Tagarchief: straatstenen

Moeraskers : Rorippa palustris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– bleekgele bloemen met kroonbladen, die ongeveer zo lang zijn als de kelkbladen en
– veervormig ingesneden blad met een grote, brede eindslip

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moeraskers is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant van 20 tot 60 cm hoog. Ze groeit op open, natte tot vochtige, stikstofrijke grond in bermen, akkers, (moes)tuinen, langs waterkanten, in moerassen en tussen straatstenen.

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met bleekgele bloemen, die in een trosje staan. De kroonbladen van de bloemetjes zijn ongeveer even lang als de groengele kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De diep veervormig ingesneden bladeren zijn verdeeld in 3 tot 7 paar smalle, onregelmatig getande slippen en een grote, brede eindslip. De onderste zijn gesteeld, de bovenste meestal niet. Ze hebben kleine oortjes aan de voet.

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Moeraskers is een waardplant voor larven van de oranjetip en het klein geaderd witje. Ook is ze een pioniersplant, die verdwijnt als de vegetatie zich sluit. Na de vruchtvorming kan moeraskers rood verkleuren.

 

 

 

Herkennen Rorippa soorten

 

– zijn de kroonbladen ongeveer even groot als de kelkbladen ? ja >  moeraskers

– nee …. heeft het blad oortjes ? ja > Oostenrijkse kers

– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een smalle eindslip ? ja > akkerkers

– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een grote eindslip ? ja > valse akkerkers

anders > gele waterkers

 

 

moeraskers

 

 

 

blad moeraskers

 

 

 

Oostenrijkse kers

 

 

 

blad oostenrijkse kers

 

 

 

akkerkers

 

 

 

blad akkerkers

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

gele waterkers

 

 

 

blad gele waterkers

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 20 tot 60 cm

Bloem
– bleekgeel
– vanaf juni t/m september
– tros
– stervormig
– 3 tot 5 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– grote, brede eindslip
– top stomp
– rand onregelmatig getand
– voet geoord, (half)stengelomvattend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– vrijwel kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein streepzaad : Crepis capillaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine paardenbloem-achtige hoofdjes met vuilgele stijlen en
– de smalle stengelbladeren, die met oortjes de stengel gedeeltelijk omvatten

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein streepzaad is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige plant van 30 tot 90 cm hoog. Ze groeit op vochtige tot droge, voedselrijke, vaak omgewerkte, grazige grond in bermen, op braakliggende terreinen, tussen straatstenen, op dijken en langs akkers.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met november. Ze bloeit met gele bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen. In het midden aan de onderkant van de buitenste lintbloemen loopt een brede streep, die eerst roodachtig is en naar het midden toe lichter wordt. De stijlen zijn vuilgeel.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn variabel van vorm. De vele rozetbladeren zijn glanzend, langwerpig en diep, bochtig getand tot veerspletig. De stengelbladeren zijn kleiner, de bovenste lijnvormig, ook diep, bochtig getand tot veerspletig of met gave rand en de middelste met twee oortjes de stengel half omvattend.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

groot streepzaad : onderkant buitenste lintbloemen geel, stijlen geel, omwindselblaadjes afstaand.

klein streepzaad : onderkant buitenste lintbloemen roodachtig, stijlen vuilgeel, omwindselblaadjes tegen het hoofdje aangedrukt en middelste stengelbladeren met (kleine) oortjes.

paardenbloemstreepzaad : onderkant buitenste lintbloemen paarsrood aangelopen.

 

 

groot streepzaad

 

 

 

paardenbloemstreepzaad

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m november
– hoofdje in losse pluim
– alleen lintbloemen
– 10 tot 15 mm
– stijlen vuilgeel

Blad
– verspreid en rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot lijnvormig
– top stomp of spits
– rand getand, gaaf of veervormig
– voet half stengelomvattend
– veernervig
– kaal of weinig behaard

Stengel
– rechtop
– weinig behaard
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gekroesde melkdistel : Sonchus asper

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan – de gele bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen en
– de stekelige, vaak gekroesde, van boven sterk glanzende bladeren met ronde platte oortjes

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gekroesde melkdistel is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige, stevige, iets blauwgroene plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke grond in akkers, (moes)tuinen, braakliggende terreinen, tussen straatstenen en op omgewerkte grond.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf juni tot in de herfst. De bloemhoofdjes bestaan uit uitsluitend uit gele lintbloemen en staan in losse trossen bij elkaar. De onderkant van de buitenste lintbloemen is roodachtig. De hoofdjes zijn donkerder geel dan de hoofdjes van gewone melkdistel.

 

 

 

 

 

Blad

 

De langwerpige bladeren zijn donkergroen, van boven sterk glanzend, steviger en stekeliger dan van gewone melkdistel. Ze zijn niet ingesneden of ondiep gelobd, zelden veerdelig. Zijn de bladeren wel veerdelig dan is de eindslip nauwelijks groter dan de overige slippen, in tegenstelling tot gewone melkdistel, waarbij dat wel het geval is. De rand van de bladeren is stekelig getand, vaak iets gekroesd en de bladeren hebben ronde oortjes, die plat tegen de stengel aangedrukt zijn.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.
moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes.
gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bovenste bladeren met spitse, afstaande oortjes.
gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

 

 

moerasmelkdistel

 

 

 

akkermelkdistel

 

 

 

gewone melkdistel

 

 

De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 60 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdjes in losse tros
– alleen lintbloemen
– 1 tot 2,5 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– ongedeeld langwerpig of gelobd
– top spits
– rand getand of gegolfd
– voet (half) stengelomvattend
– veer- of netnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– soms bovenaan behaard
– kantig tot rolrond

zie wilde bloemen