Tagarchief: tuinen

Reuzenberenklauw : Heracleum mantegazzianum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de enorm grote, witte bloemschermen, soms tot 50 cm in doorsnede

 

 

 

 

 

Algemeen

 

De indrukwekkende reuzenberenklauw, ook wel Perzische berenklauw genoemd, is vanuit Zuidwest-Azie in de 19e eeuw naar Europa gebracht als sierplant. Op veel plaatsen is de plant verwilderd. Het is een overblijvende (vaak tweejarige) plant, die algemeen voorkomend in stedelijke gebieden. Elders is ze zeldzaam. Ze groeit op vochtige, zeer voedselrijke grond in bermen, tuinen, plantsoenen en struikgewas. Afhankelijk van de standplaats kan ze tot 3 meter hoog worden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Reuzenberenklauw bloeit vanaf juni tot en met september met een variabel aantal schermen witte bloemetjes. De schermen bestaan uit 50 tot 150 deelschermen. De buitenste bloemen in een deelscherm zijn vergroot en asymmetrisch. De bloemen geuren naar anijs en zijn heel aantrekkelijk voor insecten. In de winter gebruiken de insecten de plant om te overwinteren in de holle stengels.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

De grote bladeren bevatten furanocumarine, een sterk geurende, vluchtige olie die de huid overgevoelig maakt voor ultraviolette straling, waardoor ontstekingen en brandwonden ontstaan. In het vroege voorjaar, als de zaden ontkiemen, zullen door de omvang en de enorme groeikracht van de plant andere planten geen kans krijgen en ontstaat er al snel een bos. Reuzenberenklauw is nauwelijks te beteugelen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten met witte bloemschermen

 

Er zijn veel planten met witte bloemschermen. Zie voor vergelijking en herkenning van de algemeen voorkomende soorten, die groeien in graslanden, akkers, bermen, langs heggen en bosranden de pagina “Sleutel algemene witte schermbloemigen“.

 

 

 

 

 

Algemeen


– 
schermbloemenfamilie (Apiaceae)

– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 2 tot 3 meter

Bloem
– wit
– vanaf juni t/m september
– meervoudig scherm
– stervormig
– 8 tot 20 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– veervormig oneven
– top spits
– rand getand
– voet half stengelomvattend
– veernervig
– ruw behaard

Stengel
– rechtop
– ruw behaard
– rood gevlekt
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Oranje havikskruid : Hieracium aurantiacum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de oranje bloemhoofdjes op lang behaarde stelen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Oranje havikskruid is een overblijvende plant, vrij algemeen voorkomend. Ze groeit op droge tot vrij vochtige, grazige plaatsen en wordt 30 tot 60 cm hoog. Ze vormt onder- en bovengrondse uitlopers en op voedzame grond kan ze erg woekeren. Ze komt oorspronkelijk uit de berggebieden van Midden-, Oost- en Noord-Europa. Als sierplant ingevoerd is ze vanuit tuinen verwilderd en inmiddels ingeburgerd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

In juni en juli bloeit oranje havikskruid met oranje bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen. Degene aan de rand zijn oranje, meer naar het hart toe zijn ze oranje/geel. De onderkant van de buitenste lintbloemen is rood.

De knoppen staan met 2 tot 10 dicht bij elkaar. Als de eerste gaat bloeien staan de knoppen van de andere eronder. Zodra er meerdere gaan bloeien verlengen de bloemstelen zich iets en vormen de bloemhoofdjes een schermvormige bloeiwijze.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Oranje havikskruid vormt rozetten van langwerpige tot lancetvormige bladeren, die aan beide kanten bezet zijn met lange witte haren. De stengel en omwindselblaadjes hebben naast lange afstaande witte haren ook korte zwarte klierharen en nog kortere witte sterharen. Aan de stengel zitten 1 of 2 stengelbladeren, die dezelfde vorm hebben als de rozetbladeren, alleen kleiner.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– vrij algemeen, ook als tuinplant
– 30 tot 60 cm

Bloem
– oranje lintbloemen
– juni en juli
– hoofdje
– 15 tot 25 mm

Blad
– rozet of verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet aflopend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– behaard, ook met klieren

-rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moeraskers : Rorippa palustris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– bleekgele bloemen met kroonbladen, die ongeveer zo lang zijn als de kelkbladen en
– veervormig ingesneden blad met een grote, brede eindslip

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moeraskers is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant van 20 tot 60 cm hoog. Ze groeit op open, natte tot vochtige, stikstofrijke grond in bermen, akkers, (moes)tuinen, langs waterkanten, in moerassen en tussen straatstenen.

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met bleekgele bloemen, die in een trosje staan. De kroonbladen van de bloemetjes zijn ongeveer even lang als de groengele kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De diep veervormig ingesneden bladeren zijn verdeeld in 3 tot 7 paar smalle, onregelmatig getande slippen en een grote, brede eindslip. De onderste zijn gesteeld, de bovenste meestal niet. Ze hebben kleine oortjes aan de voet.

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Moeraskers is een waardplant voor larven van de oranjetip en het klein geaderd witje. Ook is ze een pioniersplant, die verdwijnt als de vegetatie zich sluit. Na de vruchtvorming kan moeraskers rood verkleuren.

 

 

 

Herkennen Rorippa soorten

 

– zijn de kroonbladen ongeveer even groot als de kelkbladen ? ja >  moeraskers

– nee …. heeft het blad oortjes ? ja > Oostenrijkse kers

– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een smalle eindslip ? ja > akkerkers

– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een grote eindslip ? ja > valse akkerkers

anders > gele waterkers

 

 

moeraskers

 

 

 

blad moeraskers

 

 

 

Oostenrijkse kers

 

 

 

blad oostenrijkse kers

 

 

 

akkerkers

 

 

 

blad akkerkers

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

valse akkerkers

 

 

 

gele waterkers

 

 

 

blad gele waterkers

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 20 tot 60 cm

Bloem
– bleekgeel
– vanaf juni t/m september
– tros
– stervormig
– 3 tot 5 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– grote, brede eindslip
– top stomp
– rand onregelmatig getand
– voet geoord, (half)stengelomvattend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– vrijwel kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kluwenhoornbloem : Cerastium glomeratum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes met 5 tot 1/4 ingesneden kroonbladen
– in een gedrongen, dichte bloeiwijze en
– de behaarde stengels, die vooral bovenaan kleverig zijn door klierharen

 

 

 

 

Algemeen

 

Kluwenhoornbloem is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige, behaarde plant, vooral bovenin met klierharen, waardoor ze kleverig aanvoelt. Ze groeit op open, vrij droge, tamelijk voedselrijke grond in tuinen, perken, bermen en graslanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kluwenhoornbloem bloeit vanaf januari tot en met oktober. De hoofdbloei valt in de maanden april tot en met juni. Ze bloeit met kleine witte bloemetjes, die in een gedrongen, dichte bloeiwijze staan. Later wordt de bloeiwijze wat losser. In een bloeiwijze bloeien de bloemen zelden allemaal tegelijk. De bloemen hebben 5 kroonbladen, die ongeveer voor 1/4 zijn ingesneden. Ze zijn iets langer dan de kelkbladen, die tot aan de top behaard zijn.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 5 tot 45 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– dicht bijscherm
– stervormig
– 5 tot 8 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– (kruisgewijs) tegenoverstaand
– enkelvoudig
– breed eirond
– top stomp
– rand gaaf
– voet vergroeid
– 1-nervig
– aan beide zijden zacht behaard
– geelgroen

Stengel
– rechtop
– behaard, ook met klierharen
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Haagwinde : Convolvulus sepium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, zuiver witte (zelden roze met witte strepen), trechtervormige bloemen en
– aan de hoek van 90° tussen bladsteel en bladschijf
– en de pijlvormige bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Haagwinde is een zeer algemeen voorkomende snelgroeiende overblijvende klimplant. Op zonnig tot half beschaduwde plaatsen met natte tot vochtige, voedselrijke grond kan je haar tegenkomen, zoals in akkers, plantsoenen, tuinen, rietlanden, ruigten en moerasbossen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Haagwinde bloeit vanaf juni tot de herfst met grote, trechtervormige, zuiver witte bloemen. Zelden zijn ze roze met witte strepen. De bloem wordt aan de onderkant omsloten door twee hartvormige, meestal roodbruin aangelopen schutbladen, die de kelk gedeeltelijk bedekken. De schutbladen overlappen elkaar niet, ze raken elkaar hooguit aan de rand en ze zijn langer dan de kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De niet of weinig vertakte stengels winden zich tegen de klok in om takken en stengels van andere planten of zaken zoals palen, gaas of spijltjes van hekken. Ze kan zo tot 3 meter hoog klimmen. De bladeren hebben een breed pijlvormige voet. De bladschijf en bladsteel staan ongeveer haaks op elkaar.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

haagwinde : grote witte bloemen, bladsteel maakt ongeveer een hoek van 90° met bladschijf.
akkerwinde : heeft kleinere, geurende witte of roze bloemen, die aan de buitenkant 5 donkere strepen hebben.
zeewinde : heeft roze/bleek purperen bloemen met 5 witte strepen, niervormige bladeren en liggende, zelden klimmende stengels.
gestreepte winde : opgeblazen schutbladen onder de bloem overlappen elkaar gedeeltelijk. Bloemen wit, vaak met roze strepen.

 

 

akkerwinde

 

 

 

zeewinde

 

 

 

gestreepte winde

 

 

 

Algemeen

 

windefamilie (Convolvulaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 3 meter

Bloem
– wit, zelden roze met witte strepen
– vanaf juni tot de herfst
– gesteeld alleenstaand
– trechtervormig
– 3 tot 6 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– pijlvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet breed pijlvormig
– veernervig

Stengel
– klimmend
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone melkdistel : Sonchus oleraceus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– lichtgele bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen en
– de slappe grijsgroene bladeren met geoorde voet en stekelige rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewone melkdistel is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant, die groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke, vaak omgewerkte grond in akkers, (moes)tuinen, braakliggende terreinen, bermen, tussen stoeptegels en langs stoepranden.

 

 

 

Bloem

 

Ze wordt 30 tot 90 cm hoog en bloeit vanaf juni tot in de herfst. De bloemhoofdjes bestaan uit talrijke lichtgele lintbloemen. De onderkant van de buitenste lintbloemen is vaak zilverig roodpaars. De bloemhoofdjes zijn ’s morgens geopend en in de middag sluiten ze zich weer.

 

 

 

Blad

 

De slappe stengelbladeren hebben afgeronde oortjes en zijn veerdelig, waarbij de eindslip meestal groter is dan de overige bladslippen. Ze zijn dof- of grijsgroen van kleur en soms wat paars aangelopen. De bladrand is golvend en stekelig getand. De bovenste bladeren zijn vaak ongedeeld met spitse, afstaande oortjes en bijna gaafrandig.

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes.

gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bovenste bladeren met spitse, afstaande oortjes.

gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

 

 

De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

 

akkermelkdistel

 

 

 

 

moerasmelkdistel

 

 

 

 

gekroesde melkdistel

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 90 cm hoog

Bloem
– lichtgele lintbloemen
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdjes in een losse tros
– 1 tot 2 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig tot veervormig   ingesneden
– top stomp
– rand (golvend) stekelig getand of   gaaf
– voet (half)stengelomvattend
– veer- of netnervig

Stengel
– rechtop
– glad of bovenaan met klierharen
– kantig tot rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Akkerkool : Lapsana communis

Standaard

categorie ; kamerplanten en bloemen

 

 

 

bloemen-akkerkool

 

 

Goed te herkennen aan
– de tuilvormige, losse pluimen met kleine lichtgele bloemhoofdjes
– de onderste, liervormig verdeelde bladeren

 

 

img_2424-gr-akkerkool

 

 

 

Algemeen

 

Akkerkool is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige plant van 30 tot 120 cm hoog. Naast rijk vertakte hoge exemplaren bestaan ook dwergvormen van enkele centimeters hoog. Ze groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke, vaak omgewerkte grond aan bosranden en heggen, in bermen en tuinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf juni tot en met augustus. Akkerkool bloeit met kleine lichtgele bloemhoofdjes, die uitsluitend uit lintbloemen bestaan. De hoofdjes staan op lange stelen en vormen samen een losse, tuilvormige pluim van 8 tot 15 hoofdjes. Het omwindsel bestaat uit 1 rij lancetvormige, spitse blaadjes met een verdikte middennerf. Aan de basis hiervan bevinden zich nog enkele zeer kleine buitenomwindselblaadjes. Op bewolkte dagen blijven de hoofdjes gesloten. Op zonnige dagen zijn ze alleen in de ochtend geopend. In tuinen kan akkerkool een lastig onkruid zijn, omdat ze zich makkelijk door middel van zaad vermeerderd.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren zijn verdeeld in een grote eindlob en enkele kleinere slippen. De bovenste bladeren zijn smaller en onverdeeld. Alle bladeren zijn gesteeld of steelvormig versmald, bochtig getand en behaard.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Jonge bladeren kunnen verwerkt worden in een salade, kort worden gewokt of worden gekookt als spinazie. Ze smaken pittig, als radijs.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 120 cm

Bloem
– lichtgele lintbloemen
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje, lang gesteeld
– 1 tot hooguit 2 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– liervormig
– lang gesteeld
– bovenste :
– enkelvoudig
– eirond
– korter gesteeld
– top spits
– rand bochtig getand
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– onderaan behaard

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-gr-akkerkool

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Gewoon speenkruid : Ficaria verna subsp. verna

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

Ranunculus_ficaria-01_speenkruid1-I2

 

 

Goed te herkennen aan
– de glanzend gele bloemen en
– de vlezige glanzende bladeren en
– de vroege bloei

 

 

 

 

 

Algemeen 

 

Gewoon speenkruid is een zeer algemeen voorkomend overblijvend plantje. Ze groeit voornamelijk op zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, voedselrijke grond tussen hakhout, onder heggen, aan slootkanten, in weiden, bermen, tuinen en bossen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Een van de eerste bloemen die in het voorjaar verschijnen zijn de stervormige gele bloemen van gewoon speenkruid. Bij donker weer blijven de bloemen gesloten, maar zodra de zon schijnt spreiden de kroonblaadjes zich uit.

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De iets vlezige, lang gesteelde blaadjes zijn glanzend groen en liggen dakpansgewijs over elkaar heen om zoveel mogelijk te profiteren van het zonlicht. Eind mei is gewoon speenkruid weer geheel verdwenen. Vermeerdering vindt voornamelijk plaats door middel van knolletjes, die door de mens, dier of de regen worden verspreid. Die knolletjes bevinden zich in de oksels van de onderste bladeren en zijn vooral na de bloei goed zichtbaar.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Ze bevatten veel vitamine C en kunnen gebruikt worden in salades. Neem dan wel de bladeren voor de bloei, want tijdens de bloei vormen zich giftige stoffen in de bladeren.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Vreemd speenkruid lijkt op gewoon speenkruid. Ze mist echter de knolletjes in de bladoksels en heeft bredere, meestal meer kroonblaadjes, die elkaar bedekken met de randjes. Vreemd speenkruid kun je op verscheidene buitenplaatsen tegenkomen. Ze is daar gekomen met ingevoerde bolplanten.

 

 

vreemd speenkruid

 

 

 

vreemd speenkruid

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 5 tot 30 cm hoog
– zodenvormend

Bloem
– geel
– vanaf maart t/m mei
– gesteeld alleenstaand
– 2 tot 3 cm
– stervormig
– 6 tot 12 kroonbladen, niet vergroeid
– 3 soms 4 kelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– hartvormig
– top stomp
– rand gaaf tot bochtig gekarteld
– voet hartvormig
– netnervig
– glanzend

Stengel
– liggend, aan het einde opgericht
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

gewoon speenkruid

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Vogelmuur : Stellaria media

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

 

Goed te herkennen aan 
– ronde stengel met haarlijst
– kroonbladen net zo lang of iets korter dan de kelkbladen
– meestal 3 meeldraden en altijd 3 stijlen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Vogelmuur is zeer algemeen voorkomend, eenjarig plantje van 10 tot 40 cm hoog, dat onder gunstige omstan-digheden het hele jaar door kan bloeien. Ze groeit op open, droge tot vochtige, voedselrijke, omgewerkte grond, vooral in akkers, tuinen en wegbermen.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Vogelmuur bloeit met kleine witte bloemetjes, die 5 diep gespleten kroonbladen hebben, waardoor het lijkt of er 10 kroonbladen zijn. Verder hebben ze (1-)3(-8) meeldraden en 3 stijlen. De kroonbladen zijn even lang of iets korter dan de kelkbladen.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn groen of rood, slap, liggend en behaard met één rij haren, die in de lengte over de stengel loopt. De kruisgewijs tegenoverstaande bladeren zijn eirond met een spits topje. De onderste zijn gesteeld, de bovenste ongesteeld.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

In de volksgeneeskunde wordt vogelmuur gebruikt tegen reuma, artritis, pijnlijke ledematen en longaandoe-ningen. Verse bladeren worden op wonden en huiduitslag gelegd. Ook kan de plant als groente worden gegeten, de smaak is zacht nootachtig. Vogels eten de bladeren en zaden.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 10 tot 40 cm hoog

Bloem
– wit
– hele jaar
– scherm
– 8 tot 10 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 behaarde kelkbladen
– (1-)3(-8) meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– veernervig
– onderste gesteeld
– bovenste zittend

Stengel
– liggend
– rood of groen
– behaard met 1 rij haren
– rolrond

zie wildebloemen

 

.

 

.

 

 

 

 

 

Kleine maagdenpalm : Vinca minor

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de grote, lichtblauwe of blauw-paarse, 5-tallige bloemen aan
– een bodem bedekkende plant en
– de in de winter groen blijvende, glanzende bladeren met kale rand

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kleine maagdenpalm is een wintergroene, overblijvende, bodem bedekkende plant op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en tuinen. Ze is vrij algemeen voor komend in de Lage Landen en is ook te koop als tuin-plant. In Limburg vind je nog oorspronkelijk wilde exemplaren. De plant is wettelijk beschermd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kleine maagdenpalm bloeit vanaf half april tot begin mei,  in zachte winters eerder. Ook in de overige maanden kun je haar bloeiend aantreffen, maar dan minder enthousiast. De bloemen van oorspronkelijk wilde exemplaren zijn lichtblauw, die van de tuinversie blauw-paars. Ze zijn groot en hebben 5 asymmetrische kroonbladen, waar-van de bovenste gedeelte wijd uitstaat en het onderste gedeelte buisvormig is vergroeid. Het hart van de bloem is wit. De bloemen staan op korte stelen. Per bladpaar groeit er 1 bloem in één van de twee bladoksels.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn glanzend groen en blijven in de winter aan de plant zitten. De niet bloeiende stengels liggen op de grond, wortelen op de knopen en kunnen meters lang worden. De bloeiende stengels staan rechtop en wor-den tot 30 cm hoog.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bloemen van kleine maagdenpalm zijn te eten en kunnen gebruikt worden ter versiering van taarten en sala-des. In de fytotherapie kent kleine maagdenpalm vele toepassingen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Grote maagdenpalm lijkt veel op kleine maagdenpalm, maar ze is in alles groter en de rand van de bladeren is gewimperd. De bladrand van kleine maagdenpalm is kaal. Grote maagdenpalm komt niet voor in Nederland.

 

 

grote maagdenpalm

 

 

 

Algemeen

 

maagdenpalmfamilie (Apocynaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– ook als tuinplant
– bloeistengel 15 tot 30 cm

Bloem
– lichtblauwe, blauw-paars, zelden wit
– april en mei
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– elliptisch tot lancetvormig
– top spits
– rand gaaf en kaal
– voet afgerond of wigvormig
– veernervig
– glanzend

Stengel
– rechtop of liggend
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen