral het inoefenen van wezenlijke morele grondhoudingen, een oproep zijn egoïsme te bestrijden en zich voor God open te stellen. Hij zal minder de nadruk leggen op het zwijgen als ontspannings- of meditatietechniek.

Wij moeten ons ervoor hoeden teveel onbewuste wensen in onze lofzang op het zwijgen te projecteren. De monnik zal het zwijgen nooit als het enige middel op de geestelijke weg verkondigen, maar altijd in samenhang zien met andere onmisbare disciplines van de geestelijke weg: bidden, mediteren, het open leggen van zijn gedachten voor zijn geestelijke begeleider, werken, vasten, aalmoezen geven, gastvrijheid en liefde voor zijn mede-broeders.

 

 

shhzwijgen

.

 

 

I. Zwijgen als strijd tegen zonde en ondeugden

.

Het zwijgen is voor de monnik een middel om reinheid van het hart en rechtschapenheid te verwerven. Maar in eerste instantie dient het zwijgen ertoe de vele zonden te vermijden die met de tong begaan worden.

 

.

1. Gevaren van het praten

.

De ervaring van monniken leert dat de vier belangrijkste gevaren van het spreken zijn:

.

1) Het gevaar van nieuwsgierigheid

Nieuwsgierigheid brengt verstrooiing, maakt dat een mens zich met allerlei dingen bemoeit. Zo wordt hij ‘uitgegoten’, leeg en oppervlakkig. In zo’n mens kan niets tot rijping komen.

Verder bestaan er mensen die niets voor zich kunnen houden, alles er direct uitflappen. Zij kunnen niet met een geheim omgaan, praten het met hun woorden kapot, zodat zij er nooit dieper in zullen doordringen. Hierin uit zich een angst voor het geheim, en misschien uiteindelijk wel voor God. Door te praten hopen zij alles benoembaar, en daarmee beheersbaar, te maken.

 

.

2) Het gevaar van het oordelen over anderen

Zelfs wanneer we positief spreken over anderen duwen we ze in hokjes of vergelijken hen met onszelf. Het praten over anderen is vaak in feite een spreken over onszelf en wat ons bezighoudt, zonder dat we ons dat bewust zijn. Zo wordt eerlijke zelfkennis bemoeilijkt, want door te focussen op anderen vermijden we dat naar onszelf zouden kijken.

 

.

3) Het gevaar van eigenroem

Spreken kan een uitermate ijdele bezigheid zijn, waarin men voortdurend de schijnwerpers op zichzelf richt, om zo voldoende erkenning, misschien wel bewondering, te krijgen, en om serieus genomen te worden.

 

.

4) Het gevaar van nalatigheid in innerlijke waakzaamheid

Een vaderspreuk [spreuk uit het milieu van de eerste woestijnmonniken in Egypte, vanaf einde 3e eeuw n.C.] hierover:

Abbas Diadochos zei: ‘Zoals voortdurend openstaande deuren van een bad zeer snel de warmte van binnen naar buiten stromen laten, zo laat hij, die veel praat, ook wanneer hij goede dingen zegt, zijn “herinnering” (mnème) door de poorten van de stem vervluchtigen.’

De mnème (jezelf voortdurend Gods aanwezigheid voor ogen houden, her-inner-en) in deze spreuk duidt op het bij-zichzelf-zijn, het God-aankleven. In het spreken ‘vallen we steeds weer uit onszelf en uit ons midden’. Spreken heeft altijd iets dubbelzinnigs; zelfs al spreken we over goede dingen, er lijkt toch altijd op de een of andere manier een onzuivere toon in mee te klinken.

Deze ervaring hoeft ons niet neerslachtig te maken, wanneer we haar met de zekerheid verbinden dat God ons aanneemt zoals we zijn. We kunnen dan met gezonde humor naar ons eigen spreken kijken. Dit werkt bevrijdend, omdat we daardoor het ideaalbeeld van onszelf waaraan we zo krampachtig vasthielden, steeds meer los kunnen laten. We mogen dan zijn wie en zoals we zijn, en de ervaring van ons dubbelzinnige spreken wordt tegelijkertijd de ervaring van Gods liefde en vergeving.

 

.

 

2. Zwijgen als weg tot zelfontmoeting

.

Positieve kant van zwijgen: het is een middel tot zelfontmoeting. Vaak zijn we op de vlucht voor onszelf, en zijn daarom niet graag alleen. Wanneer we toch alleen zijn, hebben we een of andere bezigheid nodig om ons af te leiden. Zwijgen is daarom niet alleen niet praten, maar ook alle mogelijkheden opgeven om ons van onszelf af te leiden, en het met onszelf uit te houden.

Er blijken dan vaak onaangename gedachten, gevoelens en stemmingen naar boven te komen, die we voorheen wisten te onderdrukken, etc. We worden geconfronteerd met onze eigen innerlijke chaos van gevoelens en gedachten. Daarom zijn volgens woestijnvaders begeleiding door een geestelijk leidsman onontbeerlijk. Dit is dan een gelegenheid om door het uitspreken van de meest intieme gedachten en gevoelens met eigen spanningen in het reine komen.

Maar naast spreken kan ook zwijgen soms therapeutisch werken. Zo wordt het gevaar vermeden van cultiveren van de eigen problemen, door er te vroeg of voortdurend over te praten, zonder er wat aan te doen. Zwijgen kan bijv. helpen afstand te winnen tegenover een eigen opwinding of ergernis, zodat de mens zichzelf en zijn reacties kan leren kennen, i.p.v. ze direct op anderen af te reageren. Hij kan dan analyseren in hoeverre zijn ergernis terecht is, of dat er een opgeblazen ego uit spreekt.

Samengevat: zwijgen kan een mens helpen distantie t.o.v. zichzelf te winnen.

Een andere therapeutische functie van zwijgen kan zijn dat het ordening aanbrengt in de chaos van onze emoties en agressie. Wanneer we heftige emoties hebben, worden die door het uiten vaak versterkt. Een mening over een ander die we uitspreken, kan zich juist door dit uitspreken des te meer vastzetten bij ons. Zwijgen is in dit geval geen wegslikken van emoties, maar de gelegenheid nemen om ze te verwerken en om te beoordelen of het goed is ernaar te handelen. Voorwaarde voor een gezonde omgang met het zwijgen is dat we altijd onderzoeken wanneer het op zijn plaats is, en wanneer niet. Zodat ik bijv. niet zwijg uit verbeten trots en het voornemen mijn problemen alleen op te lossen, of zwijg terwijl het beter zou zijn een ander op de gevolgen van zijn gedrag te wijzen.

De woestijnvaders [eerste woestijnmonniken in Egypte, vanaf einde 3e eeuw n.C.] hechtten vooral veel belang aan het zwijgen in situaties waarin men een ander de fout in zag gaan. Zo wordt de neiging een ander te veroordelen beheerst, en geven zijn fouten ons gelegenheid de eigen tekortkomingen te onderzoeken. Een woestijnvader drukt dit als volgt uit: “Wanneer je iemand ziet zondigen, bidt dan tot de Heer en zeg: ‘Vergeef me, want ik heb gezondigd.'” Op deze manier vermijden we de projectie van eigen fouten in een ander. Zwijgen als afzien van oordelen, innerlijk en uiterlijk, is een zeer wezenlijk motief voor de monnik. Zo wordt onze neiging onszelf voortdurend met anderen te vergelijken afgeremd, wat ons innerlijke rust kan geven. In het zwijgen richten we de blik op onszelf, i.p.v. op een ander. We weten immers vaak niet welke omstandigheden ertoe geleid hebben dat hij zich op een bepaalde manier gedraagt.

Het niet (ver)oordelende zwijgen kan voor een ander genezend werken. Hij wordt niet aan een hard oordeel onderworpen, maar bejegend met een aanvaardbare liefde, die weet heeft van de eigen zwakheid.

 

 

 

3. Zwijgen als zege over de ondeugd

.

Gedachten die ongecontroleerd opstijgen wanneer we nergens door afgeleid worden, bijv. bij inslapen, tonen duidelijk hoe het met ons innerlijk gesteld is. De oude monniken gebruikten deze gedachten om te onderzoeken of ze in de ban waren van één van de acht hoofdzonden: brasserij, ontucht, hebzucht, treurigheid, toorn, lusteloosheid, eigenroem, trots. Innerlijk zwijgen – daar staat het in het monastieke leven uiteindelijk op gericht – is pas mogelijk wanneer deze zonden overwonnen zijn. Anders blijven in ons innerlijk onophoudelijk ‘stemmen’ klinken: onze onbevredigde begeerten, emoties en stemmingen die niet in evenwicht zijn, ijdelheid, roemzucht, etc.

Zwijgen is een actief middel in de strijd tegen de acht verkeerde attitudes. Bijvoorbeeld: niet direct toegeven aan opkomende woede, maar hem de kans geven weer tot bedaren te komen. Wezenlijk is, dat het uiterlijke zwijgen altijd beantwoordt aan een innerlijk zwijgen; het is namelijk ook mogelijk dat iemand zwijgt uit trots of een gevoel van gekrenktheid, waaraan hij innerlijk voldoening ontleent.

Behalve strijd tegen de ondeugden, is het zwijgen tevens teken van de overwinning erop. Enkel wie zijn verkeerde innerlijke attitudes heeft overwonnen kan werkelijk innerlijk zwijgen. Het volkomen innerlijke zwijgen zal in dit leven wel nooit helemaal bereikt worden, maar we kunnen er wel af en toe van proeven. De innerlijk zwijgende mens is een deemoedige mens omdat hij weet dat dit zwijgen een geschenk is. Hij kan zich enkel voorbereiden op het ontvangen ervan.

 

 

.

4. Het juiste spreken

.

Het spreken wordt door Benedictus (480-555/560) niet los van het zwijgen gezien. Het kan zijn dat iemand die uiterlijk zwijgt, innerlijk zeer drukke gesprekken aan het voeren is, en, omgekeerd, dat iemand die uiterlijk spreekt innerlijk zwijgt. Het gaat erom dat ons spreken het innerlijke zwijgen niet onderbreekt, maar uitdrukking daarvan is. De waarlijk deemoedige monnik kan men volgens Benedictus herkennen aan het feit dat hij, wanneer hij spreekt, maar weinige en bescheiden woorden gebruikt. Zijn woorden geven door wat de Geest hem influistert. Daarom heeft hij het niet nodig zich gewichtig voor te doen of hardnekkig aan zijn mening of verlangens vast te houden.

Hij stelt zichzelf niet in het centrum, omdat hij eerbied heeft voor de ander want eerbied is bij Benedictus nauw verbonden met deemoed. Eerbied laat de ander zijn zoals hij is en probeert hem niet met geweld te overtuigen of te veranderen. Evt. kritiek wordt deemoedig voorgehouden en de ander kan beslissen of hij er iets mee doet.

Benedictus hecht er verder aan dat een monnik ‘verstandig’ praat, d.w.z. vanuit een heldere blik op de dingen, die niet vertroebeld wordt door eigenbelang of door stemmingen. Tot dit spreken komt men doorheen het zwijgen, dat vele dingen in ons tot klaarheid laat komen. Alleen wie op deze manier vrij van zelfzucht en open voor anderen is geworden, kan een woord spreken dat de ander waarachtig goed doet. Zo iemand ‘spreekt vanuit de vreze des Heren’, d.w.z. heeft gevoel voor de aanwezigheid van Christus in de ander.

Samenvattend: zwijgen en spreken horen bij elkaar. Iemand die op de juiste manier weet te spreken valt in het spreken niet uit de concentratie en uit de openheid voor Gods aanwezigheid. In het spreken volhardt hij in deze openheid en geeft uitdrukking aan haar, zodat ook de anderen daaraan deel kunnen hebben. Het gaat Benedictus om de innerlijke houding van zwijgen, om zwijgzaamheid als gevoel voor Gods aanwezigheid en als geconcentreerd rusten in God.

 

 

horen-zien-zwijgen_1

 

.

 

II. Zwijgen als loslaten

 

“Het zwijgen kan vanuit verschillende gezichtspunten bekeken worden: als passief niet-praten, als innerlijke houding van concentratie, als strijd tegen verkeerde attitudes, en als de aktie van het loslaten.” 

 

Dit laatste is meer dan enkel niet-praten of niet-denken, het is een voortdurend actief loslaten van ons denken en spreken. Of iemand zwijgen kan blijkt niet uit de kwantiteit van zijn woorden, maar uit zijn vermogen tot loslaten. Want (vooral jonge) mensen kunnen aan het zwijgen zelf gehecht raken, als middel om zich af te schermen van de grote boze buitenwereld, zodat zijzelf, hun denkbeelden en dromen, niet aan kritiek kunnen worden blootgesteld. Het kan daarom voor mensen een heilzame ervaring zijn zich te blameren in hun spreken; zij worden zo gedwongen het geïdealiseerde en stichtelijke zelfbeeld dat zij zichzelf en anderen voorhouden, los te laten.

.

 

1. De methode van het loslaten

Men kan de gedachten en gevoelens die in het zwijgen opduiken bestrijden, om ze zo tot rust te brengen. Een andere methode bestaat erin ze los te laten, door ze niet zoveel belang toe te kennen. Men staat dan niet onder de prestatie-druk ze kwijt te moeten raken. De paradox is nu, dat ze vaak juist door dit onthechte waarnemen langzamerhand uit het bewustzijn verdwijnen. En in het geval dat dit niet gebeurt, dan nog zetten ze mij niet meer onder druk, omdat ik leef in het vertrouwen dat God mij aanneemt zoals ik ben, mét al mijn gedachten en gevoelens.

Niet alle gedachten en gevoelens hoeven losgelaten te worden, maar enkel diegene waardoor een mens gefixeerd raakt en welke innerlijke spanningen in hem creëren. Deze spanningen uiten zich ook lichamelijk. Deze spanningen kan men op verschillende manieren loslaten.

Een eerste methode begint bij het lichaam, door de uitademing naar de plek te leiden waar lichamelijke spanning gevoeld wordt. Deze methode heeft alleen zin, wanneer men tevens de innerlijke spanningen loslaat die aan de lichamelijke ten grondslag liggen.

De tweede methode bestaat erin direct de innerlijke spanningen los te laten, ze uit handen te geven aan God. Dat kan niet met op elkaar gebeten tanden, maar enkel door los te laten. Dit betekent vertrouwen op de liefde van God en zich niet meer door hoge idealen, als een vorm van eigen prestatie, tegen deze overgave beschermen. Dan zit men niet meer op de troon, met al zijn vrome idealen, inspanningen en geestelijke behoeften, en plant men ook niet meer zijn eigen geestelijke groei en rijkdom. De persoon geeft zichzelf uit handen, zodat Christus in hem heerst.

.

 

2. Zwijgen als sterven

Het begrip ‘loslaten’ als zodanig kent de monastieke traditie niet, maar de inhoud ervan wel. Ze gebruikt hiervoor twee beelden: dat van het sterven en dat van het pelgrimeren.

De mens die innerlijk wil zwijgen, moet worden als een lijk. Hiermee wordt bedoeld dat hij net als de doden ongevoelig is voor lof en voor onrecht hem aangedaan door mensen. Zo leeft hij in de wereld zonder er door beheerst te worden. Het kan een goede oefening zijn ons voor te stellen dat we in het graf liggen en te mediteren over alles wat we dan achter ons zouden laten: maskers, onechtheid, rijkdom, meningen etc. Deze gang door de dood maakt het ontstaan van nieuw leven in ons mogelijk.

 

.

3. Zwijgen als pelgrimage

In de Vaderspreuken worden zwijgen en pelgrimeren soms aan elkaar gelijk gesteld. Door te zwijgen trekt de monnik zich uit deze wereld en laat hij haar los. Hij ziet ervan af overal zijn commentaar op te geven, omdat de wereld door God gestuurd wordt. Een pelgrim vestigt nergens zijn tehuis, ook niet in de geborgenheid van woorden. Woorden scheppen verbinding met de wereld, tonen aan dat de mens er thuis hoort.

 

Uitgaan uit het vaderland duidt Cassianus als het loslaten van alle materiële goederen. M.b.t. het zwijgen betekent dit dat de mens de rijkdom van het woord loslaat. Dit zwijgen uit zich ook in armoede aan gedachten; men verliest zich niet in zijn fantasie, maar herkauwt slechts een paar woorden die voldoende zijn om van te leven. De monnik wordt zo een eenvoudig mens.

Uitgaan uit verwantschap is voor Cassianus uitgaan uit de vroegere levenswandel, uit gewoonten en ingesleten zondige attitudes. Het betekent ook een afscheid van vroegere gevoelens en affectiviteit, en daarmee van de mogelijkheid te vluchten in een geïdealiseerd verleden. Zo ontstaat er ruimte om zich te engageren met het heden en met de tegenwoordigheid van God daarin.

De uittocht uit het vaderhuis ziet Cassianus als volledig afgekeerd zijn van de wereld en enkel nog op het onzichtbare en Goddelijke gericht zijn. De monnik verliest dan elke herinnering aan deze wereld. Er kan geen vertrouwdheid met mensen ontstaan, men blijft een vreemde op deze aarde.

Hoe waardevol deze beelden ook zijn, men mag ze niet overdrijven. Het is niet de bedoeling dat de monnik een radicale haat voor de wereld of totale vlucht daaruit ontwikkelt. De juiste houding maakt het hem integendeel mogelijk alle dingen liefdevol te bejegenen, vanuit zijn verankering in God. Tenslotte: deze beelden duiden de opgave van elke mens aan, niet enkel die van monniken.

.

 

4. Zwijgen als vrijheid en gelatenheid

Wanneer we vanuit de vrijheid van het enkel God aanhangen zouden leven, zouden vele spanningen in ons dagelijkse leven opgeheven worden. We hoeven dan geen energie te verspillen aan eigen behoeften en wensen, of aan het verwerven van lof. De werkelijk zwijgende mens zwijgt ook in zijn daden, wat wil zeggen dat die zonder eigenbelang verricht worden. Zo kan het beeld van God in hem tot uiting komen, niet meer gehinderd door het ego.

 

 

des hommes et des dieux

 

.

 

 

III. Zwijgen als openheid voor God

.

 

1. Zwijgen als luisteren

Benedictus maakt onderscheid tussen silentium – de praktijk van het zwijgen – en taciturnitas, welke duidt op de innerlijke houding van zwijgen en de concentratie. De taciturnitas staat in dienst van het luisteren en van gehoorzaamheid. Bron van het zwijgen en van de gehoorzaamheid is de deemoed. Zowel het gehoorzamen als het luisteren hebben een verticale  en een horizontale component. De verticale is de gerichtheid op God en de horizontale is Gods gebod en woord worden bemiddeld via de andere mens.

Het zwijgen dient ertoe dat het doordrongen zijn van Gods tegenwoordigheid niet vervluchtigt. Het heeft dus een positieve betekenis: zichzelf-open-houden-voor, en eerbiedige aandacht. Het lichaam heeft deel aan deze openheid, kan het in Gods tegenwoordigheid gehuld zijn ervaren en in zijn gebaren tot uitdrukking brengen.

Het zwijgen dient tevens het gebed: enerzijds schept het een sfeer waarin dat kan gedijen, anderzijds bewaart het datgene wat in het gebed gegroeid is. Direct na het gebed spreken zou ertoe leiden dat we de vrucht ervan weer verliezen en de innerlijke houding van openheid voor God teniet doen. Zwijgen laat het gebed naklinken, zodat het in het hart bezinken kan. De intensiteit van het ervarene laat niet toe het weer te verdampen in de futiliteit van woorden.

 

.

 

2. Zwijgen als voltooiing van het gebed

De monastieke traditie kent een in vier fasen ingedeeld gebedsproces. Eerst spreekt God tot de mens via wat hij leest (lectio), waarop de mens met gebed (oratio) antwoordt. Een volgende fase is de meditatio, waarin de mens het gelezene in een geconcentreerd zwijgen op zijn hart in laat werken, zonder het te analyseren. Dit is een vervulde stilte, waarin de mens in Christus’ tegenwoordigheid verkeert en zich door Hem aangezien weet. Hij laat zich omvormen door deze blik.

De laatste fase op de weg van het gebed is de contemplatie (contemplatio). Dit betreft het bidden zonder beelden en gedachten, het bidden als een puur zwijgen voor God, een beeld dat in de monastieke gebedsleer steeds opnieuw terugkeert. Deze stilte, dit bidden is een geschenk van God en kan niet door een techniek verworven worden. Daarom moet de monnik er niet met ongeduldige verwachting naar uitzien maar zich enkel richten op de drie voorgaande fasen. Dit zijn de enige fasen die ‘geoefend’ kunnen worden.

Het thema van de stilte der contemplatie is vooral uitgewerkt door Evagrius Ponticus (345-399). Hij leert dat élke gedachte, élk gevoel en élk beeld ons van God afleidt. We blijven dan daarbij stil staan i.p.v. bij de ervaring van God zelf.

De scepsis van Evagrius t.o.v. elke beschrijfbare Godservaring leert ons niet al te gemakkelijk over Godservaring te spreken. “Vaak is ons bidden gedurende lange periodes enkel een vermoeden van volheid temidden van onze leegte.”  Het zwijgende bidden volgens Evagrius is een zwijgen dat ons overkomt, dat ons pijnlijk kan verteren of met vreugde vervullen, en dat ons alle beelden uit handen slaat. Dit zwijgen is ook voor monniken een uitzondering.

 

 

.

 

3d-gouden-pijl-5271528

.

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

 

 John Astria

John Astria

 

HEBREEËN 9:27-28

Standaard

Categorie: religie

 

 

De mens in geloof

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

HEBREEËN 9: 27-28

 

27 De mensen sterven éénmaal, en worden dan geoordeeld. 28 Zo is ook Christus éénmaal gestorven. Hij heeft Zichzelf éénmaal geofferd om de straf voor de ongehoorzaamheid van de mensen op Zich te nemen. Als Hij voor de tweede keer komt, komt Hij niet meer om Zichzelf voor onze ongehoorzaamheid te offeren. Dan komt Hij om de mensen die op Hem vertrouwen voor hun redding, helemaal te bevrijden.

 

Het is algemeen bekend dat ieder mens eens moet sterven. Maar weet u ook dat alleen de Bijbel ons vertelt (namelijk in Romeinen 5) waarom alle mensen moeten sterven? De Bijbel zegt ons dat de zonde van de eerste mens de dood in de wereld heeft gebracht.  Dus geen enkele mens kan aan de dood ontkomen.

Na de dood volgt het oordeel van God! Het heeft geen enkele zin dit te ontkennen. Ook al laten mensen zich verbranden in de veronderstelling van oosterse leringen, dat ze daarna weer een ander lichaam krijgen – geen mens kan van nature ontkomen aan het oordeel van God. Zijn Woord is de waarheid, en elke mens zal slechts éénmaal sterven, dus niet meer dan eens. En daarna komt het oordeel.

God heeft een grote afkeer van de zonde, en Hij zal Zijn oordeel over de zonde uitoefenen in overeenstemming met Zijn eigen heiligheid. Het is onmogelijk God om te kopen. Maar als het dus waar is dat niemand ontkomt aan de dood – is er dan geen mogelijkheid te ontkomen aan het oordeel van God? Ja, God zij dank! Dat is mogelijk door de Heer Jezus Christus, de Redder van zondaren. Wanneer iemand zijn zonden voor God belijdt en vervolgens gelooft dat de Heer Jezus ook voor hem het oordeel heeft gedragen, dan komt hij of zij niet in het oordeel. Want de Bijbel zegt:

“Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alreeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God” (Johannes 3:18).

 

We moeten vooral ook niet vergeten wat er ná vers 27 staat:

Christus is eenmaal geofferd. Zijn offer is eenmalig en uniek, net zoals het sterven van mensen eenmalig is. Dit offer kan en zal nooit herhaald worden, omdat God, Die heilig is, eens en voor altijd genoegdoening heeft gekregen door dit offer. God heeft dat bevestigd door Christus op te wekken uit de doden. Christus is geofferd om de zonden van velen weg te nemen. Wie zijn deze “velen”? Het zijn die mensen die Hem in hun leven hun zonden hebben beleden en hebben geloofd dat Hij in hun plaats voor hen heeft geleden en is gestorven.

Deze ‘velen’ zijn dus de kinderen van God. Het oordeel dat zij evenals alle anderen verdiend hadden, heeft Christus gedragen. Daarom kunnen christenen Hem nu met een gelukkig hart verwachten. Christus komt nog een keer. Dan zullen de Zijnen Hem zien. Hij verschijnt dan “zonder zonde”, dat wil zeggen dat deze komst niets meer met de zonde te maken heeft. Bij Zijn eerste komst heeft Christus de zonden van de Zijnen gedragen en daarmee de vraag van de zonde opgelost tot volle tevredenheid van God. Daarom komt deze vraag niet meer ter sprake bij Zijn tweede komst.

Het verschil tussen de mensen uit vers 27 en de gelovigen uit vers 28 is dus heel diepgaand. De ene groep staat het oordeel te wachten, de anderen verwachten Christus, hun Heiland. We hopen dat u bij de laatste groep hoort en blij naar uw Redder uitziet.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget