Tagarchief: Septuaginta

De Bijbel en de eerste vertalingen in de middeleeuwen

Standaard

categorie : religie

 

 

In de middeleeuwen is het contact tussen het volk en de, inmiddels Latijnse, Bijbel geheel verloren gegaan. De middeleeuwse mens moest het geheel hebben van mondelinge overlevering. Daarbij werden Bijbelse en niet-Bijbelse bronnen tot een onontwarbaar geheel gemengd. Wonderverhalen, van Bijbelse figuren zowel als van heiligen, stonden hoog genoteerd. Het bezit van een eigen Bijbel was voorbehouden aan dissidente groepen, die zich van de officiële kerk hadden afgescheiden en die daarvoor regelmatig fel werden vervolgd.

 

.

 

.

 

 

 

De Bijbel in het Grieks

 

De Bijbel van de oudste christelijke kerk was een Bijbel in het Grieks. Voor het Oude Testament gebruikte men de door de Joden vervaardigde Griekse vertaling daarvan, de zogenaamde Septuaginta. Het Nieuwe Testament werd oorspronkelijk in het Grieks geschreven. Naar de vorm was het nog geen boek; hij bestond uit een serie boekro-llen. Maar in de tweede eeuw na Christus komen mensen op het idee de vellen perkament niet tot een lange strook achter elkaar te naaien (die dan, opgerold, een boekrol vormt) maar ze op elkaar te leggen, dubbel te vou-wen en door de vouw heen aan elkaar vast te naaien. Zo ontstaat een katern; het blijkt dan mogelijk om meerdere katernen te koppelen tot een boek met bladzijden, zoals wij dat kennen.

Zo’n boek heet een “codex”. Men zegt wel dat de christenen de eersten waren die zulke codices vervaardigden en het is gemakkelijk in te zien waarom dat zo zou kunnen zijn. Op deze manier kan men de gehele Bijbeltekst in één of twee banden verzamelen: in feite ontstaat dan pas voor het eerst een echte Bijbel. We bezitten nog enkele co-dices uit de vierde eeuw, zoals de Codex Sinaïticus (gevonden in het Catharinaklooster aan de voet van de Sinaï) en de Codex Alexandrinus, beide vermoedelijk afkomstig uit de beroemde bibliotheek in Alexandrië, alsmede de Codex Vaticanus in de bibliotheek van het Vaticaan te Rome.

Opvallend is dat omstreeks diezelfde tijd de strijd oplaait over welke Bijbelboeken nu wel en welke niet “canoniek” zijn, dat wil zeggen als geïnspireerde Schrift moeten worden beschouwd. Zolang de Bijbel uit een verzameling rollen bestaat kan men zich veroorloven andere heilige geschriften in dezelfde verzameling te bewaren. Maar als alles in één band verenigd wordt, moet het niet strikt Bijbelse daaruit gelaten worden.

 

 

codex Sinaticus

 

 

 

codex Alexandrinus

.

 

 

codex Vaticanus

 

 

 

De Vulgaat

 

Aanvankelijk was de Griekse Bijbel voor een ieder in het uitgestrekte Romeinse rijk leesbaar; Grieks was de uni-versele taal van het rijk. Maar als er in de nadagen van het rijk allerlei Germaanse volken deel van uit gaan maken verandert deze situatie. De nieuwkomers spreken geen Grieks, maar wel Latijn, wat de eigenlijke taal van de Ro-meinen is. Er ontstaan dan links en rechts Latijnse vertalingen van Bijbel gedeelten. Aanvankelijk probeert de kerk dit tegen te houden; alleen de originele Griekse Bijbel is toegelaten. Maar later gaat zij overstag. Aan het eind van de vierde eeuw krijgt de kerkvader Hiëronymus opdracht een officiële Latijnse kerkversie van de Bijbel samen te stellen. Deze wordt de Vulgata (volksbijbel) genoemd.

De bedoeling is om te voorkomen dat er een situatie ontstaat waarin het gewone volk geen toegang meer heeft tot de Bijbeltekst, omdat deze in een ontoegankelijke taal is geschreven. De Vulgaat wordt de standaard kerkbij-bel. Maar als het Romeinse rijk inmiddels tot de historie behoort en we in de middeleeuwen zijn aangeland, spreekt elk volk zijn eigen nationale taal. Het Latijn is alleen bekend bij de kerkdienaars en de intellectuele boven-laag van het volk. De gewone man spreekt geen Latijn. Bovendien kan hij vaak niet eens lezen. Maar dat laatste maakt ook niet zoveel uit; de Bijbel bevindt zich in hoofdzaak achter kloostermuren, waar de gewone man geen toegang heeft.

Doch ook wanneer de Schrift wordt voorgelezen in de dienst, betekenen de woorden niets voor hem. De ironie wil dat de versie die een “volksbijbel” had moeten zijn, er de oorzaak van is dat “het volk” het contact met de Schrift volledig kwijtraakt. En juist in die situatie houdt de kerk uit alle macht vast aan het Latijn, dat zij eerst had willen tegenhouden. Van vertalingen in de volkstaal wil zij wederom niet weten. Er ontstaat een merkwaardige si-tuatie. De middeleeuwse mens is een buitengewoon vroom mens. Hij kent talloze Bijbelse verhalen. Maar toch heeft hij geen direct contact met de bron van zijn geloof. Hij raakt gefascineerd door allerlei wonderverhalen. Bij-belse- en on-Bijbelse bronnen worden onbekommerd gemengd, omdat hij het onderscheid niet meer kan maken. Naast een diep geloof bloeit een ongekend bijgeloof, en hun wortels zijn onontwarbaar verstrengeld. In plaats van een Bijbel koestert de meer welgestelde zijn gebeden- en getijdenboeken. En bij dat alles is het besef dat hij iets mist volledig verloren gegaan.

 

 

Vulgaat

 

 

 

De Historiebijbel

 

Omdat de middeleeuwse mens zo geobsedeerd is door verhalen, ontstaan in deze tijd twee bijzondere “Bijbel-versies”. In de eerste plaats de evangeliënharmonisatie. De vier evangeliën worden hierin gecombineerd tot één doorlopend verhaal, waarin de kenmerkende invalshoek van de evangelist wordt opgeofferd aan “het verhaal”. Men noemt zo’n harmonisatie een “leven van Jezus”. Een stap verder gaat de historiebijbel, die een combinatie is van de historische gedeelten van het Oude Testament met materiaal uit andere historische bronnen, zoals de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus. De stamvader van deze historiebijbels is de zogenaamde Historia Scolastica van Petrus Comestor uit de twaalfde eeuw.

Het is geen Bijbel in onze zin van het woord maar een verzameling Bijbelse verhalen en verhalen uit Bijbelse tijden, aangevuld met commentaren van kerkvaders. Het bevredigt een behoefte aan kennis, aan weten, zonder de lezer werkelijk in contact te brengen met Gods Woord. Een vervolg op deze ontwikkeling is die van de rijmbij-bels geweest, gewoonlijk historiebijbels in berijmde vorm, zodat men de inhoud gemakkelijk uit het hoofd kon leren en onthouden. In onze streken is de dichter Jacob van Maerlant met zo’n rijmbijbel gekomen. Deze was wel gesteld in de landstaal Middelnederlands.

 

 

Historiebijbel

 

 

 

Petrus Comestor

 

 

 

Jacob Van Maerlant

.

 

 

 

De Armenbijbel

 

Een andere “Bijbel”, die dat in onze ogen nauwelijks is, was de prentbijbel. Een van de meest bekende hiervan was de zogenaamde “Biblia Pauperum” (Armenbijbel). Hoe hij aan deze naam is gekomen weet niemand meer. Armen konden zich zo’n Bijbel zeker niet veroorloven. Men neemt aan dat hij werd gebruikt voor onderwijs aan het ge-wone volk. Het is geen stripverhaal, maar iedere bladzijde bevat een scène uit het Nieuwe Testament en daar om-heen een tweetal gebeurtenissen uit het Oude Testament, die daar een symbolisch verband mee hebben, plus een viertal profeten uit het Oude Testament, met uitspraken die het centrale onderwerp betreffen. De Biblia Pauperum stamt uit de late middeleeuwen, uit een tijd toen boeken algemener begonnen te worden. Hij is gedrukt in blok-druk, dat wil zeggen dat iedere pagina in zijn geheel in hout is uitgesneden, en met behulp van deze houtsnede werd een primitieve drukkunst beoefend.

 

 

Armenbijbel

 

 

 

 

Vroege vertalingen

 

Hoewel gedurende de middeleeuwen vertalingen van de Bijbel in de landstaal in de officiële kerk bijna niet voor-kwamen, zijn er los van de kerk altijd bepaalde dissidente groepen geweest die een afwijkend geloof beleden, en dit fundeerden op eigen vertalingen van de Schrift. Zulke vertalingen werden gekoesterd als een kostbaar bezit. Pas tegen het eind van de middeleeuwen beginnen ook binnen de officiële kerk vertalingen in de landstaal te ontstaan. Een beweging als de Moderne Devotie (Geert Groote, 14e eeuw) stelde zich ten doel de Bijbel opnieuw tot het volk te brengen. Daartoe werden Bijbel gedeelten vertaald en in bijeenkomsten overal in het land voorge-lezen. De kerk heeft deze activiteiten echter steeds trachten te ontmoedigen. Een van de eerste volledige Bijbel-vertalingen in ons land is de zogenaamde Vlaamse Historiebijbel, die in 1360 voor het eerst in de zuidelijke Nederlanden verscheen.

Zoals de naam al aangeeft, was hij afgeleid van de Historia Scolastica van Petrus Comestor. Maar hij onderscheidt zich van de andere historiebijbels doordat hij duidelijk on-derscheid maakt tussen het Bijbelse en het niet-Bijbelse materiaal. Deze Bijbel heeft in de volgende eeuwen een zekere populariteit bezeten in de Nederlanden. Toch is het geen volksbijbel geworden. Men schat de prijs van een afschrift (nog steeds met de hand geschreven!) op cir-ca acht tot tienmaal het jaarloon van een geschoold am-bachtsman; alleen de heel rijken, (dat wil zeggen de adel) konden zich een eigen afschrift veroorloven. Minder rijken namen genoegen met één of enkele Bijbelboeken, vaak de psalmen. Dat was op zichzelf reeds een kostbaar bezit. De Vlaamse Historiebijbel heeft echter nog een extra betekenis gekregen omdat hij ruim een eeuw later tot de eerste gedrukte Bijbel in de Nederlanden is ge-worden.

 

 

Vlaamse Historiebijbel

 

 

 

.

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Advertenties

Oorspronkelijke taal en vertalingen van de Bijbel

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

.

 

Oorspronkelijke taal van de Bijbel

 

Het Oude Testament is vrijwel geheel bekend in het Hebreeuws. Een groot deel van het boek Daniël is ons alleen bekend in het Aramees; naar men aanneemt is dat een vertaling van het Hebreeuwse origineel. Ook enkele delen van Ezra/Nehemia zijn Aramees, voornamelijk daar waar wordt geciteerd uit officiële stukken van de Perzen. Ook komen er hier en daar nog wat Arameese namen en uitdrukkingen voor. Het gaat om de volgende passages:

 

.

Waar Hoe herkenbaar (in de NBG ’51)
begin aangegeven, einde niet
 begin aangegeven, einde niet
 staat tussen gedachtestreepjes

 

 

In de 3e en 2e eeuw v. Chr. is van het hele Oude Testament een Griekse vertaling ontstaan, de zgn. Septuaginta. De naam is afgeleid van zeventig, volgens de legende het aantal mensen die het vertaalden. Daarom wordt deze vertaling soms ook aangeduid met het Romeinse getal voor zeventig: LXX. Deze vertaling vormde de Schrift van de eerste eeuwse kerk, later aangevuld met het Griekse Nieuwe Testament.

Het Nieuwe Testament is ons volledig overgeleverd in het Grieks, al vinden we enkele Aramese uitdrukkingen (drie uitspraken van Jezus, twee van Paulus en een van Lucas). Er zijn mensen die willen aantonen dat de evan-geliën, zoals wij die bezitten, vertalingen zijn van Hebreeuwse originelen, maar hun argumenten zijn niet erg overtuigend. Tussen 382 en 405 is de totale Griekse Bijbel overgezet in het Latijn. Men noemt dat de Vulgaat. Dit is tot aan de Reformatie de officiële kerkbijbel geweest.

 

 

 

Vertalingen van de Bijbel

 

De Bijbel is geschreven in drie talen. Het Oude Testament is in het Hebreeuws, met enkele stukjes in het Aramees. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks. De oudste bekende vertaling is die van het Oude Testament in het Grieks. Deze staat bekend als de Septuaginta (vaak afgekort als LXX). De Septuaginta is gemaakt omstreeks de 2e eeuw voor Christus. Hij is gemaakt voor de vele Joden die op dat moment niet meer in Israël woonden en het Hebreeuws niet meer machtig waren.

Waar in het Nieuwe Testament het Oude aangehaald wordt, wordt vaak geciteerd uit de Septuaginta. Dit verklaart waarom een citaat in het Nieuwe Testament uit het Oude soms net iets anders is dan op de oorspronkelijke plaats. De combinatie van een Septuaginta Oude Testament en een Nieuwe Testament, dat direct in het Grieks geschreven was, vormde de complete Bijbel van de vroege Christelijke gemeenten.

Tegen het eind van het Romeinse rijk was het Grieks niet langer de voertaal van het Romeinse rijk. Er ontstond daarom vraag naar Bijbels in het Latijn, en er zijn wat vertalingen gemaakt. De kerk was hier aanvankelijk tegen omdat zij van mening was dat men bij de oorspronkelijke taal moest blijven. Uiteindelijk werd uit de bestaande vertalingen de Vulgaat (= volksbijbel) samengesteld. Dit werd vervolgens de standaard, en uiteindelijk door Rome zelfs aangewezen als de officiële Bijbel van de kerk. Dit is (in de Rooms Katholieke kerk) tot in onze tijd zo geble-ven.

In de Middeleeuwen zijn een aantal vertalingen in het Nederlands gemaakt. De bekendste hiervan is de zgn. Vlaamse Historiebijbel. Deze vertalingen werden vanuit het Latijn gemaakt. Toen de eerste gedrukte Nederlandse Bijbel werd uitgegeven (de Delftste Bijbel, van 1477) was dat een gedeelte van de Historiebijbel (het Oude Testament zonder de Psalmen).

In de Reformatie besloot Luther om een vertaling uit te geven die rechtstreeks uit de oorspronkelijke talen, He-breeuws en Grieks, was gemaakt, ca. 1520-1534. Zijn reden hiervoor was het grote aantal fouten dat in de loop der tijden in de Latijnse vertaling was ingeslopen. De Duitse ‘Luther Bijbel’ werd door Liesveldt in het Nederlands uitgegeven, waardoor er in de eerste helft van de 16e eeuw voor het eerst een complete Bijbel in het Nederlands bestond die een rechtstreekse vertaling was uit de oorspronkelijke talen. Sindsdien zijn alle protestantse vertalingen uit de oorspronkelijke talen vertaald.

Voor katholieke vertalingen is de situatie anders. Pas met de Petrus Canisius vertaling (1929) werd vertaald vanuit het Grieks en Hebreeuws. Alle eerdere vertalingen waren uit het Latijn vertaald omdat dit de officiële Bijbel van de kerk was.

 

.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget