Tagarchief: graslanden

Pinksterbloem : Cardamine pratensis

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de trossen zacht lila bloemen in het vroege voorjaar

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Pinksterbloem is een overblijvende, zeer algemeen voorkomende plant van 15 tot 50 cm hoog. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond in graslanden, loofbossen, moerassen en op drijftillen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Pinksterbloem bloeit vanaf april tot en met juni met zacht lila tot witte, donker geaderde bloemen. Het toppunt van de bloei ligt meestal eind april, dus ruim voor Pinksteren. De bloemen staan aan het einde van de stengel in een trosje. In de nacht en als het regent buigen de stengels zich en sluiten de bloemen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De onderste bladeren vormen een rozet. Alle bladeren zijn oneven geveerd. De deelblaadjes van de onderste bla-deren zijn hartvormig tot eirond. Naar boven toe worden de deelblaadjes steeds smaller, totdat ze uiteindelijk bijna lijnvormig zijn.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Pinksterbloemen worden door veel insecten bezocht, maar met name voor de oranjetip is de pinksterbloem een waardevolle plant. De vlinder haalt er nectar uit, zet haar eitjes af op de stengel, de rupsen voeden zich met de zaden en brengen de winter door als pop aan de voet van de plant. Zodra de pinksterbloemen gaan bloeien ver-schijnen ook de eerste vlinders. Op pinksterbloemen zie je vaak schuimvlokken zitten. Die worden gevormd door de larven van schuimcicaden (spuugbeestjes), die sappen uit de plant zuigen.

 

 

oranjetip op pinksterbloem

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 15 tot 50 cm hoog

Bloem
– zacht lila tot wit
– vanaf april t/m juni
– tros
– 8 tot 18 mm
– stervormig
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet en verspreid
– veervormig oneven samengesteld
– top stomp
– rand gaaf, zelden getand
– veernervig

Stengel
– rechtop
– niet of alleen vanaf het midden   vertakt
– glad en kaal
– rolrond, soms iets kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De ziekte van Lyme in België

Standaard

categorie : gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

De ziekte van Lyme, ook wel tick-borne borreliosis of Lyme-artritis genoemd, wordt veroorzaakt door de spirocheet Borrelia burgdorferi. Men schat dat in Europa ongeveer 10% van de teken besmet zijn met Borrelia.

 

Dit bacterie-achtige organisme wordt overgebracht via de beten van teken behorende tot het geslacht Ixodes, die zich ook vaak voeden met het bloed van andere zoogdieren, zoals knaagdieren, egels en herten. De ziekte wordt vermoedelijk slechts overgebracht nadat de teken zich gedurende uren op het slachtoffer hebben gevoed. Er zijn geen aanwijzingen voor besmetting van persoon op persoon.

Teken worden mee rondgedragen door hun gastdieren. Bijna overal waar die dieren komen, vindt men dus ook teken. Tenminste in een plantenrijke omgeving met hoog gras, struiken en een rijke onder begroeiing.

Een teek of bloedzuiger is een minuscuul diertje, nauwelijks groter dan een speldenkop. Bij het zuigen van het bloed wordt het achterlijf steeds dikker. De beet van een teek is pijnloos, pas na enkele uren begint het te jeuken.

.

 

Teken

 

.
.
.
De teek is een zogenaamde geleedpotige, en behoort tot de mijten. Er bestaan twee verschillende families van teken: de harde of schildteken (Ixodidae) en de zachte of lederteken (Argasidae). In totaal komen er over de wereld meer dan 800 tekensoorten voor!

Van een tekenbeet op zich wordt de mens normaal gesproken niet ziek, maar de teek kan wel een rol spelen bij het overbrengen van diverse ziekten.De werkelijke boosdoener is niet de teek zelf, maar de bacterie, die hij via zijn speeksel en darminhoud overbrengt van de ene op de volgende gastheer.

Omdat de teek een zogenaamde driegast herenteek is, kan zij in één van de ontwikkelingsstadia een ziekteverwekker binnen krijgen door van een besmet dier bloed te zuigen en deze ziekteverwekker vervolgens in het volgende ontwikkelingsstadium overbrengen op een ander dier of mens overbrengen.

Binnen Europa kunnen via teken 4 ziekten op de mens worden overgebracht:
•de ziekte van Lyme
•Tick Borne Encephalitis (ook wel bekend als TBE)of TBD (Tick Born Disease)
•Früh Sommer Meningo Encephalitis (FSME)
•Ehrlichiose
Daarnaast kan in Zuid Europa de tekensoort Rhipicephalus sanguineus de ziekte Fièvre boutonneuse overbrengen.

 

.

Stijging

 

De ziekte van Lyme treedt vooral op tussen juni en oktober, en op basis van de gevallen vastgesteld tussen 1993 en 2000 door de referentielaboratoria (K.U.L. en U.C.L.), kan men stellen dat de ziekte overal in ons land optreedt, vooral in de Kempen (Antwerpse en Limburgse), de Oostkantons, het Zoniënwoud en de Ardennen.

Naargelang de studies treedt bij 1,1 tot 3,4% van de personen met een tekenbeet de ziekte van Lyme op.
Het aantal jaarlijks vastgestelde gevallen, bevestigd door één van de referentielaboratoria (K.U.L. of U.C.L.), is sinds 1991 gestegen. Er is in de loop der jaren een gestage stijging te zien in België, gaande van 42 gevallen in 1991 tot 300 gevallen in 1997.

Het cijfer voor 1997 komt overeen met een incidentie van 2.9 gevallen per 100000 inwoners.
In 2002 werden 975 gevallen vastgesteld.

 

 

.
.
.
.

Cyclus

 

De teek brengt het grootste deel van zijn leven door in de natuur: bossen en graslanden. Om zich te kunnen ontwikkelen en voort te planten heeft hij echter bloed nodig. De teek die bij ons voorkomt heeft voor zijn volledige ontwikkeling drie gastheren nodig.

Hij kiest hierbij zowel voor wilde dieren (bosmuizen, egels, eekhoorns, reeën,…) als huisdieren (schapen, runderen, paarden, honden, katten,…) evenals de mens.Een teek wacht in grashalmen of lage bosjes op een passerende gastheer, waaraan hij zich in het voorbijgaan vastklampt. Eenmaal op het dier kruipt de teek naar een plaats waar de huid het dunst is en bijt hij zich stevig vast. Hij verankert zich als het ware in de huid.

 

.

.
.
.

De dikste teek links is een volwassen vrouwtje, tweede van links is een volwassen mannetje,tweede van rechts is een nimf en de rechtse is een larve.

De vrouwtjes kunnen door het zuigen van bloed tot wel 1 cm lang worden. Eenmaal volgezogen met bloed maakt zij zich los van de huid en laat zich op de grond vallen. Op een beschutte plaats legt het vrouwtje zo’n 2.000 eitjes waarna zij sterft. Uit deze eitjes ontwikkelen zich (binnen een maand) 6-potige larven.

Ook deze klimmen in grashalmen en wachten op een gastdier, waarop ze drie tot 8 dagen lang bloed zuigen, tot ze verzadigd zijn. Vervolgens laten ze zich op de grond vallen en ontwikkelen ze zich in drie maanden tot 8-potige nimfen, die eveneens een bloeddonor zoeken. De ontwikkeling tot volwassen teek duurt dan nog zo’n drie tot vijf maanden.

De volledige ontwikkelingscyclus van sommige soorten teken (die op meerdere gastdieren leven) kan zelfs tot 3 jaar duren. Warmte en een hoge luchtvochtigheid scheppen een gunstig klimaat voor de ontwikkeling van teken. Ze komen ook veel voor in de lente en de herfst.

 

.

Besmetting

 

De bacterie Borrelia burgdorferi wordt zeer waarschijnlijk niet meteen overgedragen, omdat de bacterie zich in de darm van de teek bevindt en zich pas gaat vermenigvuldigen nadat er eerst een beetje bloed is gezogen. Vandaar ook dat men vaak leest dat wanneer men de teek tijdig (afhankelijk van de literatuur binnen 8 tot 36 uur) verwijderd, de kans op infectie zeer gering is.

Een volledige garantie kan niet gegeven worden blijkt uit een artikel in het Geneeskundig Tijdschrift van 1990. Daarin wordt aangegeven dat besmetting waarschijnlijk plaatsvindt door regurgitatie (opbraken) van de darminhoud, maar dat bepaalde waarnemingen wijzen op de mogelijkheid van besmetting via de speekselklieren.

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

Wilde kievitsbloem : Fritillaria meleagris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de blokvormig getekende, hangende, klokvormige, paarse bloemen (soms zijn ze geheel wit of wit/groenig)

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilde kievitsbloem is bolgewas van 20 tot 50 cm hoog. Ze groeit op vrij voedselrijke graslanden, die ’s winters drassig zijn of onder water staan en ’s zomers niet te veel uitdrogen. Ze is vrij zeldzaam en wordt ook als tuinplant aangeboden. Wilde kievitsbloem is één van de eerste planten die wettelijk beschermd werd. Ondanks de bescher-ming zijn er toch heel veel groeiplaatsen verdwenen door te zware bemesting, ontwatering, intensievere bewei-ding of omdat ze plaats moesten maken voor uitbreiding van steden.

 

.

 

 

 

Bloem

 

Wilde kievitsbloem heeft ongeveer 8 jaar nodig voordat ze tot bloei komt. Ze bloeit in april en mei. De bloemen zijn klokvormig, hangend en meestal alleenstaand, soms met 2 of 3. Ze zijn paars/wit geblokt, egaal wit of wit /groenig. Na de bloei vallen de bloemdekbladen af, verlengt de stengel zich en richt zich op. De vruchtdoos wordt gevormd, waarin de zaden rijpen. De zaden bevatten luchtholtes, waardoor ze op het water blijven drijven en zo verspreid worden.

 

 

vrucht

 

 

 

Blad

 

De lange, smalle bladeren zijn grijsgroen en gootvormig. Ze staan verspreid langs de stengel.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– leliefamilie (Liliaceae)
– overblijvend
– vrij tot zeer zeldzaam
– 20 tot 50 cm
– rode lijst
– ook als tuinplant

Bloem
– donker- tot licht paarsrood
– april en mei
– gesteeld alleenstaand
– 3 tot 4,5 cm
– klokvormig
– 6 bloemdekbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn- tot lintvormig
– top spits
– rand gaaf
– (half)stengelomvattend
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rond

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hopklaver : Medicago lupulina

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de helder gele bloemhoofdjes met vlinderbloemen, die na de bloei afvallen en
– de vruchthoofdjes met niervormige vruchtjes, die van groen naar zwart verkleuren en
– het driedelige klaverblad, waarvan de deelblaadjes een spitsje hebben

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Hopklaver is eenjarig en zeer algemeen voorkomend. Ze groeit op vochtige tot droge, voedselrijke grond in gras-landen en bermen, ook op stenige plaatsen. Hopklaver wordt 7 tot 50 cm hoog.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf april tot in de herfst met helder gele bloemhoofdjes van 10 tot 50 (gewoonlijk 30 tot 40) bloemen. De bloemhoofdjes staan op een lange steel in de bladoksels, zijn eerst rond, later eirond. Na de bloei vallen de bruinachtig geworden bloemetjes af en worden vruchthoofdjes zichtbaar met niervormige vruchtjes, die eerst groen zijn en later bij rijpheid zwart worden.

 

 

 

 

 

Blad

 

De verspreid staande bladeren bestaan uit 3 deelblaadjes, die omgekeerd eirond, behaard en boven het midden het breedst zijn. Het topblaadje is langer gesteeld dat de twee andere.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Hopklaver is snelgroeiend en wordt daarom soms als veevoer gekweekt. Behalve als veevoer wordt ze ook uitge-zaaid als groenbemester, omdat ze met behulp van bacteriën stikstof in de bodem kan vastleggen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

hopklaver : 10-50 bloemig helder geel hoofdje, niervormige groene (later zwarte) vruchtjes, afvallende bloemen, vierkantige stengel.

 

kleine klaver : 3-15(-25) bloemig geel hoofdje, waarvan de bloemen na de bloei verkleuren naar geelbruin, niet afvallen maar gaan hangen, ronde stengel.

 

 

 

 

 

 

 

liggende klaver : 20-40 bloemig citroen- tot gouddeel hoofdje, waarvan de bloemen een duidelijk geplooide, brede vlag hebben, niet afvallen, kleurloos tot lichtbruin verkleuren, ronde stengel.

 

 

 

 

 

Algemeen

– vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 7 tot 50 cm

Bloem
– helder geel
– vanaf april tot in de herfst
– hoofdje, 4-8 mm
– vlinderbloem
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld handvormig
– deelblaadjes :
– omgekeerd eirond
– zeer kort gesteeld
– top iets gerand met spitsje
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig
– behaard

Stengel
– opstijgend of liggend
– behaard
– vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone ereprijs : Veronica chamaedrys

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

IMG_9705-m.gewone ereprijs

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de 4-tallige hemelsblauwe bloemen in trossen
– en de stengels met beharing in 2 rijen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

De gewone ereprijs is een plant van matig voedselrijke, vochtige graslanden en lichte bossen en struwelen. De soort groeit veel in bermen en op dijken. Ook kan hij in gazons voorkomen. Doordat deze zoveel gemaaid wor-den, komt hij dan niet tot bloei.

 

 

 

 

 

Bloemen

 

Gewone ereprijs wordt 10 tot 40 cm hoog en bloeit in april , mei en juni met hemelsblauwe, 4-tallige bloemen, die donker geaderd zijn en wit hart hebben. De kroonbladen zijn aan de buitenkant iets lichter blauw. De bloemen zijn 0,8 tot 14 mm in doorsnede en vormen ijle trossen van 10 tot 20 bloemen in de oksels van de bovenste bladeren. De donkere beadering dient als honingmerk en leidt insecten naar het binnenste van de bloem. Bij veel regenval en/of harde wind sluiten de bloemen zich en gaan ze hangen. Bloemen van een dag oud krijgen een paars-rode zweem.

 

 

ereprijsgewone-110506-012

 

 

 

Bladeren

 

De ronde, opstijgende, enigszins slappe stengels zijn behaard met twee rijen haren. Zelden zijn ze rondom behaard en als ze dat wel zijn, dan zijn er toch twee dichter behaarde lijnen aanwezig. Ze zijn bebladerd met kruisgewijs tegenoverstaand, eironde tot elliptische bladeren, die zowel aan de boven- als aan de onderkant dicht behaard zijn met korte, zachte haren. De bladeren zijn zittend (soms kort gesteeld) en hebben een gekartelde rand.

 

.

 

 

 

Algemeen

 

weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 10 tot 40 cm

Bloem
– hemelsblauw
– vanaf april t/m juni
– tros
– stervormig
– 8 tot 14 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen, behaard
– 2 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gekarteld
– voet afgerond
– veernervig
– zittend (soms kort gesteeld)
– beide kanten zacht behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

Gewone dotterbloem : Caltha palustris subsp. palustris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 

 

Goed te herkennen aan
de schotelvormige, dooier-gele bloemen aan de waterkant

 

 

 

 

Gewone dotterbloem is meerjarig, wordt tot 50 cm hoog en bloeit in april en mei met grote, dooiergele bloemen van 2 tot 5 cm. Soms zie je in de herfst een tweede bloei.

Ze is algemeen voorkomend in het rivierengebeid en in de laagveengebieden. De favoriete standplaats is langs randen van sloten, beken, in vochtige weilanden, brongebieden en andere zompige plaatsen. Op deze plaatsen komt de plant zowel in de volle zon als in de halfschaduw voor.

 

 

dotterbloem_Mark_Zekhuis

 

 

Je vindt gewone dotterbloem op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden, rietlanden, moeras-bossen en brongebieden. Ze is zout mijdend. Gewone dotterbloem is niet zeldzaam, maar wel kwetsbaar. Door ontwatering, bemesting en gebrek aan schoon zuurstofrijk water is het aantal behoorlijk achteruit gegaan. De plant is wettelijk beschermd.

Naast insecten die met mooi weer de bloemen veelvuldig bezoeken en bestuiven, zorgt ook de regen voor de bestuiving. Als het regent blijven de bloemen geopend, lopen zo vol water, waardoor het stuifmeel op de stempels komt.

Water zorgt ook voor verspreiding van de zaden. In juni splijten de peulen open en worden de zaden door regen- of slootwater meegenomen. Dotterbloem is licht giftig en wordt daarom niet door vee gegeten.

.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– beschermd
– 15 tot 50 cm

Bloem
– dooiergeel
– april en mei
– soms tweede bloei in de herfst
– gesteeld alleenstaand
– 2 tot 5 cm
– stervormig
– 5 tot 8 bloemdekbladen
– niet vergroeid
– meer dan 20 meeldraden
– 5 tot 10 stijlen, soms meer

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– niervormig
– top stomp
– rand gekarteld
– voet hartvormig
– netnervig
– glanzend
– onderste lang gesteeld
– bovenste zittend

Stengel
– opstijgend
– naar boven vertakt
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

gewone dotterbloem

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

 Gewone engelwortel : Angelica sylvestris

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de witte of enigszins roze schermen bestaande 15 tot 40 bolvormige deelschermen
– de bedauwde roze tot paars-bruine, rolronde, gegroefde stengels
– en de gootvormige bladstelen van de onderste bladeren

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Gewone engelwortel is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende, donkergroene, niet sterk ruikende plant van natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en lichte loofbossen. Ze wordt 90 tot 180 cm hoog. Vaak staan er vele planten bij elkaar.

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juli tot in de herfst, soms tot het begin van de winter. De bloeiwijze is een scherm van 3 tot 15 cm breed, bestaande uit 15 tot 40 ronde deelschermen met kleine witte of rozeachtige bloemetjes. De bloemetjes hebben 5 even grote kroonbladen. Onder het samengestelde scherm zitten 3 omwindselbladen, die snel afvallen. Onder elk deelscherm zitten talrijke omwindselblaadjes. De schermstralen zijn zacht behaard.

.

 

 

 

 

Blad

 

De grote bladeren zijn 2- tot 3-voudig geveerd. De deelblaadjes zijn langwerpig, scherp gezaagd. De bovenste bladeren zijn vergroeid tot een bolvormige schede rond de jonge bloeiwijze. De wortelbladeren hebben een gootvormige steel, 1 van de verschillen met grote engelwortel.

 

 

 

 

Toepassingen

 

Gewone engelwortel werd vroeger gebruikt voor het maken van een slijmoplossend middel. Ook werden de jonge stengels en bladeren gekookt in zout water en als groente gegeten.

.

 

 

 

Vergelijkbare soorten  

 

gewone engelwortel

– scherm 3 tot 15 cm breed, 15 tot 40 stralen
– bloemen zijn 2 mm, wit of roze
– plant donkergroen, nauwelijks ruikend
– eindblaadjes ongedeeld, voet niet aflopend
– tot 1,8 meter hoog
– wortelbladeren met gootvormige stengel 

 

 grote engelwortel

– scherm tot 20 cm breed, 20 tot 40 stralen
– bloemen zijn 3 tot 4 mm, groenachtig wit
– plant lichtgroen, bij kneuzing sterk ruikend
– eindblaadjes vaak 3-delig met aflopende voet
– tot 2,5 meter hoog
– wortelbladeren met rolronde stengel

 

 

 

grote engelwortel

 

Naast de twee bovengenoemde soorten zijn er nog een aantal (zeer) algemeen voorkomende planten met witte schermbloemen, zoals fluitenkruid en gewone berenklauw.

.

 

fluitenkruid

 

 

 

Gewone berenklauw

.

 

 

Algemeen

– schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 90 tot 180 cm

Bloem
– wit of roze
– vanaf juli tot in de herfst
– meervoudig scherm
– 2 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– 2- of 3-voudig oneven veervormig
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gezaagd
– voet afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– bedauwd roze tot paarsbruin
– rond en gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vertakte leeuwentand : Leontodon autumnalis

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

 

Goed te herkennen aan
– de paardenbloem-achtige bloemhoofdjes, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant een brede rode streep hebben en
– de smalle eindslip van de bladeren en
– de vertakte, bladerloze bloeistengels, die onder het hoofdje iets verdikt zijn

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Vertakte leeuwentand is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant van 7 tot 45 cm hoog. Ze groeit op open plaatsen op vochtige, voedselrijke, soms brakke grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juli tot en met oktober. Ze bloeit met paardenbloem-achtige bloemhoofdjes van 2 tot 3,5 cm, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant een brede rode streep hebben. De bloem- hoofdjes zijn geel,  staan aan het einde van de kale of weinig behaarde stengel en zijstengels, en vormen samen een losse pluim. Onder het hoofdje is de bloeistengel iets verdikt. De overgang tussen stengel en omwindsel is geleidelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan in een rozet aan de voet van de stengel. Ze blijven ’s winters groen, zijn langwerpig tot lancetvormig, kaal tot weinig behaard en bochtig getand tot veervormig gedeeld met lange smalle eindslip. De overige slippen zijn eveneens smal en staan ver uit elkaar. De bladeren hoger aan de stengel (niet de bloei-stengel) zijn lijnvormig met gave rand. De bloeistengel heeft geen bladeren; wel vrij veel schubvormige bladeren vooral aan het bovenste gedeelte.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Vertakte leeuwentand lijkt veel op gewoon biggenkruid. Het duidelijkste verschil is de bladtop; bij gewoon biggenkruid is de top breed driehoekig, bij vertakte leeuwentand smal langwerpig. Daarnaast verschilt de kleur van de onderkant van de buitenste lintbloemen; bij gewoon biggenkruid zijn ze blauwachtig grijs, bij vertakte leeuwentand rood. Ruige en kleine leeuwentand hebben allebei knikkende knoppen en een onvertakte stengel. Vertakte leeuwentand behoort tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

gewoon biggenkruid

 

 

 

kleine leeuwentand

 

 

 

ruige leeuwentand

 

 

.

In totaal bestaat de groep uit 39 soorten. Ze zijn te verdelen in twee groepen :

 

– de groep met minimaal 2 volwaardige bladeren aan de bloeistengel; zie de pagina “Sleutel gele composieten met blad“.

– de groep met een kale bloeistengel of met hooguit 1 blad of een aantal schubvormige bladeren. Hiertoe behoort vertakte leeuwentand. Zie de pagina “Sleutel gele composieten zonder blad

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 7 tot 45 cm

Bloem
– gele lintbloemen
– vanaf juli t/m oktober
– hoofdjes in een pluim
– 2 tot 3,5 cm

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– veervormig gedeeld
– top stomp
– rand gaaf of bochtig getand
– voet steelachtig versmald
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal of weinig behaard
– rolrond en gegroefd
– vertakt

zie wilde bloemen

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

Struikhei : Calluna vulgaris

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

 

.

Goed te herkennen aan

rijk-bloemige trossen roze tot lichtpaarse, kleine, iets knikkende bloemen aan lage, struikvormige, altijd groene planten

Struikhei groeit op vochtige tot droge, zure grond in heiden, schrale graslanden en lichte bossen.

 

.

 

 

 

Algemeen

 

Struikhei is een sterk vertakte, altijd groene, overblijvende plant van 30 tot 100 cm hoog. Ze is algemeen voorkomend in de Lage Landen maar vrij zeldzaam in duingebieden. Tevens wordt ze verkocht als tuinplant, dan ook in wit.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Struikhei bloeit vanaf juli tot in de herfst. De iets knikkende, roze tot lichtpaarse bloemen staan in een (meestal) eenzijdige tros, elke bloem aan het einde van een korte steel. De kroon- en kelkbladen hebben nagenoeg dezelfde kleur. De kelk wordt gevormd door de 4 buitenste bladen; de kroon door de 4 binnenste. De kroonbladen zijn smaller en korter dan de kelkbladen.

De binnenste bladen regelen het opengaan van de bloem. Zij zwellen aan de onderkant op en drukken zo de buitenste bladen naar buiten. Dat gebeurt op een zodanige manier dat de bovenkant van de bloem wat afgesloten is en zo een dakje vormt ter bescherming van het stuifmeel en de onderkant van de bloem meer open is, waardoor insecten een betere toegang hebben tot de nectar en zo de bestuiving tot stand brengen.

 

.

 

 

 

Blad

 

De kleine bladeren zijn mooi helder groen, staan in 4 rijen langs de stengel en bedekken elkaar dakpansgewijs. Elk blaadje eindigt aan de voet in 2 priemvormige oortjes.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Thee van gedroogde bladeren en bloemen heeft een mild urine-drijvende werking en werkt ontsmettend, samen-trekkend en kalmerend op de urinewegen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– heifamilie (Ericaceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– ook als tuinplant
– 30 tot 100 cm

Bloem
– roze, lichtpaars
– vanaf juli tot in de herfst
– tros
– stervormig
– 3 tot 4 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– in 4 rijen
– enkelvoudig
– schubvormig
– top spits
– rand gaaf
– geoorde voet
– 1-nervig

Stengel
– liggend of opstijgend
– oudere takken verhout

zie wilde bloemen

 

 

 

 

.

 

 

Wilde bertram : Achillea ptarmica

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

.

Goed te herkennen aan
– de losse bloemschermen met witte bloemhoofdjes en
– de smalle, lancetvormige bladeren met fijn gezaagde rand

 

 

 

.

 

Algemeen

 

Wilde bertram is een algemeen voorkomende overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog. Ze groeit op natte, meer of minder voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden, uiterwaarden, greppels en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot en met september met witte schermachtige bloeiwijzen. De bloemhoofdjes bestaan uit 8 tot 13 witte straalbloemen en in het hart talrijke 5-tandige geelachtig witte buisbloemen.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De wortel bevat een scherpe, maar lekker smakende stof en werd daarom vroeger gekauwd.

 

.

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Wilde bertram is het makkelijkst te onderscheiden van duizendblad door de bladvorm. Duizendblad heeft dubbel geveerde bladeren, terwijl wilde bertram ongedeelde bladeren (met gezaagde rand) heeft.
Daarnaast zijn de bloemhoofdjes van wilde bertram groter en hebben ze meer witte straalbloemen dan de bloemhoofdjes van duizendblad. Verder bestaan de bloemschermen van wilde bertram uit minder bloemhoofdjes, de schermen zijn minder compact.

 

 

duizendblad

 

 

 

duizendblad

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 30 tot 90 cm

Bloem
– witte straalbloemen
– geelachtig witte buisbloemen
– vanaf juli t/m september
– hoofdjes in losse schermen
– 12 tot 18 mm
– omwindselblaadjes viltig behaard

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gezaagd
– voet gevleugeld
– veernervig
– meestal kaal
– glanzend

Stengel
– rechtop
– bovenaan behaard en vertakt
– meerkantig

zie wildebloemen

 

 

 

.