Advertenties

Tagarchief: zonde

De nederlaag van satan

Standaard

categorie : religie

 

 

 

De nederlaag van de draak ( satan met symbool 666 ) door het kruis

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De nederlaag van satan

.

.

Over de grootste strijd, die ooit heeft plaatsgevonden op deze aarde, is niet in een van de geschiedenisboeken ter wereld geschreven. Het was op Golgotha​​, toen Jezus door Zijn dood satan, de prins van deze wereld, versloeg. Een vers dat we nooit in ons hele leven mogen vergeten is Hebreeën 2:14, 15. Het is zeker dat satan niet zal willen dat we dit vers kennen.

 

Niemand vindt het leuk om van zijn eigen nederlaag of falen te horen en satan is hierop geen uitzondering. Hier is het vers:

 

“Omdat nu die kinderen van vlees en bloed zijn, heeft Hij (Jezus) eveneens daaraan deel gehad om door de dood (Zijn dood aan het kruis van Golgotha) hem die de macht over de dood had – dat is de duivel – teniet te doen, en allen te verlossen die door angst voor de dood gedurende heel hun leven aan slavernij onderworpen waren.”

 

 

 

De boze is machteloos

.

.

Toen Jezus stierf, maakte hij de duivel machteloos. Waarom? Omdat we voor altijd vrij zouden zijn van satan en van de slavernij van de angst die hij op ons gedurende ons hele leven had gebracht. Er zijn vele soorten van angsten die mensen in de wereld hebben, maar de grootste van alle angsten is de angst voor de dood.
.
.
Elke andere angst is minder dan de angst voor de dood. De angst voor de dood leidt naar de angst voor wat er zal gebeuren na de dood. De Bijbel leert ons heel duidelijk dat degenen die in zonde leven uiteindelijk naar de hel zullen gaan – de plaats die God heeft gereserveerd voor degenen die zich niet bekeren. De duivel zal ook de eeuwigheid doorbrengen in de poel van vuur, samen met degenen die hij bedrogen heeft en op deze aarde tot zonde leidde.
.
.
Jezus kwam naar de aarde om ons te redden van de eeuwige hel door de straf voor onze zonden op Zich te nemen. Hij heeft ook de macht van satan over ons teniet gedaan, zodat hij ons nooit meer kan schaden. Vergeet deze waarheid je leven lang niet:
.
.
GOD ZAL ALTIJD AAN JOUW KANT STAAN TEGEN SATAN.
.
.
De Bijbel zegt:
.
.
” Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten.” (Jakobus 4:07).
.
.
De naam van Jezus is de Naam waardoor satan altijd zal vluchten. Het beeld dat de meeste christenen in hun gedachten hebben is die van de satan die achter hen jaagt waardoor ze moeten rennen voor hun leven. Maar dat is precies het tegenovergestelde van wat de Bijbel ons leert. Satan was en is bang voor Jezus die het Licht van de wereld is waardoor de vorst der duisternis voor Hem moet verdwijnen.
.
.
Jezus vertelde Zijn discipelen over hoe Hij de val van satan in de hemel had gezien. En daar, zei Jezus, was de val van satan geweest “als de bliksem” (Lukas 10:18), toen God hem uit wierp. Toen Jezus tegen satan in de woestijn zei, “Ga weg, satan,” verdween hij ook met de snelheid van de bliksem uit de aanwezigheid van Jezus. En wanneer we ons vandaag in de naam van Jezus verzetten tegen de satan, dan zal hij ons ook met de snelheid van het licht ontvluchten. De duisternis vlucht voor licht.
.
.
Satan is bang voor de Naam van Jezus. Hij is bang om te worden herinnerd aan het feit dat Jezus Heer is. Mensen die door demonen bezeten zijn, zullen niet belijden dat Jezus Christus Heer is, ook zullen zij niet bekennen dat satan werd verslagen aan het kruis. Er is kracht in de Naam van Jezus Christus om elke demon uit te werpen en elke duivel van u weg te laten vluchten – met de snelheid van de bliksem. Vergeet dat nooit.
.
.
.

Keuze tussen eeuwig leven of de vuurpoel

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

.

Moeilijkheden in je leven

.

Als je op enig moment in je leven in moeilijkheden zit, of je wordt geconfronteerd met een onoverkomelijk probleem, iets waarvoor er geen menselijk antwoord lijkt te zijn, beroep je dan op de Naam van de Here Jezus. Zeg tegen Hem:
.
.
“Heer Jezus, U staat aan mijn kant tegen de duivel. Help me nu”.
.
.
En spreek dan tegen satan en zeg hem:
.
.
“In Jezus Naam weersta ik je​​, satan”.
.
.
Ik kan je zeggen dat satan dan onmiddellijk van je weg zal gaan, omdat Jezus hem versloeg aan het kruis. Satan is machteloos tegen jou, wanneer je hem in het licht van God en in Jezus‘ naam weerstaat.
.
.
Satan wil uiteraard niet dat je van zijn nederlaag af weet en dat is waarom hij je zo lang heeft verhinderd hierover te horen. Dat is de reden waarom hij ook de meeste predikers heeft gestopt om te preken over zijn nederlaag. Ik wil dat jullie dit allemaal duidelijk weten dat satan eens en voor altijd door de Heer Jezus Christus werd verslagen aan het kruis.
.
.
Je hoeft nooit meer bang voor satan te zijn. Hij kan je niet lastig vallen. Hij kan je geen kwaad doen. Hij kan je verleiden. Hij kan je aanvallen. Maar de genade van God in Christus zal je altijd over hem laten zegevieren, als je jezelf vernedert, aan God onderwerpt en te allen tijde wandelt in Zijn licht. Er is een enorme kracht in het licht.
.
.
Satan, de vorst der duisternis, kan nooit het rijk van het licht binnen gaan. Als Satan macht heeft over vele gelovigen, dan is dat omdat ze in de duisternis wandelen, leven in een geheime zonde, anderen niet vergeven, of jaloers zijn op iemand, of een aantal zelfzuchtige zaken in hun leven najagen, etc. Dan krijgt de satan macht over hen. Anders kan hij ze niet aanraken.
.
.
.
.
.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

 

Advertenties

Het boek Job in het Oude Testament

Standaard

categorie : religie

 

 

Het boek Job is één van de boeken in de Hebreeuwse Bijbel. In het jodendom valt dit boek onder de categorie Geschriften van de Tenach, dat aan christenen bekend is als het Oude Testament. Het boek Job is genoemd naar de hoofdpersoon van het verhaal.

 

 

de vrienden van job

Job en zijn vrienden

 

 

Job was een rechtvaardig man

 

Het belangrijkste thema in het boek Job is de vraag naar de zin van het lijden en naar de rol van God daarbij. Via de ervaringen van Job komt deze vraag aan de orde. Hoewel Job een rechtvaardige man is, overkomt hem veel ellende. In zijn nood vervloekt hij de dag waarop hij geboren is. Maar dan nemen Jobs vrienden het woord. Zij zien het zo: God beloont mensen als ze goed leven, en straft ze als ze dat niet doen. Job moet dus wel zwaar gezondigd hebben. De meeste mensen in die tijd dachten trouwens zo. Maar Job is het hier absoluut niet mee eens. Hij is een vroom en rechtvaardig man, zoveel ellende verdient hij niet. Hij kan niet begrijpen dat God juist hem zo treft. Je hoort in het boek hoe hij van God zelf duidelijkheid wil hebben. God moet zeggen dat hij onschuldig is.

We lezen van zijn zware beproeving, zijn lijdzaamheid en uiteindelijk van de uitkomst, die de Heer biedt.

Wij noemen dit een geschiedenis, omdat het een echt verhaal is wat ook blijkt uit de namen van de personen, volken en landen, welke in dit boek vermeld worden. De getuigenissen van de profeet Ezechiël en van de apostel Jacobus bewijzen dat Job een waardig persoon was, waarin God, door zijn manier van leven, een groot welgevallen had, terwijl hij voor de mensen een voorbeeld was.

Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben; gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming. – Jac. 5:11

Veel theologen menen, dat Job geleefd in de tijden der aartsvaders of tijdens het verblijf van het volk Israël in Egypte of tijdens de trek door de woestijn. Enkelen denken, dat Mozes de schrijver van dit Bijbelboek is.

De geschiedenis van Job begint met een beschrijving van zijn vroomheid. Job is vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad, zo lezen we in Job 1 vers 1. Hij heeft tien kinderen, zeven zoons en drie dochters. Ook bezit hij een zeer grote veestapel.

Maar dan volgt het droevige verhaal van het lijden, dat Job moet ondergaan.

Satan denkt, dat hij Job van zijn geloof in God af kan brengen. En God zegt dan tegen hem: “Dat zal je niet lukken, je mag het proberen.”

Job bereikt dan de ene onheilstijding na de andere. Zijn runderen en ezelinnen worden geroofd, zijn schapen werden door de bliksem gedood, ook zijn kamelen worden geroofd, zijn kinderen komen om in een zware storm en ook al zijn knechten zijn gedood.

 

 

Het geloof van Job houdt stand!

 

Als satan weer voor de Heer verschijnt, vraagt Deze hem weer of hij acht heeft geslagen op Job. Maar satan denkt, dat Job wel zal bezwijken als hij persoonlijk geraakt wordt. “Ga je gang,” zegt God dan tegen satan. “Doe wat je wilt met hem, maar spaar zijn leven.”

En dan wordt Job getroffen door zweren over zijn hele lichaam. Hij neemt dan een potscherf om zich daarmee te krabben.

Zelfs zijn eigen vrouw steunt hem niet in zijn lijden, ze beschimpt hem zelfs:

Volhardt gij nog in uw vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf! –Job 2:9 

 

Drie vrienden van aanzien komen dan bij Job om hem te beklagen en vertroosten. eerst kunnen ze niets zeggen, verslagen als ze zijn door de aanblik, die Job hen biedt.

Maar dan kan Job zich niet meer beheersen, hij is ook maar een mens. Met luide stem beklaagt hij zich. Hij vervloekt zelfs de dag van zijn geboorte.

Maar dan houden de vrienden zich niet langer stil. Ze beschuldigen Job van ongeduldigheid en wijzen hem op de gerechtigheid Gods, waardoor Hij de kwaden straft.

Ze beschuldigen Job van huichelarij of goddeloosheid.

Zij beweren, dat God de goddelozen alleen straft en de vromen zegent.

Job is alles ontnomen. Zijn wereld is ingestort. En tot overmaat van ramp wordt hij ook nog op zo’n manier door zijn vrienden bejegend. Met allerlei spreuken zetten ze hun beweringen kracht bij.

Maar Job weet zich te verantwoorden, overtuigd als hij is van zijn zuiver geweten.

De beschuldigingen van zijn vrienden verwerpt hij. Hij brengt naar voren, dat God juist vaak de vromen met gruwelijke straffen straft, terwijl niet zelden de goddelozen juist veel milder gestraft worden.

Als de drie vrienden uitgepraat zijn en Job hun redeneringen beantwoord heeft, neemt een andere persoon het woord, namelijk Elihu.

Hij is boos op Job, omdat die zich tegenover God voor rechtvaardig hield en hij is boos op de drie vrienden, omdat zij geen antwoord vinden om Job duidelijk te weerleggen en overtuigen, maar hem wel beschuldigen van huichelarij en goddeloosheid.

De reden, dat deze Elihu nu pas het woord neemt, is, dat hij veel jonger is en eerst de ouden aan het woord wil laten.

Tenslotte openbaart God zich aan Job in storm en onweer, Job bestraffende, omdat hij ondoordacht van Hem gesproken heeft.

Job bekent dan zijn zonde, geeft Gods gerechtigheid de eer en openbaart de boetvaardigheid van zijn hart.

 

 

de beproevingen van Job doorSatan

de beproevingen van Job door Satan

 

 

God beschuldigt de drie vrienden van Job.

 

Dan vindt God, dat Job genoeg geleden heeft. God brengt een keer in het leven van Job en geeft hem al zijn vroegere rijkdommen terug en meer dan dat.

Het bezit van Job breidt zich uit tot veertienduizend stuks kleinvee, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen.

Ook wordt Job gezegend met zeven zoons en drie dochters.

Daarna leefde Job nog honderdveertig jaar, hij zag zijn nakomelingen tot in vier geslachten.

 

 

De rol van Satan

 

Satan is de wederpartijder, zo wordt de boze geest genoemd, omdat hij uit onverzoenlijke vijandschap alle gelovigen haat en voortdurend tracht hen tot zonde te verleiden. Als een brullende leeuw gaat hij rond op aarde, op zoek naar mensen, die hij kan verslinden.

Satan dwaalt rond op de aarde, op zoek naar mensen, die hij zou kunnen bewerken en tot zonde overhalen.

 

Petrus zegt hierover in 1 Petrus 5 vers 8:

Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten.

 

 

Auteur en ontstaan van het boek Job

 

Over dit onderwerp bestaat een grote verscheidenheid aan meningen. Een oude joodse traditie in de Talmoed stelt dat Mozes het boek geschreven kan hebben. Anderen voeren argumenten aan dat het door Job zelf geschreven is, of door Elihu of Jesaja.

De meeste joden nemen aan dat Job geen historisch persoon geweest is. In deze opvatting is Job een literaire creatie door een profeet die deze schrijfvorm gebruikte om een goddelijke boodschap over te brengen.

Vele christenen geloven echter dat Job een historisch persoon was. In deze opvatting accepteert men de uitspraken van het boek waarin over Job gesproken wordt. Dit geloof is ook gebaseerd op de verwijzingen naar Job in het boek Ezechiël en in de brief van Jacobus.
Het boek Job wordt ook aangehaald in de Hebreeën 12:5, en in de I Korinthiërs 3:19.

 

 

De boodschap van het boek

 

Het grote onderwerp van het boek behandelt de vraag: “Is ongeluk en pech in het leven altijd een kwestie van goddelijke straf voor iets?” Jobs drie vrienden geven hierop een bevestigend antwoord, en stellen dat Jobs ellende het bewijs is dat hij zonden begaan heeft waarvoor hij nu gestraft wordt. Zijn vrienden verdedigen ook de omgekeerde stelling, dat geluk en welvaart het bewijs zijn van goddelijke beloning, en dat, als Job zijn fouten zou erkennen, zijn lot onmiddellijk weer zou omkeren.

In zijn antwoord stelt Job dat hij een rechtvaardig man was, en dat zijn ellende dus geen straf voor iets is. Dit werpt de mogelijkheid op dat God op willekeurige wijze handelt, en Jobs vrouw raadt hem aan God te vervloeken en te sterven. In plaats hiervan antwoordt Job: “Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen?” De climax van het boek vindt plaats wanneer God Job antwoordt, niet met een uitleg van Jobs lijden, maar met een vraag: waar was Job toen God de wereld schiep?

Gods antwoord kan op verschillende manieren gelezen worden. Sommigen zien het als een manier om Job nederig te maken. Toch wordt Job getroost door Gods antwoord.

Het verhaal waarin het boek vervat is, compliceert het boek nog meer. In het inleidende verhaal staat God toe dat Satan Job zijn vrouw, kinderen en rijkdom afneemt. In het slotgedeelte herstelt God Job in zijn vroegere gezondheid en geluk wat suggereert dat het geloof van de rechtvaardige wel degelijk beloond wordt. De duivel wordt in het slot niet meer vermeld.

Wanneer wij antwoord willen geven op de vraag of we in Job met Gods Woord te maken hebben, moet ons antwoord ja zijn. De Heilige Geest heeft ook dit boek tot deel van de Bijbel, van Gods Woord gemaakt. Toch betekent dat niet dat alles wat daarin staat ons de goede weg van God en de goede leer van God leert.

 

 

de beloning van Job door God

de beloning van Job door God

 

 

 

Aanwijzingen dat Job ongeveer in de tijd van Abraham geleefd heeft 

 

• De organisatie van het familieleven en van zijn eigendom past bij die tijd in het Oude-Nabije Oosten. Hij is een herdersvorst en zijn rijkdom wordt uitgedrukt in het bezit aan vee dat hij heeft. 1:3; 42:12. Dit past bij deze tijd.
• Job wordt heel oud. 42:16. Zijn leeftijd van 140 jaar past bij de tijd van de aartsvaders of daarvoor maar niet in de tijd daarna.
• In de tijd voor Israëls volksbestaan in Kanaan waren er gelovigen die niet tot de nakomelingen van Abraham behoorden. Een ander voorbeeld daarvan is Melchizedek. Zie Gen 14.
Als het over de persoon Job gaat was hij zeker een historische persoon die op aarde geleefd heeft. Dat komt duidelijk in het boek Job naar voren. En ook op andere plaatsen in de Bijbel. Kijk bijvoorbeeld: Ez 14:14,20; Jak 5:11.

 

 

Heeft Job echt dingen gezegd die niet goed waren?

 

Die vraag komt vooral naar ons toe als de Heer zich in hoofdstuk 42:7 tot zegt:

“Ik ben in woede ontstoken tegen jou en je twee vrienden, omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job.”

Waarom is de Heer kwaad op die drie vrienden? De reden daarvan is dat zij niet op de juiste manier over Hem gesproken hebben. Ieder mens die in groot problemen zit en door grote problemen getroffen wordt moet een grote zondaar zijn. Wie in zijn leven niet veel problemen ondervindt zou daaruit de conclusie kunnen trekken dat hun leven goed voor God is.

De drie vrienden hebben daarmee een verkeerd beeld van God en het leven voor Gods ogen gegeven. Ze hebben daarin verkeerd over de Heer gesproken. Dat is niet de manier waarop de Heer werkt.

De Here Jezus wijst dat aan als Hij iemand die blind geboren is geneest. Dan wordt de Here Jezus de vraag gesteld wie er zo zwaar gezondigd heeft: die blinde man of zijn ouders. Jezus’antwoord is dan:

“Hij niet en zijn ouders niet, maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.” Joh 9:3

Ook bestraft de Heer Job over bepaalde dingen die hij gezegd heeft en de houding die hij daardoor tegenover de Heer inneemt. De Here God zegt in 38:2 zelfs tegen Job:

“Wie is het die mijn besluit bedekt onder woorden vol onverstand.?”

De rede van die woorden is dat Job de Heer tot verantwoording geroepen heeft. Hij heeft zo gesproken dat hij de indruk wekt dat de Heer onrechtvaardig met hem omgaat. Wat nu met hem gebeurd is, heeft hij niet verdiend. Hij twijfelt aan God rechtvaardigheid. Job laat zich door de Heer ook overtuigen en erkent dan ook zijn schuld.

 

 

De strijd tussen God en Satan

 

• De strijd tussen God en satan. De satan wil bewijzen dat een mens die zwaar in de ellende komt niet tot het einde toe de Heer trouw zal blijven en aanbidden. De Heer laat zien dat Zijn kracht en trouw boven alle macht van de duivel uitgaan. Het blijven geloven, het blijven dienen van God is niet van aardse welvaart en geluk op deze wereld afhankelijk.

• Job wordt door de trouw en kracht van God een voorbeeld van het geduldig lijden om het volgen van God. Kijk Jakobus 5:10. Je kunt op de Heer vertrouwen!

De satan kan niet verder gaan als wat de Heer hem toelaat. Zie 2:6.

• Als je in moeilijke omstandigheden leeft en je moet lijden betekent dat niet automatisch dat er een bijzondere zonde in je leven is. Iedereen heeft de Verlosser nodig.

• Wij als mensen kunnen Gods wijsheid niet beoordelen en veroordelen. De Heer gaat ons verstand en ons voorstellingsvermogen te boven. Ons past het om Hem en Zijn grootheid te aanbidden.

• De beproevingen van de gelovigen zijn er op gericht om de Heer echt te kennen.

• Een gelovige leeft en aanbidt de Heer. Hij doet dat niet voor niets.

 

 

God en het lijden

 

In het begin van de bijbel wordt verteld dat de schepping goed is. Maar al snel komen de verhalen waarin het misgaat: Adam en Eva verliezen hun onschuld, Kaïn slaat Abel dood, Lamech wreekt zich, de tijdgenoten van Noach maken er een puinhoop van. Het zijn allemaal gebeurtenissen die zich vandaag de dag herhalen: de ooit goede schepping is niet goed meer. En er is nog meer aan de hand. Mensen krijgen te maken met ziekte, pijn, verlies, dood en rouw. Mensen worden getroffen door een ongeluk of een ramp. Iedereen krijgt te maken met leegte en gemis, vroeg of laat, meer of minder. Verdriet blijft niemand bespaard door de zondeval.

 

 

Waarom?

 

Het belangrijkste in het boek Job is dat je er met simpele antwoorden nooit komt. Alle antwoorden die wij op de waarom-vragen geven, zijn te gemakkelijk. Het boek Job laat ons zien dat je best boos mag zijn op God als de dingen die gebeuren onbegrijpelijk zijn. Maar God is ook degene die er uiteindelijk weer voor je is.

Ook op andere plaatsen in de Bijbel hoor je dit. Denk maar eens aan het verhaal van Jezus en de blindgeboren man in Johannes 9. De leerlingen van Jezus willen weten hoe het komt dat de man blind is: komt het door zijn eigen zonde of door die van zijn ouders? Jezus leert hun dat dat niet de goede manier van kijken is. Zo kan de Bijbel ons helpen om met de moeilijke waarom-vragen om te gaan, al zijn de antwoorden lang niet altijd even makkelijk!

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

De eerste brief aan de Korintiërs

Standaard

Categorie : religie

 

 

 

De opstanding uit de doden van de tweede Adam, Christus

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De eerste brief aan de Korintiërs

 

 

De opstanding van de doden

.

[12] Als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgestaan, hoe is het dan mogelijk dat sommigen onder u beweren dat er geen opstanding van de doden bestaat?

[13] Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet opgestaan.

[14] En als Christus niet is opgestaan, dan is onze prediking zonder inhoud en uw geloof leeg.

[15] Dan blijken wij zelfs van God een vals getuigenis te hebben afgelegd; want dan hebben wij tegen God in getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt, wat Hij niet heeft gedaan, indien, zoals zij beweren, de doden niet verrijzen.

[16] Want als de doden niet verrijzen, is ook Christus niet verrezen,

[17] en als Christus niet is verrezen, is uw geloof waardeloos en ligt u nog in zonde.

[18] Dan zijn ook die mensen verloren die in Christus ontslapen zijn.

[19] Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij het meest van alle mensen te beklagen.

[20] Maar zo is het niet! Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn.

[21] Want omdat de dood er is door een mens, is de opstanding van de doden er ook door een mens.

[22] Zoals allen sterven in Adam, zullen ook allen in Christus herleven.

[23] Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eersteling Christus, vervolgens, bij zijn komst, zij die Christus toebehoren.

[24] Daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader zal overdragen, na alle heerschappij en macht en kracht te hebben onttroond.

[25] Want Hij moet het koningschap uitoefenen, tot Hij zijn voet heeft gezet op al zijn vijanden.

[26] En de laatste vijand die uitgeschakeld wordt, is de dood.

[27] Immers, alles heeft Hij aan zijn macht onderworpen. Maar bij ‘alles is Hem onderworpen’ geldt natuurlijk als uitzondering diegene die alles aan Hem onderworpen heeft.

[28] En wanneer alles aan Hem onderworpen is, dan zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan degene die alles aan Hem onderwierp. Zo zal God alles in alles zijn.

[29] Wat hebben trouwens zij die zich voor de doden laten dopen hieraan? Als er helemaal geen doden verrijzen, waarom laten zij zich dan nog dopen voor hen?

[30] En wijzelf, waarom zouden wij ons elk ogenblik aan gevaren blootstellen?

[31] Dagelijks heb ik de dood voor ogen, broeders en zusters, zo waar als ik mij beroem op u, in Christus Jezus onze Heer.

[32] Wat baat het mij dat ik in Efeze om zo te zeggen met wilde beesten gevochten heb? Als de doden niet verrijzen, laten we dan maar eten en drinken, want morgen gaan we dood.

[33] Maak uzelf niets wijs: ‘Slecht gezelschap bederft de goede zeden.’

[34] Word weer nuchter en bezonnen, en zondig niet meer. Sommigen hebben blijkbaar geen besef van God. Tot uw schande moet ik dit zeggen.

[35] Maar, zal wellicht iemand vragen, hóé verrijzen de doden? Met wat voor lichaam komen ze terug?

[36] Dwaze vraag! Ook wat je zelf zaait moet eerst sterven voor het tot leven komt,

[37] en wat je zaait is maar een korrel, bijvoorbeeld van tarwe of iets dergelijks, en het heeft nog niet de vorm die het zal krijgen.

[38] God geeft er een vorm aan zoals Hij het heeft gewild, en wel aan elk zaad zijn eigen vorm.

[39] Ook is niet elk soort vlees hetzelfde: er is verschil tussen het vlees van mensen en dat van dieren, van vogels en van vissen.

[40] En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de glans van de hemelse is anders dan die van de aardse.

[41] De stralen van de zon zijn anders dan die van de maan, en die van de sterren zijn weer anders; zelfs de ene ster verschilt van de andere in schittering.

[42] Zo is het ook met de opstanding van de doden: wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid;

[43] wat gezaaid wordt in oneer, verrijst in glorie; wat gezaaid wordt in zwakte, verrijst in macht.

[44] Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst. Als er een natuurlijk lichaam bestaat, bestaat er ook een geestelijk lichaam.

[45] Dit is de zin van wat er staat geschreven; de eerste mens, Adam, werd een levend wezen. De laatste Adam werd een levendmakende Geest.

[46] Maar niet het geestelijke komt het eerst; het natuurlijke gaat eraan vooraf, daarna komt het geestelijke.

[47] De eerste mens, uit de aarde genomen, is aards; de tweede is uit de hemel.

[48] Op die eerste mens van aarde lijken alle aardse mensen, op de hemelse mens zullen alle hemelingen lijken.

[49] En net zoals wij het beeld van de aardse mens hebben gedragen, zo zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens.

[50] Ik bedoel dit, broeders en zusters: vlees en bloed kunnen geen deel krijgen aan het koninkrijk van God: het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid.

[51] En nu vertel ik u een geheim: wij zullen niet allemaal sterven, maar wel allemaal van gedaante veranderen,

[52] opeens, in een oogwenk, bij de laatste trompet; want de trompet zal weerklinken en de doden zullen verrijzen in onvergankelijkheid, en wij zullen van gedaante veranderen.

[53] Want dit vergankelijke moet met onvergankelijkheid worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid.

[54] En wanneer dit vergankelijke met onvergankelijkheid is bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid, dan zal het woord van de Schrift in vervulling gaan: De dood is verslonden, de overwinning is behaald!

[55] Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?

[56] De angel van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet.

[57] Maar God zij dank: Hij geeft ons de overwinning door onze Heer Jezus Christus.

[58] Daarom, geliefde broeders en zusters, wees standvastig en onwankelbaar, aldoor druk bezig met het werk van de Heer; u weet toch dat uw inspanning dankzij Hem niet vergeefs is.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Gods eeuwige moederliefde

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

hildegard

.

 

 

Een psalm van Hildegard: Laus Trinitati:

 

Geloofd zij de Drieëenheid, die klank en leven geeft

.

in het bestaan van alle schepselen 

 

.

 

scivias-t-11

 

 

Het mooiste visioen uit de Scivias is dat van de Drieëenheid (T 11 II,2): een mensengestalte omgeven door een cirkel van rood trillend vuur met daar omheen een cirkel van helder licht.

Hildegard heeft zelf geen titel aan dit visioen gegeven. Wel beschrijft ze in de tekst de Moederliefde van God: de ‘materna dilectio amplexionis Dei’ (de moederlijke liefde van Gods omhelzing).
Ze duidt de Vader aan door het zilver (trillend, levend licht), de Heilige Geest door goud (trillende, levende warmte) en het Mensgeworden Woord door saffierblauw, de Zoon (daaruit voortgekomen).

Hildegard ervaart in het visioen van de drie-enige God een levend licht. Dit levende licht komt naar haar toe en opent voor haar de geheimen van God. In dit visioen wordt voor haar een verborgen werkelijkheid getoond. Ze wordt betrokken in een diepte die alomvattend is en waarin de hele werkelijkheid ligt besloten.

Ze moet dit opschrijven: “Zoals het overeenkomt met de wil van degene, die alles weet, alles ziet en alles in de verborgenheid van zijn geheimenissen ordent.” (God, de algeest, alwetend, alwijs, alliefhebbend, almachtig) God werkt. God openbaart zich in haar visioenen, die zichtbaar worden door een goddelijke kracht. Ze ziet een volheid, die een dynamiek in zich heeft en die alles uit zichzelf tevoorschijn brengt en het een eigen bestaan geeft.

In dit visioen geeft de levende God aan zich te ervaren als oerkracht. God openbaart zich als een volheid die met een scherpe kracht overal ‘stroompjes van kracht’ (L. ‘rivulos fortium’: stroom van kracht, krachtstroom; van ‘rivus’ stromen) heeft geplant.

Deze ‘volheid’ verwijst naar de geheimen van God, de grond van alle dingen, waarin ‘al wat is’ leeft, beweegt en is. Alle schepselen zijn in hun oorsprong geplant door de levende God. In ieder mens, dier en ding bevindt zich een stroompje, een klein beekje (een stromende krachtbron, de geest) dat door Gods kracht is aangelegd.

 

 

 

Het stroompje van kracht

.

Dat betekent, dat al het geschapene niet in zichzelf bestaat. De oorsprong van alles ligt in de hand van de schepper, die de schepping ontworpen en geordend heeft. In hun oorsprong zijn alle schepselen verbonden met hun schepper. Ieder schepsel heeft een geheim in zich, dat in zijn oorsprong verwijst naar de levende God.

Dit geheim duidt Hildegard aan als ‘het beekje van kracht’ (de geest als stromende bron). Ieder schepsel heeft daardoor de mogelijkheid ontvankelijk te zijn voor de levende God. Ieder beekje is verbonden met de volheid, die de grote stroom van Gods leven is.

Deze ‘beekjes van kracht’ zijn altijd aanwezig en gaan aan alles vooraf. Door dit beekje ondergaat ieder schepsel de werking van Gods geheimen, ook de mens. De mens kan er niet over beschikken. Het geheim is er altijd, ook als de mens zich ervan afkeert, ervan vervreemd is en in zonden leeft.

 

 

.

levenskracht

levenskracht

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De moederliefde van God

.

De levende God wil werkzaam zijn als scheppende kracht. Zolang de beekjes onder stenen bedolven zijn en met ijs bedekt (de toestand van onbewuste vereenzelviging), kan de volheid niet naar het beekje toestromen. Zolang de mens in zichzelf besloten is (de stroom voor zichzelf houdt), kan de levende God de mens niet herscheppen en vernieuwen.

Hildegard beschrijft in dit visioen, hoe wij weer in verbinding met dit beekje van kracht kunnen komen. Daarvoor is het belangrijk dat dit beekje van kracht bevrijd wordt. In dit visioen beschrijft Hildegard hoe zij ziet, hoe God zichzelf opent en zich aan ons geeft (als Jezus, Gods Zoon). Dit aanbod krijgt gestalte in moederliefde. Deze moederliefde beschrijft Hildegard als natuurlijk, gevoelsmatig en opvoedend.

Als moederliefde stelt God zich geheel beschikbaar als voedende en behoedende. Als opvoedster leert de moederliefde van God de mens boetvaardigheid, opdat de band met de levende God wordt hersteld. De moederliefde van God opent de mens, waardoor hij deze liefde kan ontvangen en bevrijd wordt van de zonde.

Het is de moederliefde van God die ons weer in contact brengt met het beekje van kracht, waardoor wij ons kunnen openen voor de werking van Gods geheimen.  Dit proces beschrijft Hildegard in dit visioen. Hildegard ziet in dit visioen dat God werkt als een scheppende kracht in drie Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Deze dynamiek openbaart zich door met ons iets te doen en door ons om te vormen.

Deze omvorming heeft als doel dat wij weer contact krijgen met het oorspronkelijke leven dat ons is ingeschapen, namelijk het beekje van kracht, het geheim dat verbonden is met de geheimen Gods. Deze omvorming wordt door de moederliefde Gods in gang gezet. Hildegard gebruikt het moederbeeld om de verlossing te beschrijven.

.

 

 

Het visioen vanuit de spiritualiteit benaderd

.

Onder spiritualiteit wordt verstaan de voortgaande omvorming van een persoon, betrokken op een onvoorwaardelijke aanspraak. Er is sprake van spiritualiteit waar iemand antwoord geeft op de uitnodiging en het appèl, die de Eeuwige onontwijkbaar op hem of haar richt. Aan Mozes openbaarde deze Aanspraak zich als ‘Ik ben er’. Voor Jezus droeg zij de naam Abba, Vader.

Voor Hildegard van Bingen draagt zij de naam: het Levende Licht. Zij wordt door dat licht persoonlijk geroepen. Haar antwoord hierop krijgt vorm in haar leven, werk en haar geschriften. In het visioen van de Drieëenheid ontstaat er een betrokkenheid tussen de drie goddelijke personen, die zich als één licht en één kracht wil geven aan Hildegard.

Deze betrokkenheid is een uitnodiging aan Hildegard om zich te laten betrekken in Gods levende licht, dat aan haar de geheimen Gods openbaart. Het visioen is een mystieke ervaring. Mystiek betekent de ervaring van een verborgen zin of onzichtbare werkelijkheid, waarin iemand binnengevoerd wordt. De betekenis van de geheimen wordt aan haar getoond, doordat zij in deze verborgen werkelijkheid betrokken wordt.

Deze ervaring zet een proces in gang en brengt een verandering teweeg. Dit proces wordt vanuit de spiritualiteit een omvorming genoemd. Dit proces houdt in: loskomen uit de oude vorm (de oude mens) en ingaan in de nieuwe vorm (de nieuwe mens). Deze omvorming voltrekt zich als een geestelijk proces. De oude mens is een mens die nog ongevormd is ten aanzien van de vorm die als mogelijkheid aanwezig is (het beekje van kracht) en ongeordend voor zover hij hiervan afwijkt.

In dit visioen is het de moederliefde Gods die de oude mens bevrijdt en hem in contact brengt met het ‘stroompje’ van goddelijk leven (de menselijke geest), opdat de ‘volheid’ van Gods kracht (de algeest) de mens kan herscheppen naar Gods beeld en gelijkenis. Er is een voortdurende werking van de goddelijke kracht die de mens omvormt van ‘onvolmaaktheid’ naar ‘volmaaktheid’.

De goddelijke kracht duidt Hildegard in haar visioen aan als ‘volheid waaraan niets ontbreekt’ (de algeest). Deze werkt en ontvouwt zich in de ervarende persoon, opdat ‘al wat leeft’ tot ontwikkeling en voltooiing komt. Dit proces is daarom niet alleen dynamisch, maar ook structurerend, wat zich verwerkelijkt in de ervarende persoon.

In deze omvorming zijn de goddelijke dynamiek en de menselijke ervaring op elkaar betrokken. Als schering en inslag zijn ze voortdurend met elkaar verweven. Dit is een nooit eindigend proces. In het eerst visioen ‘De Verlosser’ heeft Hildegard gezien dat de schepping geschied door de drie goddelijke personen. De Vader ziet ze als een hellicht vuur, de Zoon als een hemelsblauwe vlam die in de zachte adem van de heilige Geest brandt.

Van deze goddelijke personen gaat een neerdalende beweging uit naar de mensheid op aarde. Deze beweging zet de geschiedenis in gang vanaf de schepping ‘in den beginne’ tot aan de menswording van de Zoon van God. De menswording van de Zoon van God is de openbaring van dit visioen: God deelt zichzelf mee.

In het visioen van de drie-enige God is er geen neerdalende beweging te zien van God uit naar de mensheid, maar een innerlijke beweging tussen de drie personen. Er is een levende dynamiek tussen hen. De personen van de goddelijke Drieëenheid werken op elkaar in, om zichzelf te openen als drie-enige God voor de mens.

Hildegard ziet dit als een dynamisch proces tussen het heldere licht en het rode vuur. Ze stromen door elkaar heen. ‘Dit heldere licht doorstroomt het hele rode vuur en dit rode vuur doorstroomt weer heel het heldere licht. En dit heldere licht en dit rode vuur stromen door heel deze mensengestalte zodat het één licht en één kracht van mogelijkheden vormt’.

Verder valt op dat er in het visioen van de drie-eenheid van God gesproken wordt over ‘een allerhelderst licht’ en een ‘allerzoetst rood vuur’. In dit visioen hebben het licht en het vuur een intensiteit in de hoogste mate. Ook valt op dat de hemelsblauwe vlam zich ontwikkeld heeft tot een ‘mensengestalte’ in de kleur van saffierblauw.

 

 

de ware en de valse Drievuldigheid

de ware en de valse Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

.

De tekst van het visioen over de drie personen :

Daarom zie je een allerhelderst licht, dat zonder smet van begoocheling (misleiding, onwaarheid), zonder smet van verduistering (gebrek aan inzicht) en zonder smet van bedrog (onwaarheid) de Vader aanduidt. (‘Vader’, licht, komt overeen met: denken).

En daarin de mensengestalte in de kleur van saffierblauw, die zonder smet van verharding (harteloosheid), zonder smet van (gevoelens van) afgunst en zonder smet van onrechtvaardigheid de Zoon openbaart, die voor de tijden als God uit de Vader is geboren en in de tijd als mens is geïncarneerd. (‘Zoon’, komt overeen met: voelen)

Datgene wat geheel brandt met een allerzoetst rood vuur, een vuur zonder smet van dorheid (levenloosheid), zonder smet van sterfelijkheid (levenskracht) en zonder smet van duisternis (bewustzijn) wijst op de heilige geest (‘Heilige Geest’, komt overeen met: bewuste kracht, waarnemen en willen), waaruit dezelfde eniggeborene van God, naar het vlees ontvangen en uit de maagd in de tijd geboren, een licht van ware helderheid in de wereld uitgoot.

Maar dat dit heldere licht geheel dit rode vuur doorstroomt en ditzelfde heldere licht en rode vuur weer samen de hele mensengestalte doorstromen, zodat het één licht in één kracht van mogelijkheden vormt. Dat betekent dat de Vader, die de rechtvaardigste gelijkheid is, niet zonder de Zoon en niet zonder de heilige Geest bestaat de goddelijke eenheid is onafscheidelijk in deze drie personen van kracht .

.

Waar dit Woord (Jezus) al het goede tot stand bracht, hen (de mensen) door zijn zachtmoedigheid naar het leven terugvoerde, die door de onreinheid van zonde (door de onbewuste vereenzelviging) verworpen waren en die niet meer in de heiligheid, die zij verloren hadden, in staat waren terug te keren (Jezus, komt overeen met voelen).

Want door deze levensbron (Jezus) kwam de moederliefde van Gods omhelzing tot ons die ons tot leven voedde en die onze helpster (parakleitos) in gevaren is en die de diepste en allerzoetste liefde is, door ons boetvaardigheid te leren (Jezus, komt overeen met voelen).

.

 

 

Gods krachtstroom in de mens

.

Hildegard wordt betrokken in een diepte, die alomvattend is en waarin de hele werkelijkheid ligt besloten. In deze diepte doorschouwt ze de grond van alle dingen. Hildegard ziet dat de geheimen van God de absolute oorsprong zijn van alle schepselen. In de diepte ziet ze een oerkracht die al het geschapene heeft geplant: ‘Deze volheid heeft met een scherpe kracht stroompjes van kracht geplant’. De volheid van Gods levenskracht heeft beekjes geplant.

Ieder schepsel heeft een ‘beekje van kracht’, dat ontspringt aan de volheid van Gods levensstroom. In dit visioen ziet ze dat de schepping niet is ontstaan uit een niets of uit een oerknal. Ze schouwt de geheimen van God als een levensbron, als een volheid waar al wat leeft uit voortkomt. Hildegard schouwt dat de oorsprong van de dingen niet in de dingen zelf ligt. De schepping bestaat niet in zichzelf. God is de bron van al wat bestaat.

Het stroompje van kracht (de geest als bron) bevindt zich in ieder schepsel. Daar bevindt zich de levenskracht. Door dit stroompje is ieder schepsel met de volheid van Gods geheimen verbonden. Door dit stroompje kan God naar het geschapene stromen. Ieder heeft de mogelijkheid om ontvankelijk te zijn voor en om deel te nemen aan de volheid van Leven. Iedereen kan deelnemen aan deze goddelijke levenskracht. God is een stuwende kracht, die zich wil openen om naar de stroompjes toe te stromen.

Hildegard schouwt in haar visioen, dat er een relatie is tussen God en heel Gods schepping. De relatie tussen God en al wat geschapen is, is wezenlijk, opdat God zich kan ontvouwen in de schepselen. Goddelijk leven is overal aanwezig als een stroompje van kracht, waardoor Gods levenskracht in alle schepselen werkzaam kan zijn. God verhoudt zich tot heel de schepping als een volheid tot alle stroompjes van kracht, die in al het zichtbare en onzichtbare leven aanwezig zijn.

 

 

 

God in drie personen

.

Het goddelijke leven laat zich zien als een allerhelderst licht, als rood vuur (warmte) en een mensengestalte in de kleur van saffierblauw. Het rode vuur duidt op de Heilige Geest. Het is een vuur zonder smet van dorheid. Dit lijkt een tegenstrijdigheid, omdat vuur immers door hitte alles verdort. Het voorafgaande visioen over de verlosser werpt een licht op deze tegenstrijdigheid. Daar wordt dit rode vuur in verband gebracht met de plaats, waar het goddelijke woord kan incarneren.

Deze plaats wordt aangeduid als ‘morgenrood’, het vuur, waarin God zijn ‘Woord vol verlangen’ zond. God gaf dit woord als een ‘vruchtbrengende vrucht’ en liet het ‘als een geweldige bron tevoorschijn komen. Wie van deze bron drinkt, zal nooit meer van dorst vergaan. In dit licht van het morgenrood ontbrandde een buitengewone wil. Want in de glans van het rode licht toonde zich de groene kracht (viriditas, levenskracht, de Heilige Geest komt overeen met: willen) van het grote oude raadsbesluit.

 

 

De oneindigheid van de Drievulkdigheid

De oneindigheid van de Drievulkdigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Samengebundelde kracht van goddelijk leven

.

Nu gaat er iets nieuws gebeuren. In het visioen ontstaat beweging. Het heldere licht en het rode vuur (de ongevormde oertoestand) stromen door elkaar heen en worden één om samen de gehele mensengestalte te doorstromen (de gevormde toestand). In het goddelijke leven is beweging zichtbaar. Het licht en het vuur en de mensengestalte stromen zo door elkaar heen, dat ze worden tot één krachtbundel: ‘Dit heldere licht doorstroomt het hele rode vuur en dit rode vuur stroomt weer door heel het heldere licht.

En dit heldere licht en en dit rode vuur stromen door geheel deze mensengestalte, zodat het één licht in een kracht van mogelijkheden vormt’. Deze samengebundelde kracht van goddelijk leven is een beginsel, een concentratie van mogelijkheden. Dit beginsel is een stuwende kracht die in beweging zet; een krachtbron voor al wat leeft (door de geestelijke vermogens). Deze kracht heeft een rijkdom aan mogelijkheden.

 

 

 

God werkt in drie personen

.

God is werkzaam als een dynamische kracht in drie personen (drie vormen). De Vader is werkzaam als ‘rechtvaardigste gelijkheid’. Rechtvaardig staat in verband met trouw en goedheid. Als ‘rechtvaardigste gelijkheid’ laat de Vader ieder schepsel tot zijn recht komen op ‘gelijke’ wijze. Ieder schepsel heeft eenzelfde ‘krachtstroom’.

De Heilige Geest maakt een beweging naar de gelovigen. Zij worden aangeraakt en in vuur en vlam gezet door de Geest. De Zoon is de ‘volheid van de vruchtbaarheid’. Hij draagt de mogelijkheid in zich heel de schepping vruchtbaar te doen zijn: ‘alles is door hem geworden en zonder hem is niets geworden wat geworden is’. Deze volheid van vruchtbaarheid is in alle dingen.

Het is een alomvattende kracht die met heel de schepping is verbonden en die ‘al wat is’ leven geeft. Alles is met de Zoon in de oorsprong verbonden. De hele schepping draagt een kiem van deze volheid. De Vader als de rechtvaardigste gelijkheid, de Heilige Geest als de ontsteker van de harten van de gelovigen en de Zoon als de volheid van de vruchtbaarheid, bestaan niet zonder elkaar.

Ze werken samen. De drie goddelijke personen vormen een eenheid en zijn als personen met elkaar verweven en op elkaar betrokken. In de goddelijke natuur zijn ze met elkaar verbonden. De drie personen van de Drieëenheid zijn tot een eenheid samengevoegd. De ene persoon staat niet boven de ander, ‘ze zijn één God in een onverdeelde majesteit’.

Ze zijn niet verdeeld, maar werken wel afzonderlijk als personen (de geestelijke vermogens). Als personen staan ze met elkaar in relatie. De Vader wordt kenbaar gemaakt door de Zoon. De Zoon weerspiegelt het allerhelderste licht dat de Vader is. ‘De Zoon wordt kenbaar gemaakt door de oorsprong van de schepselen’.

De volheid van de vruchtbaarheid van de Zoon is aanwezig in alle schepselen. ‘De heilige Geest wordt kenbaar gemaakt door dezelfde menswording van de Zoon’. De Vader bracht zijn Zoon voort in eeuwigheid. Dit is niet aan tijd gebonden: de Vader schept in eeuwigheid. Bij de Zoon begint de schepping. Door hem worden alle schepselen geboren uit de Vader.

Alle dingen hebben hun oorsprong in de Zoon. In de Zoon komen alle schepselen aan het licht (de gevormde toestand). De volheid van de vruchtbaarheid van de Zoon kan zich in alle schepselen openbaren. Ieder schepsel is vruchtbaar en kan tot voltooiing komen, dat is: worden zoals de Vader het in zijn allerhelderste licht heeft bedoeld. De Heilige Geest wordt kenbaar gemaakt door de menswording van Gods Zoon. De Heilige Geest, die zichtbaar werd als een duif bij de doop in de Jordaan, maakt Jezus Mensenzoon.

 

.

 

God verlangt naar de mens

.

God verbindt zich tot één licht en één kracht, als de ene God in drie personen, die verlangt naar een relatie met de mensen. De ene God wil zich openen en de mensen uitnodigen zich te laten betrekken in Gods leven: ‘De mens mag nooit vergeten, mij, de ene God in deze drie personen, aan te roepen’.
God wordt persoonlijk en verlangt naar een relatie met de mens: de mens mag mij aanroepen.

In het Latijn staat ‘invocare’, wat zowel aanroepen als inroepen betekent. De ene God aanroepen is vragen om contact en zich toewenden (het streven naar de hereniging). God inroepen is zich openen om God binnen te laten komen. God neemt er geen genoegen mee verzonken te zijn in zichzelf en wil betrokken zijn op mensen. God wil zichzelf te buiten gaan.

God wil zich niet opsluiten in zijn eigen wezen, in tegendeel, deze ene God in drie personen wil bestaan in een onbegrensde openheid naar de mensen toe, ‘want daartoe heb ik hen aan de mens geopenbaard, opdat de mens des te heviger aangeraakt in liefde tot mij ontbrande’. De bedoeling van Gods openbaring is dat de mens aangeraakt wordt in liefde en dat er een verlangen wakker wordt gemaakt, waardoor onze liefde tot God ontwaakt.

De mens is als schepsel in aanleg geschapen om de volle diepte van Gods liefde te ontvangen en van daaruit te leven. Daarnaar verlangt God en daartoe openbaart God zichzelf in de drie personen … opdat zij beseffen, dat de diepste beweging tussen God en mens er een is van liefde.

 

.

Eer aan God in de Hoge

Eer aan God in de Hoge

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

.

Gods initiatief

.

Het initiatief van de liefde ligt niet bij de mensen, maar bij God. Deze liefde duidt Hildegard aan met ‘caritas’ (liefdadigheid), de liefde die in God woont. Deze liefde openbaart zich, doordat God zijn eniggeboren Zoon aan de mensheid schenkt. Het doel hiervan is, dat wij zullen leven. De zelfgave van God in zijn Zoon betekent leven voor ons. God deelt zichzelf mee en schenkt liefde aan de mensheid door de menswording van zijn Zoon, die hij heeft gezonden ‘tot verzoening van onze zonden’.

Christus is mens geworden opdat wij wegtrekken uit de duisternis van de zonde. De zonde is dat de mensen zich hebben afgewend van God (door de onbewuste vereenzelviging met de stof). Zij hebben geen contact meer met ‘het stroompje dat God zelf in hen heeft geplant’. Zij zijn hiervan vervreemd (ze zijn onbewust geworden, vervreemd van zichzelf als geest) en hebben dit goddelijke bewustzijn verloren. God wil deze relatie herstellen door zichzelf te geven in zijn Zoon, om zo de oorspronkelijke verbinding te herstellen.

Deze liefde duidt Hildegard aan met het woord ‘dilectio’. Deze liefde leidt tot het schenken van genade (‘genade’: welwillendheid). Het woord dilectio komt van ‘diligere’, dat uitkiezen en liefhebben betekent. God kiest ons uit door ons te beminnen en zo aan ons onze oorspronkelijke waarde terug te geven. Doordat God ons heeft bemind ‘is een ander heil ontstaan, dan wat wij bij onze eerste oorsprong bezaten’.

Onze eerste oorsprong duidt op de schepping van de eerste mensen in het paradijs, die leefden in verbondenheid met hun goddelijke oorsprong en die de erfgenamen waren van onschuld en heiligheid.
De eerste mensen konden nog geen onderscheid maken tussen goed en kwaad. Daarom kon het niet anders dan dat onze onschuld en heiligheid beproefd werden (op de aarde als leerschool).

Deze beproevingen zijn een kans om te groeien. Want in de beproevingen heeft de hemelse Vader aan ons zijn liefde laten zien, zegt Hildegard. Deze liefde duidt Hildegard aan met ‘caritas’. De liefde van God ervaren wij als een beproeving. Over deze beproevingen schrijft ze in het visioen van de oorsprong van het kwaad: ‘De grote heerlijkheid en eer, die aan de mensen gegeven is, kan niet zonder beproeving blijven, anders zou de mens nietig en ijdel zijn.

Goud moet in het vuur gelouterd worden, kostbare stenen moeten gereinigd en geslepen worden. Ook de mens, die volgens beeld en gelijkenis van God is geschapen, moet, om te kunnen bestaan, beproefd worden. Meer dan ieder wezen moet de mens beproefd worden en zijn toetsstenen zijn (zijn omgang met) de schepselen.

De geest toetst zich aan de geest (in de ontmoeting met medemensen), het vlees aan het vlees. Zo wordt de mens door ieder schepsel beproefd in het paradijs, op aarde en in de onderwereld. Willen wij groeien naar Gods beeld en gelijkenis, dan is het noodzakelijk dat wij (onze zelfstandigheid en vermogen de juiste keuzes te maken) worden beproefd, anders zouden wij nietig en ijdel blijven.

.

 

 

In de ban van de zonde

.

God laat zijn liefde zien als een beweging naar de mensen toe: Hij openbaart zijn ene Woord voor de mensenkinderen als een mogelijkheid voor hen om zich te laten betrekken in het goddelijke leven (de hereniging). Ze blijven ontvankelijk voor dit Woord, ondanks hun duisternis: ‘En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet aangenomen’ (Joh. 1:5).

De mensen kunnen niet zelf uit hun duisternis (onbewustheid) breken. Toch wil God hen openen om opnieuw met hen de relatie aan te gaan. Dat kan enkel gebeuren ‘door een hemelse kracht’ die de Vader naar de wereld zendt, in zijn ene Woord, namelijk door de menswording van het ene Woord in Jezus Christus: ‘Het ware licht, dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld’ (Joh. 1:9).

Dit mensgeworden Woord werkt al het goede uit: ‘door zijn zachtmoedigheid voert het Woord de mens terug tot het leven’. Niet door hardheid, niet door de macht, maar door zachtheid en mildheid wordt de mens teruggevoerd naar het leven.

Ondanks hun duisternis (onbewustheid) blijven de mensen de mogelijkheid behouden om open te staan voor deze hemelse kracht. Door de zonde zijn zij ervan af gekeerd en vervreemd, en kunnen niet op eigen kracht terugkeren, omdat de macht van de zonde hen in de ban heeft (door de onbewuste vereenzelviging met de stof).

 

 

Vader liefde en moeder liefde

Vader liefde en moeder liefde

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

.

De moederliefde van God

.

De levensbron van God ontsluit zich als moederliefde, die als een omhelzing tot ons komt. De levensbron opent zich voor ons, opdat wij open worden voor God. De liefde, die uit deze levensbron stroomt, biedt een opening voor ons. Gods liefde maakt zich kenbaar als moederliefde. Deze liefde maakt een verbinding naar ons, opdat er tussen God en ons een relatie kan ontstaan.

Zoals een moeder zichzelf beschikbaar stelt met lichaam en ziel, opdat haar kind zal leven, zo voedt de moederliefde van God de mens ten leven. Zoals de moeder haar kind behoedt, zo is de moederliefde van God onze helpster (parakleitos, de heilige Geest) in gevaren. Hildegard duidt deze aspecten van moederliefde aan met het woord ‘dilectio’: de liefde, die de mens bevrijdt uit de duisternis, de liefde die werkt als een genade.

Waar de mens geopend is, kan Gods liefde naar de mens toestromen. Waar de mens kan ontvangen, kan God geven. Dit is één gebeuren. Dit wordt ervaren als ‘de diepste en allerzoetste liefde’. De moederliefde van God is er voor de mensen en nodigt hen uit tot leven. In deze relatie kan de mens bij zichzelf en bij God komen.

In deze aanwezigheid van God kan het besef doorbreken van zondig zijn, dat wil zeggen: van vervreemd zijn van God, afgesneden en niet zichzelf. Dit besef zet de mens op de weg naar terugkeer en herstel (bekering), ‘zo leert God ons te leven in boetvaardigheid’.

 

 

.

De innerlijke bewogenheid van God met de mens

.

God wil de relatie met de mens herstellen en dat gebeurt doordat God zich de mens herinnert. God heeft immers de mens geschapen uit liefde. Het beeld van de mens ligt onuitwisbaar in het geheugen van God getekend. Het is de herinnering aan het grote werk van God, die de mens geboetseerd heeft uit het slijk der aarde. God heeft de mens geschapen uit goddelijke kracht als ‘zijn kostbaarste parel’. De schoonheid van de mens ligt als een parel in het binnenste van God getekend.

De mens is geschapen als een parel én de parel ligt in de herinnering van God. Hier raken God en mens elkaar (het streven naar de hereniging). God heeft de mens tot leven gewekt door hem levensadem in te blazen. Zo werd de mens bezield met goddelijke geest. God heeft de mens gewekt, maar hij is nog niet tot voltooiing gekomen. Het krachtstroompje ligt nog bedolven. De kostbare parel, die in de diepte verborgen ligt, is nog niet aan het licht gekomen (door de onbewuste vereenzelviging).

Een parel groeit in de zee als parelmoerstof in het lichaam van een pareloester. Door onze(!) stroompjes zijn we verbonden met de ‘zee’, met de volheid (de goddelijke algeest), waaraan onze ‘stroompjes’ ontspringen. Door middel van onze stroompjes kunnen we op zoek gaan naar de parel (jezelf als geest) die daar in de diepte (van de ziel) verborgen ligt.

Gods herinnering aan de mens is vol barmhartigheid. God is bewogen met de mens, die hij tot leven heeft gewekt. Zoals een moeder de vrucht draagt tot haar dagen vervuld zijn, zo draagt God de mens in zijn innerlijk tot de vruchten voldragen zijn. God zet met zijn scheppende liefde een proces in gang en gaat een verbintenis aan met het leven, dat verwekt is. Gods barmhartigheid, die gestalte krijgt als moederliefde van God, voedt en behoedt als een zwangere vrouw dit komende leven opdat deze verbintenis tot voltooiing komt.

God verlangt naar ons en is met ons begaan. Deze bewogenheid is een stuwende kracht van verlangen, die naar ons kan toestromen als we worden bevrijd (van onze toestand van vereenzelving met de stof). Dan kan de volheid, waar alle leven uit voortkomt, naar onze stroompjes toestromen en ons herscheppen.

 

 

.

In de spiegel van Gods barmhartigheid

.

Gods moederliefde stelt zich beschikbaar voor ons en nodigt ons uit tot leven. Gods liefdevolle aanwezigheid betekent niet dat alles wordt toegedekt. We mogen onszelf tegenkomen in heel ons doen en laten (bewustworden door zelf ervaringen op te doen en te verwerken met onze vermogens). Gods barmhartigheid houdt ons een spiegel voor en confronteert.

In deze spiegel beseffen we onze zelfgenoegzaamheid, onze zelfzuchtigheid (door de onbewuste vereenzelviging met de stof). Deze houding noemt Hildegard hoogmoed en deze schrijft zij toe aan de duivel. Hier staan God en duivel tegenover elkaar. God die de mens wil verlossen en de duivel die hoogmoedig is en de mens in zijn ban heeft.

In aanwezigheid van Gods moederliefde kunnen we uit deze ban worden bevrijd en afdalen, opdat we nederig worden. In de Latijnse tekst van Hildegard staat ‘humilitas’, nederigheid. Dit woord is afkomstig van ‘humus’ en ‘humilis’. Humus betekent ‘grond’. Humilis betekent ‘laag bij de grond’, eenvoudig, deemoedig, nederig.

Nederigheid betekent: bij de grond zijn, buigen naar de aarde. Nederigheid maakt ontvankelijk (de geest is daardoor een ‘leegte’ en staat open voor God). Iemand die nederig is, vervult zichzelf niet met alles wat hij heeft en is. De duivel kent geen nederigheid. Die wil zelf op de plaats van God zitten. Dit zijn de hoogmoedige verzinsels van de listige slang.

Hoogmoed staat tegenover nederigheid. Hoogmoed verbeeldt zichzelf heel wat, terwijl nederigheid zichzelf ontledigt. Hoogmoed vervult zichzelf en is gericht op zichzelf (zelfgerichtheid), nederigheid is een houding van louter ontvangen in verbondenheid met de grond van het bestaan, waar onze stroompjes van kracht ontspringen.

 

 

 

Herschepping door liefde

.

Het initiatief tot onze verlossing neemt God als moederliefde die naar ons toekomt en ons bevrijdt. Barmhartigheid raakt de naam van God in het hart: Ik ben er. Barmhartigheid is teder én houdt ons een spiegel voor. Barmhartigheid omvat zowel de tedere kant als de confronterende kant van God. Deze twee aanzichten heeft de moederliefde van God. Gods moederliefde is een bron van genade, die uitnodigend is, opdat wij leven én houdt ons een spiegel voor, waarin wij onszelf kunnen tegenkomen (en zo tot zelfkennis kunnen komen).

Gods liefde is nabij én schept afstand. Zo komen wij in aanraking met ons stroompje van kracht en kunnen naar binnen keren om de diepte in te gaan, waar het diepste leven gewekt kan worden: de parel (geest) die vanaf onze oorsprong in ons aanwezig is (die wij vanaf onze oorsprong zelf zijn, maar onbewust).

Als barmhartige keert God zijn hart naar ons toe en verlangt ernaar ons te betrekken in zijn scheppende liefde, opdat wij worden tot wie wij zijn: schepsel naar het beeld van de ene God. God noemt Hildegard hier Schepper en Heer. De Zoon duidt Hildegard aan als Hoofd en Verlosser. Zijn levenskracht is van eeuwigheid werkzaam in alles wat leeft en omvat hemel en aarde.

Christus is een Verlosser, die onze zonden heeft afgewassen. Hij is onze zielverzorger, die ons verpleegt en verzorgt (voelen). Hij maakt onze wonden schoon. De Zoon van God is werkzaam als een verpleegkundige, een arts, die de mens geneest. Uit Christus komt het geneesmiddel voort, waardoor wij geheeld worden.

Deze werkzaamheid van het goddelijke leven is er altijd, zegt Hildegard. De geheimen van God zijn van eeuwigheid werkzaam. God kan ons ieder moment herscheppen. De mens heeft de mogelijkheid om door het krachtstroompje (de menselijke geest) deel te nemen aan de volheid, die oneindig diep is en waaraan niets ontbreekt (de goddelijke algeest). Deze kan zich ontvouwen in ieder schepsel en het voltooien (door geestelijke ontwikkeling).

De stroompjes blijven altijd aanwezig, ondanks het feit dat wij aan tegenslagen en veranderlijkheid onderhevig zijn. Door de stroompjes kunnen wij steeds weer opnieuw in contact komen met de geheimen van God waarin de drie goddelijke personen bewegen en die ‘ondeelbaar levend in de eenheid van de goddelijkheid’ zijn.

 

.

 

Slotbeschouwing

.

Als zwangere gaat Gods moederliefde een verbintenis aan met de mens, opdat het leven, dat gewekt is, voldragen wordt. Als zwangere draagt God het vruchtwater in zich, waarin mensen gedragen worden tot de tijden zijn vervuld, opdat zij opnieuw geboren worden (zelfverwerkelijking en hereniging).
Ook heel de schepping wacht op voltooiing: ‘De hele natuur kreunt en lijdt in barensweeën, altijd door’ (Rom. 8:23).

Waar God ons herschept, ervaren we dat we niet zelf de oorsprong en ontwerper zijn van het leven. Ons leven kent een dieper geheim. Betrokken op dit levensgeheim beseffen we dat we verbonden zijn met een alomvattende kracht die in heel de schepping aanwezig is en die ‘al wat is’ leven geeft (de goddelijke algeest). In ons zit dit geheim als een parel verborgen (wijzelf als de menselijke geest), die de belofte is van een nieuwe schepping.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

.

voorpagina openbaring a4

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

.

 

JOHN ASTRIA

Reine en onreine dieren

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

Reine en onreine dieren

 

De eerste keer dat we lezen over reine en onreine dieren in de Bijbel, is in de geschiedenis van de zondvloed. Noach kreeg de opdracht om zeven paar te nemen van alle rein vee en slechts twee van het onreine vee.

  • Ge 7:2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.

We weten niet hoe Noah rein en onrein vee onderscheidde, maar het toont aan dat al in de vroege dagen een onderscheid gemaakt werd tussen het reine en het onreine. Reine dieren waren ongetwijfeld geschikt om te offeren. Toen Noach uit de ark was gekomen, bracht hij brandoffers van al het reine vee en al het rein gevogelte.

  • Ge 8:20 En Noach bouwde een altaar voor de Heere; en hij nam van al het reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.

De dieren dienden vóór de zondvloed kennelijk nog niet tot voedsel, want pas na de zondvloed wordt gesproken over het eten van dierlijk voedsel.

  • Ge 9:3 Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.

 

Met Israël was het anders. Welke dieren mochten en moesten worden geofferd wordt duidelijk aangegeven. En wat voor dieren rein waren en konden worden gegeten en wat voor dieren onrein waren en niet gegeten konden worden, maakte God in bijzonderheden bekend.

  • Le 11:46 Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, Le 11:47 om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag.

God maakte duidelijk welk vlees onrein was in Zijn ogen. We weten uit andere geschriften, dat de onrein genoemde dieren niet werkelijk op zichzelf onrein zijn, want God schiep geen dieren die onrein waren. Toch wees hij dieren met bepaalde kenmerken als onrein en afschuwelijk voor de Israëliet aan.

 

Om de heiligheid

 

Het doel van deze wetgeving aangaande reine en onreine dieren was heiligheid, in overeenstemming met de heilige God.

  • Le 11:44 want Ik ben de Heere, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. Le 11:45 Want Ik ben de Heere, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig.
  • De 14:2 Want u bent een heilig volk voor de Heere, uw God. De Heere heeft u uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.  De 14:3 U mag niets eten wat een gruwel is.  De 14:4 Dit zijn de dieren die u eten mag: het rund, het schaap, de geit.

 

 

.

.

Landdieren

 

De Israëliet mocht alleen reine landdieren tot voedsel nemen. Reine landdieren zijn die welke zowel herkauwen als gespleten hoeven hebben (Lev. 11:2-3). Dit zijn bijvoorbeeld, volgens Deut. 14:4-6, het rund, het schaap, de geit, het hert, de gazelle, de reebok, de steenbok, de spiesbok, de antilope en de gems.

 

 

Schapen waren voor de Israëliet reine dieren. Ze mochten gegeten en geofferd worden.

 

 

Tot de onreine dieren behoren vleeseters, zoals katachtigen, en ook, volgens Lev. 11: 4-8 :

  • de kameel (herkauwt, geen gespleten hoeven)
  • de klipdas 
  • de haas  
  • het varken (herkauwt niet, wel gespleten hoeven).

 

  • Al wie ze aanraakte, was onrein (Lev. 11:26). “Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein.” (Lev. 11:8; vgl. Deut. 14:3,7-8)

 

Alle zoolgangers onder al de dieren die op vier poten gaan, waren voor de Israëliet onrein.Bij zoolgangers raakt de hele voetzool van voor- en achterpoot de grond. Zoolgangers zijn meestal geen snelle dieren, maar ze kunnen zich wel goed afzetten en iets vastgrijpen. Voorbeelden zijn beren en mensen.

  • (Lev. 11:27). “Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein” (Lev. 11:28).

 

De kruipende landdieren, die zich over de aarde voortbewegen, hetzij op de buik of op poten, waren afschuwelijk en onrein voor de Israëliet en mochten niet gegeten worden.

  • (Leviticus 11:29-31; 41-44), zoals de mol, de muis, elke soort pad, de gekko, de varaan, de hagedis, de skink  en de kameleon.
  • (Lev. 11:31)“Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond”
  • (Lev. 11:43-44) “U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich zo voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt,  want Ik ben de Heere, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig”

Deze kruipende dieren (mol, muis, pad enz.) kwamen in woningen dikwijls voor. Wanneer ze, stervende of reed gestorven, op of in iets vielen (pan, pot, kleed, zak) was dit onrein tot de avond. Het moest in water worden gelegd (Lev. 11:32). Een aarden pot, onrein geworden, moest gebroken worden. Voedsel en drank uit zo’n pot (vat, kruik) was onrein. Ook de verontreinigde oven en de bakpan moesten stukgebroken worden (Lev. 11:35). Een bron of waterput of zaaigoed (zaaibaar zaad) zou door het dode dier niet verontreinigd raken, het zou rein blijven. “Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt iets van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein.” (Lev. 11:38)

 

 

Waterdieren

 

De Israëliet mocht alleen reinewaterdierentot voedsel nemen. Reine waterdieren zijn die welke zowel vinnen als schubben hebben (Lev. 11:9; Deut. 14:9).

Wanneer een waterdier geen vinnen of schubben had, was het voor de Israëliet onrein en afschuwelijk en mocht hij het niet eten (Lev. 11:10-12; Deut. 14:10). Onrein en afschuwelijk zijn derhalve mosselen, kreeften, enz.

  • Lev. 11: 10 maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water leven, die zijn voor u iets afschuwelijks. Lev. 11: 11 Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. Lev. 11: 12 Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks.

 

 

.

.

Vogels

 

De arend was voor de Israëliet een onrein dier. 

 

 

 

De Israëliet mocht alleen reine vogels en reine gevleugelde dieren eten (Deut. 14:11,20).

Als onrein en afschuwelijk gevogelte wees God aan (Lev. 11:13-19; Deut. 14:12-18; 21:12) :

  • de arend, de lammergier of de havik, de monniksgier of de zeearend, de buizerd of de gier, elke soort kiekendief, elke soort wouw, elke soort raaf, de struisvogel, de velduil, de meeuw of de koekoek, elke soort valk of de sperwer, de steenuil, de visarend of het duikertje, de ransuil, de kerkuil, de kraai, de roerdomp, de aasgier, de pelikaan, de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. Dit zijn voornamelijk roofvogels en aasvogels.

 

 

Insecten

 

De op vier voeten kruipende, kleine gevleugelde dieren waren bijna alle onrein voor de Israëliet, hij mocht ze niet eten (Lev. 11:20, 23-25; Deut. 14:19).

  • De 14:19 Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden. De 14:19 Ook alle gevleugelde insecten zijn voor u onrein; ze mogen niet gegeten worden. 

Van alle gevleugelde insecten die op vier poten gaan en die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen, mocht de Israëliet de volgende soorten wel eten:

(Lev. 11:21-22) elke soort veldsprinkhaan, elke soort sabelsprinkhaan, elke soort krekel en elke soort doornsprinkhaan .

  • (Lev. 11:24-25). Door de kruipende gevleugelde dieren zou de Israëliet zichzelf kunnen verontreinigen. “Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. En al wie een deel van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond.”

Van Johannes de Doper lezen wij dat hij sprinkhanen als voedsel nam.

  • Mt 3:4 Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kameelhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing.

 

.

.

Kadaver

 

Een wettelijk eetbaar dier werd onrein als het gestorven was. De Israëliet mocht geen enkel kadaver eten.

  • De 14:21 : U mag geen enkel kadaver eten. Aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, mag u het geven om het te eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een heilig volk voor de Heere, uw God. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 

Wie een dierlijk kadaver aanraakte, het droeg of daarvan at, was onrein tot de avond.

  • Le 11:39 En wanneer een van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. Le 11:40 Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond.

 

.

.

Het hemels gezicht van Petrus

 

In Hand. 10:9-16 krijgt de biddende en hongerige apostel Petrus een gezicht, waarin God hem toont dat de oude reinheidswet betreffende het eten van dieren niet meer geldt:

  • Hnd 10:11 En hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen als een groot laken, dat aan de vier hoeken op de aarde werd neergelaten; Hnd 10:12 daarin waren alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en vogels van de hemel. Hnd 10:13 En er klonk een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet! Hnd 10:14 Petrus echter zei: In geen geval, Heer, want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten. Hnd 10:15 En weer klonk een stem tot hem, voor de tweede keer: Wat God gereinigd heeft, zul jij niet voor onheilig houden. Hnd 10:16 En dit gebeurde tot driemaal, en terstond werd het voorwerp opgenomen in de hemel.

Het is duidelijk uit de Schrift dat het verbod van onreine dieren te eten alleen voor Israël gold. Het gezicht aan Peter gegeven openbaart dat de beperking is afgeschaft in Christus.

  • 1Ti 4:4 Want al het door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen, 1Ti 4:5 want het wordt geheiligd door Gods woord en door gebed.
  • Ge 9:3 Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.

 

.

.

Zinnebeeldige betekenis

 

De kenmerken van reine en onreine dieren hebben ongetwijfeld symbolische betekenissen voor Nieuwtestamentische gelovigen. 

Het verdelen van de hoef en het herkauwen kunnen wijzen op een vaste en volhardende wandel (als de kameel of de os) en het verteren of overdenken van wat wordt ontvangen (vgl. Ps 1:1,2; Spr. 12:27).

Bijna al het kruipend gevleugeld gedierte, dat zich op de aarde voortbeweegt, was onrein. De aarde is onder de vloek vanwege de zonde, en er moet een zedelijke verhoging zijn, een uitstijgen boven het platvloerse, het aardse. De sprinkhaan kon springen en mocht daarom gegeten worden.

  • Flp 3:18 Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn; Flp 3:19 hun einde is het verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen. Flp 3:20 Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten.

De reine vissen hebben vinnen en schubben: de vinnen stellen de vis in staat zich voort te bewegen en op te stijgen in het water, zijn koers te richten en gevaar te vermijden; de schubben bieden de vis bescherming. Om besmettingen van de wereld te vermijden is een omzichtige wandel nodig, met de bescherming die God heeft gegeven.

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Maria werpt vuur op aarde

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Hoe het begon

 

Laat ik mezelf aan u voorstellen. Ik ben mgr. John Esseff, priester uit het bisdom Scranton, Pensylvania, gewijd in het jaar 1953. In 1959 werd pater Pio mijn geestelijk leidsman. Ik ben bevoorrecht om geestelijk leider te mogen zijn van honderden zielen op alle niveaus van het geestelijk leven. Sommigen zijn beginnelingen, anderen zijn gevorderden en sommigen zijn mystici.

 

Msgr John Esseff

.
.
.
Al vele jaren ben ik geestelijk leider van een bijzondere ziel. Deze zienster noemt zichzelf Maria de Notre Dame. Vijf jaren geleden begonnen Jezus en Maria tot haar te spreken door de gave van inspraken.  Ze heeft nu meer dan 800 inspraken gehad. Ik heb de betrouwbaarheid van deze inspraken getoetst. Tot nu toe waren de inspraken een persoonlijk onderricht, bedoeld voor de kleine gebedsgroep. Op 10 december 2010 begon een nieuwe fase namelijk dat sommige inspraken aan de wereld bekend gemaakt moesten worden. De eerste inspraken waren speciaal gericht op het geheim van Fatima”
.
.
.
.

Vuur op aarde werpen

 

 

Van John Astria

Pasteltekening van John Astria

 

Maria:

 

Word mijn voortdurende smeken niet moe. Ik probeer de Kerk, die het goddelijke vuur is vergeten dat aanwezig is in Jezus Heilig Hart, wakker te maken. Ik ben een voortdurende getuige van dat vuur en ik toon u dat vuur, zodat u ook de dringendheid kunt bevatten.In het vuur is visie en begrip. Vanuit dit vuur ontvang ik alle wijsheid, die ik met de wereld deel. Nu nodig ik u uit om met mij in dit vuur te kijken. Ten eerste ziet u de dringendheid. Het vuur leeft. Het wacht niet. Het zoekt om de wereld te verteren in goddelijke liefde.

Ten tweede ziet u, dat alle oplossingen voor de problemen van de wereld bevat zijn in dit vuur. U ziet de macht om alle destructieve machten, die door de zonde zijn vrijgekomen, terug te rollen. Hoe vaak heb ik uitgelegd, dat deze kwade machten onder de oppervlakte borrelen en wachten om uit te barsten. Tenslotte ziet u de grote voordelen, die zullen komen, wanneer dit goddelijk vuur op de aarde wordt geworpen.

Waarom wordt dit vuur teruggehouden? Nu begrijpt u waarom ik voortdurend smeek. Het vuur heeft zijn tijd en was bedoeld om voort te gaan. De vernietiging, die de 20e eeuw kenmerkte, was nooit bedoeld om te gebeuren. Nu is de mensheid ver gevorderd op een pad, waarop ze nooit had moeten lopen.

Alle antwoorden liggen in het goddelijk vuur, dat wacht en wacht om te worden vrijgegeven. Daarom spreek ik elke dag. Langzaamaan beginnen velen te geloven. God heeft dit vuur in mijn Onbevlekt Hart geplaatst, zodat het snel en volledig kan worden vrijgegeven. Dit zijn de mysteries, die ik openbaar, zodat mijn kinderen hoop hebben en precies weten wat ze moeten doen. Ze moeten vasthouden aan hun devoties, zich verzamelen met anderen en zich voorbereiden op het vuur van God. Gehoorzaam mij en ik zal dat vuur uitstorten.

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109
.
.
.
.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

.

John Astria

John Astria

De Heilige Geest tot op Golgotha

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Johannes 11: 24-26

 

24 Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage. 25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; 26 En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?

 

 

 

.

 

Vergeving door geloof

 

Dit is de belangrijkste zin uit het Nieuwe Testament. Christus zegt in dit citaat dat geloven in Hem voldoende is om eeuwig leven te bekomen. Wie erkent dat Christus op de wereld kwam als zoenoffer voor onze zonden is gered. Jezus werd gezonden als de enige zoon van God en bleef hem trouw ondanks al de vernederingen en pijnigingen tot in de dood, Zo werd hij de eerste zondeloze mens.

Satan,de duivel,werd zo definitief verslagen. Het kwade weet dat zijn dagen spoedig geteld zullen zijn. Zijn beloning is de eeuwige vuurpoel samen met de gevallen engelen en ongelovigen. Wie dus Jezus Christus vraagt om in zijn hart te komen wonen en vergiffenis vraagt om zijn zonden krijgt die vergeving altijd. Maar kan elke zonde vergeven worden? Het antwoord is neen.

 

 

 

Zondigen tegen de Heilige Geest

 

Een onvergeeflijke zonde wordt beschreven in Marcus 3 en Matteüs 12. Deze passages gaan over het werk van Jezus. Alom was bekend, dat Hij herhaaldelijk in het openbaar satan en zijn demonen versloeg. Velen hebben zich afgevraagd, wat dit nou eigenlijk voor zonde was. Als u deze verzen leest (ze staan hieronder vermeld), houd dan in gedachte, dat de bedoeling van Jezus Christus’ bediening was om de duisternis rechtstreeks met het licht te confronteren in een openlijke strijd tussen goed en kwaad. De enige in het hele universum, die machtiger is dan de Boze, is God. Hij is de enige met genoeg macht om Satan zelf te binden en hem te dwingen te verdwijnen.

 

 

 

 

 

Marc. 3:22-30 

 

“En de schriftgeleerden die van Jeruzalem gekomen waren, zeiden: ‘Hij heeft Beëlzebul,’ en door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit.’ …’Voorwaar, Ik [Jezus] zeg u, dat alle zonden aan de kinderen der mensen zullen worden vergeven, ook de godslasteringen, welke zij gesproken mogen hebben; maar wie gelasterd heeft tegen de Heilige Geest, heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar staat schuldig aan eeuwige zonde. Immers zij zeiden: ‘Hij ( Christus ) heeft een onreine geest.”

 

 

 

In Matt. 12:31-32 zei Jezus tot de Farizeëen:

 

“Daarom zeg Ik u: alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden. Spreekt iemand een woord tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar spreekt iemand tegen de Heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw noch in de toekomende”.

 

 

De Heilige Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Wat is de context van deze uitspraak en wat is nu precies

de zonde die beschreven wordt?

 

“De onvergeeflijke zonde om tegen de Heilige Geest in te gaan is onherroepelijk de voortdurende verwerping van Christus  ( Joh. 3:18; 3:36 ). Dus, het vernederen van de Heilige Geest is hetzelfde als Christus verwerpen met zo’n beslistheid, dat geen toekomstig berouw mogelijk is. ‘Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven,’ zei God in Genesis 6:3.

In de context van deze speciale passage ( Matt. 12:22-32 ) zien we dat Jezus een groot scheppingswonder had gedaan, waar zowel genezing als het uitwerpen van demonen aan te pas kwam. De Farizeëen verwierpen echter dit duidelijk teken van de Heilige Geest. Zij betichtten Hem er zelfs van zijn krachten van de duivel te krijgen. Daarmee toonden ze een houding van permanente weerstand tegen de Geest en tegen de goddelijke natuur van Jezus Christus en zijn evangelie van redding.

“Jezus beschouwt dus lastering tegen de Geest dat men zijn identiteit permanent ontkent (Matt. 12:18) en Hij beschouwt dat als één van de ergste van alle zonden”.

 

 

 

Kan een christen een “onvergeeflijke zonde” begaan?

 

Het antwoord is neen, maar waarom. In Christus zijn al onze zonden vergeven. Daarom kan geen enkele christen de onvergeeflijke zonde bedrijven. Alleen een niet-wederomgeboren persoon die weigert om tot Christus te komen zal in zijn zonden sterven. Als u eenmaal Jezus hebt aanvaard, dan is dat deel van het werk van de Heilige Geest klaar. U kunt dus niet zijn werk lasteren. Natuurlijk blijft Hij constant aan u werken.

Zelfs als u eigenwijs bent en Hem weerstaat als christen, als u een onproductief leven lijdt dat vleselijk is en ongeestelijk, dan nog zijn die zonden te vergeven omdat u de Heilige Geest niet lastert. Denk eens aan wat Paulus zei:  “Er is dus geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn” ( Rom. 8:1 ).

Een ware christen kan niet een zonde bedrijven waarvoor geen vergeving is. We worden beschermd door de kracht van God. (1 Petr. 1:5). Hoewel we wel de Heilige Geest kunnen bedroeven, verzegelt Hij ons toch tegen de dag des oordeels ( Ef: 4:30 ).

 

 

 

 

 

 

De goede en de slechte moordenaar op Golgotha.

 

De vier evangelisten vertellen allen hoe Jezus werd gekruisigd tussen twee misdadigers. Maar Lukas is de enige die het volgende toevoegt ( 23:39-43 ):

Ook één van de misdadigers die daar hingen hoonden Hem: ‘Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons.’ Maar de andere strafte hem af en zei: ‘Heb jij zelfs geen vrees voor God nu je hetzelfde lot ondergaat? En wij terecht, want wij krijgen wat we door onze daden verdiend hebben. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.’ Daarop zei hij tot Jezus: ‘Denk aan mij, wanneer U in uw koninkrijk gekomen bent.’ En Jezus sprak tot hem: ‘Voorwaar Ik zeg u, vandaag nog zult u met mij zijn in het paradijs.’

Hieruit blijkt dat er niets in de lijst van menselijke overtredingen is, dat buiten bereik ligt van de Goddelijke vergeving. ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen worden als sneeuw.’ is de oude belofte die God aan ons mensen geeft. ‘Al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol’ ( Jesaja 1:18 ).

Dit moet echter niet als een aanmoediging uitgelegd worden om te zondigen, maar veeleer als een terechtwijzing om zich toch te bekeren. Als de zondaar werkelijk spijt heeft en vergiffenis vraagt aan Jezus Christus, dan zal hij niet alleen vergeving ontvangen maar ook behoed worden voor terugval in de zonde. Dit leert ons het evangelie en onnoemelijk veel mensen kunnen ervan getuigen.

Er zijn in de hele wereld overal gevallen van grote zondaren, die hun boze wegen verlieten en vandaag de dag een nieuw leven hebben door de kracht van God. We hebben de verzekering van onze Redder. ‘Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’ ( Joh. 6:37 ). Er is geen veroordeling voor vergeven zonde. Jezus betaalde alles.

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

De Drievuldigheid van God

Standaard

categorie : religie

 

 

 

De enige ware God

 

De bijbel is het oudste boek dat er bestaat en bevat het woord van God. Hij openbaart zichzelf via profeten en geschriften, die zelf door Hem zijn geïnspireerd. Elk woord in de bijbel is beschermd door God. Hij zal niet toelaten dat er één woord of letter wordt veranderd.

 

-Heer, voor eeuwig staat uw woord in de hemel vast ( Ps119: 89).

-Het levende en blijvende woord van God blijft eeuwig bestaan ( 1Pe1: 23 ).

 

 

 

 

 

 

Er is maar één God

 

 

Volgens het Oude Testament

 

-Wees u ervan bewust en laat goed tot u doordringen dat de Heer de enige God is, boven in de hemel en hier beneden op aarde. Een andere is er niet ( Deuteronium 4: 39 ).

-Ik ben de Heer, er is geen ander, buiten mij is er geen God ( Jesaja 45: 5 ).

-Hebben wij niet allemaal dezelfde Vader, heeft niet één en dezelfde God ons geschapen ( Maleachi 2 : 10 ).

 

 

 

Volgens het Nieuwe Testament

-Aanbid de Heer uw God, en vereer alleen Hem ( Mat 4 : 10 ).

-Wat u zegt is waar: hij alleen is God en er is geen andere God dan Hij ( marc12: 32 ).

-U gelooft dat God de enige is? Daar doet u goed aan ( Jacob2: 19 ).

-Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en de mensen, Jezus Christus ( 1Ti2: 5 ).

 

 

God is de Almachtige en heeft alles geschapen. Hij heeft geen beperkingen zoals de mens. In zijn eenheid kan hij tegelijk op zijn troon zitten in de hemel en op aarde aanwezig zijn. Voor Hem is dat niet moeilijk. Het menselijk verstand kan dat niet begrijpen. God weet dat de mens zijn geest beperkt is om Hem te doorgronden. De mens probeert de meetbare en zichtbare dingen te doorgronden maar heeft het moeilijk te aanvaarden dat er veel meer geschapen is.

 

 

 

God is in de hemel en schiep Jezus als eerste.

 

-We hebben iemand als hoge priester (Jezus) die zit aan de rechterhand van de troon van de Goddelijke majesteit in de hemel ( Heb8: 1 ).

-God kende Hem al voor het bestaan van de wereld, maar heeft Hem pas in deze laatste tijd ter wille van ons bekendgemaakt (1Pe1: 20-21).

-De HEER heeft mij als eerste geschapen, lang geleden, voor al het andere. 23  Ik ben gemaakt in het begin van de tijd, ik was er al voor de aarde bestond. 24  Toen er nog geen oceanen waren, geen bronnen met een overvloed aan water, toen was ik al geboren.
25  Voor de bergen een plaats hadden gevonden, voor er heuvels waren, was ik er al;
26  voordat de HEER de wijde wereld had gemaakt, voordat hij een zandkorreltje had geschapen. 27  Ik was erbij, toen Hij de hemel zijn plaats gaf, om de oceaan een horizon trok. 28  Toen Hij de wolken aan de hemel zette en de bronnen van de oceaan liet stromen, 29  toen Hij het water de wet stelde, de zeeën hun grenzen gaf, toen Hij de fundamenten voor de aarde legde, 30  was ik aan Zijn Zijde, ik was zijn  vertrouweling. Ik was verrukt, elke dag opnieuw, steeds verheugd in Zijn Aanwezigheid,
31  ik schiep vreugde in de aarde, ik was blij met de mensen. ( Sp8: 22-31 ).

 

 

 

 

 

God schiep alles door Jezus

 

-Voor ons is er toch slecht één God, de Vader, uit wie alles komt, en wij zijn geschapen tot zijn gemeenschap; en slechts één Heer, Jezus Christus, door wie alles is geworden, en wij zijn door Hem ( 1Kor8: 6 ).

-Want God heeft door Hem alles geschapen in de hemel en op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, zoals tronen en heerschappijen, overheden en machten. Alles is door Hem en voor Hem geschapen (kol1: 16 ).

 

 

 

De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn één en dezelfde God

 

God is een geest en staat boven de natuurwetten. Christus zei tegen zijn discipelen voordat hij naar de hemel ging; “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg een maak alle volken tot mijn leerlingen door hen te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” ( Mat28: 18-19 ). Hij zei ‘in de naam’ en niet ‘ in de namen’. Alle drie zijn dus één en dezelfde God.

 

 

 

 

 

-De Vader en ik zijn één ( joh10: 30 ).

-Geloof je niet dat in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Maar de Vader die in mij blijft doet zijn werk door mij ( Joh14: 10 ).

-Jezus zei tot hen: “maar als ik door de geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen: dit wil zeggen dat de Zoon in de Vader is, de Vader in de Zoon en dat de Heilige Geest de geest is van God en Christus” ( Mat12: 28 ).

 

Door deze voorbeelden zien we dat zowel de Vader als de Zoon en de Heilige Geest God zijn. Men noemt dit het mysterie van de Heilige Drievuldigheid van God.

 

 

 

De Vader en de Zoon

 

God werd vlees op aarde. Hij liet zijn Zoon geboren worden zonder het resultaat van voortplanting. Deze Goddelijke verbondenheid gaat het menselijk verstand te boven. De geboorte van Christus in een sterfelijk lichaam was nodig om ons te verlossen van de zonde. Christus werd de Messias voor alle volkeren op aarde.

 

-Hij zal een groot man worden en  Zoon van de Allerhoogste worden genoemd ( Luc1: 32 ).

-Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde ( Mat3: 17 / Luc3: 22 / Marc1: 11 ).

-En dat heb ik ,Johannes de Doper, gezien en ik getuig dat hij de Zoon van God is ( Joh1: 34 ).

 

 

 

De verlossing van de mens door Christus

 

Door een groot geestelijk wezen ( Lucifer) werd de eerste mens om de tuin geleid. De zonde kwam in de wereld door de leugen. De goede band met God werd doorbroken. Gods oneindige rechtvaardigheid en grootsheid kan geen zonden dulden; niet in woorden ,daden en gedachten. Het gevolg was dat iedereen zou sterven en veroordeeld worden tot de hel. Maar God bedacht een oplossing voor de mens door zijn wijsheid en macht. Hij stuurde zijn zoon Jezus om ons te verlossen van de straf door zonden. Christus zou voor ons sterven.

 

-Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft (Joh3: 16 ).

 

Geloven in Christus’ dood als zoenoffer is wat God wenst. Goede daden wissen de overtredingen niet uit. Wie deze denkfout maakt is voor eeuwig verloren.

 

 

 

 

 

De twee redenen waarom alleen Christus ons zou kunnen redden

 

  • De verlosser moest iemand zijn die nog nooit zondigde. Christus was God trouw en bleef zondeloos tot zijn kruisdood. Hij werd het geslachte lam of de losprijs voor ons allen.

 

-Christus is heilig en zuiver, van de zonden afgescheiden en ver boven de hemel verheven (Heb7: 26 ).

-Die (Christus) geen enkele  zonden beging en over wiens lippen geen leugen kwam (1Pe2: 22 ).

 

  • Jezus is verschenen om de zonden weg te nemen, er is in Hem geen zonde (2Kor5: 21 ).Christus is God zelf. Hij is de Zoon van God en de Zoon des mensen. Door zijn lijden en opstand uit de dood overwon hij alles enwerd een brug tussen God en de mens. Satan, de vader van de leugen, werd zo definitief verslagen.

 

De bijbel vertelt ons in Joh3: 16 dat God de wereld zo heeft lief gehad dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven opdat iedereen die in Hem gelooft nooit verloren zou gaan,maar eeuwig leven krijgt. God heeft de mens gered zonder zijn heiligheid en rechtvaardigheid aan te tasten. Wie niet in het zoenoffer van Christus gelooft is voor eeuwig verloren door die rechtvaardigheid.

 

 

 

 

God is een geest en werkt via zijn geest. Hij is samen met Christus in de hemel die aan zijn rechterhand zit. Christus is in de hemel onze Hogepriester en bemiddelaar voor onze zonden. Maar omdat God ons niet alleen wil laten heeft Hij ons zijn geest gezonden. De geest is de persoonlijkheid van God op aarde die staat voor Zijn wil, macht, zegen, kracht en glorie. Wie door de doop Jezus heeft aangenomen is in verbinding met de Heilige Geest wanneer  hij er beroep wil op doen.

 

-Wie weet wat er in een mens omgaat? Dat weet alleen zijn eigen Geest. Zo weet er ook niemand wat er in God omgaat dan alleen Gods eigen geest (1Kor2: 11 ).

-De Heilige Geest zal over u komen, de kracht van de Allerhoogste zal u als een schaduw bedekken (Luc1: 35 ).

 

 

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

 

Dommer dan de dieren

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

In het eerste hoofdstuk van het boek Jesaja staat in vers 2 en 3 het volgende:

 

 

‘Hoort, hemelen en aarde, neigt uw oor, want de Here spreekt: Ik heb kinderen groot gebracht en opgevoed, maar zij zijn van Mij afvallig geworden. Een rund kent zijn eigenaar, en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, Mijn volk geen inzicht’.

 

Als u het begin van de Bijbel de beide boeken van Genesis en Exodus leest, ziet u hoe God alles geschapen heeft. Hoe God de mens een pracht plekje op aarde gaf, waar geen voedsel of ruimteprobleem heerste. U leest daar ook hoe de mens ontrouw is geworden en hoe het kwaad in deze schepping is binnengedrongen. In Exodus kunt u lezen hoe God Z’n volk verlost uit de slavernij in Egypte en het brengt naar het land Kanaän of Palestina. God had grote plannen met dat volk. Uit Israël zou namelijk de Verlosser geboren worden. Het moest laten zien wat het betekent een volk van God te zijn. Maar het volk faalde hopeloos.

Hier in Jesaja trekt God een vergelijking tussen hen en het vee, en dan blijkt het vee verstandiger te zijn dan de mensen. Een rund kent immers zijn eigenaar, het loopt in de wei al naar de boer toe als hij er aan komt. Een ezel weet tenminste waar en van wie hij zijn voedsel krijgt. Israël dacht echter niet aan de zorgen die God aan hen besteed had. Wij mensen doen alsof er geen God in de hemel is. We doen alsof we eigen baas zijn hier op aarde. We hebben de evolutietheorie uitgevonden, we zijn uit de dieren geëvolueerd en zijn zogezegd ontwikkeld. Dat moet echter wel een neerwaarts gerichte evolutie zijn geweest.

Diep in ons hart weten we natuurlijk wel dat er een God is, maar we willen aan Hem liever niet denken. Want als er een God is, dan zullen we eenmaal voor Hem rekenschap hebben af te leggen. De stem van ons geweten leggen we daarom het zwijgen op. En hoe beroerd ’t in de wereld ook toegaat – en het gaat steeds beroerder – we kloppen onszelf trots op de schouder, want we kunnen toch heel wat. Onderwijl echter is iedere koe in de wei een aanklacht. Zo’n beest is verstandiger dan de mens, die God de rug heeft toegekeerd.

Heeft u God gedankt voor uw gezondheid? ‘Daar zorgt de dokter toch voor!’ zegt u misschien. Heeft u God gedankt voor uw eten? ‘Daar werk ik toch voor!’ Zo kunnen we doorgaan. En toch houdt diezelfde God, waar u geen gedachte aan wilt wijden, die Schepper, die u niet wenst te erkennen, deze schepping nog in stand en zorgt nog dat uw voedsel groeit. Bovenal zond diezelfde God Zijn Zoon, Jezus Christus, om voor uw zonde te sterven, opdat wanneer wij ons niet meer dommer dan de dieren zouden willen gedragen, u met Hem weer in contact zou kunnen komen.

Diezelfde God roept u op om u tot Hem te bekeren vóór het te laat is en Hij de afrekening aan deze wereld gaat presenteren. Dit is geen dreigement, maar realiteit. In het verleden heeft de wereld ook de rekening van haar ontrouw en zonde gepresenteerd gekregen in de zondvloed. In de toekomst zal het weer gebeuren in het eindoordeel, dat deze wereld zal treffen.

 

 

Daarom roepen we u op uw schuld voor God te belijden en Jezus Christus als uw Heiland te aanvaarden.

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

Een ongelovige is een levende dode

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Helend bloed voor de eeuwigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

In het licht van de hemelse reinheid is de mens even vies en stinkend als Grisha Sikalenko, na een verblijf van achttien jaar onder een mesthoop. Een leven zonder God is geen leven, zo iemand is levend dood.

 

David beschrijft de corruptie van de mens met deze woorden: “Zij zijn allen afgeweken, tezamen zijn ze stinkende geworden, er is niemand die goed doet, ook niet één (Ps. 14 : 3).

 

Van de verloren zoon zegt de vader: “Deze mijn zoon was dood en is weer levend geworden”. (Lukas 15 : 24).
Gelukkig is dat mogelijk. U kunt van alle verontreiniging, die de zonde teweegbracht, gewassen worden. God wil u van alle zonden vergeven, maar dat kan slechts als u in het geloof tot Christus gaat en Hem aanneemt als uw Heiland.

 

Door zijn bloed te storten wilde Hij u redden. Als u met een berouwvol hart tot Hem gaat, kunt u met Paulus zeggen: “In wien wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving der misdaden”(Ef. 1:7).
en met Johannes: “Het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (Joh. 1 : 7b).

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget