Tagarchief: onkruid

Gehoornde klaverzuring : Oxalis corniculata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de kleine, 5-tallige, gele bloemen en
– het klaverachtige groen of bruingroene blad en
– de teruggeslagen vruchtstelen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gehoornde klaverzuring is een eenjarig plantje, oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Europa. Ze is vrij zeldzaam en komt voornamelijk voor in de stedelijke gebieden. Ze groeit op open, vochtige, voedselrijke grond in tuinen, plantsoenen, boomgaarden en op stenige plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De vijftallige, kleine, gele bloemetjes met uitgerande kroonbladen bloeien vanaf april tot en met oktober, staan met 1 tot 7 bij elkaar in een los scherm en zijn alleen geopend bij zonnig weer.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren bestaan uit 3 hartvormige deelblaadjes met een gave, gewimperde rand en zijn meestal bruin of bruingroen, maar kunnen ook groen zijn. De stengels kunnen 10 tot 30 cm lang worden, wortelen op de knopen en zijn behaard met haren die alle kanten op staan.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Gehoornde klaverzuring wordt gezien als een lastig onkruid. Naast dat de stengels wortelen op de knopen, vermeerdert het zich ook heel makkelijk via zaad. De vruchtdozen springen bij rijpheid van de zaden bij de minste beweging open en slingeren de zaden weg.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

stijve klaverzuring : heeft geen teruggeslagen vruchtstelen, stengels behaard met lange afstaande en korte aanliggende haren.

 

 

 

 

 

 

 

 

knobbelklaverzuring : heeft teruggeslagen vruchtstelen, stengels behaard met alleen korte aanliggende haren.

 

 

 

 

 

 

 

gehoornde klaverzuring : heeft teruggeslagen vruchtstelen, kruipende stengels, bladeren vaak bruingroen, haren op de stengels alle kanten uitwijzend.

 

 

 

 

Algemeen

 

– klaverzuringfamilie (Oxalidaceae)
– eenjarig
– vrij zeldzaam
– 5 tot 30 cm

Bloem
– donkergeel
– vanaf april t/m oktober
– bijscherm
– stervormig
– 4 tot 7 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– verspreid
– handvormig samengesteld
– deelblaadjes hartvormig
– top uitgerand
– rand gaaf, gewimperd
– voet wigvormig
– veernervig
– bruin tot groen

Stengel
– kruipend
– worteld op de knopen
– behaard
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 2

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Klaprozen (Papaveraceae)

 

De gewone/grote klaproos

 

De GEWONE/GROTE KLAPROOS (Papaver rhoeas) is al sinds het eind van de zestiende eeuw in cultuur. De moderne, grootbloemige rassen echter (de zogenaamde Shirley-papavers) zijn ontstaan aan het eind van de vorige eeuw door het werk van de Engelsman William Wilks. De wilde vorm is een meestal eenjarige, maar vaak ook tweejarige, plant van 30 tot 60 cm hoogte. Hoewel de plant bij ons in het wild niet meer zo algemeen is als vroeger zien we hem soms toch nog in grote groepen bij elkaar.

De scharlakenrode bloemen hebben vier bloembladen met fijn geplooide randen en meestal een zwarte vlek aan de basis. Ze groeien op lange stelen vanuit de bladoksels en de hangende knoppen zijn behaard. De onderste bladeren zijn gesteld en één- of tweemaal geveerd; de bovenste bladeren zijn stengelomvattend en gewoonlijk in drie slippen verdeeld, waarvan de middelste verreweg de langste is.

Alle bladeren zijn afwisselend en evenals de stengels en bloemstelen borstelig behaard. De Gewone klaproos, die per plant wel 20.000 zaden kan voortbrengen, is verspreid in Europa, Noord-Afrika en de gematigde delen van Azië; verwilderd in delen van de Verenigde Staten. In ons land algemeen op bouwland, langs wegen, op gestoorde terreinen enzovoort. Bloeit in juni en juli.

 

 

 

 

 

 

 

 

De kleine/bleke klaproos

 

KLEINE/BLEKE KLAPROOS (Papaver dubium) is gemakkelijk van de vorige soort te onderscheiden door de doosvruchten, die langwerpig knotsvormig zijn in plaats van omgekeerd eivormig. De hoogte die de planten bereiken  is dezelfde, de bladeren hebben kortere en bredere segmenten en een kleinere middenslip. De bloembladeren overlappen elkaar aan de voet altijd en zijn bleker dan bij de Gewone klaproos; de donkere vlek ontbreekt. De zaden zijn blauwachtig-zwart. Kleine klaproos komt meestal voor op lichtere gronden dan de vorige soort en is verspreid in gehele Europa; in de Verenigde Staten verwilderd. In ons land algemeen. De bloeitijd is  juni tot augustus.

 

 

 

 

 

 

 

 

Slaapbol

 

Papaver somniferum is de SLAAPBOL. Deze kan in tuinen een hardnekkig onkruid worden, omdat men de neiging heeft hem ongemoeid te laten vanwege zijn grote witte of paars-rode bloemen, die de plant – net als de blauw-groene bladeren – een aantrekkelijk uiterlijk geven. De kale, ovale bladeren staan afwisselend; de onderste zijn kortgesteeld, de bovenste stengelomvattend. De vrucht is rond, meestal groot, en bevat blauwe of witte zaden.

Deze papaver is de leverancier van opium en bevat ongeveer 20 verschillende alkaloïden, waarvan de belangrijkste de narcotica morfine en codeïne zijn. Alle delen zijn giftig, vooral de onrijpe vruchten. De plant wordt 0,60 tot 1,20 meter hoog en bloeit van juni tot en met augustus. Slaapbol wordt in ons land veel gekweekt en komt ook vaak verwilderd voor. Oorspronkelijk afkomstig uit Klein-Azië.

 

 

 

 

 

 

 

 

Klavers (Papilionaceae)

 

Deze groep planten is te herkennen aan de drietallige bladeren en aan de vlinderbloempjes die dicht bijeen in hoofdjes staan en na bevruchting tot peultjes uitgroeien. De uit vijf bloemblaadjes opgebouwde bloemen worden vlinderbloemen genoemd vanwege de vermeende gelijkenis met een vlinder. Ze bestaan uit een breed, rechtopstaand bloemblad, de vlag genaamd; twee zijdelingse, die de zwaarden worden genoemd en daaronder twee bloemblaadjes die samen de kiel vormen.

 

 

Witte klaver

 

WITTE KLAVER (Trifolium repens) is een kruipende, overblijvende plant, die wortelt op de knopen. Te onderscheiden van verwante soorten door twee kenmerken: ten eerste natuurlijk door de kleur van zijn welriekende bloemen (wit, aan de onderkant met een roze tint) en ten tweede door het feit dat de blaadjes aan de top afgerond zijn en aan de basis een met wit omzoomde donkere vlek bezitten. De langwerpige peul bevat soms maar één zaad, maar meestal vier. De bloeitijd is van mei tot oktober. Komt voor in geheel Europa en in Amerika. Veel gekweekt als voederplant voor het vee.

 

 

 

 

 

 

 

 

Rode klaver

 

De RODE KLAVER (Trifolium pratense) is gewoonlijk een overblijvende plant, hoewel hij maar een paar jaar oud wordt. Hij heeft behaarde stengels van 30-60 cm lang, die op de grond liggen of bijna rechtop staan. De bloeiwijze is aan de onderkant omsloten door steunblaadjes, heeft een rozeachtig-rode of roze-paarse (een enkele maal witachtige) kleur en een doorsnee tot 3 cm. De bloeitijd is april tot oktober. Rode klaver heeft ongeveer hetzelfde verspreidingsgebied als Witte klaver en is in ons land de meest algemene Klaversoort. Wordt veel gekweekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bochtige klaver

 

Rode klaver is te onderscheiden van BOCHTIGE KLAVER (Trifolium medium) door het feit dat de bloemen niet zo vol van kleur zijn en doordat de puntige blaadjes voorzien zijn van een witte vlek of omgekeerde V.

 

 

 

 

 

 

 

 

Incarnaatklaver

 

INKARNAATKLAVER (Trifolium incarnatum) is een eenjarige, soms tweejarige plant. Ze komt van nature voor in het Middellandse zeegebied: Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië, het Balkanschiereiland en Turkije. Door het gebruik als veevoer komt inkarnaatklaver tegenwoordig als neofyt overal voor.

De plant wordt 20-50 cm hoog. De behaarde, rechtopgaande stengel is meestal niet vertakt. De afwisselend, spiraalvormig staande bladeren zijn driedelig. De behaarde, omgekeerd eironde blaadjes zijn 1-2 cm lang en 1-1,5 cm breed en hebben een gezaagde bladrand. De bladsteel is 4,5-17,4 cm lang, waarbij de onderste bladeren de langste bladsteel hebben. Het onderste deel van de steunblaadjes vormen een met de stengel vergroeide bladschede. Het bovenste niet vergroeide deel is eirond, getand, geribbeld en afstaand behaard en heeft een groene of purpere kleur.

Inkarnaatklaver bloeit van mei tot juli met rode of rose, soms geelachtig witte bloemen, die in een eindstandige, 2-6 cm lange en 1-1,5 cm brede hoofdjesachtige tros zitten.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hopklaver

 

HOPKLAVER (Medicago lupulina) is een plaag in het gazon. De taaie stengels die uit de wortelstok ontspringen en over de grond kruipen, verstikken snel het aanwezige gras. Ze worden 30-60 cm lang. Deze soort is te herkennen aan de kleine bloemhoofdjes, die ovaal van vorm zijn en kleine peultjes voortbrengen die één zaad bevatten en in rijpe toestand zwart zijn. Deze beperkte hoeveelheid zaad en de korte levensduur (de plant is éénjarig) worden gecompenseerd door de lange bloeiperiode: van april tot in de herfst. Het verspreidingsgebied omvat Europa, de USSR en Noord-Amerika. In ons land zeer algemeen, ook gekweekt als voederplant.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine klaver

 

KLEINE KLAVER (Trifolium dubium) bloeit van juni tot september. Lijkt veel op de Hopklaver maar is te onderscheiden door de lichtbruine zaden en de blekere, ronde in plaats van ovale bloemhoofdjes. Deze staan op steeltjes in de bladoksels en worden bij het verbloeien donkerbruin. De vlag is smal en na de bloei kokervormig opgerold.

Kleine klaver komt in vrijwel geheel Europa voor en is in sommige delen van Noord-Amerika verwilderd. In ons land zeer algemeen langs wegen en op schrale gronden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Klaverzuring (Oxalidaceae)

 

Verscheidene soorten Oxalis zijn een plaag geworden op akkers en in tuinen; in Zuid-Europa ook in wijngaarden. Het gaat daarbij vooral om soorten die zich vermeerderen met behulp van ondergrondse knolletjes. Deze planten zijn niet gevoelig voor onkruidbestrijdingsmiddelen. Als u uw woede op de knolletjes koelt door er op te staan stampvoeten, dan bevordert dat alleen maar hun groei. Chemische middelen hebben hetzelfde effect. De knolletjes zullen hun groei hervatten zodra u de strijd opgeeft. Er zijn ook andere methoden beproefd, maar die bleken te kostbaar. Wel heeft men soms resultaten geboekt door in velden die door Oxalis overwoekerd waren, varkens de knolletjes te laten opgraven. In de meeste tuinen zal dat echter geen erg praktische oplossing zijn. Wie de strijd wil winnen moet geduld oefenen en jaar na jaar de spa hanteren; zorg er daarbij voor dat nergens anders een stukje van een knolletje terechtkomt, want zelfs de kleinstestukjes kunnen voor een nieuwe ‘epidemie’ zorgen. Men vermoedt dat de verspreiding ook bevorderd is door het transport van in potten gekweekte planten en van turfmolm dat gebruikt werd voor bodembedekking.

Blijf voortdurend waakzaam, let op zaailingen en prijs u gelukkig als u de indringer kunt oprooien nog voordat hij zijknolletjes heeft gevormd.

 

 

Witte klaverzuring

 

WITTE KLAVERZURING (Oxalis acetosella) is een overblijvende plant die geen knolletjes vormt, maar een dunne kruipende wortelstok met gezwollen, beschubde knopen. Uit ieder daarna ontstaat in het voorjaar een groepje bladeren in rozetvorm en bloemen, die, net als de bladeren, op lange steeltjes staan. De heldergroene bladeren bestaan uit drie hartvormige segmenten die zich ’s nachts samenvouwen. De bloemen, die in april-mei verschijnen, hebben vijf afgeronde witte of licht roze bloemblaadjes, met iets donkerder aderen. In de natuur groeit de plant op vochtige, beschaduwde plaatsen en ook in de tuin voelt hij zich in een dergelijke omgeving goed thuis. Het ins ongetwijfeld een aantrekkelijke plant, maar men moet oppassen dat hij andere planten niet verdringt. Deze soort is inheems in Europa, Azië en Noord-Amerika; in ons land plaatselijk vrij algemeen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gehoornde klaverzuring

 

GEHOORNDE KLAVERZURING (Oxalis cornculata) is evenmin voorzien van knolletjes. De stengels komen tevoorschijn uit een spoelvormige penwortel en liggen op de grond. De knopen vormen wortels en er ontstaan dan stengeltjes met afwisselend staande bladeren. Vanuit de plaats waar die bij elkaar komen groeien lange stelen, die de bloemen dragen. Deze staan soms afzonderlijk, maar soms in kleine groepjes in een scherm. Ook hier zijn de bladeren in drie hartvormige segmenten verdeeld; deze zijn meestal bruinachtig en aan de onderkant zacht behaard. De bloemen zijn geel, met vijf smal wigvormige bloemblaadjes die samen een trechter vormen. Ze verschijnen van april tot en met oktober. Deze plant is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Europa, maar komt thans in vele andere gebieden voor. In ons land geen algemene verschijning.

 

 

 

 

 

 

 

 

Stijve klaverzuring

 

Zoals de naam al aangeeft groeit de STIJVE KLAVERZURING (Oxalis europaea) meer rechtop; de plant bereikt een hoogte van 10-30 cm. Het is een overjarige plant die slanke, ondergrondse uitlopers heeft en stengels die spaarzaam vertakt kunnen zijn en al dan niet voorzien van beharing. De bladeren staan in kransen, zijn enigszins purper getint en gewoonlijk zacht  behaard. De gele bloemen staan met 2-6 bijeen in een scherm op een lange steel en verschijnen van juni tot en met oktober. De vruchten zijn langwerpig. Dit is een lastig onkruid op akkers en in tuinen, vooral in het gazon. Ondanks de aanduiding europaea is deze soort afkomstig uit Noord-Amerika en Oost-Azië; hij is echter sedert lang in ons werelddeel ingevoerd. In ons land thans algemeen voorkomend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 4

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten

 

 

Kruiskruiden (Copmositae)

 

Klein kruiskruid

 

KLEIN KRUISKRUID (Senecio vulgaris) werd in vroeger tijd geprezen om zijn geneeskrachtige eigenschappen. De bladeren werden in water of wijn gekookt als middel tegen ‘pijn in de maag die uit de gal voortvloeit’, zoals de beroemde arts-kruidkundige John Gerard schreef. Vanwege deze en andere heilzame eigenschappen namen de Pilgrimfathers de plant mee toen ze in het begin van de zeventiende eeuw naar Amerika vertrokken. Vijftig jaar later was Klein kruiskruid daar al een onkruid geworden.

Deze soort komt thans over de gehele wereld in de gematigde luchtstreken voor en is een van de meest algemene onkruiden in de tuin. En geen wonder! Het gemiddelde aantal nakomelingen van een enkele plant kan ongeveer 1000 zijn. Wanneer u bedenkt dat het hele jaar door bloemen gevormd worden en dat vijf weken voldoende zijn voor levenscyclus van zaailing tot zaad, dan zouden dus aan het eind van de derde generatie in de herfst in principe een miljoen nieuwe planten uit één exemplaar kunnen zijn voortgekomen.

Ieder zaad is voorzien van een parachute, zodat de wind kan zorgen voor transport over grote afstanden. Bij nat weer worden de zaden kleverig, waardoor ze gemakkelijk blijven hangen aan alles wat ze aanraakt. Op die manier kunnen dus ook mens en dier ze vervoeren naar nieuwe groeigebieden. Vogels zijn verzot op de zaden, waardoor ze de zaak enigszins in toom houden. Anderzijds wordt hierdoor toch ook weer de verspreiding bevorderd, want uit de uitwerpselen kunnen weer zaailingen opslaan.

Klein kruiskruid heeft een nogal slordig uiterlijk als gevolg van de afwisselend, diep ingesneden en getande bladeren en de onregelmatig vertakte stengels, die slap en tamelijk sappig zijn. De hoogte varieert van 7 tot 50 cm, hoewel het maximum niet vaak bereikt wordt. De bloeiwijzen zijn uitsluitend opgebouwd uit (gele ) buisbloempjes, die uitsteken boven een kelkachtig omwindsel dat bestaat uit blaadjes die voor ongeveer de helft groen en voor de rest zwart zijn.

De bladeren zijn zacht behaard en de wortels zijn vezelig, waardoor de plant door wieden gemakkelijk verwijderd kan worden. Dat verwijderen moet zonder pardon gebeuren, vooral aan het eind van het jaar en zeker wanneer u in een akkerbouwgebied woont. Klein kruiskruid verschaft namelijk ’s winters een schuilplaats aan de bladluis Myzus persicae, die op zijn beurt de overbrenger is van een gevreesd bietenvirus. Voor de tuinier is er echter één lichtpuntje in de aanwezigheid van Klein kruiskruid: dat wijst op voldoende stikstof en andere voedingsstoffen in de grond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleverig kruiskruid

 

KLEVERIG KRUISKRUID (Senecio viscosus) draagt zijn naam met ere, vanwege de sterk klierachtig-kleverig behaarde stengels, die 15 tot 45 cm hoog kunnen worden. Het is gewoonlijk een forsere plant dan de voorgaande. Hoewel de bladeren dezelfde vorm hebben zijn de randen niet getand en zijn ze donkergroen in plaats van lichtgroen. Ook zijn de bloemhoofdjes meer open, met uitgespreide, korte straalbloemen, die geel zijn en met ongeveer dertien stuks het platte kussentje van buisbloemen omgeven. De hoofdjes zijn langgesteeld, de knoppen bijna rond. Deze eenjarige plant bloeit van juni tot in de herfst. Komt voor in vrijwel geheel Europa en is verwilderd in Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen op zandgrond, op ruige plaatsen, langs heggen en langs spoorwegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jacobskruiskruid

 

JACOBSKRUISKRUID (Senecio jacobaea) wijkt van de voorgaande twee soorten af doordat niet alleen de plant als geheel maar ook de bloemhoofdjes veel groter zijn. De bloemhoofdjes staan op lange stelen in een schermvormige pluim, die 30 tot 90 cm hoog wordt. De bladeren onder aan de plant vormen een rozet en zijn getand; de vorm is ovaal, met kleine slippen aan de voet. De onderste stengelbladeren zijn gesteeld en geveerd, ze staan afwisselend langs de stengel. De bovenste bladeren zijn veel meer getand. Als geheel ziet de plant er slordig uit; hij kan een plaag worden op verwaarloosd grasland en is giftig voor het vee. Door de stevige wortels kan de plant ook in het gazon veel last veroorzaken. Jacobskruiskruid is een tweejarige of overblijvende plant die bloeit van juli tot en met oktober. Komt voor in geheel Europa; in ons land algemeen in grasland (vooral op de zandgrond), langs wegen en dijken en ook veel in de duinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 1

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

.

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

De Kaasjeskruiden (Malvaceae)

 

GROOT KAASJESKRUID

 

GROOT KAASJESKRUID (Malva sylvestris) is, zoals de naam al aangeeft, een forse plant (0,60-1,20 meter hoog). De stengels zijn houtig aan de onderkant, vertakt en sterk behaard. De vijfslippige, afwisselend staande bladeren zijn 5-10 cm in doorsnee, enigszins samengevouwen, ruw driehoekig in omtrek en vaak met een kleine donkere vlek. De uit vijf bloemblaadjes opgebouwde bloemen zijn meestal roze met opvallende donkere strepen, 2,5-4 cm in doorsnee en in groepjes bijeenstaand.

Deze tweejarige of overblijvende plant bloeit van juni tot in de herfst. Verspreidingsgebied Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika; bij ons algemeen langs wegen en dijken en op bouwland. Soms gekweekt.

 

 

 

 

 

 

 

KLEIN KAASKRUID

 

KLEIN KAASKRUID (Malve neglacta) is een plant die zowel eenjarig, tweejarig als overblijvend kan zijn. De meestal liggende stengels worden 7 tot 45 cm lang en ontspringen aan een korte rechte penwortel. De vijf enigszins ingesneden bloemblaadjes zijn roze of wit, gestreept en slechts 2-2,5 cm in doorsnee. De bladeren, die afwisselend staan, hebben vijf afgeronde slippen, zijn 4-7 cm in doorsnee en langgesteeld. De bloeitijd is juni-oktober. Deze soort komt voor in Europa en West-Azië; ook in Amerika, waar het een van de meest algemene en schadelijke onkruiden is. De kinderen eten daar de platte zaden, die ze – net als bij ons – kaasjes noemen; de bladeren worden gebruikt om schotels mee te garneren. In ons land is Klein kaasjeskruid algemeen op zandgrond, vooral langs wegen en paden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kamilles (Compositae)

 

Dit zijn gewoonlijk sterk geurende planten met madeliefachtige bloemhoofdjes die meestal geel met wit van kleur zijn. De bladeren, die afwisselend staan, zijn in de regel zeer fijn verdeeld.

 

VALSE KAMILLE

 

VALSE KAMILLE (Anthemis arvensis) is een bossige, behaarde eenjarige plant van 15-45 cm hoogte. De bloemhoofdjes zijn 2,5-4 cm in doorsnee en staan afzonderlijk op lange steeltjes in de oksel van de bladeren. De witte straalbloemen zijn vrouwelijk. Iedere plant kan zo’n 4000-5000 zaden voortbrengen. Deze soort heeft een voorkeur voor een mineraalrijke grond zonder kalk en gewoonlijk sterk zuur, lemig of zandig lemig. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa en Klein-Azië; ingevoerd in Noord-Amerika. De plant is vrij algemeen voorkomend op zandig bouwland en langs dijken en wegen. De bloeitijd is van juni tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

 

STINKENDE KAMILLE

 

STINKENDE KAMILLE (Anthemis cotula) doet zijn naam echt eer aan. Hij verschilt van de vorige soort doordat de stengels meestal hoger zijn (30-45 cm). Ook zijn de bloemen wat kleiner (1,2-2,5 cm in doorsnee). De straalbloemen zijn ook hier wit, maar na de bloei zijn ze meestal teruggeslagen. De fijnverdeelde bladeren zijn evenals de stengels weinig behaard. Stinkende kamille komt voor in geheel Europa en Noord-Amerika. In ons land vrij zeldzaam langs wegen en dijken en op bouwland; het is een indicator voor leemgrond. De bloeiperiode is net als bij de voorgaande soort.

 

 

 

 

 

 

 

SCHIJFKAMILLE

 

De SCHIJFKAMILLE (Matricaria matricarioides) is te herkennen aan de afwezigheid van straalbloemen. De bloemhoofdjes bevatten dus alleen schijfbloemen, waardoor ze eruit zien als kleine ronde, groenachtig-gele knopjes omgeven door schutbladeren. Deze laatste zijn groen met een wit randje. Deze sterk geurende, stevig gebouwde plant wordt vanwege zijn geur in Engeland meestal Ananaskruid genoemd. De plant wordt 5  tot 30 cm hoog en heeft kale stengels met vele stijve zijtakjes. De bloeitijd is van juni tot in de herfst. Iedere plant kan ruim 5000 zaden voortbrengen. Schijfkamille komt oorspronkelijk uit Azië, maar komt tegenwoordig in geheel Europa en Noord-Amerika voor. De plant is vooral te vinden langs wegen en dijken, op ruige plaatsen enzovoort.

 

 

 

 

 

 

 

REUKLOZE KAMILLE

 

De voorgaande soort mag dan lastig zijn, de REUKLOZE KAMILLE (Matricaria maritima) is nog tien keer erger. Iedere plant brengt namelijk gemiddeld 34.000 zaden voort, ofwel om het nauwkeuriger te zeggen, tussen de 10.000 en 210.000 bij een fors exemplaar. Deze zeer vormenrijke soort komt in geheel Europa en ook in Noord-Amerika voor op bouwland, aan wegen en nabij bebouwing. In ons land komt alleen de ondersoort inodora voor; deze aanduiding geeft aan dat de planten geen of vrijwel geen geur hebben. Deze een- of tweejarige plant kan zowel rechtop als liggend groeien, is meestal vertakt en heeft 15 tot 60 cm lange, kale stengels. De afzonderlijk staande bloemhoofdjes van witte straal- en gele schijfbloemen zijn afgeplat van boven en variëren in doorsnee van 1,5 tot 5 cm. Ze zijn langgesteeld en verschijnen van juni tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

 

ECHTE KAMILLE 

 

De ECHTE KAMILLE (Matricaria recutita) lijkt veel op de vorige soort, maar is te onderscheiden door de kegelvormige bloemhoofdjes die van binnen hol zijn (in plaats van met merg gevuld) en natuurlijk door de kenmerkende geur. De bloeitijd is veel korter, mei-juli.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 4

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten

 

 

Kruiskruiden (Copmositae)

 

Klein kruiskruid

 

KLEIN KRUISKRUID (Senecio vulgaris) werd in vroeger tijd geprezen om zijn geneeskrachtige eigenschappen. De bladeren werden in water of wijn gekookt als middel tegen ‘pijn in de maag die uit de gal voortvloeit’, zoals de beroemde arts-kruidkundige John Gerard schreef. Vanwege deze en andere heilzame eigenschappen namen de Pilgrimfathers de plant mee toen ze in het begin van de zeventiende eeuw naar Amerika vertrokken. Vijftig jaar later was Klein kruiskruid daar al een onkruid geworden.

Deze soort komt thans over de gehele wereld in de gematigde luchtstreken voor en is een van de meest algemene onkruiden in de tuin. En geen wonder! Het gemiddelde aantal nakomelingen van een enkele plant kan ongeveer 1000 zijn. Wanneer u bedenkt dat het hele jaar door bloemen gevormd worden en dat vijf weken voldoende zijn voor levenscyclus van zaailing tot zaad, dan zouden dus aan het eind van de derde generatie in de herfst in principe een miljoen nieuwe planten uit één exemplaar kunnen zijn voortgekomen.

Ieder zaad is voorzien van een parachute, zodat de wind kan zorgen voor transport over grote afstanden. Bij nat weer worden de zaden kleverig, waardoor ze gemakkelijk blijven hangen aan alles wat ze aanraakt. Op die manier kunnen dus ook mens en dier ze vervoeren naar nieuwe groeigebieden. Vogels zijn verzot op de zaden, waardoor ze de zaak enigszins in toom houden. Anderzijds wordt hierdoor toch ook weer de verspreiding bevorderd, want uit de uitwerpselen kunnen weer zaailingen opslaan.

Klein kruiskruid heeft een nogal slordig uiterlijk als gevolg van de afwisselend, diep ingesneden en getande bladeren en de onregelmatig vertakte stengels, die slap en tamelijk sappig zijn. De hoogte varieert van 7 tot 50 cm, hoewel het maximum niet vaak bereikt wordt. De bloeiwijzen zijn uitsluitend opgebouwd uit (gele ) buisbloempjes, die uitsteken boven een kelkachtig omwindsel dat bestaat uit blaadjes die voor ongeveer de helft groen en voor de rest zwart zijn.

De bladeren zijn zacht behaard en de wortels zijn vezelig, waardoor de plant door wieden gemakkelijk verwijderd kan worden. Dat verwijderen moet zonder pardon gebeuren, vooral aan het eind van het jaar en zeker wanneer u in een akkerbouwgebied woont. Klein kruiskruid verschaft namelijk ’s winters een schuilplaats aan de bladluis Myzus persicae, die op zijn beurt de overbrenger is van een gevreesd bietenvirus. Voor de tuinier is er echter één lichtpuntje in de aanwezigheid van Klein kruiskruid: dat wijst op voldoende stikstof en andere voedingsstoffen in de grond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleverig kruiskruid

 

KLEVERIG KRUISKRUID (Senecio viscosus) draagt zijn naam met ere, vanwege de sterk klierachtig-kleverig behaarde stengels, die 15 tot 45 cm hoog kunnen worden. Het is gewoonlijk een forsere plant dan de voorgaande. Hoewel de bladeren dezelfde vorm hebben zijn de randen niet getand en zijn ze donkergroen in plaats van lichtgroen. Ook zijn de bloemhoofdjes meer open, met uitgespreide, korte straalbloemen, die geel zijn en met ongeveer dertien stuks het platte kussentje van buisbloemen omgeven. De hoofdjes zijn langgesteeld, de knoppen bijna rond. Deze eenjarige plant bloeit van juni tot in de herfst. Komt voor in vrijwel geheel Europa en is verwilderd in Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen op zandgrond, op ruige plaatsen, langs heggen en langs spoorwegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jacobskruiskruid

 

JACOBSKRUISKRUID (Senecio jacobaea) wijkt van de voorgaande twee soorten af doordat niet alleen de plant als geheel maar ook de bloemhoofdjes veel groter zijn. De bloemhoofdjes staan op lange stelen in een schermvormige pluim, die 30 tot 90 cm hoog wordt. De bladeren onder aan de plant vormen een rozet en zijn getand; de vorm is ovaal, met kleine slippen aan de voet. De onderste stengelbladeren zijn gesteeld en geveerd, ze staan afwisselend langs de stengel. De bovenste bladeren zijn veel meer getand. Als geheel ziet de plant er slordig uit; hij kan een plaag worden op verwaarloosd grasland en is giftig voor het vee. Door de stevige wortels kan de plant ook in het gazon veel last veroorzaken. Jacobskruiskruid is een tweejarige of overblijvende plant die bloeit van juli tot en met oktober. Komt voor in geheel Europa; in ons land algemeen in grasland (vooral op de zandgrond), langs wegen en dijken en ook veel in de duinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter G

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

De Ganzerikken (Rosaceae)

 

Het geslacht Ganzerik omvat een aantal charmante soorten en behoort tot de Rozenfamilie, net als de aardbei, waar de planten wat blad en bloem betreft veel van weg hebben. Het zijn wijdverbreide overblijvende planten, die meestal in vijven verdeelde bladeren hebben; de bloemen hebben meestal vijf bloemblaadjes.

 

 

Vijfvingerkruid

 

Bij het VIJFVINGERKRUID (Potentilla reptans) zijn de bladeren, zoals de naam al zegt, verdeeld in vijf blaadjes, zodat ze eruit zien als miniatuur kastanjebladeren. Net als de aardbei produceert deze plant uitlopers die snel wortels vormen op de knopen. Op die manier kan hij per seizoen meer dan 12 m2 in beslag nemen. De wortelstok is dik en zowel de bladeren als de goudgele bloemen staan afzonderlijk op lange stelen in de oksels van de schutblaadjes, die in paren langs de stengels staan. Door zijn zwartachtige penwortel, die meer dan 30 cm in de grond dringt, zijn uitbundige groei en zijn vruchten die gemiddeld 90 zaden bevatten, is Vijfvingerkruid een onkruid dat serieus genomen moet worden. Verspreid over bijna heel het noordelijk halfrond; in ons land vrij algemeen langs wegen, dijken en sloten en onder kreupelhout.

 

 

 

 

 

 

 

Zilverschoon

 

Een nog groter verspreidingsgebied heeft ZILVERSCHOON (Potentilla anserina). Het is een aardige plant om te zien met zijn mooie zijdeachtig zilveren bladeren, bestaande uit 7-12 paar blaadjes afgewisseld met kleinere daartussenin, en met zijn heldergele bloemen op rode steeltjes. Als de plant de kans krijgt zal hij uw gazon bezetten met zijn kruipende- en wortel schietende uitlopers. Bovendien is hij ook nog zelffertiel, zodat hij het zonder insecten voor de bestuiving kan stellen. Iedere bloem kan tot vijftig vruchtjes voortbrengen, die door vogels worden gegeten en verspreid. De verspreiding kan ook door water plaatsvinden. In ons land is Zilverschoon zeer algemeen in graslanden, langs wegen en dijken, op akkers, ruige plaatsen enzovoort. De bloeitijd is van mei tot en met augustus.

 

 

 

 

 

 

 

Kruipganzerik

 

Een van de sierlijkste leden van het geslacht is KRUIPGANZERIK (Potentilla anglica), met goudgele bloempjes die meestal viertallig zijn en 1-1,5 cm in doorsnee. De bladeren aan de basis van de plant zijn meestal vijftallig, de bovenste bestaan uit drie blaadjes. Rond de stengel groeien ze afzonderlijk, met zijn tweeën of in kransen. De bloeitijd is juni-augustus. In ons land vrij algemeen, vooral op beschaduwde zandgrond.

 

 

 

 

 

 

 

De Ganzevoetfamilie (Chenoopodiaceae)

 

De leden van deze familie zijn te herkennen aan de vormen van het blad. Zowel de wetenschappelijke als de Nederlandse benaming duiden daar ook op. (Het Griekse woord chen betekent gans en podion wil zeggen voetje). De verschillende soorten zijn onderling moeilijk te onderscheiden. Daarvoor is een vergrootglas noodzakelijk, maar voor de tuinier zijn de verschillen van blad en bloeiwijze wel voldoende voor de determinatie. Vele soorten uit deze groep zijn eetbaar: zowel de kroot als de suikerbiet en de spinazie en voordat de laatste werd ingevoerd stond Melganzevoet dan ook in hoog aangezien als voedselplant voor mens en dier.

 

 

Melganzenvoet

 

MELGANZEVOET (Chenopodium album) is een eenjarige plant die sterk in hoogte varieert; soms is hij maar 15 cm hoog, soms wel 1,20 meter. De stengels, die vaak roodachtig van kleur zijn, hebben groene of paarsachtige ribbels en kunnen zowel vertakt als onvertakt zijn. De afwisselend staande bladeren hebben verschillende vormen. De onderste hebben de karakteristieke ganzevoetvorm, maar zonder slippen. De bovenste zijn soms lijnvormig; ze groeien dicht tegen de stengel aan en zijn gewoonlijk meelachtig bestoven, vooral aan de onderkant en wanneer ze nog jong zijn.

Dit onkruid is heel gemakkelijk te herkennen: gewoonlijk is het een sterk vertakte plant met een pyramidevorm, bekroond door dicht opeenstaande aren met vaalgroene bloempjes. De buitenste zaadhuid heeft soms heel flauwe, vertakte ribbels op een verder bijna gladde ondergrond en soms verhoogde lijnen die een onregelmatig celachtig patroon vormen.

De bloeiperiode is van juli tot in de herfst en iedere plant produceert ongeveer 3000 zaden; dit aantal kan echter oplopen tot wel 20.000. Het is in ons land de meest algemene Ganzevoet en de plant heeft zich vanuit Europa en Midden-Azië over de gehele wereld verspreid. Heeft een voorkeur voor losse, vochtige, stikstofrijke klei- of zandgrond en onttrekt grote hoeveelheden voedingsstoffen aan de bodem.

 

 

 

 

 

 

 

 

Korrelganzenvoet

 

KORRELGANZEVOET (Chenopodium polyspermum) is een eenjarige plant met rechtopstaande of liggende stengels, die roodgekleurd zijn en meestal vierhoekig. Kan 20 tot 75 cm hoog worden. De ongeveer 5 cm lange bladeren zijn ovaal of ellipsvormig en staan afwisselend langs de stengels. Ze zijn onverdeeld of hebben aan de basis een of twee tandachtige uitsteeksels. De zeer kleine groene bloempjes staan in groepjes bijeen in slanke aren die in de bladoksels ontspringen.

De buitenste zaadhuid heeft putjes met gegolfde randen. Iedere plant brengt ongeveer 4000 zaden voort. De bloeiperiode loopt van juli tot en met september. Korrelganzevoet is gesteld op goed doorluchte, vochtige grond die zwak zuur tot alkalisch is en rijk aan stikstof. Inheems in Europa en Noord-Azië; in ons land algemeen langs wegen, in moestuinen en op bouwland.

 

 

 

 

 

 

 

 

Brave Hendrik

 

Bij BRAVE HENDRIK (Chenopodium bonus-henricus) hebben de onderste bladeren de kenmerkende driehoekige vorm, waarbij de slippen een rechte hoek maken met de bladstelen. De bladeren die hogerop staan zijn smaller en vormen een stompere hoek. De zeer kleine groene bloempjes staan dicht opeen in spits toelopende bloeiwijzen, die alleen aan de basis bladeren dragen. De bloeitijd is mei tot augustus. Alle bladeren staan afwisselend; ze zijn vrij dik en donkergroen.

Brave hendrik is een rechtop groeiende, overblijvende plant die 14 tot 60 cm hoog wordt. De zaadhuid heeft een ruw, gestippeld uiterlijk. De plant is inheems in heel Europa (behalve het hoge Noorden) en werd vroeger gekweekt als voedsel en geneeskruid. In ons land een zeldzame verschijning, nog het meest in Zuid-Limburg. Houdt van stikstofrijke grond.

 

 

 

 

 

 

 

Uitstaande Melde

 

UITSTAANDE MELDE (Atriplex patula) is te herkennen aan de stengels, die vaak wit met groen of rood met groen gestreept zijn en ook aan de bladeren. De onderste bladeren hebben de echte ganzevoetvorm, dat wil zeggen ze zijn drieslippig, waarbij de middelste slip het langst is en getande randen heeft; de twee zijslippen maken een stompe hoek met de bladsteel. De bovenste bladeren zijn niet verdeeld in slippen en worden smaller en kleiner naarmate ze meer bovenaan de stengel zitten.

De twee geslachten Cenopodium en Atriplex verschillen in de bouw van de bloemen. Bij eerstgenoemde zijn de bloemen hermafrodiet, dat wil zeggen dat in één bloem zowel meeldraden als stampers voorkomen; bij Atriplex komen aparte mannelijke en vrouwelijke bloemen voor, die echter wel op dezelfde plant zitten.

Uitstaande melde is een eenjarige, forse plant, die soms rechtop groeit maar meestal op de grond ligt. De stengels zijn sterk vertakt en tot 90 cm lang. De groene bloempjes vormen kleine groepjes op lange aren die uit de bladoksels ontspringen. De bloeitijd loopt van juli tot en met september. Het verspreidingsgebied omvat Europa, Azië, Afrika en Noord-Amerika. In ons land zeer algemeen op bouwland, in moestuinen, op mestvaalten en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Grassen (Gramineae)

 

Grassoorten komen veelvuldig voor en zijn zeer moeilijk uit te roeien. Omdat ze zo gemakkelijk zaad vormen kun je grassen op de meest onwaarschijnlijke plaatsen tegenkomen. Grassen worden door de wind bestoven en ze hebben dus geen bijen, vlinders of andere insecten nodig om dit te doen. Zodra de zaden rijp zijn worden ze gretig verorberd door kleine vogels als mussen en vinken, die daardoor ook een bijdrage leveren aan de verspreiding.

De grassen vormen een van de grootste families uit het plantenrijk met ongeveer 650 geslachten en 9000 soorten. Behalve onkruiden leveren de grassen ook een aantal van de meest belangrijke voedselgewassen voor mens en dier: tarwe, haver, gerst, rogge, gierst, mais, rijst. Behalve deze vruchtdragende gewassen zijn ook andere grassen voor vele dieren onmisbaar als voedsel. Het is nuttig om te weten welke grassoorten het lastigst zijn als onkruid en welk gebruik we ervan kunnen maken. Immers, zelfs een beruchte plant als Kweek kan een waardevolle toevoeging aan de composthoop vormen.

 

 

Straatgras

 

STRAATGRAS (Poa annua) wordt al naar gelang de plaats waar de plant groeit 10 tot 40 cm hoog. De bladeren zijn lijnvormig, dat wil zeggen lang en smal en over praktisch de hele lengte even breed, en ze eindigen in een bootvormige punt. De bloeiwijze is een min of meer driehoekige pluim waarin de bloemetjes met groepjes van 3-10 bij elkaar staan. De plant bloeit vrijwel het gehele jaar door. Kenmerkend zijn de twee evenwijdig lopende lijnen op het blad dichtbij de middennerf. In Engeland noemt men dat de tramlijn; dit kenmerk is vooral goed te zien als men het blad tegen het licht houdt. De bladeren zijn vaak gerimpeld of geplooid; in combinatie met de bootvormige bladtop kan men hieraan de plant herkennen.

Straatgras komt over vrijwel de hele wereld voor in de meer gematigde delen (in de tropen in de berggebieden). Het is een van de meest bekende grassen en groeit zowel tussen stenen, op straat (naam!), als op tuinpaden en in gazons. Door de zachte bladeren en de vaak losse groeiwijze geen ideaal gazongras.

 

 

 

 

 

 

 

Veldbeemdgras

 

VELDBEEMDGRAS (Poa pratensis) is een tamelijk stijve, rechtopgroeiende, uitlopervormende overblijvende plant die 15 tot 80 cm hoog wordt. De bladeren zijn groen of grijsachtig groen, glad of soms ruw en gewoonlijk met een abrupt toegespitste top. De pluim bestaat uit draadachtige takjes die verscheidene korte zijtakjes dragen. Aan deze laatste zitten de eivormige aartjes, die bleek grijsachtig groen zijn, gestreept met donkergroen en geel. De bloei valt in de maanden mei en juni. Poa pratensis is in ons land zeer algemeen op allerlei gronden.

 

 

 

 

 

 

 

Kropaar

 

KROPAAR (Dactylis glomerata) is een grove, uitlopervormende plant, vaak blauwachtig groen van kleur en in hoogte variërend van 30 tot 90 cm. De pluimen verschijnen van mei tot en met augustus en in september-oktober; ze zijn zeer karakteristiek, doordat de aartjes dicht opeen zitten in gedrongen groepjes. De bladeren zijn lang en plat, lopen uit in een punt en zijn aan beide zijden ruw met fijne tandjes aan de randen. In het zaailing-stadium is de top van het eerste blad gebogen en loopt uit in een stompe punt. Kropaar is een belangrijke soort in wei- en hooiland. In de tuin minder welkom, hoewel de variëteit variegata met zijn groen-met-wit gestreepte bladeren soms wel gekweekt wordt.

 

 

 

 

 

 

 

Kweek

 

KWEEK (Elytrigia repens) is een van de meest lastige onkruiden in de tuin, een echte boosdoener. Deze plant is vooral hardnekkig doordat hij zich niet alleen door zaad vermeerdert, maar ook door middel van de ondergrondse uitlopers, waarvan vrijwel elk stukje in staat is een nieuwe plant te vormen. Vroeg of laat komt iedere tuinier wel de talrijke en verreikende witte of geelachtige wortelstokken tegen. Die kronkelen zich door de grond, onder en over de wortels van planten waar we prijs op stellen, schijnbaar zonder eind.

Bovengronds is deze soort te herkennen aan de dofgroene bladeren die afwisselend langs de stijve stengels staan en aan de bloeiwijze met zijn aartjes die afwisselend gerangschikt zijn en dicht op de bloeistengel zitten. Komt voor in Europa en Noord-Amerika. Bij ons zeer algemeen in grasland, op akkers, in tuinen, op gestoorde grond, langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

 

 

Glad Vingergras

 

De naam GLAD VINGERGRAS (Digitaria ischaemum) duidt op een van de kenmerken waardoor men deze soort kan onderscheiden van zijn verwanten: zowel stengels als bladeren zijn onbehaard. Ook de bloeiwijzen zijn opvallend gebouwd; de takken van de pluim staan met twee of drie bij elkaar, waardoor een soort van scherm ontstaat. Vooral voorkomend in de warmere delen van Europa, Azië en Noord-Amerika. De bloeitijd is van juli tot in de herfst. Kan in het gazon een lastig onkruid zijn.

 

 

 

 

 

 

 

Gladde Witbol en Echte Witbol

 

GLADDE WITBOL (Holcus mollis) en ECHTE WITBOL (Holcus lanatus) lijken zoveel op elkaar dat we ze hier samen bespreken. De naam witbol heeft betrekking op hun wollige uiterlijk. Beide soorten zijn overblijvende planten die 30 tot 90 cm hoog worden; ze hebben dezelfde scherpe gepunte bladeren, die 4 tot 20 cm lang zijn en ovale pluimen. De verschillen zijn als volgt:

Holcus mollis is een plant met kruipende wortelstok en uitlopers; alleen de knopen zijn behaard; de pluimen zijn witachtig, bleek grijs of paarsachtig. H. mollis bloeit van mei tot september en is zeer algemeen; komt in het wild vooral voor in bemest hooiland op zand of veen.

Holcus lanatus is dicht zodevormend; de stengels zijn op en onder de knopen behaard; de pluimen zijn witachtig, bleekgroen, rozeachtig of paars. H. lanatus bloeit van juni tot augustus en komt algemeen voor in droge bossen, in droog grasland en op braakliggend land; vooral op zandgrond.

 

Gladde

 

 

 

 

 

 

 

Echte

 

 

 

 

 

 

 

Groene Naaldaar

 

GROENE NAALDAAR (Setaria viridis) is vooral in de Verenigde Staten een van de lastigste en meest voorkomende onkruidgrassen. De aartjes, die groen tot paarsachtig zijn, staan dicht opeen in een cilindervormige aar en onder ieder bloempje zitten uitstekende naalden, die de bloeiwijze het uiterlijk van een vossestaart verlenen. Het is een rechtop groeiende eenjarige plant, vrij dicht zodevormend en met een hoogte van 2,5 cm tot 1 meter. De vlakke bladeren, die gewoonlijk minder dan 15 cm lang zijn, staan afwisselend langs de stengels. De wortels zijn vezelachtig. Komt voor in vrijwel geheel Europa en is verwilderd in de koelere delen van Noord-Amerika. In ons land algemeen op zandig bouwland. De bloeitijd is van juli tot en met september.

 

 

 

 

 

 

 

Zachte Dravik

 

ZACHTE DRAVIK (Bromus mollis) is een een- of tweejarige plant die grote verschillen in hoogte vertoont (van 2 cm tot 1 meter). De aartjes lijken op die van tarwe, doordat de kafjes elkaar overdekken, maar het geheel is minder stevig. De kafjes zijn zacht behaard. De bladeren zijn grijsachtig groen, vlak en slap; ze hebben een fijne punt met korte zachte haren. De bloeitijd ligt in mei en juni. Komt voor in geheel Europa en is verwilderd in Noord- en Zuid-Amerika. In ons land algemeen langs wegen en dijken, op bemest grasland, op zandige akkers enzovoort.

 

 

 

 

 

 

 

Guichelheil (Primulacae)

 

ROOD GUICHELHEIL (Anagallis arvensis subsp. Arvensis) is een onkruid dat in een aantal landen bijnamen heeft gekregen die wijzen op het feit dat bij slecht weer de bloemen zich sluiten (schaapsherdersbarometer, armeluisbarometer). De mooie, meestal rode, bloemetjes met hun vijf gepunte bloemblaadjes staan op lege slanke steeltjes in paren in de oksels van de ovale, puntige bladeren, die eveneens in paren staan. Deze eenjarige plant ligt gewoonlijk op de grond, maar kan in een gunstige omgeving tot 50 cm hoog worden. De bloeitijd loopt van mei tot in de herfst. Komt voor over de gehele wereld, behalve in de tropen. Bij ons vrij algemeen op akkers, in moestuinen en in grazige duinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter H

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Heermoes (Equisetaceae)

 

HEERMOES (Equisetum arvense) maakt twee soorten stengels. In het voorjaar ontwikkelen zich bruinachtig-gele stengels waarbij de top steeds is omsloten door een schede; de resten hiervan blijven op regelmatige afstanden langs de stengels zitten. Tenslotte eindigt de stengel in een soort kegel die sporen bevat. Wanneer de sporen verspreid zijn verdorren de vruchtbare stengels en verschijnen de groene onvruchtbare stengels. Deze dragen kransen van zijtakken op de plaats waar de leden van de stengels in elkaar sluiten.

De plant heeft geen bladeren. Het is een overblijfsel uit oeroude tijden, waardoor het geslacht Equisetum een soort brug vormt tussen de moderne planten en de oudste vormen van plantaardig leven. Onze steenkool is voornamelijk gevormd door de resten van reusachtige wouden van geweldige grote, houtachtige, met Equisetum verwante planten die eens de aarde bedekten. De plant bevat kiezel en werd vroeger gebruikt om tinnen voorwerpen mee te schuren. Zo nu en dan worden de stengels benut om meubels mee te doen glanzen.

De vruchtbare stengels bereiken een hoogte van 10-30 cm en zijn onvertakt; de onvruchtbare stengels worden meestal 10 tot 40 cm hoog. Dank zij de ondergrondse wortelstokken is het een sterk woekerend onkruid, dat door velen als praktisch onuitroeibaar wordt beschouwd. Er schijnt echter één middel tegen deze kwaal te bestaan en dat is het uitzaaien van Oostindische kers op het betreffende stuk grond. Deze planten verstikken het Heermoes, dat namelijk niet tegen beschaduwing kan.

Heermoes is giftig voor het vee, vooral voor paarden en koeien. De plant komt voor in Europa, West-Azië, Noord-Amerika en Noord- en Zuid-Afrika. In ons land algemeen langs wegen en tussen gras. Op zandige akkers vaak een heel lastig onkruid, getuige de naam akkerpest. Equisetum palustre (Lidrus) lijkt veel op Heermoes, maar wordt vooral gevonden op vochtige plaatsen en op kleiakkers. Een andere naam voor heermoes is paardenstaart.

 

 

 

 

 

 

 

Hoornbloemen en Vogelmuur (Caryophyllaceae)

 

Deze vertegenwoordigers van de Anjerfamilie vormen een interessante groep. Ongeveer 100 soorten ervan zijn kosmopolieten, dat wil zeggen dat ze over de hele wereld voorkomen. Al zien ze er teer uit en ook al dringen de wortels maar een paar centimeter in de grond, toch kunnen ze lage temperaturen doorstaan en hebben ze weinig voedsel nodig. Het zijn zodevormende planten en vele zijn zelfbestuivers, wat inhoudt dat ze geen droog weer en bezoek van insecten nodig hebben om zaad te kunnen vormen. Geen tuin ontsnapt aan deze planten. Hoewel ze als lastig beschouwd worden zijn ze gemakkelijk met de hand te verwijderen.

 

 

Vogelmuur

 

VOGELMUUR (Stellaria media) is een van de wereldburgers, bekend over de hele aardbol. In het kielzog van de blanken is dit plantje overal naartoe gereisd en het voelt zich net zo thuis binnen de poolcirkel als in Zuid-Amerika.

Sommige onkruiden hebben een ongezond uiterlijk. Dat gaat niet op voor de Vogelmuur met zijn frisgroene, puntig-ovale blaadjes die twee aan twee langs de stengels staan. De kegelvormige knoppen staan in groepjes bijeen op lange steeltjes die uit de bladoksels ontspringen. De kleine witte bloempjes die eruit tevoorschijn komen hebben vijf bloemblaadjes, die zo diep zijn ingesneden dat het lijkt alsof het er tien zijn. Gewoonlijk blijven ze maar een dag goed. Ze hebben 3-8 roodpaarse meeldraden, waarbij het aantal het grootst is als de plant in het volle licht groeit.

Vogelmuur is een eenjarige plant en kan verscheidene maanden oud worden; 5-7 weken na het ontkiemen kan de plant al rijp zaad hebben. Behalve bij heel slecht weer bloeit Vogelmuur het hele jaar door en ieder exemplaar brengt 2500-15.000 zaden voort. Aangezien er drie generaties in een jaar kunnen zijn zou het nakomelingschap over twaalf maanden gerekend in principe tot meer dan 15 miljard kunnen oplopen.

Vogelmuur is niet alleen zeer vruchtbaar, het zaad kan ook heel wat verdragen. Zelfs na het passeren van de maag van vogels of andere dieren is het zaad nog kiemkrachtig en proeven hebben aangetoond dat het ook na 90 dagen in zeewater gelegen te hebben nog in staat is te ontkiemen. Geen wonder dat Vogelmuur zich via land en zee over de hele aarde heeft verspreid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone Hoornbloem

 

In ons land komen negen soorten Hoornbloem voor, deels oorspronkelijk wild, deels verwilderd. De meest algemene soort is GEWONE HOORNBLOEM (Cerastium fontanum), een overblijvende plant die bloeit van april tot in de herfst. Hij vormt een groot aantal op de grond liggende stengels, waarbij alleen de bloeiende zich oprichten. De vijf bloemblaadjes zijn diep ingesneden. De blaadjes op de gewone stengels staan tegenover elkaar, zijn donker grijsachtig groen en bedekt met een dichte laag van witte haren. De bladeren op de bloemstengels zijn ellipsvormig tot ovaal, zonder bladsteel; op de niet-bloeiende stengels zijn ze stomper. Een kosmopoliet, die bij ons vooral langs dijken en wegen voorkomt.

 

 

 

 

 

 

 

Kluwenhoornbloem

 

Vrij algemeen in ons land is de KLUWENHOORNBLOEM (Cerastium glomeratumO evenals de twee voorgaande soorten een kosmopoliet. De plant is geelgroen van kleur, met breed-ovale bladeren. Zoals de naam al aangeeft staan de bloemen dicht opeen; er zijn tien meeldraden en vijf stijlen; de bloemsteeltjes zijn behaard en heel kort. De witte bloemen hebben 5 bloemblaadjes, die enigszins ingesneden zijn; ze verschijnen van mei tot oktober. Gewoonlijk ontkiemt het zaad in de nazomer of herfst. De plant is één- of tweejarig en wordt maximaal 45 cm hoog.

 

 

 

 

 

 

 

Akkerhoornbloem

 

De AKKERHOORNBLOEM (Cerastium arvense) is weer een overblijvende plant. Ook dit is een vertakt, kruipend onkruid, maar onderscheidt zich van de reeds genoemde soorten doordat vaak in de oksels van de onderste bladeren groepjes blaadjes ontspringen. Alle bladeren zijn smal en donzig, met een lengte van 6-18 mm. De bloemen zijn naar verhouding groot (12-18 mm). Deze soort heeft de gewoonte wortels te vormen aan de knopen van de stengels die op de grond liggen, hetgeen resulteert in een zich steeds verder uitbreidende mat, wat in het gazon heel lastig kan zijn.

 

 

 

 

 

 

 

Viltige hoornbloem

 

Tenslotte hebben we dan nog de VILTIGE HOORNBLOEM (Cerastium tomentosum) die in onze tuinen verscheen als sierplant voor de rotstuin. Overal waar hij opduikt wordt het echter een onkruid dat met handenvol moet worden uitgetrokken om te voorkomen dat het door zijn uitbundige groei zijn buren verstikt. De plant heeft smalle, wit-viltige blaadjes en is in mei-juli overdekt met stervormige witte bloemen die 18-25 mm in doorsnee zijn en de gebruikelijk vijf ingesneden bloemblaadjes hebben. Hij wordt vanwege zijn rijke bloei in Engeland Sneeuw-in-de-zomer (Snow-in-summer) genoemd. Oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Europa en de Kaukasus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter E

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Ereprijs (Scrophulariaceae)

 

De blauwogige Ereprijssoorten zijn voornamelijk eenjarigen, die een tuin kunnen overvallen als een zwerm sprinkhanen. Het lijkt alsof ze plotseling, bloeiend en wel, verschijnen, vooral wanneer ze staan tussen andere kleine planten, waar hun zaailingen onopgemerkt zijn opgegroeid. De bladeren zijn tegenoverstaand, behalve op de bloeistengels.

We zullen negen soorten beschrijven en ze verdelen in twee groepen: vijf soorten die over de grond kruipen en alleenstaande bloemen hebbe en vier die rechtop groeien en de bloemen in aren hebben.

 

 

Grote ereprijs

 

GROTE EREPRIJS (Veronica persica) draagt zijn naam met eer, want hij heeft de grootste (en helderst blauwe) bloemen van de kruipende soorten – tot 11 mm in doorsnee. De lichtgroene bladeren, 2-4,5 cm lang, zijn kortgesteeld, driehoekig tot ovaal, ruw getand en behaard op de nerven aan de onderkant. De bloemstengels zijn langer dan de bladeren en kroezig behaard. Ze komen tevoorschijn uit de bladoksels. De vrucht bestaat uit twee uiteenstaande hokken, waardoor hij in zijn geheel bijna tweemaal zo breed als lang is. Oorspronkelijk afkomst uit Zuidwest-Azië is deze soort thans ingeburgerd in geheel Europa. Ook in Noord-Amerika ingevoerd. In ons land plaatselijk algemeen op akkers, in moestuinen en op mesthopen. Bloeit in april en mei en van juli tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

 Draadereprijs

 

DRAADEREPRIJS (Veronica filiformis) is een heel klein plantje met bladeren van niet meer dan een halve centimeter in doorsnee. De blauwe bloemen, waarvan de onderste slip bleker of zelfs wit is, staan op draadvormige stelen die ongeveer 2-4 maal zo lang zijn als de bladeren. Hoe klein dit plantje ook is, het is een zeer agressief onkruid met zijn talrijke kruipende stengels die vak grote plakkaten vormen. Nadat deze soort was ingevoerd als rotsplantje werd hij al snel een lastige gast. Het is een overblijvende plant die bloeit in april en mei. De verspreiding gaat voornamelijk met behulp van stukjes tengel, die gemakkelijk wortel schieten; de aanvankelijke populariteit ging dan ook al snel verloren. Wanneer u de plant op de afvalhoop gooit ontsnapt hij gemakkelijk naar andere delen van de tuin. Vooral in het gazon kan hij zich bliksemsnel verspreiden, daarbij geholpen door de grasmaaier. In zijn oorspronkelijke groeigebied (de Kaukasus en Klein-Azië) is de plant niet zeer algemeen, maar hij is thans verwilderd in geheel Europa, vooral in Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland en Frankrijk. De plant kan het best verbrand worden, composteren is alleen aan te raden als voldoende warmte kan worden bereikt.

 

 

 

 

 

 

Akkerereprijs

 

AKKEREREPRIJS (Veronica agrestis) heeft bladeren van ongeveer dezelfde afmetingen als persica; ze zijn meer lang dan breed, bijna recht aan de voet en meer regelmatig getand. De kleur is geelgroen. De bloemen zijn heel klein en gewoonlijk bleek blauw met het onderste bloemblad of de onderste drie bloembladen wit of heel bleek. Minder vaak allemaal wit of roze aan de bovenkant. Bloeit van april tot in de herfst. De vruchten hebbe lange haren. Komt voor in geheel Europa, vooral in het noorden, en in Noord-Amerika. Bij ons vrij algemeen op akkers, vooral op kleigrond.

 

 

 

 

 

 

Gladde ereprijs

 

GLADDE EREPRIJS (Veronica polita) heeft donkergroene, meestal glanzende bladeren, kleiner dan die van de vorige soort, ronder maar met dezelfde gelijkmatig getande randen. De bloemen zin klein en diep hemelsblauw, vaak met een witte onderste slip. Ze staan op spaarzaam behaarde stelen en verschijnen al vroeg in het voorjaar, om dan, met een korte onderbreking in de zomer, door te gaan tot in de herfst. Het verspreidingsgebied omvat geheel Europa, vooral in het midden en zuiden, West-Azië en Noord-Afrika. In het noordwesten van de Verenigde Staten verwilderd. De plant heeft een voorkeur voor voedselrijke, losse, ietwat zanderige klei en is in ons land plaatselijk algemeen op akkers en in tuinen.

 

 

 

 

 

 

Klimop ereprijs

 

De laatste van de soorten met kruipende groeiwijze is KLIMOP EREPRIJS (Veronica hederifolia), met gesteelde en tamelijk dikke, lichtgroene bladeren. Uit de naamgeving is de bladvorm al af te leiden; althans min of meer, want de twee zijlobben zijn heel diep ingesneden en de middelste is stomp. De bloem is zeer klein, lichtblauw of lila, de bloemstelen zijn gewoonlijk korter dan de bladeren. De gewone stengels zijn behaard. Deze komt voor in geheel Europa, West-Azië en Noord-Afrika; verwilderd in Noord-Amerika. Hier te lande algemeen op akkers en in moestuinen, tussen het gras, onder heggen en in loofbossen.

 

 

 

 

 

 

Mannetjes ereprijs

 

We komen nu aan de Ereprijssoorten die de bloemen in aren dragen en een geheel of gedeeltelijk rechtopstaande groeiwijze hebben. MANNETJES EREPRIJS (Veronica officinalis) is een overblijvende plant met kruipende, wortelende stengels die vaak een heel tapijt vormen. De gewoonlijk lichtblauwe bloemen met hun donkerder aderen (soms zijn de bloemen donkerblauw, roze of wit) staan in langgesteelde aren. Deze komen tevoorschijn uit de oksels van de bladeren, die in paren tegenover elkaar staan, ovaal van vorm zijn, getand langs de rand, aan beide zijden behaard en 2-3 cm lang. De bloemen verschijnen in de periode mei-augustus. Mannetjes-ereprijs komt voor in Europa, het nabije Oosten en Noord-Amerika. In ons land algemeen op droge zand- en heidegrond.

 

 

 

 

 

 

Veld ereprijs

 

VELD EREPRIJS (Veronica arvensis) heeft zacht behaarde stengels, die al dan niet vertakt zijn en min of meer rechtop groeien tot een hoogte van maximaal 30 cm. De bladeren zijn driehoekig tot ovaal; de onderste gesteeld en tegenoverstaand, de bovenste afwisselend en dicht tegen de stengel aangroeiend. De bloeiwijze neemt ongeveer tweederde van de hoogte van de plant in beslag; de kleine bloemetjes – van binnen donker-, van buiten lichtblauw – komen uit de bladoksels en staan in trossen. Deze eenjarige plant bloeit van april tot in de herfst en is een lastig onkruid in het gazon en de border. Komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika; in Nederland algemeen op akkers, in moestuinen en op braakliggende terreinen; ook in de duinen.

 

 

 

 

 

 

Tijmereprijs

 

TIJMEREPRIJS (Veronica serpyllifolia) is een overblijvende plant van 5 tot 25 cm hoog, met zacht behaarde, kruipende stengels die op de knopen wortelen. De bladeren zijn lichtgroen, ovaal en kaal. De bloemtros is naar verhouding lang (10 cm) en bevat tot dertig blauwachtig witte bloemetjes, die ieder in de oksel van een schutblad staan. De bloemblaadjes zijn getekend met donkerblauwe lijntjes die naar de nectarkamer wijzen; het zijn dus honingmerken voor de bestuivende insecten. Tijm-ereprijs komt voor in vrijwel geheel Europa, in Azië en in Noord-Amerika. Bij ons een algemene plant op akkers en in grasland, langs sloten en op andere vochtige plaatsen. Bloeit van april tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

Gewone ereprijs

 

GEWONE EREPRIJS (Veronica chamaedrys) heeft de grootste bloemen uit deze groep (tot 12 mm in doorsnee). Het is een overblijvende plant die 10 tot 40 cm hoog wordt, met stengels die eerst op de grond liggen en op de knopen wortelen en zich daarna oprichten. De stengels dragen twee rijen haren en zijn daartussenin vrijwel altijd kaal. De dofgroene, behaarde bladeren zijn tegenoverstaand, breed tot smal eirond met gekartelde randen en zittend of kort gesteeld. De bloeiaren staan op lange stelen uit de oksels van de bladeren en dragen 10-20 bloemen. Deze staan vrij ver uit elkaar en zijn hemelsblauw van kleur met donkerder aderen en een witte plek bij de keel. De bloeitijd is april-juni. Deze soort komt voor in geheel Europa en in Azië; verwilderd in Noord-Amerika. In ons land een algemene verschijning tussen het gras en langs wegen en bosranden.

 

 

 

 

 

 

 

Eenjarigen met gele bloemen

 

Herik

 

HERIK (Sinapis arvensis) is nauw verwant aan Witte mosterd. Hij heeft een slanke penwortel en een rechtopstaande, vertakte of onvertakte, stengel van 30 tot 80 cm hoog. De stengel is gewoonlijk stijf en behaard; de bladeren zijn eveneens ruw behaard, de onderste gesteeld, met een grote, heel grof getande eindlob; de bovenste stengelomvattend en afwisselend. Gewoonlijk zijn ze niet ingesneden, lancetvormig en grof getand. De bloemen staan afwisselend lans de stengel, bovenaan in een groepje. Iedere plant produceert zo’n 1200 zaden, die in de grond vele jaren kiemkrachtig kunnen blijven. De bloeitijd is van mei tot september. Komt voor in geheel Europa; in ons land een algemeen onkruid op bouwland en langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

 

Knopherik

 

KNOPHERIK (Raphanus raphanistrum) lijkt veel op de vorige soort, maar heeft rechtopstaande, borstelige kelkbladeren in plaats van spreidende of afhangende. Er is nog een ander kenmerk waardoor de plant zich van Herik onderscheidt en waarnaar in de Nederlandse naam wordt verwezen: bij het drogen worden de hauwen tussen de zaden sterk samengesnoerd, zodat deze laatste, 4-8 in getal, duidelijk te herkennen zijn. Tenslotte is ook de snavel aan het eind van de vrucht  veel langer dan bij Herik. De bloemkleur kan behalve geel ook wit, lichtpaars, blauwachtig of purper zijn, meestal met donkere aderen. De bloeitijd van deze 30-60 cm hoog wordende plant is van juni tot en met september. Komt voor in geheel Europa en in het oosten van Noord-Amerika. In ons land algemeen, vooral op zandige akkers, op ruigten en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

Zwarte mosterd

 

ZWARTE MOSTERD (Brassica nigra) is een veel forser onkruid, met rechtopstaande stengels van 0,60 tot 1,20 meter hoogte. Er zit veel variatie in de bladeren: de onderste hebben een grote eindlob met daaronder twee veel kleinere; de stengelbladeren, die afwisselend staan, zijn lancetvormig met slechts twee kleine lobben en de allerbovenste hebben helemaal geen lobben. Ook bij deze soort staan de bloemen afwisselend langs de stengel en aan de top dicht bijeen. De vruchten staan rechtop. De bloeitijd is van juni tot september. Het verspreidingsgebied omvat Europa, Azië en Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen, vooral in het rivierengebied; op akkers, langs wegen en dijken en op ruigten. Uit de zaden van deze plant wordt de tafelmosterd bereid en ook een olie die in de geneeskunde en bij het vervaardigen van zeep wordt gebruikt.

 

 

 

 

 

 

Gewone raket

 

GEWONE RAKET (Sisymbrium officinale) heeft de onderste bladeren in een rozet; ze zijn diep ingesneden zodat gepaarde slippen met een grotere eindlob ontstaan. De onderdelen van de bladeren zijn getand. De stengelbladeren staan afwisselend, hebben een lange pijlvormige eindlob en een tot drie kleine langwerpige zijlobben. De dicht opeenstaande bloemen zijn kortgesteeld en hebben bloemblaadjes ie half zo lang zijn als de kelkblaadjes. De vruchten staan stijf rechtop en hebben een afgeronde onderkant. Zowel stengels als bladeren zijn borstelig. Deze plant wordt 30-80 cm hoog en bloeit van mei tot en met september. Iedere plant levert ongeveer 2700 zaden op, die ondiep kiemen. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa, West-Azië en Noord-Afrika; elders verwilderd. In ons land een van de algemeenste onkruiden op akkers; ook veel voorkomend langs wegen en heggen en op ruigten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hongaarse raket

 

HONGAARSE RAKET (Sisymbrium altissimum) behoort tot de zogenaamde ‘tumble weeds’: wanneer de plant na een of twee jaar afsterft breekt hij aan e voet af om dan met de eerste windvlaag mee over de grond te rollen, waarbij tijdens de tocht de zaden worden verspreid. De plant wordt 40 tot 90 cm hoog en bloeit van mei tot juli. De bladeren van de grondrozet zijn gesteeld en ruw behaard; ze zijn verdeeld in smal driehoekige slippen; bij de middelste bladeren zijn de slippen nog smaller en bij de bovenste zijn ze bijna draadvormig. De vruchten zijn lang en dun. Oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-oost-Europa, maar thans in verscheidene Europese landen en in Noord-Amerika te vinden. In ons land vooral langs de grote rivieren en in de duinen, elders zeldzaam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter D

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Distels en Melkdistels (Compositae)

 

Akkerdistel

 

Cirsium arvense, de AKKERDISTEL, is een van de meest beruchte onkruiden, niet alleen in ons land maar ook in vele andere landen. De slanke penwortel vormt ver weg kruipende, witachtige uitlopers, die binnen een paar jaar een geweldige kolonie kunnen doen ontstaan – en dat alles uit een enkel zaadje. Zelfs uit een klein stukje van de wortel kan zo’n kolonie ontstaan. Naarmate het wortelstelsel zich uitbreidt worden ook steeds meer nieuwe stengels gevormd, zodat tegelijk volwassen, halfwassen en nieuwe scheuten aanwezig zijn.

Deze overblijvende plant wordt 0,60-1,20 m hoog. De bloemhoofdjes zijn naar verhouding klein en staan in schermvormige pluimen; de kleur is lichtpaars, een enkele maal wit. De bladeren aan de voet van de plant zijn lancetvormig en uitlopend in een korte steel met bochtige randen die uitlopen in stevige stekels. De bladeren die hogerop staan hebben ongeveer dezelfde vorm maar zijn stengelomvattend en dieper ingesneden. Alle bladeren staan afwisselend en zijn kaal of aan de onderkant enigszins behaard. De bloemen hebben een sterke honinggeur en worden door verschillende soorten insecten bezocht. De bloeitijd is juni-september.

Akkerdistel komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land zeer algemeen langs wegen en dijken, op akkers en gestoorde terreinen. In verscheidene provincies in ons land is een zogenaamde Distelverordening van kracht, die bepaalt dat eigenaren en gebruikers van gronden deze en andere soorten distels moeten bestrijden. In andere landen zijn soortgelijke maatregelen genomen.

 

 

 

 

 

 

Speerdistel

 

Cirsium vulgare is de SPEERDISTEL, een tweejarige plant die zich uitsluitend vermeerdert door zaad. De plant heeft een grote vlezige penwortel en wordt net als de vorige soort 0,60-1,20 m hoog. In het eerste jaar vormen de planten alleen een rozet van bladeren; deze zijn langwerpig tot lancetvormig of elliptisch en ruw getand.

In het tweede jaar komen de gegroefde, stekelig gevleugelde stengels tevoorschijn. De bladeren zijn van boven stekelig behaard en de lobben dragen lange stekels. Van onderen zijn de bladeren – net als de stengel – kort behaard tot spinnenwebachtig. De bloemhoofdjes zitten in een rond of vaasvormig omwindsel. Dit is stekelig, enigszins spinnenwebachtig behaard en groen van kleur. De bloeitijd is juli-augustus.

Speerdistel komt net als de vorige soort voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land algemeen in weilanden, langs wegen en dijken, op kapvlakten in het bos, in de duinen en op gestoorde gronden.

De Melkdistels hebben allemaal gele bloemen. Ze zijn lang niet zo stekelig als de bovengenoemde soorten. Hun naam hebben ze te danken aan het witte melksap dat bij beschadiging tevoorschijn komt.

 

 

 

 

 

 

Akkermelkdistel

 

De AKKERMELKDISTEL (Sonchus arvensis) heeft kruipende ondergrondse stengels en bereikt een hoogte van 0,60-1,50 m. De stengels zijn gegroefd, hol en sterk behaard. De afwisselend staande bladeren zitten op het onderste deel van de stengel dicht bijeen; ze zijn diep ingesneden, langwerpig tot lancetvormig en uitlopend in een gevleugelde bladsteel. De bovenste bladeren zijn gering in getal, vaak zonder insnijding en stengelomvattend. De bloemhoofdjes zitten dicht opeen aan de top van de stengel en zijn goudgeel van kleur; de bloemstengels zijn voorzien van vele gele haren, net als de groene omwindsels. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst.

Het verspreidingsgebied omvat vrijwel geheel Europa en Noord-Amerika. In ons land algemeen op akkers en in grasland.

 

 

 

 

 

 

Brosse Melkdistel of gekroesde melkdistel

 

BROSSE MELKDISTEL (Sonchus asper) is een van de stekeligste soorten uit dit geslacht; de Latijnse naam duidt daar al op: asper = ruw. De plant heeft een stevige penwortel en wordt gemiddeld 60 cm hoog (maximaal 90 cm). De stengels zijn kaal en vaak roodachtig; de afwisselend staande bladeren zitten ook hier dicht opeen langs de stengel, vooral aan de voet van de plant, waar ze tevens dieper ingesneden zijn. Alle bladeren zijn stengelomvattend en de twee lobben aan de voet hebben de vorm van een oor.

De bloemkroon is geel en het omwindsel is peervormig of rond. De lange stelen van de dicht opeenstaande bloemhoofdjes komen tevoorschijn aan de top van de stengel, bij een blad dat rond de stengel is gegroeid. De bloeiperiode is dezelfde als bij de vorige soort. Deze soort komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land algemeen op akkers, in moestuinen en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

Gewone melkdistel

 

GEWONE MELKDISTEL (Sonchus oleraceus) heeft een lange slanke penwortel en stevige kale, rechtop staande stengels van 30 tot 90 cm hoog. De stengels zijn vijfhoekig, hol (behalve bij de knopen) en van boven vertakt. De bladeren hebben een pijlvormige voet en spitse oortjes, meestal duidelijk gelobd met 2 tot 3 lobben ter weerszijden van de middennerf en een langere, bredere aan de top. De bovenste bladeren zijn vaak niet ingesneden. Alle bladeren staan afwisselend en de randen zijn zacht stekelig getand. De bloemhoofdjes komen tevoorschijn uit een blad dat aan de voet is ingesneden; ze staan dicht opeen en zijn lichtgeel. Bloeitijd en verspreiding zijn net als bij de voorgaande soort.

De gewone melkdistel zaait zich makkelijk uit door het pluizige zaad. Eerst wordt een rozet gevormd wat vrij snel doorschiet en in bloei heeft de plant gele halfgeopende bloemen. Na de bloei worden het wollige pluizen die door de wind verspreid worden. De lange penwortel is lastig te verwijderen en breekt ook snel af. Het blad
is stekelig maar niet zo erg als de gewone distel. Bij het breken van blad of stengel komt er wit melksap te voorschijn.

Het verspreidingsgebied omvat vrijwel geheel Europa en Noord-Amerika. In ons land algemeen op akkers en in grasland.

 

 

 

half geopende bloemhoofdjes

 

 

 

Doornappel (Solanaceae)

 

Van de DOORNAPPEL (Datura stramonium), die thans over de gehele wereld voorkomt, is bekend dat hij in 1577 in Spanje werd ingevoerd. In Engeland kweekte de kruidkundige John Gerard de plant al in 1599; hij schreef in zijn ‘Herball’ dat hij zaad had ontvangen van Lord Edward Zouche, die dat had meegebracht uit Constantinopel. Gerard gebruikte de plant om brandwonden en kwaadaardige zweren mee te genezen.

In de achttiende eeuw stond Doornappel in hoog aanzien als verdovend middel voor het verlichten van hoest en astma. De plant is uiterst giftig, vooral na het verwelken en wordt nog steeds als geneeskruid gebruikt.

Het is een eenjarige plant, die tot ongeveer een meter hoog wordt. De stengels zijn stevig en staan rechtop met spreidende takken, kaal, groen of paars. De bladeren, die afwisselend staan, zijn donkergroen en sterk geurend, ovaal tot driehoekig, met een grove tanding langs de rand en eindigend in een scherpe punt. Door hun gewoonte zich samen te vouwen hebben ze een stekelig uiterlijk.

Opvallend zijn de grote witte trompetbloemen, die 4-7,5 cm doorsnee bereiken en verschijnen tussen juni en september. Ze groeien in de oksels van de takken en worden gevolgd door ovale groene vruchten die bezet zijn met korte scherpe stekels. (Er zijn ook variëteiten met ongestekelde vruchten.) Iedere vrucht bevat 400 tot 800 zaden en de kiemkracht is gewoonlijk groot. Zelfs zaden die meer dan honderd jaar in de grond hadden gezeten bleken nog tot ontkieming te kunnen komen. Doornappel een vrij zeldzame verschijning. De plant komt voor op bouwland, in tuinen, op mesthopen en dergelijke.

 

 

 

 

 

 

Duivekervel (Fumariaceae)

 

De geslachtsnaam van de GEWONE DUIVEKERVEL (Fumaria officinalis) is afgeleid van het Latijnse fumus = rook. Dit wijst erop dat men vroeger geloofde dat de rook van deze plant de kracht had boze geesten te verdrijven. Gewone duivekervel is een sierlijk onkruid met trossen van meer dan 20 bloemen. Deze zijn buisvormig, roze, donkerder naar de top en afwisselend geplaatst langs de slanke bloemstengel. De zachte, grijsgroene bladeren, die rondom de stengels staan, zijn zo diep ingesneden dat er lijnvormige blaadjes ontstaan.

De hele plant heeft daardoor een teer uiterlijk. De bloeitijd is van mei tot in de herfst en iedere plant brengt ongeveer 800 zaden voort. Het verspreidingsgebied omvat Europa, West-Azië en Noord-Afrika; ingevoerd in Amerika. Het is een eenjarige plant die 10 tot 50 cm hoog wordt en een voorkeur heeft voor losse, voedselrijk en gewoonlijk kalkarme, lemige grond.

 

 

 

 

 

Duizendblad (Compositae)

 

GEWOON DUIZENDBLAD (Achillea millefolium) is weer zo’n onkruid waar we goed op moeten letten, want de wortels kunnen een heel eind weg kruipen en binnen korte tijd een massa stengels voortbrengen. De afwisselende bladeren zijn lancetvormig in omtrek en 2-3 maal ingesneden, zó fijn verdeeld dat ze er uit zien als verfrommelde veren. De plant bevat een etherische olie die er de aromatische geur aan geeft. De schermen witte (soms roze of rode) bloemhoofdjes verschijnen van juni tot en met oktober. Ze staan op 15-45 cm hoge stengels en hebben gewoonlijk vijf straalbloempjes.

De plant werd en wordt gebruikt als geneeskruid, vanwege de samentrekkende en daardoor bloedstelpende werking van de gekneusde bladeren. De geslachtsnaam heeft betrekking op Achilles, die de plant gebruikte om de wonden van Telephus te genezen. Deze soort komt voor in Europa en Noord-Amerika; hier te lande zeer algemeen langs wegen en dijken, tussen het gras en op ruige plaatsen.

 

 

 

 

 

Duizendknopen (Polygonaceae)

 

Deze groep is een fantasie in roze en groen-roze, soms groene, bloemen, roze kelk, roze meeldraden, roze zaden, roze knopen, te midden van bladeren in koel groen.

 

 

Perzikkruid

 

PERZIKKRUID (Polygonum persicaria) is een eenjarige plant die tot een meter hoog wordt. De stengels zijn boven de knopen verdikt en roodachtig van kleur. Uit de knopen komen zowel de bloemaren als de balderen tevoorschijn. Er bevindt zich hier een eigenaardig orgaan, het tuitje. Dit is een kokertje om de stengel, dat gevormd is uit aaneengegroeide steunblaadjes. Dit tuitje is roze van kleur en dient ter bescherming van de jonge aartjes. De aardige kleine bloempjes zitten dicht opeen en hebben vijf roze bloemblaadjes. De knoppen zijn donkerder roze. De lancetvormige, afwisselende bladeren hebben stelen die roodachtig zijn op de plaats waar ze – beneden het tuitje – uit de knopen komen.

Op de bladeren bevinden zich donkerrode tot zwarte vlekken die ongeveer de vorm van een halve maan hebben. Deze vlekken herinneren ons volgens de legende aan het bloed van Jezus. De plant groeide onder het kruis en ving met zijn bladeren het bloed op van zijn wonden. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst. De plant komt voor in Europa en Azië en is verwilderd in Noord-Amerika. In ons land zeer algemeen, vooral op akkers en in moestuinen.

 

 

 

 

 

Varkensgras

 

VARKENSGRAS (Polygonum aviculare) is een eenjarige, sterk vertakte, taaie plant, die rechtop groeit wanneer hij tussen andere planten staat en liggend wanneer hij zich op open grond bevindt. De stengels zijn geribbeld en hebben witachtige tuitjes. In de groene, afwisselende bladeren zit net zo veel variatie als in de groeiwijze van de plant, ze zijn bijna lijnvormig of breed elliptisch. De kleine bloemetjes groeien in aren die met 2-5 bijeen staan in de bladoksels; ze hebben vijf bloemblaadjes die eruit zien als kelkblaadjes, met een roze of witte rand.

Varkensgras is een kosmopolitisch onkruid, met andere woorden het kan in ieder werelddeel worden aangetroffen. Bij ons zeer algemeen langs wegen en op bebouwde grond. De bloeitijd is van mei tot en met november.

 

 

 

 

 

Knopige- en viltige duizendknoop

 

Polygonum lapathifolium is een zeer vormenrijke soort. Twee daarvan zijn algemeen, namelijk ssp. Lapathifollium, de KNOPIGE DUIZENDKNOOP en ssp. Pallidum, de VILTIGE DUIZENDKNOOP. Eerstgenoemde wordt 0,30-1,20 meter hoog of zelfs nog hoger, de laatste 0,30-0,60 meter. De stengels zijn gezwollen boven de knopen en gewoonlijk groenachtig; de bloemen zijn wit met groen, of alleen groen of wit, of roodachtig. De aren staan tros- of pluimvormig bijeen. De tuitjes hebben geen of zeer korte wimpers. De bladeren zijn kaal tot behaard, al naar gelang de groeiplaats. Ze staan afwisselend, zijn 5-20 cm lang en lancetvormig.

De viltige beharing – indien aanwezig – zit vooral aan de onderkant van de bladeren. Meestal zitten er donkere vlekken op de bladeren. De bloeitijd is van juni tot oktober en het verspreidingsgebied omvat geheel Europa. Knopige duizendknoop komt in ons land vooral voor op veen- en kleigrond. Viltige duizendknoop vooral op zandig bouwland.

 

knopige

 

knopige duizendknoop

 

knopige duizendknoop

 

viltige

 

viltige

 

viltige

 

 

Waterpeper

 

Zowel de wetenschappelijke als de Nederlandse benaming van WATERPEPER (Polygonum hydropiper) wijzen op de scherpe pepersmaak die bladeren en bloemen van deze soort bezitten. Van deze bijtende eigenschappen kunt u zich ook overtuigen door de plant met de hand aan te pakken en daarna met dezelfde hand in uw oog te wrijven! Deze sierlijke plant heeft enigszins knikkende aren, met bloemetjes die aan de voet groen en aan de top rood of wit zijn.

Waterpeper wordt 0,30-0,50 meter hoog en heeft afwisselende, smal lancetvormige bladeren. Die naar de top toe steeds smaller en kleiner worden. De korte roze tuitjes zijn al dan niet gewimperd. De naam van deze plant wijst er al op dat hij een voorkeur heeft voor vochtige plaatsen. Het verspreidingsgebied omvat geheel Europa en Noord-Amerika. In Vlaanderen algemeen, vooral op stikstofrijke plaatsen. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter C

Standaard

Categorie : Kamerplanten en bloemen

Soorten onkruid – letter C

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

Chrysanthemums (Compositae)

 

Veel mensen zijn verbaasd wanneer ze horen dat behalve de bekende Chrysanten ook nog andere soorten tot dit geslacht behoren:

 

MARGRIET (CXhrysanthemum leucanthemum)

 

De officiële naam van deze soort doet wel wat eigenaardig aan als we weten dat Chrysanthemum ‘gouden bloem’ betekent en leucanthemum ‘witte bloem’.

Margriet is een overblijvende plant die 30 tot 60 cm hoog wordt en bloeit in de periode mei-augustus. De bloemhoofdjes bestaan uit witte straalbloemen met een hart van gele buisbloempjes en zijn 3-6 cm in doorsnee. De bladeren zijn donkergroen en staan afwisselend langs de stengel. De laagste zijn omgekeerd eirond tot langwerpig, getand en langgesteeld; de bovenste bladeren aan de stengel zijn langwerpig-lancetvormig tot bijna spatelvormig, stomp, getand of dieper ingesneden en stengelomvattend.

 

De plant komt voor in geheel Europa, West-Azië en Noord-Amerika. In ons land algemeen langs wegen en dijken en in grasland.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BOERENWORMKRUID (Chrysanthemum vulgare )

 

Boerenwormkruid is een sterk geurende, overblijvende plant met kruipende ondergrondse stengels (stolonen) waaruit nieuwe scheuten ontspringen. De fraaie rechtopstaande, bebladerde stengels worden 60-120 cm lang en zijn hoekig en meestal roodachtig aan de basis. De donkergroene, geveerde bladeren hebben tot 12 paar scherp getande blaadjes. Hierdoor en door de goudgele knopvormige bloemhoofdjes, die verschijnen van juli tot in de herfst, onderscheidt de plant zich van de overige Chrysanthemums.

Tegenwoordig wordt Boerenwormkruid meestal Tanacetum vulgare genoemd, ofschoon ook de naam Chrysanthemum vulgare nog wel gebruikt wordt. Boerenwormkruid werd vroeger gekweekt als geneeskrachtige plant en als groente. Ze komt voor in geheel Europa en in Siberië. In ons land algemeen, vooral op zandgronden.

 

Gebruik

Uitwendig kan het gebruikt worden als lotion bij schurft. Wat boerenwormkruid in de schoenen geplaatst zou helpen tegen chronische koorts. In de fytotherapie wordt het gebruikt tegen onder andere artritis en verkoudheid. In de plant komt het giftige thujon voor dat wormafdrijvend, vooral van spoel- en lintwormen, is. Ook was het kruid veelvuldig in gebruik om een abortus op te wekken. Hoge doses veroorzaken duizeligheid, krampen, buikpijn en kunnen dodelijk zijn.

 

Verdelgingsmiddel

De etherische oliën uit de plant, zoals triticineirisine en graminine, worden gebruikt in de receptuur voor insectenverdrijvende middelen. Om het huis vlo- en motvrij te houden werd het veel in huis gestrooid.

 

Voedsel

In kleine hoeveelheden wordt boerenwormkruid vermengd in groenkoeken of ovenkoeken en gebruikt om de smaak van eieren te verbeteren.

 

Afweerkruid

De plant wordt gerekend tot de zogenaamde afweerkruiden. Het zou afweer bieden tegen hekserij, spoken en onweer.

 

 

 

 

 

 

 

 

MOEDERKRUID ((Chrysanthemum parthenium)

 

De officiële naam van het laatste onkruid uit deze groep is Moederkruid. Dit kruid werd gebruikt als middel ‘om de koude koorts te verdrijven’. Het is een overblijvende plant met vezelige wortels die een sterke kamillegeur verspreidt. Hij wordt 25-60 cm hoog, met rechtopstaande en enigszins donzig behaarde stengels, die van boven zijn vertakt tot schermen, zodat de bloemhoofdjes allemaal op dezelfde hoogte staan.

De bloemhoofdjes verschijnen van juni tot september; ze hebben korte brede straalbloemen en gele buisbloemen in het midden. De bladeren zijn 2,5-8 cm lang, geelachtig groen en staan afwisselend langs de stengel. De onderste zijn langgesteeld en verdeeld in getande of gelobde blaadjes; de omtrek van het geheel is enigszins hartvormig. De bovenste bladeren zijn korter gesteeld en minder diep ingesneden.

Moederkruid is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-oost-Europa en Klein-Azië en komt zowel in Europa als in Amerika plaatselijk verwilderd voor. Er is een variëteit met goudkleurige bladeren (var. Aureum); deze wordt nogal eens gebruikt als bladplant in kleurperken, maar kan net zo lastig worden als de gewone uitvoering.

 

Gebruik

De plant vond al in de Oudheid heelkundige toepassingen. Ze werd gebruikt om weeën op te wekken en tegen kraamvrouwenkoorts. In kruidentuinen wordt ze nog gekweekt als koortswerend middel en als middel tegen migraine.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget