Advertenties

Tagarchief: duisternis

De Maya’s en de schepping.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

DE SCHEPPING

 

 

Uit de Pop Wuj, het heilige boek van de Maya’s

.

 

Maya San bart

 

.

 

Scene uit het scheppingsverhaal, Maya, – ca. 100v. Chr. De maisgod Hun Hunapah (midden) deelt gaven uit. Hij staat op de rug van een machtige slang.

.

In het begin was er alleen maar stilte en rust. Niets bewoog, niets gaf geluid. Er waren nog geen mensen, geen dieren, geen vogels of vissen, geen bomen, geen stenen, geen grotten of ravijnen, geen struiken en geen bossen. Er was alleen de hemel, de aarde was nog niet zichtbaar. Al wat bestond was de kalme zee en de uitgestrekte hemel.

In de stilte van de donkere nacht bevond de Schepper en Vormgever zich in het water, omgeven door licht en bedekt met groene en blauwe veren. ‘Hart van de Hemel’ is zijn naam.

Daarop sprak de Schepper en Vormgever: “Laat de ruimte zich vullen, laat het water terugtreden, zodat de aarde verschijnt. Laat het licht worden, laat de dag aanbreken in de hemel en op aarde. Onze schepping mist luister en glans zolang er geen mensen zijn.”

Zo werd de aarde geschapen. Gehuld in nevels en wolken rezen de bergen op uit het water. Als door een wonder werden de bergen en dalen gevormd, en terstond schoten cipressen en pijnbomen op.

De Schepper en Vormgever was verrukt over zijn werk en sprak: “Nu zal ons werk tot voltooiing worden gebracht.” Zo werden eerst de aarde, de bergen en de dalen gevormd. Het water werd gescheiden en vrij stroomden de rivieren tussen de bergen door.

Aldus vond de schepping van de aarde plaats. Zij werd gevormd door Hart van de Hemel, Hart van de Aarde, toen de hemel nog leeg was en de aarde gedompeld was in water. Een schitterend werk was het, waar diep over was nagedacht.

 

 

.

De dieren

.

Vervolgens werden de dieren geschapen, herten, vogels, leeuwen, tijgers en allerlei soorten slangen. Ieder kreeg zijn eigen plaats toegewezen, de herten langs de rivieren en in de dalen, de vogels in de bomen en de struiken.

Toen de schepping van de vogels en de viervoeters was voltooid, sprak de Schepper en Vormgever: “Laat alle dieren spreken, roepen en fluiten, ieder op zijn eigen manier en naar best vermogen. Roep onze naam, prijs ons die jullie vader en moeder zijn, aanbid Hart van de Hemel, Hart van de Aarde.” Maar de dieren konden niet spreken zoals de mensen. Ze krijsten, krasten en kakelden, ieder op zijn eigen wijze, maar spreken was er niet bij.

Toen sprak de Schepper en Vormgever: “Jullie hebben onze naam niet kunnen uitspreken. Daarom zullen wij menselijke wezens scheppen die ons kunnen aanbidden. Jullie woonplaats zal voorgoed in de bossen en dalen zijn, en jullie vlees zal worden opgegeten.”

“Laten wij een nieuwe poging doen”, sprak de Schepper en Vormgever. “Het wordt al licht, de dageraad is al nabij. Laten we wezens maken die ons gehoorzamen, ons onderhouden en voeden, die ons aanroepen en onze herinnering op aarde levend houden. Want onze eerste poging is jammerlijk mislukt.”

.

 

.

 

 

Van aarde en hout

.

Daarop werd de mens gevormd en geschapen. Uit aarde, uit slijk werd het vlees van de mens gemaakt. Maar de Schepper en Vormgever zag dat het niet goed was. De mens van aarde was zacht en viel uit elkaar. Hij kon niet bewegen en had geen kracht. Zijn hoofd zakte naar opzij, zijn ogen waren zwak en hij kon niet omkijken. Aanvankelijk praatte hij wel, maar hij begreep zijn eigen woorden niet. Al gauw werd de mens van aarde nat en toen was het snel met hem gedaan.

De Schepper en Vormgever zei: “De mens die we hadden gemaakt, kon niet lopen of zichzelf voortplanten. We moeten ons werk verbeteren om goede schepsels te maken die ons aanbidden en aanroepen, die ons onderhouden en voeden en de herinnering aan ons levend houden.”

Daarop riep de Schepper en Vormgever de hulp in van de grootvader en grootmoeder. Die wierpen het lot met de maïskorrels en zeiden: “Er komen goede schepsels als ze gesneden worden uit hout.” Aldus geschiedde. Met zorg sneed de Schepper en Vormgever beeldjes uit hout. Het leken echte mensen en ze bevolkten de aarde. Ze kregen zonen en dochters, maar ze hadden geen ziel en geen verstand. Op handen en voeten liepen ze doelloos rond.

Omdat zij zich hun Schepper en Vormgever niet herinnerden, vielen de mensen van hout in ongenade. Zij waren slechts een proef, een poging om mensen te maken. In het begin spraken zij wel, maar hun gezicht was dor en droog. Hun handen en voeten waren krachteloos. Zij hadden geen bloed en hun lijf was mager en vormloos. Ze hadden ingevallen wangen en hun vlees was geel van kleur. Daarom waren zij niet in staat aan hun Schepper en Vormgever te denken, die hun het leven had geschonken en over hen waakte. Zo waren de eerste mensen en zij waren zeer talrijk.

Daarop veroorzaakte Hart van de Hemel een overstroming die alle mensen van hout verzwolg. Duisternis daalde over de aarde neer en overdag en ’s nachts viel er een zwarte regen. Dat was de straf omdat de mensen van hout zich hun vader en moeder, Hart van de Hemel, niet herinnerden.

.

 

maya

 

.

 

De wraak

.

Toen kwamen de grote en kleine dieren in opstand tegen de mensen van hout en ook de potten en pannen, heel de huisraad, het pluimvee en de honden. Zij sloegen de mensen van hout in het gezicht. “Jullie hebben ons schandalig behandeld, jullie hebben ons opgegeten en nu is het onze beurt de tanden in jullie te zetten”, zeiden de honden en het pluimvee.

“Jullie hebben ons pijn gedaan”, zeiden de maalstenen. “Dag na dag, bij nacht en ontij hebben jullie al malend ons gezicht bekrast, en wat konden wij er tegen doen? Maar nu jullie geen mensen meer zijn, is het onze beurt. Jullie vlees zullen we tot poeder fijn malen.”

En de honden spraken: “Waarom hebben jullie ons geen eten gegeven? We hoefden maar jullie kant uit te kijken of we werden al weggejaagd. En wie ons wilde slaan, vond altijd wel een stok. Slecht hebben jullie ons behandeld, en wij konden niet praten. Hebben jullie er nooit aan gedacht dat zoiets ook jullie zou kunnen overkomen? Nu zijn wij aan de beurt, nu zullen jullie onze tanden voelen.” En meteen beten de honden de mensen van hout in het gezicht.

En de potten en pannen zeiden: “Jullie hebben ons veel pijn en ellende veroorzaakt. Onze mond en ons gezicht zitten vol roet. Wij werden op het vuur geplaatst alsof we geen gevoel hadden. Maar nu gaan wij jullie verbranden.” Daarop wierpen de gloeiende potten en pannen zich op hun slachtoffers.

De mensen van hout renden wanhopig alle kanten uit. Ze probeerden op de daken te klimmen, maar de huizen zakten in. Ze zochten hun toevlucht in bomen, maar die schudden hen van zich af. Ze vluchtten grotten in, maar die sloten zich als vanzelf.

Dat was de ondergang van de mensen die waren geschapen en gevormd. Ze werden verwoest en vernietigd, hun mond en gezicht werden vermorzeld. Er wordt beweerd dat de apen afstammen van de mensen die werden gesneden uit hout. Daarom lijken apen op mensen.

 

 

 

 

 

 

Mensen van maïs

.

Dit is het begin van de schepping van de mens, toen werd besloten hoe het vlees van de mens moest worden gemaakt. De Schepper en Vormgever sprak: “De tijd van de dageraad is aangebroken, ons werk moet worden voltooid. De mens moet verschijnen die ons onderhoudt en voedt, de verlichte mens, de beschaafde dienaar op deze aarde.” Het moment was nabij waarop de zon, de maan en de sterren zouden verschijnen boven het hoofd van de Schepper en Vormgever.

Toen kwamen er vier dieren, die gele en witte maïskolven brachten. Uit het deeg van de gele en witte maïs werden vlees en bloed gemaakt. Uit maïs schiep de Schepper en Vormgever de eerste mensen.

De aarde was prachtig toen de eerste mensen werden gemaakt, vol gele en witte maïskolven, cacao, allerlei vruchten en honing. Er was een overvloed aan de lekkerste spijzen, overal stonden grote en kleine planten. De dieren wezen de weg naar de witte en gele maïskolven. Die werden gemalen en uit de krachtige drank van de maïs werden de spieren gemaakt, die het lichaam stevig en sterk maken.

Uit gele en witte maïs werd het vlees van de eerste mensen gemaakt, uit het deeg van de maïs hun armen en benen. Alleen uit maïs bestond het vlees van onze vaders, van de vier mannen die als eersten werden geschapen.

De eerste mensen die werden gevormd en geschapen, hadden geen vader of moeder. Zij werden niet uit een vrouw geboren, noch verwekt door de Schepper en Vormgever. Door een wonder, door toverkracht werden zij geschapen en gevormd. Zij leken op mensen en het waren mensen. Zij spraken, zagen, hoorden, liepen en pakten al het geschapene vast. Het waren goede en prachtige mensen, mannen waren het.

 

 

 

.

 

Een waas over de ogen

.

De eerste mensen waren begiftigd met verstand en hun blik was zo scherp dat ze alles zagen wat er op aarde was. Alles wat zij bekeken, was meteen dichtbij. Met hun scherpe blik aanschouwden zij het gewelf van de hemel en de wijde omtrek van de aarde. Er bestond voor hen geen afstand, en er waren geen geheimen. Groot was hun wijsheid. Hun blik reikte tot aan de bossen, de rotsen, de meren de zeeën, de bergen en de dalen. Het was werkelijk een wonder.

Daarop vroeg de Schepper en Vormgever aan de eerste mensen: “Wat vinden jullie ervan? Zien jullie, horen jullie? Zijn jullie spraak en tred goed? Kijk naar de wereld, naar de bergen en dalen, probeer goed te kijken!”

Toen de eerste mensen alles zagen wat er op de wereld was dankten zij de Schepper en Vormgever. “Wij danken u uit heel ons hart. Wij zijn geschapen, wij hebben een mond en een gezicht ontvangen. Wij spreken, wij horen, wij denken en wij lopen. Wij zien en kennen alles wat veraf en wat dichtbij is, de grote en de kleine dingen. Wij danken u, Schepper en Vormgever, omdat u ons hebt geschapen en ons het zijn hebt gegeven.”

Maar de Schepper en Vormgever maakte zich zorgen. “Het is niet goed dat onze schepsels alles weten, al het grote en het kleine. Wat moeten wij doen? Het is beter dat zij alleen maar aanschouwen wat dichtbij is, dat ze alleen maar een stukje van de aarde zien. Het zijn immers maar eenvoudige schepsels. Moeten zij ook nog goden zijn? Misschien willen zij zich niet voortplanten wanneer de dageraad aanbreekt. Laten wij hun verlangens een beetje beteugelen, want het is niet goed dat zij alles zien. Misschien willen zij wel gelijk worden aan ons, die hun Schepper zijn, wij die grote afstanden kunnen overbruggen en alles weten en zien.”

Zo sprak Hart van de Hemel, de Schepper en Vormgever. Daarop legde hij een waas over hun ogen, zoals wanneer je over een spiegel ademt. Hun ogen raakten verduisterd en zij konden alleen nog helder zien wat dichtbij was. Zo werden de wijsheid en kennis van de vier eerste mensen vernietigd. Zo werden onze grootouders geschapen en gevormd door Hart van de Hemel, Hart van de Aarde.

Vervolgens werden ook de vier echtgenoten gemaakt. God zelf vormde ze met grote zorg. Terwijl de mannen sliepen, naderden de vrouwen en zij waren werkelijk heel mooi. Toen de mannen wakker werden en de vrouwen zagen, waren zij zeer verheugd.

De eerste mensen plantten zich voort. Uit hen werden grote en kleine stammen geboren. Ook wij stammen van hen af. Veel priesters en offeraars brachten zij voort.

 

.

De dageraad

.

Veel mensen werden geboren en in de duisternis plantten zij zich voort. De zon was nog niet opgegaan en er was nog geen licht. Zij waren talrijk en trokken rond in het oosten. Maar God vereerden zij niet. Zij richtten enkel hun gelaat naar de hemel en wisten niet wat zij zo ver waren gaan zoeken.

Zij spraken met elkaar en vol ongeduld wachtten zij op de komst van de dageraad. Met hun gelaat naar de hemel gekeerd richtten zij hun smeekbeden tot God:

 

“Zie ons, hoor ons,
laat ons niet alleen, vergeet ons niet.
God, die in de hemel en op aarde bent,
Hart van de Hemel, Hart van de Aarde.

Geef ons kinderen,
geef ons nakomelingen,
zolang de zon haar baan aflegt en het licht is.

Laat het licht worden,
laat de dageraad aanbreken.

Geef ons goede, vlakke wegen.
Dat de volken vrede kennen, veel vrede en geluk.
Geef ons een goed en nuttig leven”.

 

Zo spraken zij, terwijl zij baden om de opgang van de zon en de komst van de dageraad. En tegelijk met de opkomende zon aanschouwden zij de morgenster, die aan de komst van de zon voorafgaat, die de hemel en de aarde beschijnt en de voetstappen verlicht van de mensen die gevormd zijn en geschapen.

.

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 John Astria

John Astria

Advertenties

Veertiende Miniatuur : vijfde visioen van het Tweede Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veertiende Miniatuur: Vijfde visioen van het Tweede Boek

 

 

Scivias%20T%2014_Boek%20II,5

Priesterschap en Maagdelijkheid
.
.
.
.

Bij de elfde miniatuur, die van de H. Drievuldigheid, hoort deze. Het is één van de belangrijkste miniaturen om de spiritualiteit van Hildegard te begrijpen. Uit het voorwoord weten we, dat de profetes zich vooral geroepen voelde om de openbaring van de hemel te verkondigen omdat de priesters van haar tijd in hun taak schromelijk tekort schoten. Daarom wil Hildegard in dit visioen het ideaal van het priesterschap schetsen, en dit in nauw verband brengen met de roeping tot maagdelijkheid.

Deze prediking en strijd voor het celibaat in de Kerk, ingezet door Paus Gregorius VII, vormt één der basisgegevens van het hele boek Scivias. Hildegard weidt uitvoerig uit over alle aspecten en bijzonderheden, welke zij ziet in het grootse beeld van de Kerk. Omdat de uitleg 69 kapittels bevat is het voor de miniaturist onmachtig die veelheid in beeld te brengen. Daarom heeft hij zijn toevlucht gezocht in de grootst mogelijke soberheid.

Van de gedetailleerd beschreven versieringen van de maagden vinden we niets in de miniatuur. Daar de tekst vaag is gebleven over de vormgeving van de Kerk en haar kleding (omdat Hildegard verblind is geweest door de grootsheid van het mysterie), heeft de kunstenaar de figuur van de Kerk wel met schitterend goud versierd, maar verder geen enkel detail aangegeven. Men ziet slechts de omtrekken van de afhangende mouwen, de handen en de vingers zijn vaag uitgebeeld.

Vanaf het middel tot de knieën (ook hier is het benedendeel van het lichaam niet afgebeeld) heeft de miniaturist niet alleen alle gegevens vereenvoudigd maar deze in de vorm van een schets gelaten. Men onderscheidt hier geen enkele begrijpelijke vorm meer, doch slechts verzilverde vlekken of wolken. Deze wolken symboliseren de lekenstand en geven Hildegard de gelegenheid in haar uitleg uitvoerig in te gaan op het sacrament van het Huwelijk. Duidelijk speelt het mysterie van het huwelijk zich voor haar af in de geest van geloof dat door de miniaturist met zilver wordt aangeduid.

Naast de zilverkleurige rok zien we twee banen die tussen de mouwen en het lichaam vanaf de oksels tot beneden toe lopen. Deze zijn onbeschilderd waardoor de kleur van het perkament zichtbaar wordt. Dit versterkt in hoge mate de eerste indruk van onvoltooidheid die vooral in de benedenhelft van deze miniatuur op ons afkomt. Waarschijnlijk is hier sprake van een opzettelijke onafgewerktheid die ten doel heeft het heilloze van het ongeloof duidelijk te maken.

Volgens de tekst rijst een diepe duisternis van beneden af tegen de Kerk omhoog. We hebben het ongeloof dat strijd voert tegen de maagdelijkheid. Dit ongeloof valt bij Hildegard samen met het kwaad van de duivel. Men zou verwachten dat dit kwaad simpelweg met zwart aangegeven zou worden. Maar de miniaturist gaat in de geest van Hildegard nog een stap verder. Voor haar is het kwaad de grote onwerkelijkheid, de absolute ontkenning tegenover het geloof. Daarom is het kwaad hier aangegeven door de afwezigheid van iedere kleur.

Dit is een heel emotionele benadering en uitdrukkingswijze van het mysterie van de ongerechtigheid, van het kwaad en het ongeloof. Deze afschuw voor het ongeloof kwam voort uit haar grote liefde voor de maagdelijkheid en de belangrijkheid hiervan voor het leven van de Kerk. Om deze reden ontdekken we dan ook in deze miniatuur een grote tegenstelling tussen de vage tekening van de hoofdfiguur en de kleurrijke uitbeelding van het kleine groepje in het hart van de Kerk. Hier zijn de gezichten fijn getekend en de plooien van de kleding soepel uitgewerkt en ook de houdingen zijn zeer expressief.

Het kleine meisje stelt de maagdelijkheid voor. Zij lijkt met haar gespreide haren, de ten hemel geslagen ogen en als in extase geheven armen een vaart naar het bovennatuurlijke uit te drukken. Het is dat enthousiasme dat aan de zielen de inspiratie geeft om triomfantelijk alle aardse vreugden los te laten.

De maagdelijkheid staat daar geflankeerd door een stoet van zielen. Vooraan staan godgewijde maagden met sluiers en achter haar bisschoppen met mijters. De maagden hebben loshangend haar, kronen op het hoofd en in haar handen dragen ze gouden vruchten. De bisschoppen dringen achter haar op en zijn in wijde kazuifels gekleed. Allen, zowel de bisschoppen als de maagden, houden handen en blikken gericht naar de maagdelijkheid. Zo drukt de maagdelijkheid duidelijk hun gemeenschappelijk verlangen naar het eeuwig leven uit.

Het gaat om leven, vreugde en licht in deze magnifieke en zachte voorstelling van het Priesterschap en de Maagdelijkheid. Dit is ook de betekenis van de gouden vlammen die ontsnappen aan het hart van de Kerk, van haar wijd uitgestrekte handen, van haar ogen zo groot en helder en van haar gezicht dat de heldere wetenschap van haar wezen straalt. De maagdelijkheid maakt dezelfde gebaren als de Kerk en vormt zich geheel naar haar.

De enthousiaste beschrijving van de bijna abstracte voorstelling van de Kerk is ontleend aan Dom Baillet. Bedenken we wel, dat hij dit schreef in de jaren dat het academisme nog hoogtij vierde. Hieruit blijkt dat Dom Baillet, overleden in 1913, zijn tijdgenoten ver vooruit was, zowel in het begrijpen van de mystieke betekenis van de visioenen van Hildegard als van de artistieke waarde van deze miniaturen.

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

 

Wie is Lucifer?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

.

Het verhaal van Lucifer

.

.

 

lucifer

.

.

.

De oorsprong van Lucifer

.

Om de oorsprong van Lucifer te kunnen vinden, richten we ons tot het Oude Testament. De naam Lucifer is vertaald uit het Hebreeuwse woord “helel”, wat “helderheid” betekent. Deze aanduiding, die dus op Lucifer betrekking heeft, is de uitlegging van de “morgenster” of “zoon des dageraads” die in Jesaja wordt voorgesteld.

“O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld. Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste” (Jesaja 14:12-14).

De context van deze passage slaat op de koning van Babylon zoals hij in zijn trots, zijn pracht en zijn val wordt voorgesteld. Maar de tekst is feitelijk gericht aan de macht die achter de boosaardige Babylonische koning steekt. Geen enkele sterfelijke koning zou beweren dat zijn troon zich boven die van God bevindt of dat hij de Allerhoogste evenaart. De boze macht achter de Babylonische koning is Lucifer, de “zoon des dageraads”.

 

.

.

De geschiedenis van Lucifer

.

Lucifer is gewoon een andere naam voor Satan, die als hoofd van het boosaardige wereldbestel de werkelijke, maar onzichtbare macht is achter de opeenvolgende heersers van Tyrus, Babylon, Perzië, Griekenland, Rome en alle andere kwaadaardige heersers die we in de geschiedenis van de wereld hebben zien komen en gaan. Deze passage gaat verder dan de menselijke geschiedenis en markeert het begin van de zonde in het universum en de val van Satan in het reine, zondeloze firmament vóór de schepping van de mens.

We zien ditzelfde thema in Ezechiël: “De HEER richtte zich tot mij: ‘Mensenkind, hef over de koning van Tyrus een dodenklacht aan:

“Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen.

Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg. Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande ik je van de berg van God en verdreef ik je van je plaats tussen de vurige stenen. Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld.

Daarom heb ik je op de aarde neergeworpen, als een schouwspel voor andere koningen. Door je grote schuld, door je oneerlijke handel, waren je heiligdommen ontwijd. Daarom liet ik een vuur in je oplaaien dat je heeft verteerd, ik maakte van jou een hoop as op de grond, voor ieder die het wil zien. Alle volken die je kenden staan verbijsterd; je bent een schrikbeeld geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn.”‘” (Ezechiël 28:11-19).

.

Deze passage lijkt gericht tot de “koning van Tyrus”. In werkelijk is het echter gericht aan degene die achter de boosaardige koning van Tyrus schuilgaat. Deze passage bevat profetieën over Lucifer/Satan, omdat zijn laatste einde nog niet heeft plaatsgevonden en pas na het laatste oordeel zal plaatsvinden (Openbaring 20:7-10), ook al is het zeker dat dit einde op deze manier zal plaatsvinden.

Deze passages in Jesaja en Ezechiël hebben beide niet zozeer betrekking op Lucifer/Satan zelf, maar op zijn werk en zijn planning via aardse koningen en heersers die zichzelf een goddelijke eer toekennen. Zij heersen, bewust of onbewust, feitelijk in de geest van Satan en voor de doelen van Satan.

“Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen” (Efeziërs 6:12).

Satan is de vorst achter de machten van dit bedorven wereldbestel.

Let vooral eens op de volgende uitspraak in de passage uit Ezechiël: “de gezalfde cherub”. Een dergelijke uitspraak zou nooit van toepassing kunnen zijn op een menselijke koning. Nee, deze heeft betrekking op Lucifer/Satan die achter de menselijke koning zit. Deze engel is het hoogste wezen dat de HEER ooit heeft geschapen. De HEER zegt over hem: “Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid”.

Satan was het meest wijze schepsel dat God ooit had geschapen. Geen enkele andere engel en geen enkel ander wezen werd geschapen met de intelligentie die God aan dit schepsel had gegeven. God zegt dat dit schepsel “volmaakt van schoonheid” is. Na de Heilige Drie-eenheid – de Vader, de Zoon en de Heilige Geest – is dit wezen tegenwoordig het hoogste wezen.

In Ezechiël 28:14 lezen we:

“Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub”. Dit vertelt ons dat we het niet over een menselijke koning hebben.

Het woord cherub is enkelvoud voor cherubim. De cherubim zijn een symboliek voor Gods Heilige aanwezigheid en Zijn onbereikbare grootheid. Deze cherubim nemen een unieke positie in. De “gezalfde, overdekkende cherub” is het beeld dat in de Hof van Eden voor ons geschetst wordt, nadat Adam en Eva waren weggestuurd en God de cherubim had opgesteld om de weg naar de levensboom te bewaken.

Ook toen Mozes de verzoeningsplaat maakte en deze in het Allerheiligste van de tabernakel plaatste, kwam Gods heerlijkheid er naartoe en ontmoette Hij Mozes tussen de cherubim. Zij “overdekten” de verzoeningsplaat met hun vleugels.

We zien dus dat Satan een cherub was en dat zijn taak bestond uit het bewaken van de troon van God Zelf. Zijn taak was de bescherming van Gods heiligheid. Satan nam de hoogste van alle posities in, een positie die hij verachtte en verloor.

We zien hier in Ezechiël een beschrijving van de hoogste van Gods schepsels, een musicus met perfecte wijsheid en onbeschrijflijke schoonheid, en bovendien met een verheven functie. Maar, dit schepsel met al zijn prachtige eigenschappen had ook een vrije wil. Op een dag zei God tegen dit schepsel:

“Er is ongerechtigheid in jou gevonden”.

 

.

.

De status van Lucifer

 

Wat voor ongerechtigheid werd er in hem gevonden? In het boek Ezechiël laat God ons in het prille begin als het ware over Zijn schouder meekijken, zodat we de oorsprong en de schepping van Satan kunnen zien. Maar waarom zegt God dit? Wat is deze ongerechtigheid?

We moeten naar Jesaja 14:13-14 teruggaan, de verzen die ons over de keuze van Lucifer/Satan vertellen. “Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste.” Heb je gemerkt hoe vaak Satan in deze passage eigenlijk “ik zal” zegt? Hij zegt dat hij zijn troon boven Gods sterren zal plaatsen. Het woord “sterren” verwijst hier niet naar de sterren die we ’s nachts kunnen waarnemen. Hiermee worden de engelen van God bedoeld. Met andere woorden: “Ik zal de hemel overnemen, ik zal God zijn”.

Dat is de zonde van Lucifer/Satan en dat is de ongerechtigheid die er in hem werd gevonden. Hij wil geen dienaar van God zijn. Hij wil de dingen niet doen waar hij voor geschapen werd. Hij wil zelf gediend worden en er zijn miljoenen mensen die ervoor gekozen hebben om juist dat te doen: hem dienen. Zij hebben naar zijn leugens geluisterd en ervoor gekozen om hem te volgen. Eva geloofde de leugen dat zij net als God zou zijn. De reden dat Lucifer/Satan haar met die leugen verleidde was dat dit precies datgene is wat hij zelf wil: God zijn.

 

.

.

.

.

.

3d-gouden-pijl-5271528

.

.

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

.

 

 John Astria

John Astria

 

Het woord ogen in het Nieuwe Testament

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Het wenende oog van Maria

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

Het woord ogen in het Nieuwe Testament: oude vertalingen

 

 

 

Mattheüs 9:29

Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.

.

.

 

Mattheüs 9:30

En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete.

.

.

Mattheüs 13:15

Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.

.

.

Mattheüs 13:16

Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.

.

.

Mattheüs 17:8

En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen.

.

.

Mattheüs 18:9

En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.

.

.

Mattheüs 20:33

Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.

.

.

Mattheüs 20:34

En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.

.

.

Mattheüs 21:42

Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

.

.

Mattheüs 26:43

En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren bezwaard.

.

.

Marcus 8:18

Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?

.

.

Marcus 8:23

En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en leidde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag.

.

.

Marcus 8:25

Daarna leidde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.

.

 

.

Marcus 9:47

En indien uw oog u ergert, werpt het uit; het is u beter maar een oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden;

.

.

Marcus 12:11

Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

.

.

Marcus 14:40

En wedergekeerd zijnde, vond Hij hen wederom slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden.

.

.

Lukas 2:30

Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,

.

.

Lukas 4:20

En als Hij het boek toegedaan en de dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen.

.

.

Lukas 6:20

En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.

.

.

Lukas 10:23

En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, hetgeen gij ziet.

.

.

Lukas 16:23

En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.

.

.

Lukas 18:13

En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!

 

 

 

.

.

.

Lukas 19:42

Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.

.

.

Lukas 22:56

En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met Hem.

.

.

Lukas 24:16

En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.

.

.

Lukas 24:31

En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.

.

.

Lukas 24:43

En Hij nam het, en at het voor hun ogen.

.

.

Johannes 4:35

Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten.

.

.

Johannes 6:5

Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?

.

.

Johannes 9:6

Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinde;

.

.

Johannes 9:10

Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?

.

.

Johannes 9:11

Hij antwoordde en zeide: De Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zeide tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en wies mij, en ik werd ziende.

.

.

Johannes 9:14

En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.

.

.

Johannes 9:15

De Farizeeën dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik wies mij, en ik zie.

.

.

Johannes 9:17

Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem; dewijl Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet.

.

.

Johannes 9:21

Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hem zelven; hij zal van zich zelven spreken.

.

.

Johannes 9:26

En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?

.

.

Johannes 9:30

De mens antwoordde, en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet, van waar Hij is, en nochtans heeft Hij mijn ogen geopend.

.

.

Johannes 9:32

Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft.

.

.

Johannes 10:21

Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden ogen openen?

.

.

Johannes 11:37

En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?

.

.

Johannes 11:41

Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.

.

.

Johannes 12:40

Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.

.

.

Johannes 17:1

Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.

.

.

Handelingen 1:9

En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.

.

.

Handelingen 1:10

En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;

 

 

 

.

.

.

Handelingen 3:5

En hij hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen.

.

.

Handelingen 6:15

En allen, die in den raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht van een engel.

.

.

Handelingen 7:55

Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechter hand Gods.

.

.

Handelingen 9:8

En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus.

.

.

Handelingen 9:18

En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt.

.

.

Handelingen 9:40

Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad: en zich kerende tot het lichaam, zeide hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij over einde.

.

.

Handelingen 10:4

En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het Heere? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.

.

.

Handelingen 11:6

Op welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik, en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.

.

.

Handelingen 13:9

Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide:

.

.

Handelingen 14:9

Deze hoorde Paulus spreken; welke de ogen op hem houdende, en ziende, dat hij geloof had om gezond te worden,

.

.

Handelingen 17:3

Dezelve openende, en voor ogen stellende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Dien ik, zeide hij, ulieden verkondige.

.

.

Handelingen 23:1

En Paulus, de ogen op den raad houdende, zeide: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag.

.

.

Handelingen 26:18

Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

.

.

Handelingen 28:27

Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.

.

.

Romeinen 3:18

Er is geen vreze Gods voor hun ogen.

.

.

Romeinen 11:8

God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen tot op den huidigen dag.

.

.

Romeinen 11:10

Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.

.

.

2 Korinthiërs 10:7

Ziet gij aan wat voor ogen is? Indien iemand bij zichzelven betrouwt, dat hij van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven, dat gelijkerwijs hij van Christus is, alzo ook wij van Christus zijn.

.

.

Galaten 3:1

O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogent e voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?

.

.

Galaten 4:15

Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben.

.

.

Efeziërs 1:18

Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;

.

.

Hebreeën 4:13

En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben.

.

.

1 Petrus 3:12

Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen.

.

.

2 Petrus 2:14

Hebbende de ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking;

.

.

1 Johannes 1:1

Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens;

.

.

1 Johannes 2:11

Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

.

.

1 Johannes 2:16

Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.

.

.

Openbaring 1:14

En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs;

.

.

Openbaring 2:18

En schrijf aan den engel der Gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk:

.

.

Openbaring 3:18

Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.

.

.

Openbaring 4:6

En voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren.

.

.

Openbaring 4:8

En de vier dieren hadden elkeen voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.

.

.

Openbaring 5:6

En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.

.

.

Openbaring 7:17

Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

.

.

Openbaring 19:12

En Zijn ogen waren als een vlam vuurs, en op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hij Zelf.

.

.

Openbaring 21:4

En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijs, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Tiende Miniatuur : eerste Visioen van het Tweede Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

Tiende Miniatuur: eerste Visioen van het Tweede Boek

 

 

 

.
.
.
.
.

Het feit dat Hildegard een nieuw boek begint wijst erop, dat de openbaring van haar mystieke belevenis, aan belangrijkheid gaat winnen. Inderdaad, de vijf volgende visioenen en miniaturen vormen samen het middenluik van de triptiek waaruit Scivias bestaat.

De woorden van de hemelse stem:

“De levende God schiep alles door zijn woord. Door ditzelfde Woord, dat vlees aannam, heeft Hij ook zijn schepsel de mens, ongelukkig geworden door de zondeval in de duisternis, de vurig verhoopte verlossing teruggebracht.”

.

Hoe is dit geloofsgegeven door Hildegard in beeld gebracht?

 

Op een groot veld van zilver zien we twee cirkels, een gouden en een donkerblauwe. Het zilver wijst op de Eerste Persoon van de H. Drievuldigheid. In de vorige miniaturen werd met zilver het geloofslicht aangeduid. Abraham houdt in miniatuur acht een mes vast van zilver en sommige engelen in miniatuur negen dragen zilveren helmen.

De kleuren hebben bij Hildegard een wisselende betekenis in al de 35 miniaturen. Iedere keer verschuift de betekenis van de kleuren, die echter wel associatief met elkaar verbonden blijven. Zo staat zilver op de eerste plaats voor wit licht, dus niet het zonlicht maar het soort daglicht dat er is vóór zonsopgang of na zonsondergang.

We hebben in het visioen van de engelen reeds gezien dat God werd aangeduid door een kern van zuiver wit. Meer dan eens echter wordt in de miniaturen de heraldische kleur wit gebruikt voorgesteld door het metaal zilver. Verder wordt zilver gebruikt als er sprake is van een spiegel en haar weerspiegeling.

Omdat spiegels in die tijd gemaakt werden van gepolijst ijzer, is het ook te begrijpen dat de glanzende wapenrusting en zwaarden en lansen, waarover in de visioenen wordt gesproken, bij voorkeur worden aangegeven door zilver. Langs die weg ontstaat een associatie met macht, rechtvaardigheid en sterkte. En zo wordt het duidelijk dat Hildegard God, in het bijzonder de Vader, aanduidt met zilver.

In deze levenssfeer van de Vader zien we in de miniatuur twee cirkels, die als polen op elkaar inwerken. Er is een gouden cirkel die een blauwe circel omvat. Het goud staat hier voor de H. Geest en de liefdegloed waarmee deze alles tot ontwikkeling brengt. Deze gloed van de Geest omgeeft het Goddelijk Woord, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid. Deze is hier aangegeven door een discus van blauwe kleur, verlevendigd met golvende witte lijnen.

Met dit blauw wil Hildegard de diepste wezensopenbaring van God uitbeelden. De tweede Persoon is mens geworden in Christus en Deze heeft zich tot doel gemaakt van ons geestelijk leven en vormt tevens de overkoepeling van heel de schepping. Bij de volgende miniatuur wordt betekenis van de kleur blauw in de mystieke ervaringen van Hildegard met betrekking tot dit goddelijk geheim verduidelijkt.

De donkere schijf in het middenveld van deze miniatuur stelt de oerchaos voor waarover de H. Schrift in haar aanvang spreekt. De aarde was nog ongeordend en leeg en over de wereldzee heerste de duisternis. Dan begint de geschiedenis van Gods Geest die broedde over de wateren en de aarde bevruchtte. In de tekst van Scivias staat:

“De Vlam Gods werd witgloeiend en zie, er ontstond plotseling een donkere luchtkogel van enorme omvang, waarop de Vlam verschillende keren sloeg en iedere keer sprong er een vonk naar voren. Zo werd die kogel tot voltooiing gebracht en hemel en aarde kwamen ten volle in het licht.”

 

Op dit beeld van de Vlam die enkele keren op de luchtkogel sloeg, dienen we even dieper in te gaan. De Latijnse tekst spreekt van een faber, een werkman, die enkele slagen geeft en daardoor uit de donkere luchtkogel vonken deed springen. Hier wordt evenwel van geen gereedschap gesproken.

Zr. Böckeler vertaalt dit zo, dat de vlam op de kogel sloeg als een smid op een aambeeld, waardoor er bij iedere slag een vonk uitspatte. Dom Baillet zegt in zijn beschrijving van deze miniatuur, dat de zwarte cirkel aangeraakt wordt door een zilveren vinger en dat zo de wezens ontstaan. Hij verbaast zich wel erover dat de vinger niet blauw is, want door het Woord van de tweede Persoon is toch alles geschapen.

Hiltgart Keller spreekt van een zilveren tong, die uit een klomp leem een mens te voorschijn roept. Inderdaad zien we beelden van de zes scheppingsdagen, waarover in de tekst niet gesproken wordt, rondom deze tong geschikt.

We zien dat de miniaturist hier van de tekst afgeweken is, hetgeen hij nooit heeft kunnen doen buiten Hildegard om. We hebben nu als het ware twee verschillende lezingen van de visioenervaring: de eerste is de tekst in de Scivias met de uitleg ervan, de tweede is de weergave in de miniatuur.

Het gaat om de schepping van de mens en zijn verlossing. De schepping geschiedt door de drie goddelijke Personen. Deze Drieëenheid is voorgesteld door drie elementen, namelijk een gouden cirkel met rode lijnen verlevendigd, daar binnen een blauwe schijf verlevendigd met witte lijnen, en op de derde plaats een zilveren roede die doordringt in de ronde kogel van de oerchaos.

Vuur, hier uitgebeeld door het goud, is steeds het beeld van Gods Geest. De blauwe schijf noemt Hildegard een vlam van hemelkleur, die schittert als een saffier. Zo wordt deze vlam ook in het volgende visioen aangegeven, waar uitvoerig wordt uitgelegd, hoe deze saffier, het binnenste van God zelf, de tweede Persoon betekent.

De roede heeft de kleur van het metaal zilver, het heraldisch gegeven voor wit. Zoals wij in het visioen van de engelen in het middelpunt de witte kleur aantroffen als beeld van de volmaaktheid van God, zo wil de zilveren roede ons de almacht van God tonen.

Dom Baillet spreekt van een vinger, Hiltgart Keller van een tong en Zr. Böckeler van een smidshamer. Iedere godsdienstgeschiedkundige zal bij de eerste blik op deze miniatuur, zonder iets van het onderwerp af te weten, denken aan het fallisch symbool dat in alle godsdiensten voorkomt om de vruchtbare liefde van de Godheid voor de schepping aan te duiden.

Voor Hildegard zijn alle vormen van leven, van plantaardig -, dierlijk – tot geestelijk leven toe, allemaal openbaringen van Gods vruchtbaarheid. Het is niet moeilijk in de zes medaillons een uitbeelding te zien van de zes scheppingsdagen. Op de eerste dag, toen God sprak: “Het worde licht” zijn de engelen geschapen. Onder in de donkere luchtkogel zien we uit rode leem een mensenhoofd te voorschijn komen om de schepping van de mens uit te beelden.

Voor Hildegard is scheppen niet alleen iets smeden, iets maken, maar vooral de dingen het leven schenken, zoals een vader dat doet. De eerste mens zien wij – bovenaan rechts – ruiken aan een bloem die hangt aan de gouden schijf als een dauwdruppel aan een grashalm. Het is een prachtig beeld van het goddelijk aanbod van het zoete gebod der gehoorzaamheid. Zo kostbaar als de wonderbare dauw is voor de groei van de halm, zo waardevol is dit gebod van God voor de groei van het geestelijk leven.

Dom Baillet uitte zijn verbazing er over, dat de bloem zonder enige steun in de lucht hangt. Als men echter bij het opkomen van de zon voor een grasveld staat en men ziet hoe de dauwdruppels daar hangen, is men verbaasd over het wonder van de adhesi-capaciteit van een druppel. Hij hangt los aan de grashalm, maar valt niet naar beneden. Iets dergelijks bedoelde Hildegard, toen zij de stengel van Gods wet met drie bloempjes liet uitbeelden, als het ware klevend aan de goddelijke cirkel.

Helaas, Adam aanvaardde deze wet niet, hij rook er slechts aan en keerde zich er van af. Sedert dit moment breidde de chaos zich uit over het ganse heelal en heeft de duisternis de betekenis gekregen van zonde en dood. Immers, toen viel de mens ten prooi aan lijden en sterven.

Maar es kwam nieuwe hoop. God is machtig genoeg om zijn schepping te redden. Om deze overwinning van het licht op de duisternis voor te bereiden en aan te kondigen zendt God de aartsvaders en de profeten van wie St. Jan de Doper de laatste en de grootste is. Zij worden hier voorgesteld door gouden sterren.

Links zien we twaalf sterren waarvan er negen zeven punten hebben, en drie grotere met acht of negen punten: de drie aartsvaders. Rechts bevinden zich zeven sterren waarvan er één grotere met negen punten de voorloper St. Jan moet aanduiden. Verder zijn deze grote sterren omringd door kleine witte met zes punten, de  rechtvaardigen die leefden vóór de komst van Christus.

Zij zijn vierentachtig in getal, zeven maal twaalf. Zeven is een heilig getal in de Bijbel dat verwijst naar een nieuw gevolg en 12 is in de Bijbel het symbool voor perfect bestuur. Plotseling verschijnt op de aarde, vervolgt de uitleg, een licht als de dageraad en de Vlam verenigt zich op wonderbare wijze met die dageraad zonder zich van haar gouden oorsprong los te maken.

Hier komen we bij een van de voornaamste kernpunten van de mystieke openbaring voor Hildegard. In dit kerngegeven ontmoeten we het trefwoord ‘Aurora’ of de dageraad. Als men de acht teksten uit de H. Schrift, waarin sprake is van aurora naslaat, kunnen waarschijnlijk twee daarvan bij Hildegard voor dit beeld een rol spelen. De eerste zou dan de vraag van God aan Job zijn:

“Hebt ge ooit in uw leven de morgen ontboden en de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38-12).

 

Hier laat God Job en ieder mens duidelijk voelen, dat Hij de schepper is en dat Hij alle dingen hun plaats aanwijst naar Zijn inzicht.

De tweede tekst is uit het Hooglied:

“Wie rijst daar op als het morgenrood?” (Hooglied 6-10).

 

Hier wordt het morgenrood als iets buitengewoons gezien en de aanstaande bruidegom spreekt zijn bewondering voor zijn bruid uit door haar daarmee te vergelijken.

In de duisternis van de chaos na de zonde komt er volgens Hildegard toch een nieuwe dageraad. Zonder de aarde met zijn vurige roede opnieuw te bevruchten, kiest God een andere weg. Hij zaait in maagdelijke grond. Alles wat door God is aangeraakt, is ongeschonden als een maagd. Uit deze maagdelijke grond neemt het Woord het vlees aan en wordt Hij de nieuwe bron van licht en leven.

Dit is het raadsbesluit van God, dat noch door engelen noch door heiligen of profeten kan worden begrepen. Daarom is hier de dageraad voorgesteld als een gloed oprijzende van achter de omlijsting. Hij is volledig gescheiden van de zwarte band die het middenveld van de miniatuur bedekt. God begint iets nieuws, en vanuit dit nieuwe valt het mensgeworden Woord de verduisterde chaos aan.

We zien, hoe een geheel vergulde Christusfiguur met zijn stralenkrans tot in de duisternis doorstoot, om de gevallen mens te verlichten en te verlossen. Het is merkwaardig, dat het morgenrood dat in feite op Maria slaat, met dezelfde kleuren wordt uitgebeeld als de grote zonnecirkel van de Godheid. In de kern zien we blauw en daar omheen een gouden gloed verlevendigd door rode lijnen.

Op deze kleuren komen we bij de bespreking van het volgende visioen nog uitvoerig terug. Nu reeds kunnen we zeggen, dat in het mysterie van de maagdelijkheid van Maria, van wie de Tweede Persoon zijn lichaam ontving, de drievoudige goddelijke activiteit zich als het ware opnieuw openbaart.

Hildegard zegt hiervan, dat in dit morgenrood de diepste wilsuiting van de Drieëne God zich geopenbaard heeft, om kost wat kost de gevallen mens toch op te nemen in Zijn goddelijk leven. Als Hildegard evenwel poogt nog dieper door te dringen in dit raadsbesluit, dan schrijft zij:

“Er werd mij een geheimnisvol zegel opgedrukt.” Want, zegt de hemelse Stem, je moet de geheimen Gods niet dieper willen doorvorsen, dan tot waar de goddelijke majesteit het in zijn liefde gunt aan hen, die Hem in diep geloof aanhangen”.

 

Hier naderen we het hoogtepunt van de mystieke ervaring, de vereniging van God met de ziel van de zieneres. Het is immers geen verwijt aan de geliefde, dat God haar niet toestaat dieper door te dringen in Zijn mysterie. Het is de bruidegom die zijn bruid verklaart dat zij op dit moment nog niet alles kan vatten van het overgrote geheim van het goddelijke trinitaire leven en van de Menswording.

Het is niet de mens die God begrijpen kan, nee het is andersom. Ondanks de eerste afwijzing gaat God toch de geliefde mensheid achterna. Het is het oerspel van elke liefdesbeleving: als de bruid wegloopt, vlamt de liefde hoger op met alle consequenties van dien. Maar de goddelijke greep en vereniging kunnen pijnlijk zijn. Hildegard dicteerde hier:

“In dit visioen is mij een geheim zegel opgedrukt.”

 

Als we de Bijbelteksten naslaan, zijn er maar twee te vinden in het Oude Testament en één enkele in het Boek der Openbaring van Johannes, wanneer hij spreekt over de zeven zegels, die eenmaal door het Lam verbroken worden. De eerste uit het O.T, is uit Job, waar de zon bevel krijgt niet te stralen en de sterren onder een zegel worden geplaatst. (Job. 9,7)

De andere tekst uit het Oude Testament is uit het Hooglied: “Leg mij op uw hart als een zegel en om uw arm als een band. Want sterk is de liefde.” (Hoogl. 8,6) Deze staat in de epiloog van het Hooglied, waar gezongen wordt over het altijd verenigd zijn van bruid en bruidegom.

Terwijl de bruidegom van het Hooglied vraagt als een zegel op het hart van de bruid gelegd te worden, zegt hier Hildegard, dat God zich als een geheim zegel op haar hart gedrukt heeft. Hier is in Bijbelse beeldspraak de hoogste mystieke vereniging aangeduid.

We kunnen nagaan wat in de Bijbelse tijden de uitdrukking van een zegel leggen op het hart betekend heeft. De zegelstempel en ook de zegel afdruk betekenen een persoonlijk en kostbaar bezit “Ik draag U (Zorobabel zoon van Salatiël) als een zegelring want Ik heb U uitverkoren” (Aggeus 2,23); zie verder Jer. 32 10-14. Neh. 10-1. Esth. 3-10 en 8-8 alsook Tob. 9-5. In al deze teksten is bezegeling tevens persoonlijke toe-eigening en bescherming (zie Deut. 6-18, Tob. 9-5, Mat. 27-66).

Het geheimnisvolle zegel drukt de bekroning uit van de liefdesvereniging van God met Hildegard. Dat hier geen afschermen van het mysterie is bedoeld, bewijst het volgende visioen, dat juist een dieper doordringen in het mysterie behelst. Het blijft merkwaardig, dat in deze miniatuur het verloop van het mysterie van de Menswording als een korte episode wordt weergegeven.

Slechts een felle aanval op de burcht van de duisternis. Misschien is dit wel de juiste benadering, zoals alleen een mystica die kan vatten. Dom Baillet, die zich liever houdt aan de geschreven tekst waar gesproken wordt over de levensloop van de Verlosser en de stichting van de Kerk, heeft een beetje moeite met deze vereenvoudiging, maar hij geeft er toch een spitsvondige verklaring voor.

Hij schrijft: “De miniaturist heeft het niet nodig gevonden om de Verrijzenis, de verschijningen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren weer te geven, al had hij in de traditionele iconografie voldoende modellen om na te tekenen. Een minder persoonlijk genie zou deze kans hebben aangegrepen om het perkament zonder veel moeite vol te maken. Onze kunstenaar had daar maling aan!”

In feite is het zo, dat het de bedoeling van Hildegard is geweest het leven van Christus in het verloop van het scheppings- en verlossingsverhaal te zien als een snelle meteoor, die flitst langs het donker hemelgewelf van tijd en eeuwigheid.

Even dienen we nog aandacht te schenken aan het figuurtje in de donkere chaos dat, overdekt met bloedrode wonden, aangeraakt wordt door de gulden vlam van de Christusfiguur, die oprijst uit de dageraad. Deze zwaar gewonde mens met witte haren kan zowel Christus zelf betekenen als de gevallen Adam, de vertegenwoordiger van de hele mensheid.

De uitleg van Hildegard is dat de Mensenzoon, die voortkomt uit de dageraad, zich hevig laat verwonden aan de duisternis, om daarna de gevallen mens op te richten. Dom Baillet vindt deze miniatuur de minst verantwoorde ten opzichte van de tekst van Scivias. Toch leert deze miniatuur ons het meeste over de spiritualiteit van Hildegard.

Zij leert ons de nieuwe wegen welke God gegaan is om, ondanks de val der engelen en van Adam in het paradijs, toch de voltooiing van Zijn glorie te bereiken. Het is de triomf van de Wijsheid en de Justitia van God, waarop in miniatuur 30 dieper wordt ingegaan.

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

 

De scheppingsdagen en hun symboliek

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

 

 

Symboliek van de scheppingsdagen

 

“De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed…” (Genesis 1:2)

God heeft in zes dagen deze mistroostig uitziende aarde van Genesis 1:2 tot een prachtige, volmaakte schepping gemaakt.

“God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was.” (Genesis 1:31)

De zes scheppingsdagen, zoals beschreven in Genesis 1, vertonen een bepaalde structuur.

 

.

 

voorbereiding vervulling
1 licht 4 zon (+ maan + sterren)
2a atmosfeer 5a vogels
2b zeeën 5b vissen
3a vasteland 6a landdieren
3b eerste leven: planten 6b hoogste leven: mens

 

 

Scheppingsdagen

 

  1. De eerste drie dagen hebben te maken met het wegdoen van de duisternis en het opruimen van de chaos, kortom met het klaarmaken van de aarde om bewoond te worden.
  2. Tijdens de tweede serie van drie dagen wordt het land, de zee en de lucht gevuld met allerlei soorten levende wezens.

 

De manier waarop God de puinhoop aarde van Genesis 1:2 in zes dagen tot iets moois heeft geschapen of herschapen, is een afbeelding van de manier waarop God een ontluisterd mensenleven wil herscheppen tot een nieuwe schepping.

 

1 : De voorbereidingfase (scheppingsdagen 1-3) kan worden vergeleken met de beginfase van het        christenleven: wedergeboorte, de eerste leerperiode en een begin van geloofsgroei en vruchtdragen.

2 : De vervullingfase (scheppingsdagen 4-6) kan worden vergeleken met groeiende geestelijke volwassenheid. In de geestelijke betekenis van de begrippen is er natuurlijk een geleidelijke overgang van de eerste naar de tweede fase.

.

 

plaat2 (1)

 

.

 

Scheppingsdag 1 – licht

 

Het licht van scheppingsdag 1 wijst op de komst van Jezus, die zichzelf terecht het licht voor de wereld noemde.

“Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht hebben.” (Johannes 8:12)

Evenals licht de belangrijkste energiebron is voor de aarde en de belangrijkste voorwaarde voor leven, zo heeft het licht in geestelijke zin alles te maken met het nieuwe leven. God wil dit leven geven aan ieder mens die het van Hem wil ontvangen. Zodoende is de doorbraak van het licht op de eerste scheppingsdag een beeld van bekering en wedergeboorte, het begin van de wandel in het licht:

“Dezelfde God die gesproken heeft: Uit de duisternis zal het licht schijnen, heeft zijn licht doen schijnen in ons hart…” (2 Korintiërs 4:6)

Daarna gaat God verder met zijn herscheppingswerk in de mens. Onder invloed van het licht van de eerste scheppingsdag volgt een levenslang proces van geloofsgroei en vernieuwing. Door de zegenrijke werk van Gods Geest in het hart van de gelovige dringt dit licht steeds verder door tot in alle aspecten van het leven.

 

 

Scheppingsdag 2a – atmosfeer (verstand)

 

Het geschikt maken van de atmosfeer is een illustratie van het verstandsaspect van geloofsgroei of kort gezegd: groei in geloofszekerheid. De nadruk ligt daarbij op de nieuwe inzichten die je als gelovige krijgt door de werking van de Heilige Geest in je verstand.

Gezonde lucht is de eerste levensbehoefte van de mens. Zo heeft de gelovige het nodig dat hij zich dagelijks laat inspireren door de Bijbel om een krachtig fundament van waarheid te ontwikkelen en een gezonde manier van denken. Hoe meer de gelovige zijn verstand laat verlichten door de ‘adem van Gods Geest’, hoe beter zicht hij heeft op God en zijn bedoelingen met zijn leven.

De wind zorgt voor zuivering van de atmosfeer, doordat schadelijke dampen en gassen worden weggevoerd en verspreid. De Heilige Geest wil ons helpen de leugens van de wereld te ontmaskeren en af te wijzen, zodat onze gedachten er niet door vergiftigd worden. Zodoende is de atmosfeer ook een beeld van ons geweten dat ons bovendien helpt om rein te leven volgens Gods leefregels.

 

 

Scheppingsdag 2b – water (gevoel)

 

Het scheiden van het water is een illustratie van het gevoelsaspect van geloofsgroei of kort gezegd: groei in geloofsvertrouwen. De nadruk ligt daarbij op de geloofsbeleving die je als gelovige krijgt door de werking van de Heilige Geest in je gevoelsleven. Behalve lucht is ook water noodzakelijk voor leven op aarde. Water is het beeld van het beweeglijke element in de mens, zijn gevoelsleven.

Op scheppingsdag 2 ontstaat er een evenwicht tussen de atmosfeer (boven) en de watermassa’s (beneden). Evenzo moet je verstand in evenwicht komen met het gevoel, waarvan water een beeld is. Hoe meer je verstand zich laat verlichten door het Woord van God, hoe beter je als gelovige leert om te gaan met beproevingen en verleidingen. Hierdoor en door je persoonlijke omgang met God en wat je leert door omgang met medegelovigen leer je steeds meer op God te vertrouwen. Zo leer je te genieten van een gelukkig leven vanuit de verbondenheid met God, ook onder moeilijke omstandigheden.

Het leerproces van scheppingsdag 2 gaat vaak gepaard met veel innerlijke strijd en dat wordt eigenlijk pas op scheppingsdag 3 afgerond, als het vasteland tevoorschijn komt, ofwel als de overwinning in die innerlijke strijd zich begint af te tekenen. Dit heeft ook te maken met het feit dat het verslag van scheppingsdag 2 niet wordt afgesloten met de gebruikelijke woorden: “God zag dat het goed was”. Aan het einde van scheppingsdag 2 is er immers nog geen ‘eindproduct’. De strijd is nog niet geheel gestreden…

 

 

Scheppingsdag 3a – vasteland (wil)

 

Het ontstaan van het vasteland is een illustratie van het wilsaspect van geloofsgroei of kort gezegd: groei in geloofskracht. Daarbij gaat het vooral om je toewijding aan Jezus en de nieuwe kracht die je als gelovige krijgt door de werking van de Heilige Geest ten opzichte van je wil. Het oprijzen van vaste grond boven het wateroppervlak, doet denken aan de opstanding van Jezus. Zoals het vasteland het heeft gewonnen van de zee, zo heeft Jezus aan het kruis de grootste overwinning van alle tijden behaald. Het leven heeft eens en voorgoed gewonnen van de dood.

“… Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven …” (Johannes 11:25)

Het ontstaan van het vasteland symboliseert ook de overwinning in de innerlijke strijd van scheppingsdag 2, tegen leugens, overweldigende levensomstandigheden, zondige verlangens, enzovoort. Die overwinning komt tot stand doordat je met je wil kiest om te doen wat God in zijn woord zegt (geloofsgehoorzaamheid). Dan krijg je in geestelijke zin vaste grond onder je voeten. Je leert bouwen op God, de Rots, waardoor je niet meer zo snel wankelt. Telkens wanneer je gedurende de innerlijke strijd tot overwinning komt, ontstaat er geestelijk gezien een stuk vasteland.

“En dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof.” (1 Johannes 5:4)

Tijdens scheppingsdag 2 PROBEER je uit geloof te leven; op scheppingsdag 3a LEEF je uit geloof.

 

 

Scheppingsdag 3b – plantengroei (gedrag)

 

Het ontstaan van plantengroei is een illustratie van het gedragsaspect van geloofsgroei of kort gezegd: groei in geloofspraktijk. De nadruk ligt daarbij op de nieuwe levensstijl die je als gelovige ontwikkelt door de werking van de Heilige Geest ten opzichte van je gedrag.

Plantengroei is de eerste geschapen levensvorm op aarde. Een levend geloof is een vruchtdragend geloof ofwel een geloof dat zich uit in de praktijk van het dagelijks leven. Geestelijke vrucht is wat God wil doen in en door elke wedergeboren gelovige. Evenals vruchten aan een boom groeien door het sap dat via wortels en takken wordt aangevoerd, zo groeien geestelijke vruchten in de gelovige door het levende water. Dat is de Heilige Geest die door en uit de gelovige stroomt.

“De Schrift zegt over wie in mij gelooft: Zijn hart zal een bron zijn waaruit stromen levend water vloeien.” (Johannes 7:38)

De meeste planten groeien op de vaste grond. Eerst ontwikkelt zich het gedeelte ONDER de grond en vervolgens het bovengrondse deel. Het wortelgestel zorgt onder meer voor de stabiliteit van de plant en de opname van voedingsstoffen uit de grond. Het zorgt ervoor dat de boom onder alle weersomstandigheden kan overleven en vrucht dragen. Dat voorbeeld wordt uitgewerkt in Psalm 1, waarin een gehoorzame gelovige wordt vergeleken met een boom die bij het water geplant is. Daardoor is die boom in staat om vrucht te dragen, terwijl zelfs de bladeren bij droogte niet verpieteren.

 

 

Scheppingsdag 4 – zon, maan en sterren (vol van Jezus)

 

Met scheppingsdag 4 begint de vervullingsfase van de schepping en die staat symbool voor het volwassen stadium van de gelovige. Het gaat daarbij om een verdere, diepere uitwerking van wat er tijdens het jeugdstadium is geleerd. In de normale betekenis van het woord betekent volwassen worden dat je leven niet meer alleen om jezelf draait, maar dat je ook verantwoordelijkheid neemt voor anderen. Geestelijke volwassenheid betekent in de eerste plaats: niet zozeer eigen welzijn en zegeningen nastreven, maar gericht zijn op Jezus (de zon) en op het zegenen van je medemensen.

De zon kunnen we zien als een beeld van Jezus, die op de aarde is gekomen om het licht van God te laten schijnen in de harten van de mensen als het ‘licht van de wereld’. De maan kan gezien worden als het beeld van zijn Gemeente, terwijl individuele gelovigen kunnen worden vergeleken met sterren.

“opdat u zuiver en smetteloos bent, onberispelijke kinderen van God te midden van een verdorven en ontaarde generatie, waartussen u schittert als sterren aan de hemel.” (Filippenzen 2:15)

Zon en maan hebben beide als taak licht te geven op aarde. De maan en de sterren verrichten hun taak wanneer de zon onzichtbaar is, ofwel in de nacht, in afwachting van de wederkomst van de Heer. Daarom heeft de Gemeente als geheel en afzonderlijk de opdracht om licht in de wereld te verspreiden. Jezus zei:Ik ben het licht der wereld (Johannes 8:12) maar ook: jullie zijn het licht der wereld (Johannes 5:13) om Jezus te laten zien.

 

.

Scheppingsdagen 5-6 – steeds meer op Jezus gaan lijken

 

Op scheppingsdag 5a, 5b en 6a heeft God de dieren geschapen die een beeld zijn van een verdere vervulling van je verstand, gevoel en wil: verdieping van inzicht, geloofsbeleving en geloofskracht.

Op scheppingsdag 6b heeft God de mens geschapen als de hoogste scheppingsvorm en het meest op God gelijkende evenbeeld. Deze scheppingsdag is een overduidelijk beeld van wat er gebeurt als iemand met God wandelt: er groeit een levensstijl van zegenen , echte liefde en offerbereidheid in navolging van Jezus. Als een gevolg van het proces van geloofsgroei gaat het karakter van de gelovige steeds meer op dat van Jezus lijken. En dat is het hoogste doel voor de mens tijdens zijn leven op aarde.

 

 

Scheppingsdag 7: rusten in Jezus

 

De diepere bedoeling van deze dag is dat mensen de rust ontdekken die bij Jezus te vinden is: rust om je geestelijke bestemming te vinden bij de wedergeboorte, rust om tijdens het leven te blijven vertrouwen op Gods hulp, en de rust in het hiernamaals als je aardse taak als gelovige is afgelopen en je Jezus op een nieuwe manier zal mogen dienen in het hiernamaals.

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Satan nog steeds actief

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Satan nog steeds actief

 

 

c1d3e09d51a53d4a7b7bf124d6f0cf5aactief

 

In Hebreeën 2: 8 lezen we dat Jezus de machten der duisternis aan Zich onderworpen heeft, doch dat wij thans nog niet zien dat alles Hem onderworpen is. Het Nieuwe Testament en in het bijzonder de brieven van Paulus, Petrus, Jakobus en Johannes tonen ons dat er nog strijd en tegenstand is die de gelovige zal moeten weerstaan.

Uitdrukkingen zoals standhouden, weerstaan, overwinnen, lijden, vervolging zijn allemaal bewijs dat de duisternis nog altijd actief is. Lees bijvoorbeeld Efeze 6: 10-20; 1 Petrus 5: 8 en Openbaring 12: 11.

 

 

Efeze 6: 10-12

.

10 Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.
11 Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.
12 Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
.
.
.

1Petrus5: 8-9

.

8Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden;
9Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
.
.
.

Openbaring12: 11

.

11En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood.
.
In Handelingen 4 ontdekken we dat de eerste gelovigen reeds geconfronteerd werden met duidelijke tegenstand nadat ze getuigd hadden van de opstanding van Jezus Christus. Zie Handelingen 4: 23-31. Paulus, toen nog Saulus, was een vervolger van de gemeente maar na zijn bekering is Paulus zelf degene die veel tegenstand ervoer en zelfs in 2 Corinthiërs 12 verklaarde hij dat een engel des satans hem met vuisten sloeg.

 

 

Handelingen4: 23-31

 

23 En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden.
24 En als dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn.
25 Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
26 De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde.
27Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels;
28 Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.
29 En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;
30Daarin, dat Gij Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door den Naam van Uw heilig Kind Jezus.
31 En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid.
,
,

 

2 Corinthiërs 12: 6-10

 

6En zelfs al zou ik hoog van mezelf willen opgeven, dan nog zou ik geen dwaas zijn, want ik zou de waarheid spreken. Maar ik zie ervan af, want ik wil worden beoordeeld op grond van wat men van mij hoort en ziet, 7niet op grond van de uitzonderlijke openbaringen die ik heb gekregen. Om te verhinderen dat ik mezelf zou verheffen, werd mij een doorn in het vlees gestoken: ik word gekweld door een engel van Satan. 8Ik heb de Heer driemaal gesmeekt mij van hem te bevrijden, 9maar hij zei: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.’ Dus laat ik mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt. 10Omdat Christus mij kracht schenkt, schep ik vreugde in mijn zwakheid: in beledigingen, nood, vervolging en ellende. In mijn zwakheid ben ik sterk.

Petrus waarschuwt dat de duivel rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden, doch die wij moeten weerstaan in het geloof. In 1 Petrus 2: 21 en verder leert Petrus ons dat Jezus ons een voorbeeld heeft nagelaten opdat wij in Zijn voetsporen zouden wandelen. Hij spreekt daar in de context van het lijden.

 

 

1 Petrus 2: 21

 

21Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;

In 1 Petrus 5: 8-9 stelt Petrus dat hetzelfde lijden aan de broederschap in de wereld wordt toegemeten. Het is de duivel die dit lijden toemeet, want God geeft genade en heerlijkheid aan al diegenen die lijden vanwege het Evangelie. 1 Petrus 5: 10 staat in tegenstelling tot vers 9 “doch de God van alle genade”. Het is dus duidelijk dat God niet de auteur is van het lijden doch de Boze en zijn machten die ons trachten te hinderen in onze opdracht om het Koninkrijk van God te vestigen op aarde.

 

 

1 Petrus 5: 8-9

 

8 Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden;
9 Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
.
.
.

1 Petrus 5: 10

.

10 Onze God is een en al ontferming. Hij heeft u allen geroepen om deel te hebben aan dezelfde eeuwige heerlijkheid als Christus. Nadat het een korte tijd heel moeilijk is geweest, zal Hij u persoonlijk overeind helpen op de plaats waar u hoort te staan. Hij zal u zo sterk maken dat u nooit meer hoeft te wankelen.

Door de eeuwen heen hebben we steeds hetzelfde patroon gezien waar mensen die opstonden voor de naam van de Here Jezus Christus onder zware vervolging kwamen te staan. De tijd van de reformatie is daar een voorbeeld van en velen hebben zelfs hun leven gegeven vanwege de verkondiging van hun geloof.

Matteüs 11: 12 verklaart dat sinds de dagen van Johannes de Doper, het Koninkrijk van God zich aanbreekt met geweld en geweldenaars grijpen ernaar. Het Koninkrijk van God lijdt aan geweld; de boze is niet blij met de prediking van Jezus en het Koninkrijk en tracht de boodschap te stoppen. Het vraagt dus geweldenaars, mannen en vrouwen met vastberadenheid en moed om ondanks tegenstand door te breken en het licht van God te vestigen, waardoor duisternis moet wijken.

 

 

Matteüs 11: 11-12

 

11 Onthoud dit: Van alle mensen die ooit geboren zijn, is niemand groter dan Johannes de Doper. Toch is de kleinste in het Koninkrijk van de hemelen groter dan hij!

12 Sinds de dag dat Johannes de Doper zijn werk begon tot nu toe proberen talloze mensen het Koninkrijk van de hemelen binnen te dringen.

 

 

 

 

 

.

3d-gouden-pijl-5271528.

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

.

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

De Heer is mijn redder!

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

Psalm 23

 

De Here is mijn Herder….
WAT EEN RELATIE!


mij ontbreekt niets….
WAT EEN VERZORGING!


Hij doet mij nederliggen in grazige weiden….
WAT EEN RUST!


Hij voert mij aan rustige wateren….
WAT EEN VERFRISSING!


Hij verkwikt mijn ziel….
WAT EEN GENEZING!


Hij leidt mij in de rechte sporen….
WAT EEN LEIDING!


om zijns naams wil….
WAT EEN DOEL!


Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis….
WAT EEN BEPROEVING!


ik vrees geen kwaad….
WAT EEN ZEKERHEID!


want Gij zijt bij mij….
WAT EEN TROUW!


Uw stok en uw staf, die vertroosten mij….
WAT EEN SCHUILPLAATS!


Gij richt een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen….
WAT EEN HOOP!


Gij zalft mijn hoofd met olie….
WAT EEN HEILIGING!


mijn beker vloeit over….
WAT EEN OVERVLOED!


Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen
WAT EEN ZEGEN!


Ik zal in het huis des Heren verblijven….
WAT EEN GEBORGENHEID!


tot in lengte van dagen….
WAT EEN TIJD!


Amen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Het verhaal van Lucifer

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

.

.

.

Het verhaal van Lucifer – Zijn oorsprong

 

Om de oorsprong van Lucifer te kunnen vinden, richten we ons tot het Oude Testament. De naam Lucifer is vertaald uit het Hebreeuwse woord “helel”, wat “helderheid” betekent. Deze aanduiding, die dus op Lucifer betrekking heeft, is de uitlegging van de “morgenster” of “zoon des dageraads” die in Jesaja wordt voorgesteld.

Jesaja 14:12-14 :

“O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld. Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste” 

De context van deze passage slaat op de koning van Babylon zoals hij in zijn trots, zijn pracht en zijn val wordt voorgesteld. Maar de tekst is feitelijk gericht aan de macht die achter de boosaardige Babylonische koning steekt. Geen enkele sterfelijke koning zou beweren dat zijn troon zich boven die van God bevindt of dat hij de Allerhoogste evenaart. De boze macht achter de Babylonische koning is Lucifer, de “zoon des dageraads”.

 

 

LUCIFER-BOOK-FOUR-Cv_534f20ce29ac55.68373294 (1)

 

 

 

Het verhaal van Lucifer – Zijn geschiedenis

 

Lucifer is gewoon een andere naam voor Satan, die als hoofd van het boosaardige wereldbestel de werkelijke, maar onzichtbare macht is achter de opeenvolgende heersers van Tyrus, Babylon, Perzië, Griekenland, Rome en alle andere kwaadaardige heersers die we in de geschiedenis van de wereld hebben zien komen en gaan. Deze passage gaat verder dan de menselijke geschiedenis en markeert het begin van de zonde in het universum en de val van Satan in het reine, zondeloze firmament vóór de schepping van de mens.

We zien ditzelfde thema in : Ezechiël 28:11-19

“De HEER richtte zich tot mij: ‘Mensenkind, hef over de koning van Tyrus een dodenklacht aan: “Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg. Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande ik je van de berg van God en verdreef ik je van je plaats tussen de vurige stenen. Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld. Daarom heb ik je op de aarde neergeworpen, als een schouwspel voor andere koningen. Door je grote schuld, door je oneerlijke handel, waren je heiligdommen ontwijd. Daarom liet ik een vuur in je oplaaien dat je heeft verteerd, ik maakte van jou een hoop as op de grond, voor ieder die het wil zien. Alle volken die je kenden staan verbijsterd; je bent een schrikbeeld geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn.”

Deze passage lijkt gericht tot de “koning van Tyrus”. In werkelijk is het echter gericht aan degene die achter de boosaardige koning van Tyrus schuilgaat. Deze passage bevat tevens profetieën – op zowel de korte als de lange termijn – over Lucifer/Satan, omdat zijn laatste einde nog niet heeft plaatsgevonden en pas na het laatste oordeel zal plaatsvinden ( zie Openbaring 20), ook al is het zeker dat dit einde op deze manier zal plaatsvinden. Deze passages in Jesaja en Ezechiël hebben beide niet zozeer betrekking op Lucifer/Satan zelf, maar op zijn werk en zijn planning via aardse koningen en heersers die zichzelf een goddelijke eer toekennen. Zij heersen, bewust of onbewust, feitelijk in de geest van Satan en voor de doelen van Satan.  Satan is de vorst achter de machten van dit bedorven wereldbestel.

Efeziërs 6:12 :

“Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen” . Satan is de vorst achter de machten van dit bedorven wereldbestel ”.

Let vooral eens op de volgende uitspraak in de passage uit Ezechiël: “de gezalfde cherub”. Een dergelijke uitspraak zou nooit van toepassing kunnen zijn op een menselijke koning. Nee, deze heeft betrekking op Lucifer/Satan die achter de menselijke koning zit. Deze engel is het hoogste wezen dat de Heer ooit heeft geschapen.

De Heer zegt over hem:

“Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid”.

Satan was het meest wijze schepsel dat God ooit had geschapen. Geen enkele andere engel en geen enkel ander wezen werd geschapen met de intelligentie die God aan dit schepsel had gegeven. God zegt dat dit schepsel “volmaakt van schoonheid” is. Na de Heilige Drie-eenheid – de Vader, de Zoon en de Heilige Geest – is dit wezen tegenwoordig het hoogste wezen.

Ezechiël 28:14 :

“Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub”.

Dit vertelt ons dat we het niet over een menselijke koning hebben. Het woord cherub is enkelvoud voor cherubim. De cherubim zijn een symboliek voor Gods Heilige aanwezigheid en Zijn onbereikbare grootheid. Deze cherubim nemen een unieke positie in. De “gezalfde, overdekkende cherub” is het beeld dat in de Hof van Eden voor ons geschetst wordt, nadat Adam en Eva waren weggestuurd en God de cherubim had opgesteld om de weg naar de levensboom te bewaken.

Ook toen Mozes de verzoeningsplaat ( de Arc van het Verbond ) maakte en deze in het Allerheiligste van de tabernakel plaatste, kwam Gods heerlijkheid er naartoe en ontmoette Hij Mozes tussen de cherubim. Zij “overdekten” de verzoeningsplaat met hun vleugels. We zien dus dat Satan een cherub was en dat zijn taak bestond uit het bewaken van de troon van God Zelf. Zijn taak was de bescherming van Gods heiligheid. Satan nam de hoogste van alle posities in, een positie die hij verachtte en verloor.

We zien hier in Ezechiël een beschrijving van de hoogste van Gods schepsels, een musicus met perfecte wijsheid en onbeschrijflijke schoonheid, en bovendien met een verheven functie. Maar, dit schepsel met al zijn prachtige eigenschappen had ook een vrije wil. Op een dag zei God tegen dit schepsel: “Er is ongerechtigheid in jou gevonden”.

 

 

lucifer_embrace_by_jdelnido-d6d1en8

 

 

 

Het verhaal van Lucifer – Zijn status

 

Wat voor ongerechtigheid werd er in hem gevonden? In het boek Ezechiël laat God ons in het prille begin als het ware over Zijn schouder meekijken, zodat we de oorsprong en de schepping van Satan kunnen zien. Maar waarom zegt God dit? Wat is deze ongerechtigheid?

Jesaja 14:13-14 :

“Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste.”

Heb je gemerkt hoe vaak Satan in deze passage eigenlijk “ik zal” zegt? Hij zegt dat hij zijn troon boven Gods sterren zal plaatsen. Het woord “sterren” verwijst hier niet naar de sterren die we ’s nachts kunnen waarnemen. Hiermee worden de engelen van God bedoeld. Met andere woorden: “Ik zal de hemel overnemen, ik zal God zijn”. Dat is de zonde van Lucifer/Satan en dat is de ongerechtigheid die er in hem werd gevonden. Hij wil geen dienaar van God zijn. Hij wil de dingen niet doen waar hij voor geschapen werd. Hij wil zelf gediend worden en er zijn miljoenen mensen die ervoor gekozen hebben om juist dat te doen: hem dienen. Zij hebben naar zijn leugens geluisterd en ervoor gekozen om hem te volgen. Eva geloofde de leugen dat zij net als God zou zijn. De reden dat Lucifer/Satan haar met die leugen verleidde was dat dit precies datgene is wat hij zelf wil: God zijn.

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

 

 

 

Groeien in de duisternis

Standaard

categorie : religie

 

 

 

In Genesis zweeft God in de duisternis en Jezus bad vaak ’s nachts in alle eenzaamheid.  In de duisternis kan iets moois ontstaan. In de donkere momenten van je leven, als je somber bent, als het tegenzit, juist dan kun je groeien. God heeft de dag gemaakt, maar ook de nacht, en die is er niet voor niets. In de duisternis zoekt God je op.

 

 

 

 

 

 

 

Bijbelteksten: 

 

‘God maakte de nacht’ – Genesis 1:1-5

 

1 In de beginne schiep God de hemel en de aarde. 
2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren. 
3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht. 
4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. 
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
.
.
.
.
.

– ‘Moeder Maria zwanger’ – Lucas 1:39-56

 

39 Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda,
40 waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette.
41 Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld van de heilige Geest
42 en riep luid: De meest gezegende ben je van alle vrouwen», en gezegend is de vrucht van je schoot! 
43 Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?
44 Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
45 Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’
46 Maria zei:‘Mijn ziel prijst en looft de Heer,
47 mijn hart juicht om God, mijn redder:
48 hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
49 ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam.
50 Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert.
51 Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen,
52 heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien.
53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.
54-55 Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd:
hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.
56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.
.
.
.
.
.

– ‘Zaadkorrels in het duister’ – Marcus 4:26-29; Johannes 12:24-25

 

Marcus 4:26-29

26 In die tijd zei Jezus tot de menigte: “Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait;

27 hij slaapt en staat op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe.

28 Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar.

29 Zodra de vrucht het toelaat slaat hij er de sikkel in, want het is tijd voor de oogst.”

 

Johannes 12:24-25

24 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. 
25 Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.
.
.
.
.

 

 

 

 

– ‘Jezus bidt ’s nachts’ – Lucas 6:12-16; Lucas 21:37-38; Lucas 22:39-46

 

Lucas 6:12-16

12 En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar de berg, om te bidden, en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God. 
13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: 
14 Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus; 
15 Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes; 
16 Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.

 

Lucas 21:37-38

  1. Overdag gaf Hij onderricht in de tempel, maar ’s nachts vertrok Hij om de nacht door te brengen op de Olijfberg.

38. Iedere ochtend kwam al vroeg het hele volk naar de tempel om naar Hem te luisteren.

 

Lucas 22:39-46

  1. En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.
  2. En als Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.
  3. En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,
  4. Zeggende: Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.
  5. En van Hem werd gezien een engel uit de hemel, die Hem versterkte.
  6. En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.
  7. En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van droefheid.
  8. En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.

 

 

 

– ‘Zonsverduistering’ – Lucas 23:44-45

 

  1. En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
  2. En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden door.
  3. En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.
  4. Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.
  5. En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.

 

 

 

– ‘Opstaan uit de nacht’ – Romeinen 6:8-9

 

  1. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;
  2. Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.