Tagarchief: sacrament

Het grote wonder van Garabandal

Standaard

categorie : religie

 

 

 

De Mariaverschijningen in Garabandal bleven niet bij eenvoudige gesprekjes en liefkozingen tussen Maria en de kinderen. Maria was gekomen om een twee kernboodschappen door te geven,namelijk van 18 okt. 1961 en 18 juni 1965

.
.
.
.

De 1e Boodschap van 18 oktober 1961

.

.

“Breng vele offers,
Doe veel boete,
We moeten vaak het H. Sacrament bezoeken,
Maar vooral moeten we zeer goed zijn,
Als men dat niet doet,
Dan zal een straf ons treffen,
De beker vult zich reeds,
Als wij niet veranderen zullen wij gestraft worden.”

 

.

 

De 2e Boodschap van 18 juni 1965.

 

“Omdat men mijn Boodschap van 18 oktober 1961 niet vervuld heeft, en men er geen grote bekendheid aan heeft gegeven in de wereld, wil ik U zeggen dat de nu volgende de laatste Boodschap is. Eerder vulde de beker zich. Nu loopt hij over (red.: de beker van Gods toorn). Vele kardinalen, bisschoppen en priesters gaan het pad van het verloren gaan op en nemen vele zielen met zich mede.

Aan de Eucharistie wordt steeds minder waarde gehecht. Wij moeten alle nodige pogingen in het werk stellen om Gods toorn, die zwaar op ons drukt, te ontwijken. Als gij Hem vergiffenis vraagt, met een oprecht gemoed, dan zal Hij U vergeven. Ik, uw moeder, wil U zeggen, door de bemiddeling van de H. Michaël, dat ge U moet bekeren.

Gij zijt al in de tijd der laatste waarschuwingen. Ik hou veel van U en ik wil uw veroordeling niet. Vraag ons oprecht en Wij zullen het U geven. (red.: ons/wij is God en Maria). Gij zult U opofferen. Mediteer het Lijden van Jezus.”

 

 

 

Interviews met de kinderen

 

 

Jacinta-15jaar

 

 

Loli-16-jaar

 

 

Conchita

 

 

 

Zieneres Jacinta

 

Februari 1977

 

De H. Maagd had Jacinta nooit over het Wonder verteld. Jacinta zei, dat wanneer zij Onze Lieve Vrouw ook vragen stelde over het Wonder, de H. Maagd eenvoudig antwoordde: “Iedereen zal geloven”.

 

.

 

Mari-Loli

 

Februari 1977

 

Vraag: Heeft u over het Wonder gehoord tijdens een verschijning en zo ja, door wie?

Antwoord: De Allerheiligste Maagd heeft het mij verteld

 

Vraag: Wat weet u over het Wonder?

Antwoord: Alles wat ik weet is dat het zal plaatsvinden binnen een jaar na de Waarschuwing.

 

 

 

Conchita

 

1973

 

Vraag: Wat gaat er gebeuren op die dag [van het Wonder]?

Antwoord: Ik zal u alles vertellen wat ik kan zeggen, precies zoals de H. Maagd het mij gezegd heeft. Zij vertelde mij dat God een groot Wonder zou verrichten en dat er geen twijfel zou bestaan over het feit dat het een wonder was. Het zal rechtstreeks van God komen zonder menselijke tussenkomst. Die dag zal komen en zij vertelde mij welke dag, de maand en het jaar; dus ik weet de exacte datum.

 

Vraag: Wanneer is die dag?

Antwoord: Het komt spoedig, maar ik kan het pas acht dagen vóór de datum bekendmaken.

 

Vraag: Wat gaat er die dag precies gebeuren?

Antwoord: Het is mij niet toegestaan om precies zeggen wat er gaat gebeuren. Wat ik wel mag zeggen is dat de H. Maagd zei, dat iedereen die daar aanwezig zal zijn [in Garabandal] het zal zien. De zieken die daar zijn zullen genezen worden, wat hun ziekte of hun godsdienst ook is. Zij moeten er echter aanwezig zijn.

 

Vraag: Heeft u gezegd dat degenen die op de dag van het Wonder aanwezig zijn, bekeerd zouden worden?

Antwoord: De H. Maagd heeft gezegd dat iedereen, die aanwezig is, zou geloven. Zij zouden zien dat dit rechtstreeks van God kwam. Alle aanwezige zondaars zouden bekeerd worden. Zij heeft ook gezegd dat men er foto’s van kon maken en het via de televisie zou kunnen uitzenden. Verder heeft zij gezegd, dat er van dat ogenblik af bij de pijnbomen een blijvend teken zou zijn, dat iedereen zal kunnen zien en aanraken, maar niet kunnen voelen. Ik kan het niet uitleggen.

 

Vraag: Zal er op de dag van het Wonder een uitzonderlijk teken zijn, dat niet door mensenhanden is gemaakt?

Antwoord: Ja. En dit teken zal daar blijven tot het einde der tijden.

 

Vraag: Wat betreft de zieke mensen, de H. Maagd heeft in het bijzonder iemand genoemd, een blinde man, Joey Lomangino. Wat zei zij over hem?

Antwoord: Zij zei dat Joey op het ogenblik van het Wonder nieuwe ogen zal hebben en dat hij vervolgens blijvend zal kunnen zien. Zij sprak ook over een jongen die verlamd is, wiens ouders uit mijn dorp komen [Garabandal]. Deze jongen zal ook genezen worden. Dit zijn de enige twee mensen die zij heeft genoemd.

 

Vraag: Kunt u ons iets vertellen over Pater Luis Andreu?

Antwoord: Ja. Deze priester kwam vaak naar ons dorp om te zien of de verschijningen echt waren of niet. Na enige tijd geloofde hij erin. Op zekere dag, terwijl wij in extase waren bij de pijnbomen, begon hij te schreeuwen: ‘Een wonder, een wonder, een wonder.’ Toen dit gebeurde zei de H. Maagd: ‘Op dit ogenblik ziet de priester mij en het Wonder dat zal gebeuren.’

 

Vraag: Zag Pater Luis werkelijk het Wonder?

Antwoord: Ja. Diezelfde dag, op de terugweg naar huis zei hij tot zijn vrienden: ‘Dit is de gelukkigste dag van mijn leven. Wat een geweldige moeder hebben wij in de hemel. De verschijningen zijn echt.’ Terwijl hij deze woorden sprak stierf hij.

 

Vraag: Zei de H. Maagd niet iets betreffende Pater Andreu, dat zou gebeuren op de dag van het Wonder?

Antwoord: Ja, zij zei dat op de dag van het Wonder zijn lichaam ongeschonden zou worden gevonden (Conchita verduidelijkte, dat het graf de dag na het Wonder zou worden geopend).

 

 

 

7 februari 1974

 

Vraag: U heeft gezegd dat het Wonder in Garabandal zou samenvallen met een grote gebeurtenis binnen de Kerk. Heeft Onze Lieve Vrouw u verteld wat die gebeurtenis zal zijn en kunt u iets toevoegen aan wat u reeds heeft gezegd over deze zaak?

Antwoord: Ja. Ik weet wat de gebeurtenis is. Het is een unieke gebeurtenis in de Kerk, die zeer zelden voorkomt en tijdens mijn leven niet is voorgekomen. Het is niet nieuw of ontzagwekkend, alleen zeldzaam, zoiets als de verklaring van een dogma, iets wat de hele Kerk aangaat. Het zal gebeuren op dezelfde dag als het Wonder, maar niet als gevolg van het Wonder, slechts bij toeval.

 

Vraag: Hoe zult u het Wonder aankondigen?

Antwoord: Dat weet ik niet precies. Ik zal zeer zeker om middernacht (acht dagen voor het Wonder) Joey [Lomangino] opbellen, maar ook de radio, de televisie en iedereen in de wereld die ik in staat acht te helpen om het nieuws snel te verspreiden. Ik maak me daar geen zorgen over. Ik weet dat als de H. Maagd wil dat u daar bent, u er dan zult zijn.

 

Vraag: Joey heeft gezegd dat hij onmiddellijk na de Waarschuwing naar Garabandal zal gaan. Weet u hoeveel tijd er zal verlopen tussen de Waarschuwing en het Wonder?

Antwoord: Het is een goed idee dat Joey na de Waarschuwing naar Garabandal gaat, maar ik weet niet hoeveel tijd er zal verlopen tussen de Waarschuwing en het Wonder.

 

Vraag: Denkt u vaak aan de dag van het Wonder en kijkt uit met spanning uit naar de komst van de Waarschuwing en het Wonder?

Antwoord: Soms denk ik dat het heel dichtbij is, soms ver weg. Wanneer ik eraan denk, dat de mensen de Boodschap niet naleven lijkt het zo dichtbij, omdat na het Wonder misschien de straf komt. Ik kijk er met spanning naar uit, ja. Ik wacht. De H. Maagd liegt nooit. De Waarschuwing en het Wonder moeten gebeuren, opdat de woorden van de H. Maagd in vervulling gaan. Het is alles tezamen één boodschap.

 

 

 

Februari 1977

 

Vraag: Heeft u het Wonder gezien of werd het u verteld?

Antwoord: De H. Maagd heeft me erover gesproken en heeft mij precies doen begrijpen hoe het zal zijn.

 

Vraag: Was u alleen of met de andere meisjes toen Onze Lieve Vrouw u over het Wonder vertelde?

Antwoord: Ik kan het mij niet meer herinneren.

 

Vraag: Hoe zal het Wonder eruitzien?

Antwoord: Zelfs al zou ik het proberen uit te leggen, ik zou niet in staat zijn om het goed te doen. Het is beter dat u het afwacht.

 

Vraag: Zou u nog eens kunnen zeggen tijdens welke maanden wij het Wonder zouden kunnen verwachten?

Antwoord: Van maart tot mei.

 

Vraag: Sommige mensen zeggen, dat de manier waarop u het Wonder zult aankondigen op zichzelf al een ‘wonder’ zal zijn. Kunt u dit uitleggen?

Antwoord: Ik geloof dat de manier waarop het gezegd zal worden ook een wonder zal zijn, omdat het voor mij een zeer grote verantwoordelijkheid is en ik een wonder nodig heb om het te zeggen.

 

Commentaar van Wim Langeveld: In 1977 kon niemand bevroeden wat voor een vlucht het Internet zou nemen. Dit wereldwijde informatie net brengt razendsnel alle gebeurtenissen uit diverse landen en plaatsen in de huiskamer. Per email wordt vanuit New-York de dag van het Grote wonder aangekondigd. Alle Garabandal sites en centra zullen deze aankondiging van Conchita bekendmaken. Daarin heeft Conchita gelijk dat het Internet een soort wetenschappelijk wonder is om op de meest snelle wijze de datum van het Grote Wonder bekend te maken.

 

Vraag: Als ik ver van het dorp in de bergen ben, maar ik kan wel de pijnbomen zien, zal ik dan het Wonder duidelijk kunnen zien? Als ik ziek ben, zal ik vanaf die afstand genezen worden?

Antwoord: U zult het Wonder duidelijk kunnen waarnemen, en als God het wil zult u worden genezen.

 

Vraag: Sommige mensen hebben gezegd dat op andere plaatsen in de Verenigde Staten en Europa mensen Maria heiligdommen zouden kunnen bezoeken en op die dag genezen kunnen worden. Wat weet u hierover?

Antwoord: De H. Maagd heeft mij hierover niets verteld.

 

Vraag: Zullen degenen, die sterk geloven in het komende Wonder, maar niet in staat zijn om het bij te wonen, vanwege hun levensstaat, bijvoorbeeld kloosterlingen, die dag speciale genaden ontvangen?

Antwoord: Dat weet ik persoonlijk niet. Het hangt af van deze mensen, van hun wensen, van hun geloof, van hun opoffering of hun gehoorzaamheid.

 

Vraag: Heeft Onze Lieve Vrouw ooit iets gezegd over de grote menigte mensen, die van plan is om enige dagen tevoren in Garabandal te zijn? Velen vragen zich bezorgd af hoe zij het zullen klaarspelen wat betreft het eten en de sanitaire voorzieningen. Kunt u daarover iets zeggen?

Antwoord: Laat dat in handen van God. Doe wat u kunt en wat het overige betreft, denk eraan: ‘God doet wonderen.’

 

Meer informatie van Conchita over het Wonder:

  • Het zal plaatsvinden bij de Pijnbomen in Garabandal op een donderdag om half negen ’s avonds.
  • Het zal gebeuren tussen de 8e en de 16e van de maanden maart, april of mei.
  • Het zal vallen op de feestdag van een jonge martelaar.
  • Het zal ongeveer 15 minuten duren.
  • De Paus zal het zien van waar hij zich ook bevindt, en Pater Pio zal het ook zien.*

In oktober 1968 in Lourdes vertelde Pater Bernardino Cennamo O.F.M. aan Conchita in Lourdes, dat Pater Pio het Wonder had gezien, voordat hij op 23 september 1968 stierf. Hij zei, dat Pater Pio hem dat zelf had verteld.

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

De verschijningen aan Pater Pio

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

De verschijningen

 

 

saint_padre_pio_postcard_004-p239242458678405622baanr_400

 

 

 

De kleine Francesco kende verschijningen van toen hij kind was. Hij geloofde dat het iedereen overkwam en sprak er niet over. Engelen, heiligen en zelfs Jezus en de Maagd Maria verschenen aan hem. Soms had hij ook verschijningen van duivels. In de laatste dagen van december 1902, terwijl hij mediteerde over zijn roeping, had Francesco weer een verschijning.

Zijn biechtvader beschreef vele jaren later deze verschijning als volgt: “Francesco had een verschijning, gevolgd door een echt gevecht met de duivel. Verschillende keren kon hij de vijand van de zielen verslaan, voorkomend dat deze zijn klauwen in de zielen zou slaan.” Op een avond had Francesco zich teruggetrokken in een kamer op het gelijkvloers van het convent. Hij lag uitgestrekt op een bed, toen een zeer mooie stralende man met koninklijke allures aan hem verscheen.

De man nam hem bij de hand en zei: “volg mij: het ogenblik is gekomen om de onvermoeibare strijder aan te vallen.” Francesco werd toen naar buiten gebracht, naar een plaats te midden van een menigte mensen verdeeld in twee groepen: een groep mannen met zeer mooie gezichten, in schitterend witte klederen getooid en een andere groep mannen die er afstotend uitzagen, gekleed in zwarte gewaden, donker als de duisternis.

Francesco zag een grote man komen met een verschrikkelijk afstotend gezicht en zo groot dat hij bijna tot aan de wolken kwam. De man die verschenen was aan Francesco, gaf hem het bevel het tegen het weerzinwekkende personage op te nemen. Francesco vroeg om beschermd te worden tegen de woede van dat monster, maar de man weigerde: “onmogelijk: je moet met hem vechten.

Heb moed, doe het in vertrouwen, vecht dapper, wetende dat ik vlak bij jou ben, dat ik je zal bijstaan en dat ik niet zal toestaan dat hij jou overwint.” Het gevecht was verschrikkelijk. Maar geholpen door de aan hem verschenen man, overwon Francesco het kwade. Verplicht te vluchten, trok het weerzinwekkende wezen zich terug achter de groep angstaanjagende mannen, onder luid geroep, gevloek, getier en oorverdovende kreten.

De groep in het wit gekleed applaudisseerde en loofde de man die Francesco bijgestaan had in dit vreselijke gevecht. De stralende man zette op het hoofd van Francesco een kroon van onbeschrijfelijke schoonheid. Maar bijna onmiddellijk nam hij hem de kroon weer af en zei: “ik heb voor jou een andere kroon, nog veel mooier dan deze, als je blijft strijden tegen diegene die je net overwonnen hebt.

Want hij zal altijd terugkomen. Je zult moedig vechten, zonder aan mijn hulp te twijfelen, zonder je bang te laten maken door zijn aanwezigheid. Ik zal vlak bij jou zijn en jou altijd bijstaan, zodat je over hem kunt triomferen.

 

 

 

Op zekere avond was pater Pio aan het rusten op de benedenverdieping van het klooster in een kamer die gebruikt werd als gastenverblijf. Hij was alleen en had zich pas op het veldbed neergelegd toen plots een man verscheen, gehuld in een zwarte cape. De verbaasde pater Pio stond op en vroeg de persoon wie hij was en wat hij wou. De onbekende antwoordde dat hij een ziel was uit het vagevuur.

“Ik ben Pietro Di Mauro. Ik ben omgekomen in een brand op 18 september 1908 in dit klooster, dat na de onteigening van de kerkelijke goederen als bejaardentehuis werd ingericht. Ik stierf in de vlammen op mijn strozak, verrast in mijn slaap, uitgerekend in deze kamer. Ik kom uit het vagevuur: de Heer heeft me toegestaan jullie te komen vragen jullie heilige mis van morgenochtend ter intentie van mij op te dragen.

Dankzij deze mis zal ik het paradijs kunnen binnengaan.” Pater Pio verzekerde de onbekende dat hij zijn mis voor hem zou opdragen… Pater Pio vertelt: “Ik wilde hem naar de poort van het klooster vergezellen. We kwamen buiten op het kerkplein en pas toen de man, die naast me liep, daar plotseling verdween werd ik me ervan bewust dat ik met een overledene gesproken had. Ik moet bekennen dat ik het klooster behoorlijk geschrokken terug ben binnengegaan.

Aan pater Paolino da Casacalenda, de overste van het klooster, voor wie mijn opwinding niet onopgemerkt was gebleven, vroeg ik de toelating om de mis op te dragen ter intentie van die ziel. Natuurlijk had ik hem eerst al het gebeurde verteld.” Enkele dagen later wilde de nieuwsgierig geworden pater Paolino het een en ander controleren en hij begaf zich naar het bevolkingsbureau van de gemeente San Giovanni Rotondo.

Hij vroeg en kreeg de toelating het overlijdensregister van het jaar 1908 te raadplegen. Het verhaal van pater Pio klopte met de werkelijkheid. In het register dat betrekking had op de overlijdens van de maand september vond pater Paolino de voornaam, de familienaam en de doodsoorzaak: “Op 18 september 1908 overleed Pietro di Mauro, zoon van wijlen Nicola, in de brand van het bejaardentehuis”.

 

 

 

Mevrouw Cleonice Morcaldi van San Giovanni Rotondo, een geestelijke dochter die de pater zeer dierbaar was, kreeg een maand vóór de dood van haar moeder, van pater Pio bij het einde van een biecht te horen: “Vanavond is je mama in de hemel, ik heb haar gezien terwijl ik de mis aan het lezen was”.

 

 

 

Ook werd het volgende voorval door pater Pio aan pater Anastasio verteld. “Op een avond, terwijl ik alleen in het koor aan het bidden was, hoorde ik het geritsel van een monnikspij en zag een jonge confrater druk doende aan het hoofdaltaar alsof hij de kandelaars afstofte en de bloemenvazen op hun plaats zette. Overtuigd dat het frater Leone was die het altaar in orde bracht en omdat het tijd was voor het avondeten ging ik aan de balustrade staan en zei hem: “Frater Leone, ga eten, het is nu niet het ogenblik om het altaar af te stoffen en in orde te brengen”.

Maar een stem die niet die van frater Leone was antwoordde me: “Ik ben frater Leone niet!” “Wie ben je dan?”, vroeg ik. “Ik ben een medebroeder van jullie die hier het noviciaat gedaan heeft. De gehoorzaamheid verplichtte me het hoofdaltaar zuiver en in orde te houden tijdens het proefjaar. Helaas, meerdere keren had ik te weinig eerbied tegenover Jezus in het heilig Sacrament door het Allerheiligste, dat in het tabernakel bewaard wordt, niet te groeten als ik voorbij het altaar kwam.

Door deze ernstige nalatigheid ben ik nog altijd in het vagevuur. Nu stuurt de Heer mij in zijn oneindige goedheid naar jullie omdat jullie moeten vaststellen tot wanneer ik zal moeten lijden in deze vlammen van liefde. Ik vertrouw op jullie…” – “Ik die dacht grootmoedig te zijn tegenover die lijdende ziel riep uit: “Je zal daar blijven tot aan de mis in het klooster morgenochtend.”

De ziel schreeuwde: “Wreedaard! Daarna slaakte ze een gil en verdween”. Deze jammerkreet veroorzaakte een wonde in mijn hart die ik mijn ganse leven zal voelen. Door de goddelijke volmacht had ik deze ziel onmiddellijk naar het paradijs kunnen zenden maar ik veroordeelde ze om nog een nacht in de vlammen van het vagevuur te blijven.”

 

 

 

Pater Pio had bijna dagelijks verschijningen, zoveel dat dit de kapucijner monnik toeliet tegelijkertijd in twee werelden te leven: een zichtbare en een onzichtbare bovennatuurlijke.

 

 

 

 

Pater Pio deelde in de brieven aan zijn geestelijke leider enkele van zijn ervaringen mee. In zijn brief van 7 april 1913 aan pater Agostino schreef hij: “Vrijdagmorgen was ik nog in bed toen Jezus aan mij verscheen. Hij was erg toegetakeld en verminkt. Hij toonde me een grote menigte reguliere en seculiere priesters waaronder verschillende kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders waarvan er een aan het celebreren was, een andere zijn priestergewaden aantrok en weer een andere zijn priestergewaden uitdeed.

Het zien van de kommervolle Jezus deed me veel pijn. Daarom wilde ik Hem vragen waarom Hij zoveel leed. Hij gaf geen antwoord. Echter, zijn blik leidde me naar de priesters en kort daarna, bijna met afschuw vervuld en alsof Hij vermoeid was van het kijken, wendde Hij zijn blik ervan af en wanneer Hij hem naar mij richtte zag ik twee tranen van zijn wangen rollen.

Hij verwijderde zich van deze bende priesters met een uitdrukking van grote walging op zijn gelaat en riep hen toe: “Beenhouwers!” En naar mij gekeerd zei Hij: “Geloof niet dat mijn doodsstrijd slechts drie uur geduurd heeft, nee. Ik zal omwille van de zielen, voor wie Ik zoveel gedaan heb, in doodsstrijd zijn tot het einde van de wereld. Gedurende de doodsstrijd, mijn zoon, is er geen behoefte aan slaap. Mijn ziel heeft dorst naar enkele druppels menselijk medelijden, maar ach, ze laten me alleen onder het gewicht van de onverschilligheid.

De ondankbaarheid en de apathie van mijn priesters maken mijn doodsstrijd nog zwaarder. Ach, ze beantwoorden mijn liefde zo slecht! Wat mij het meest bedroefd maakt is dat ze niet alleen onverschillig zijn maar bovendien ook minachting hebben en ongelovig zijn. Hoe vaak stond Ik niet op het punt hen neer te bliksemen als Ik niet was tegengehouden door de engelen en de zielen die heel veel van me houden…

Schrijf naar je vader en vertel hem wat je vanmorgen gezien hebt en van Mij gehoord hebt. Zeg hem dat hij je brief aan pater provinciaal toont…” Jezus sprak nog verder maar wat Hij zegde zal ik nooit kunnen onthullen aan een schepsel van deze wereld”.

 

 

Brief van 13 februari 1913 aan Pater Augustino: Jezus blijft mij herhalen: “…Vrees niet als ik je doe lijden, ik zal je ook de kracht geven. Ik verlang dat je ziel, dank zij het dagelijks martelaarschap in het verborgene, uitgezuiverd en op de proef gesteld wordt; schrik niet van mij als ik aan de duivel toelaat je te kwellen en aan de wereld toelaat je te doen walgen, want niets zal hen deren die zuchten onder het Kruis omwille van mijn liefde en hen die ik besloten heb te beschermen.

 

 

Brief van 18 november 1912 aan pater Augustino: “…Jezus, zijn geliefde Moeder, de kleine Engel met de anderen, gaan door mij te bemoedigen en laten niet na mij te herhalen, dat het slachtoffer al zijn bloed moet vergieten om slachtoffer genoemd te worden.”

 

 

Brief van 12 maart 1913 aan Pater Augustino: … Ik heb aanhoord, mijn vader, de gerechtvaardigde klachten van onze zoete Jezus: “Met hoe grote ondankbaarheid wordt Mijn liefde door de mensen vergolden! Ik zou door hen minder beledigd zijn, als Ik ze minder bemind had. Mijn Vader wil niet langer geduld met hen hebben. Ik zou willen ophouden hen te beminnen, maar… (en hier zwijgt Jezus en zucht, en daarna herneemt Hij) maar helaas, Mijn Hart is gemaakt om te beminnen!

Gemeen en lamlendig doen de mensen geen enkele inspanning om zichzelf te overwinnen in de bekoringen, ja, zij hebben zelfs plezier in hun ongerechtigheid. Mijn meest beminde zielen schieten tegenover Mij tekort, wanneer zij op de proef worden gesteld; de zwakken geven zich over aan ontmoediging en wanhoop, terwijl de sterken langzaam aan verslappen. Zij laten Mij in de kerken alleen in de nacht, alleen overdag.  Zij hebben geen zorg meer voor het sacrament van het altaar; men praat nooit meer over dit liefdessacrament; en zelfs diegenen die erover praten, doen het helaas met onverschilligheid en koudheid.

Mijn Hart wordt vergeten, niemand heeft nog zorg voor Mijn liefde; steeds wordt Mij leed aangedaan. Mijn huis is voor velen een theater van amusement geworden; ook Mijn bedienaren, die Ik altijd met voorkeursliefde beschouwd heb, die Ik bemind heb als Mijn oogappels; zij zouden Mijn Hart, dat vol bitterheid is, moeten vertroosten; zij zouden Mij moeten helpen bij de verlossing der zielen, in plaats daarvan, wie zou het kunnen geloven, moet Ik van hen ondankbaarheid en miskenning ontvangen.

Ik zie, mijn zoon, dat velen van hen… (en hier zweeg Hij, snikken snoerden Hem de keel dicht, Hij schreide in stilte)… Mij huichelachtig verraden met heiligschennende communies, terwijl zij het licht en de kracht, die Ik hun voortdurend geef, vertrappen.”

 

 

Brief aan pater Benedetto van 17 december 1917: … “Tijdens een van de bezoeken die Jezus mij dezer dagen heeft gebracht, vroeg ik Hem met nog meer aandrang dat Hij medelijden zou hebben met de arme landen die zó beproefd worden door de ellende van de oorlog en dat zijn rechtvaardigheid eindelijk zou wijken voor zijn barmhartigheid. Vreemd genoeg antwoordde Hij enkel met een handgebaar dat betekende: rustig, rustig… ‘Maar wanneer?’, voegde ik eraan toe. Zijn gelaat werd ernstig, om zijn mond verscheen een lichte glimlach, Hij richtte zijn blik even op mij en zonder een woord te zeggen nam Hij afscheid van mij.”

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA