Tagarchief: boterbloem

Blaartrekkende boterbloem : Ranunculus sceleratus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-ranunculussceleratus-bloem-hr

 

 

 

Goed te herkennen aan
– plant aan de waterkant met
– kleine gele bloemetjes met in het midden een groen vruchthoofdje  met talrijke vruchtjes

 

 

 

bloem4-g

 

 

 

Algemeen

 

Blaartrekkende boterbloem is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige plant met kleine gele bloemetjes. Ze kan 70 cm hoog worden. Ze groeit op open, natte, stikstofrijke grond aan sloten, op drooggevallen plaatsen, soms in het water, maar dan met grote drijvende bladeren en niet bloeiend. Van alle boterbloemen is de blaartrekkende boterbloem het meest giftig. Het sap geeft bij contact rode vlekken, blaren en zweren op de huid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Blaartrekkende boterbloem bloeit vanaf mei tot ver in de herfst. De bloemen hebben 5 kroonbladen en 5 teruggeslagen kelkbladen. Beiden zijn geel. De kroonbladen zijn nauwelijks langer dan de kelkbladen. Terwijl kroon- en kelkbladen nog niet afgevallen zijn groeit in het midden van de bloem het groene vruchthoofdje met talrijke vruchtjes.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren zijn gesteeld en getand of diep ingesneden, de bovenste ongesteeld en 3-slippig. Alle bladeren zijn glanzend. De stengels zijn dik, vlezig en hol.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 5 tot 70 cm

Bloem
– bleekgeel
– vanaf mei t/m oktober
– gesteeld alleenstaand
– 5 tot 10 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 teruggeslagen kelkbladen
– kroon even lang als kelk of iets langer
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 60 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– vlezig, van boven glanzend
– verdeeld in 3 lobben
– bovenste bladeren niet gesteeld
– top stomp
– rand getand of diep ingesneden
– voet hartvormig
– handnervig

Stengel
– rechtop
– vrijwel kaal
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-extragr-blaartrekkende-boterbloem

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

John Astria

Onkruid soorten in ons land-letter B

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Bereklauw  (Umbelliferae)

 

De Bereklauw (Heracleum sphondylium) behoort tot de familie der schermbloemigen. Bij de leden van deze familie zijn de bloeiwijzen opgebouwd als een paraplu, doordat de bloemstelen als spaken uit een as komen. De buitenste zijn langer dan de binnenste, zodat alle bloemen op ongeveer gelijke hoogte komen te staan. Bereklauw is een tweejarige plant en kan behoorlijk groot worden; de holle, behaarde en gegroefde stengel kan een hoogte van wel 2 m bereiken. De bladeren zijn 15-60 cm in doorsnee en net als de stengel ruw behaard; ze zijn verdeeld in breed ovale segmenten met een getande rand.

De witte bloempjes in de opvallende bloemschermen, die verschijnen van juni tot in de herfst, hebben 5 diep ingesneden bloemblaadjes. De buitenste bloemen in het scherm zijn het grootst. De vruchten zijn aanvankelijk groen, maar worden later lichtbruin. Berenklauw is moeilijk te bestrijden, als gevolg van zijn dikke penwortel die een heel eind de grond in gaat. De plant is net zo sterk als hij er uit ziet: het geslacht is dan ook genoemd naar de god Hercules. Komt voor in Europa en Noord-Amerika, vooral in grasland, langs dijken en wegen.

 

 

Gewone bereklauw

 

 

 

 

 

 

 

Boterbloem (Ranunculaceae)

 

Hoe onschuldig zien boterbloemen er uit op  een mooie morgen in mei! De schoonheid van hun goud glanzende bloemen neemt niet weg dat ze een scherp sap bevatten dat fataal kan worden voor vee dat van de planten eet. De boterbloem groeit op een grond die rijk is aan mineralen en berooft borderplanten van het voedsel dat deze nodig hebben. Bovendien scheiden de wortels een stof uit die de groei van naburige planten remt en vertraagt. Alle drie hier genoemde boterbloemsoorten zijn overblijvende planten.

 

 

 

De SCHERPE BOTERBLOEM (Ranunculus acris) bereikt een hoogte van 15 tot 90 cm en heeft stengelbladeren die in vijf slippen zijn verdeeld. De wortels zijn dik en vezelig en de kleine vruchtjes (achenen) hebben een bijna rechte snavel. De afzonderlijk staande bloemen zijn gewoonlijk helder geel maar soms bleker, tot bijna wit toe. Ze hebben vijf bloemblaadjes; dat wil zeggen in het normale geval, er komen namelijk ook gevulde bloemen voor. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De naam van de plant wijst er al op dat het sap zeer scherp is. Deze boterbloem is in ons land zeer algemeen in graslanden, aan wegen en dijken enzovoort. Het verspreidingsgebied omvat Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika.

 

 

 

 

 

 

 

 

De KRUIPENDE BOTERBLOEM (Ranunculus repens) heeft lange stevige wortels en vormt bebladerde uitlopers die wortelen op de knopen, dat wil zeggen de plaatsen op de stengel waar de bladeren ontstaan. De bloeiende stengels, 10-50 cm lang, behaard en voorzien van bladeren, dragen heldergele alleenstaande bloemen met vijf bloemblaadjes. De bloeitijd loopt van mei tot en met juli. De bladeren zijn in drieën verdeeld, waarbij ieder van die drie blaadjes meestal nog weer drie insnijdingen vertoont. Het middelste van de drie blaadjes is lang gesteeld en vaak zo diep ingesneden dat het uit drie afzonderlijke delen bestaat.

De buitenomtrek van het geheel heeft de vorm van een driehoek. Deze soort vormt minder zaad dan de vorige maar hij maakt vele uitlopers, soms wel tot 25 t5oe. Daardoor is hij in staat snel een grote kolonie te vormen en in een enkel groeiseizoen een oppervlakte van meer dan 3 m2 in beslag te nemen. Het verspreidingsgebied is ongeveer als dat van de Scherpe boterbloem. In ons land zeer algemeen op vochtige plaatsen, aan slootkanten en op gestoorde bodems.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De KNOLBOTERBLOEM (Ranunculus bulbosus) heeft zijn naam te danken aan de stengel die aan de voet knolvormig verdikt is. De hoogte varieert van 15 tot 30 cm en de bloeitijd valt in mei en juni. De stengels staan rechtop en zijn behaard. De onderste bladeren zijn drietallig, waarbij het middelste van de drie blaadjes langgesteeld is. De bovenste bladeren zitten dicht tegen de stengel en zijn diep ingesneden, tot smalle, vaak lijnvormige segmenten. Alle bladeren zijn in de regel behaard. Een bijzonder kenmerk is dat de vijf geelachtige kelkblaadjes sterk teruggebogen zijn. De bloemkroon is goudgeel van kleur.

De vruchtjes hebben een korte snavel. Deze is enigszins gekromd en dat wijst er op dat de verspreiding gebeurt doordat de vruchtjes zich in de pels van passerende dieren haken. De Knolboterbloem komt in het grootste deel van Europa voor en is in ons land vrij algemeen, vooral in het duingebied, langs de grote rivieren en in Zuid-Limburg. Groeit op droge zandige plaatsen, langs dijken en wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het SPEENKRUID (Ficaria verna) werd tot voor kort ook tot het geslacht Ranunculus gerekend, zodat we hem voor het gemak maar bij de boterbloemen bespreken. De bladeren van deze plant zijn heel anders dan van de besproken boterbloemsoorten; ze zijn hartvormig en niet ingesneden. Zowel bladeren als bloemen komen afzonderlijk uit de wortelknolletjes. Deze knolletjes raken gemakkelijk los, waardoor Speenkruid zeer moeilijk binnen de perken te houden is, want ieder knolletje wordt binnen een jaar weer een nieuwe plant.

Gewoonlijk zitten ook in de oksels van de bladeren kleine knolletjes die eveneens voor de vermeerdering dienen. De goudgele bloemen lijken veel op die van de boterbloemsoorten, maar ze hebben smallere en meer (8-12) bloemblaadjes. De bloemen verschijnen in de periode van maart tot mei. Speenkruid komt voor in Europa en West-Azië. In ons land zeer algemeen op vochtige, beschaduwde plaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Braam (Rosaceae)

 

Meestal hebben we het over Braam alsof dat één bepaalde soort zou zijn. In feite zijn er echter in Europa wel zo ongeveer 400 en in Noord-Amerika meer dan 300 soorten. Het is dan ook geen wonder dat sommige mensen zich speciaal bezighouden met de studie van de Braamsoorten. Er is zelfs een apart woord voor deze specialisten: batologen. Voor ons doel kunnen we echter de Braam toch  maar het best beschouwen als één, zeer vormenrijke soort, die dan wordt aangeduid als ‘Rubus fruticosus (coll.)’.

Bramen zijn die heerlijke vruchten die we in nazomer en herfst verzamelen in heggen en bosranden, om zo uit de hand te eten of jam van te maken. Ook in de tuin vestigen de braamstruiken zich graag in een hek en al snel steken ze dan hun lange doornige armen uit naar alles wat op hun pad komt. Ze moeten zodra ze ontdekt zijn meteen uitgespit worden, anders zullen ze met hinkstapsprong de hele tuin doorgaan, doordat ieder groeipunt wortel schiet en een nieuwe plant vormt.

De verspreiding van de braam wordt nog bevorderd doordat hij zich kan vermeerderen zonder dat bevruchting van de bloemen heeft plaatsgevonden. Deze wijze van vermeerdering, die we ook bij andere planten wel tegenkomen, wordt apomixis genoemd. De bloemen met hun vijf bloemblaadjes, die in kleur variëren van wit tot roze, zitten in groepjes bijeen. De bladeren kunnen zowel uit één geheel bestaan als uit drie of vijf blaadjes zijn samengesteld. Aan de onder- en /of bovenkant zijn ze vaak voorzien van dons; aan de onderkant zijn ze vaak groen of blauwachtig. De stengels zijn overblijvend of tweejarig, klimmend of langs de grond kruipend, met veel of weinig dorens.

Bij al deze variatie blijft één eigenschap onveranderd: het vermogen op elk willekeurig stuk grond een ondoordringbaar struikgewas te vormen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brandnetels (Urticaceae)

 

De GROTE BRANDNETEL (Urtica dioica) is een waardevol onkruid met vele goede eigenschappen. Deze overblijvende plant kan in hoogte zeer variëren, van 30 cm tot 3 m; groeit gewoonlijk in grote groepen. De taaie gele wortels zijn sterk vertakt. Zowel de grof gezaagde bladeren als de stengels zijn voorzien van gewone haren en brandharen. De eironde tot langwerpige bladeren groeien met tweeën tegenover elkaar aan de stengel. De bladparen staan steeds als in een kruis om en om, waardoor ze al het aanwezige licht kunnen opvangen om daarmee het bladgroen te maken waaraan de plant zo rijk is. De heel kleine, groene vrouwelijke bloemen hangen in katjes uit de bladoksels, de aren met mannelijke bloemetjes staan rechtop.

De brandharen bestaan uit een holle buis die een bijtend vocht bevat. Bij de geringste aanraking breekt de ronde top van de buis af. Hierdoor ontstaat als het ware een injectienaald die de huid binnendringt waardoor het gif in de wond terechtkomt. De meeste brandharen staan naar boven gericht; het is dan ook het best de plant met een opwaartse beweging – stevig – beet te pakken, waardoor de haren minder gemakkelijk breken. De Grote brandnetel, die bloeit van juni tot in de herfst komt over de hele wereld voor. Bij ons zeer algemeen op stikstofrijke plaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De KLEINE BRANDNETEL (Urtica urens) een veel minder forse plant dan de vorige. Hoewel hij 60 cm hoog kan worden is hij gewoonlijk veel lager. Bij deze soort ontbreken soms de brandharen. De rangschikking van de bladeren is net als bij de ‘grote broer’. De nerven in het blad lopen van de voet naar de top en zijn niet vertakt zoals bij de vorige soort. De bloeiwijzen zijn kort en rechtopstaand of horizontaal uitstaand. Deze soort begint al in mei te bloeien en gaat hiermee door tot in de herfst. De verspreiding is eveneens wereldwijd. In ons land minder algemeen dan de Grote brandnetel; vooral te vinden op mesthopen en in moestuinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijvoet (Compositae)

 

Hoewel hij als het ware een neefje is van de Chrysanthemums en even aromatisch, ziet BIJVOET (Artemisia vulgaris) er toch heel anders uit. In tegenstelling tot veel andere leden van de familie der samengesteldbloemigen openen de bloemhoofdjes zich nooit. De hoofdjes bestaan uitsluitend uit een toefje roodachtig bruine bloemetjes boven een rond, kelkachtig omwindsel. De hoofdjes zitten aan zijtakken die afwisselend langs de hoofdstengel staan; de staan rechtop of zijn enigszins knikkend. De stengelbladeren zijn veerdelig en zitten dicht tegen de stengel aan; de onderste bladeren zijn kortgesteeld. Aan de bovenkant zijn de bladeren donkergroen, aan de onderkant wit-wollig. De gegroefde, hoekige stengels variëren in hoogte van 0,600 tot 1,20 meter. Bijvoet komt voor in de gematigde delen van het noordelijk halfrond. In ons land zeer algemeen langs wegen en dijken, op ruige plaatsen, in heggen enzovoort. De bloeitijd is juli-september.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Egelboterbloem : Ranunculus flammula

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de 5-tallige, gele, glanzende, vrij kleine boterbloemen en
– de enkelvoudige, langwerpige tot lijnvormige bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Egelboterbloem is overblijvende plant van 10 tot 45 cm hoog, soms tot 70 cm. Ze groeit op natte, matig voedselrijke grond in graslanden, trilvenen, op kapvlakten, langs bospaden en vennen. Ze is zeer algemeen voorkomend.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Egelboterbloem bloeit vanaf juni tot en met oktober met licht goudgele, glanzende, 5-tallige bloemen, die je direct herkent als boterbloemen. Ze zijn een stuk kleiner dan de bloemen van grote boterbloem en tonen ieler dan de bloemen van de scherpe boterbloem; de kroonbladen zijn smaller en vallen nauwelijks over elkaar heen. De kelkbladen zijn behaard, groengeel en staan vaak iets van de kroon af.

 

 

 

 

 

 

 

 

scherpe boterbloem

 

 

 

Blad en stengel

 

Jonge, niet bloeiende planten bestaan uit een rozet van lang gesteelde, driehoekige, gekartelde bladeren met afgeronde voet. Vanuit het rozet groeien opstijgende of liggende stengels, die eindigen in een bloeiwijze van een paar alleenstaande bloemen. De liggende stengels wortelen vaak op de onderste knopen, waar nieuwe rozetten gevormd worden. Als de plant bloeit zijn de rozetbladeren inmiddels afgestorven. Later vormt de plant opnieuw een rozet maar dan van elliptische bladeren met een wigvormige voet. De stengelbladeren van bloeiende planten zijn verwijderd en ondiep getand of hebben een gave rand.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot zeldzaam
– 10 tot 45 (70) cm

Bloem
– licht goudgeel
– vanaf juni t/m oktober
– gesteeld alleenstaand
– 5 tot 15 (20) mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, behaard
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig tot lijnvormig
– top spits
– rand ondiep getand of bijna gaaf
– voet wigvormig of afgerond
– kromnervig

Stengel
– rechtop, opstijgend of liggend
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Scherpe boterbloem : Ranunculus acris

Standaard

categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-ranunculus_acris1

 

 

Goed te herkennen aan
– de 5-tallige, gele, glanzende (boter)bloemen en
– de gedeelde bladeren, de bovenste zonder steel en
– de ronde, niet gegroefde, behaarde stengel

 

 

350px-ranunculus-acris

 

 

 

Algemeen

 

Ranunculus is een geslacht met ongeveer 400 soorten planten, waartoe ook een aantal op elkaar lijkende soorten boterbloemen behoren. Scherpe boterbloem is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog.

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf april tot in de herfst (soms tot in de winter) met glanzende gele bloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bladeren en stengel zijn behaard

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Zoals de meeste boterbloemen is ook scherpe boterbloem licht giftig. Vee laat de boterbloem dan ook staan. De slak is de enige die er blijkbaar geen last van heeft. In hooi meegedroogde boterbloemen vormen geen gevaar meer voor dieren, want in gedroogde toestand zijn boterbloemen niet langer giftig.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– vanaf april tot in de herfst (winter)
– gesteeld alleenstaand
– 2 tot 3 cm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, behaard
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– top spits
– rand gezaagd
– zwak hartvormig
– handnervig
– onderste gesteeld
– bovenste zittend
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard

zie wilde bloemen

 

botanische-tekening-extragr-scherpe-boterbloem

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA