Tagarchief: geel

Clinochloor

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

Algemene informatie

 

Clinochloor is een groep edelstenen welke groen, grijs, geel, paars, wit of kleurloos kunnen zijn. Een aantal varian-ten van clinochloor zijn serafiniet  (diep groen met zilverkleurige patronen die het licht weerkaatsen en dus een glanzend effect geven), kammereriet (paars), cookeiet en chloriet.

 

 

chlinochloor ruw

 

 

 

clinochloor bewerkt

 

 

 

 

serafiniet ruw

 

 

 

serafiniet bewerkt

 

 

 

 

kammereriet ruw

 

 

 

 

hanger kammereriet

 

 

 

 

cookeiet ruw

 

 

 

 

kwarts met cookeiet

 

 

 

 

chloriet ruw

 

 

 

 

chloriet bewerkt

 

 

 

Etymologie

 

Clinochloor komt van de Griekse woorden klino, wat schuin, en chloros, wat groen betekent.

 

 

clinochloor grijs

 

 

 

clinochloor paars

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

Samenstelling: (Mg,Fe++)5Al(Si3Al)O10(OH)8

hardheid: 2- 2,5

dichtheid: 2,55 – 2,75

 

 

chloriet in kwarts

 

 

 

chloriet in bergkristal

 

 

 

 

 

 

Knopig helmkruid : Scrophularia nodosa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– forse plant met meerdere rechtopstaande stevige stengels en
– eindelingse, langwerpige, losse pluimen met kleine bloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Knopig helmkruid is een zeer algemeen voorkomende, onaangenaam geurende, overblijvende plant, die groeit op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen, kapvlakten, boszomen en bermen. Ze wordt 30 tot 120 cm hoog en is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Knopig helmkruid bloeit vanaf juni tot en met september met talrijke bloemen in losse, langwerpige, eindelingse pluimen. De bloemkroon is deels roodbruin en deels groenachtig geel, soms helemaal groenachtig geel. De 5 kroonbladen zijn met elkaar vergroeid, waardoor een iets klokvormige bloem is ontstaan. De bovenste twee kroonslippen zijn groter dan de andere drie. Onder die twee slippen zit het staminodium, een onvruchtbare meeldraad. De overige vier vruchtbare meeldraden zijn de vier créme-kleurige bolletjes.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd knopig helmkruid gebruikt ter behandeling van aambeien, zweren, jeuk en veel andere huid- klachten.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

knopig helmkruid : bladeren zonder zijlobben, stengel niet of smal gevleugeld (tot 1 mm), bloemkroon deels roodbruin, deels groenachtig geel, soms geheel groenachtig geel.

geoord helmkruid : onderste bladeren meestal met 1 of 2 kleine zijlobben aan de top van de bladsteel, bloemkroon donker paarsachtig bruin en alleen aan de voet groen.

gevleugeld helmkruid : bladeren zonder zijlobben, stengel breder gevleugeld (1 – 3 mm), bloemkroon rood paarsbruin en aan de voet geelachtig groen, bloeit later dan de andere twee.

 

 

geoord helmkruid

 

 

 

gevleugeld helmkruid

 

 

 

Algemeen

 

helmkruidfamilie (Scrophulariaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 30 tot 120 cm hoog

Bloem
– groengeel en roodbruin
– vanaf juni t/m september
– langwerpige pluim
– klokvormig
– 7 tot 9 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– langwerpig of eirond
– top spits
– rand dubbel of onregelmatig gezaagd
– voet hartvormig of afgerond
– netnervig

Stengel
– rechtop
– kaal of in de bloeiwijze klierachtig   behaard
– scherp vierkant, soms heel

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine ratelaar : Rhinanthus minor

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de gele lipbloemen met witte, soms paarsblauwe, korte tanden

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kleine ratelaar is een eenjarige plant, vrij algemeen voorkomend in de Lage Landen, maar de plant staat wel op de rode lijst als sterk afgenomen. Ratelaars zijn halfparasieten. Ze zijn voor water en mineralen afhankelijk van andere planten, met name grassoorten. Zodra de zaden ontkiemen gaan de wortels op zoek naar wortels van andere planten. Andere bouwstoffen die ze nodig hebben, kunnen ze zelf vormen. De gastplant gaat niet dood, maar zal niet zo groot worden als zijn soortgenoten.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kleine ratelaar bloeit vanaf mei tot en met september met gele lipbloemen, die witte, soms paarsblauwe tanden hebben, die hooguit 1 mm lang zijn. Na de bloei belanden de zaadjes, die onderin de bloem gevormd zijn, in de kelk. De kelk verdroogt en wordt hard. Als de planten bewogen worden hoor je de zaden rammelen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Grote en kleine ratelaar lijken veel op elkaar, maar als je ze beiden gezien hebt, kun je ze makkelijk uit elkaar houden. Vooral de grootte van de tanden is een goed kenmerk. En ook de schutbladen zijn heel verschillend. Die van grote ratelaar zijn aan de onderkant van het blad breder en lichter van kleur dan die van kleine ratelaar.

 

 

grote ratelaar : heeft bredere, bleekgroene schutbladen met langere tanden, dan kleine ratelaar.

harige ratelaar : stengel en kelkbladen zijn lang behaard.

 

 

grote ratelaar

 

 

harige ratelaar

 

 

Algemeen

 

bremraapfamilie (Orobanchaseae)
– eenjarig
– vrij algemeen op de Waddeneilanden
– elders vrij tot zeer zeldzaam
– 10 tot 50 cm

Bloem
– geel
– vanaf mei t/m september
– eindelingse tros
– lipbloem
– 10 tot 15 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gezaagd
– voet afgerond
– veernervig
– zittend, iets stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– scherp vierkant
– vaak met kleine donkere streepjes

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Johachidoliet

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemene informatie

 

Johachidoliet is een calcium-aluminium-boraat. Het mineraal kan licht doorschijnend zijn en is wit tot geel van kleur, met een glasachtige glans.

 

 

 

 

 

 

Etymologie

 

Johachidoliet is vernoemd naar de oorspronkelijke vindplaats, Johachido in Noord-Korea.

 

 

 

 

 

Vindplaats

 

Johachidoliet wordt tegenwoordig nog gevonden in Myanmar (Birma).

 

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

samenstelling: CaAlB3O7

hardheid: 7,5

dichtheid: 3,4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein streepzaad : Crepis capillaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine paardenbloem-achtige hoofdjes met vuilgele stijlen en
– de smalle stengelbladeren, die met oortjes de stengel gedeeltelijk omvatten

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein streepzaad is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige plant van 30 tot 90 cm hoog. Ze groeit op vochtige tot droge, voedselrijke, vaak omgewerkte, grazige grond in bermen, op braakliggende terreinen, tussen straatstenen, op dijken en langs akkers.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met november. Ze bloeit met gele bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen. In het midden aan de onderkant van de buitenste lintbloemen loopt een brede streep, die eerst roodachtig is en naar het midden toe lichter wordt. De stijlen zijn vuilgeel.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn variabel van vorm. De vele rozetbladeren zijn glanzend, langwerpig en diep, bochtig getand tot veerspletig. De stengelbladeren zijn kleiner, de bovenste lijnvormig, ook diep, bochtig getand tot veerspletig of met gave rand en de middelste met twee oortjes de stengel half omvattend.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

groot streepzaad : onderkant buitenste lintbloemen geel, stijlen geel, omwindselblaadjes afstaand.

klein streepzaad : onderkant buitenste lintbloemen roodachtig, stijlen vuilgeel, omwindselblaadjes tegen het hoofdje aangedrukt en middelste stengelbladeren met (kleine) oortjes.

paardenbloemstreepzaad : onderkant buitenste lintbloemen paarsrood aangelopen.

 

 

groot streepzaad

 

 

 

paardenbloemstreepzaad

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m november
– hoofdje in losse pluim
– alleen lintbloemen
– 10 tot 15 mm
– stijlen vuilgeel

Blad
– verspreid en rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot lijnvormig
– top stomp of spits
– rand getand, gaaf of veervormig
– voet half stengelomvattend
– veernervig
– kaal of weinig behaard

Stengel
– rechtop
– weinig behaard
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein springzaad : Impatiens parviflora

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine, lichtgele bloemen met nagenoeg recht spoor aan rechtopstaande stelen en
– de in verhouding tot de bloemen grote, donkergroene bladeren met fijn gezaagde rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein springzaad is eenjarige, kale plant, die groeit op vochtige, matig voedselrijke (omgewerkte) grond in loofbossen, parken en ook tussen riet. Ze wordt 20 tot 60 cm hoog. Oorspronkelijk is ze afkomstig uit Midden- en Zuid-Azië en heeft zich inmiddels verspreid over grote delen van Europa.

 

 

Klein springzaad

 

 

 

Bloem

 

Klein springzaad bloeit vanaf juni tot en met oktober met lichtgele bloemen, die met 4 tot 10 bij elkaar op rechte stelen in okselstandige trossen staan. De bloemen hebben een kort, nagenoeg recht spoor, dat aan het onderste kelkblad zit. Dat kelkblad heeft dezelfde kleur als de bloem. De overige 2 kelkbladen zijn kleiner en groen en zitten aan de zijkant van de bloem. Het bovenste kroonblad heeft een groene kiel. Op de twee onderste kroonbladen en wat dieper in de bloem (aan het begin van de spoor) zitten donkergele vlekken met rode streepjes of stippen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan verspreid aan de stengel. De bovenste zijn groter dan de onderste.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De zaden kunnen rauw of gekookt gegeten worden. Het verzamelen van zaad is echter lastig, omdat rijpe vruchten bij aanraking openspringen en het zaad wegschieten.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

klein springzaad : lichtgele kleine bloemen, nagenoeg recht spoor (niet teruggekromd), rechtopstaande bloemstelen.

groot springzaad : gele bloemen, krom spoor, hangende bloemstelen.

oranje springzaad : oranje bloemen met roodachtige vlekken, krom spoor, hangende bloemstelen.

reuzenbalsemien : bloemkleur is een combinatie van roze/lila/paars en wit, krom spoor.

tweekleurig springzaad : bloemkleur is een combinatie van roze/lila/paars en wit, nagenoeg recht spoor, recent ingeburgerd in stedelijke gebieden.

 

 

groot springzaad

 

 

 

oranje springzaad

 

 

 

reuzenbalsemien

 

 

 

tweekleurig springzaad

 

 

 

Algemeen

 

balsemienfamilie (Balsaminaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 20 tot 60 cm

Bloem
– lichtgeel
– vanaf juni t/m oktober
– tros, 4 tot 10 bloemen
– gespoord
– incl. spoor tot 1,5 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 3 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top toegespits
– rand fijn gezaagd
– voet wigvormig
– veernervig
– donkergroen
– iets glanzend

Stengel
– rechtop
– kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Jakobskruiskruid : Jacobaea vulgaris subsp. vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– gele bloemhoofdjes met 3-tandige straalbloemen en
– de tot dubbel geveerde bladeren en
– de omwindselbladen met zwarte top

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Jakobskruiskruid is een overblijvende plant, die groeit op open, grazige, droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, meestal zandige grond in grasland, duinen, uiterwaarden, bermen, op braakliggende gronden en dijken. Ze wordt 30 tot 90 cm hoog. Ze komt zeer algemeen voor.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Jakobskruiskruid bloeit vanaf juni tot en met oktober. De bloemenhoofdjes van jakobskruiskruid bestaan uit 12 tot 15 (meestal 13) gele afstaande straalbloemen met drie stompe tandjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot ontbrekend
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m oktober
– hoofdjes in schermvormige pluim
– lint- en straalbloemen
– 1,5 tot 2,5 cm
– omwindselbladen met zwarte punt

Blad
– vespreid
– onderste veerdelig met eindslip
– bovenste tot dubbel geveerd
– vaak gekroesd
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig

Stengel
– rechtop
– bovenaan sterk vertakt
– groen of roodbruin
– gegroefd
– spinnenwebachtige beharing, die later verdwijnt

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Rhyoliet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

Algemeen

 

Ryoliet, of verouderd lipariet, is een op graniet lijkend vulkanisch stollingsgesteente met een felsische samen-stelling. Het is een uitvloeiingsgesteente en bestaat voor meer dan 68% uit silica. De naam ryoliet is gevormd uit de Griekse woorden ῤεῖν (rheîn), stromen, en λίθος (líthos), steen.

 

 

 

 

 

Eigenschappen

 

Ryoliet heeft kleine kristallen. Bij uitvloeiingsgesteenten koelt het aan het aardoppervlak gekomen magma (en vanaf dat moment lava genoemd) snel tot zeer snel af, waardoor er geen tijd is voor de mineralen om grote kris-tallen te ontwikkelen. Ryoliet bestaat doorgaans uit de mineralen kwarts, kaliveldspaat en plagioklaas. Sporen van meer mafische mineralen als biotiet, amfibool en pyroxeen kunnen aanwezig zijn in ryolieten.

Door het hoge silicapercentage in ryoliet, is het gesmolten gesteente erg viskeus (stroperig). Hierdoor zullen lava-stromen met een ryolietsamenstelling veel minder mobiel zijn dan de laag viskeuze mafische en daardoor snel-stromende basalten. Als ryoliet zo snel afkoelt dat het helemaal geen kristallen kan vormen, wordt gesproken van een vitrofier, of vulkanisch glas. De bekendste variant hiervan is obsidiaan.

 

 

 

 

 

Voorkomen

 

Ryolieten komen overal voor waar hoog viskeuze magma ondanks de stroperigheid toch het aardoppervlak kan bereiken en snel stollen. Ryoliet, dat in het Japans ook wel koga genoemd wordt, komt voor in heuvels van de Schotse vallei Glen Coe, in Nijiima, Japan en het Italiaanse Lipari. Ook in Nieuw-Zeeland en in IJsland komen ryoliet-vulkanen voor.

Door de minerale samenstelling is ryoliet veelal licht van kleur. Ook kan deze kleur variëren, van wit via roze tot lichtgroen aan toe. Ryoliet heeft als het maar een sprankje licht ontvangt een zeer heldere kleur in het landschap, soms zelfs zo helder dat het lijkt alsof het licht uitzendt. Mooie voorbeelden hiervan zijn onder meer te vinden op Landmannalaugar, een gebied op IJsland.

 

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

samenstelling: hoofdzakelijke SiO2

hardheid: 6-6,5

dichtheid: 2,5-2,7

 

 

Firemountain Rhyoliet

 

 

Ryoliet
RhyoliteUSGOV.jpg
Indeling der stollingsgesteenten
SiO2 uitvloeings-
gesteente
gang-
gesteente
diepte-
gesteente
felsisch >~70 ryoliet granofier graniet
~70-63 daciet granodioriet
intermediair 63-52 andesiet dioriet
mafisch 52-45 basalt doleriet gabbro
ultramafisch <45 komatiiet peridotiet

 

 

 

Kabamba Rhyoliet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote wederik : Lysimachia vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– gele bloemen in grote, eindelingse pluimen en
– kelkbladen met roodachtige rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote wederik is een overblijvende plant van 60 tot 150 cm hoog. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage landen. Ze groeit op natte, min of meer voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en duinvalleien, in vennen en bossen, ook op drogere grond langs kanalen en spoordijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote wederik bloeit vanaf juni tot en met augustus. Ze verlangt veel licht om in bloei te komen. De bloemen staan in grote, pyramide-vormige pluimen aan het einde van de stengel en de zijstengels. Ze hebben 5 kroonbladen met aan de basis vaak een bruinrode vlek. De kelkbladen zijn roodachtig gerand.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

puntwederik : gele bloemen in schijnkransen in langgerekte bebladerde pluimen, kelkbladen geheel groen, kroonbladen gewimperd.
grote wederik : gele bloemen in pyramide-vormige pluimen aan het einde van de stengels en zijstengels, kelkbladen roodachtig gerand.

 

 

puntwederik

 

 

 

Algemeen

 

sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 60 tot 150 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– pluim
– stervormig
– 1,5 tot 2 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, roodachtig gerand
– 5 meeldraden, gedeeltelijk vergroeid
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand of krans
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– veernervig
– onderkant behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond, soms vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote teunisbloem : Oenothera glazioviana

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 Goed te herkennen aan
– de grote lichtgele bloemen met een stijl, die even lang of langer is dan de meeldraden en
– de behaarde kelkbladen met rode strepen, of die later helemaal rood worden en
– de behaarde stengel met rode knobbels, strepen en/of vlekken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote teunisbloem is een stevige, zacht behaarde, tweejarige plant van 50 tot 150 cm hoog en groeit op open, droge, vaak omgewerkte zandige of stenige grond. In het eerste jaar ontwikkelt zich een bladrozet, in het tweede jaar de stevige bloeistengel. Ze komt vrij algemeen voor en is waarschijnlijk oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is in Europa als sierplant geïntroduceerd. Daarna is ze op enkele plaatsen verwilderd, soms in grote aantallen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote teunisbloem bloeit vanaf juni tot en met september met grote, geurende bloemen, die samen een aarvormige bloeiwijze vormen aan het einde van een rijk bebladerde stengel. Ze hebben 4 lichtgele kroonbladen, die duidelijk langer zijn dan de meeldraden. De bloemen bloeien maar 1 dag, hooguit 2 dagen. Ze openen zich in de avond. De kelkbladen klappen zich in een snelle beweging om naar de steel en in 15 tot 20 minuten heeft de bloem zich geopend. De bestuiving vindt voornamelijk plaats door insecten, die in de avond en nacht actief zijn. De kelkbladen hebben rode strepen of worden later helemaal rood. De stengel en het vruchtbeginsel hebben rode knobbels, strepen en/of vlekken.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Sinds de 80-er jaren wordt grote teunisbloem gekweekt vanwege haar oliehoudende zaden. Teunisbloemolie kent vele toepassingen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

grote teunisbloem : bloemen 35-50 mm, stengel en vruchtbeginsel met rode knobbels, strepen en/of vlekken, kelkbladen met rode strepen of later helemaal rood.
middelste teunisbloem : bloemen 20-28 mm, groene stengel, kelkbladen en vruchtbeginsel.
duinteunisbloem : bloemen 8-16 mm, stengel met rode knobbels, vlekken en/of strepen, kelkbladen vaak rood.
zandteunisbloem : bloemen 8-12 mm, groene stengel, kelkbladen en vruchtbeginsel.

 

 

middelste teunisbloem

 

 

 

duinteunisbloem

 

 

 

zandteunisbloem

 

 

 

Algemeen

 

teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– tweejarig
– vrij algemeen in duin- en stedelijke   gebieden
– 50 tot 150 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m september
– gesteeld alleenstaand in aar
– stervormig
– 3,5 tot 6 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– veernervig, met lichte middennerf
– voet wigvormig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– rolrond
– behaard
– met rode knobbels, vlekken en/of  strepen

zie wilde bloemen