Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
Exodus 26 : de tabernakel en de tent
Exodus 27 : 1-8 > het koperen altaar
9-19 > de voorhof
20-21 > olie voor de kandelaar
Exodus 26-27 / De tabernakel en de tent









Pasteltekening van John Astria


.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
pasteltekening van John Astria
Het is interessant om te ontdekken dat er meer Bijbelverzen over de hel gaan dan over de hemel. Hier zijn een paar verzen uit het Oude Testament die over de hel gaan.
Daniël 12:2 : “Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.”
De hel wordt hier als eeuwig beschreven.
Jesaja 66:24 : “Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.”
In deze passage wordt de hel beschreven als een plaats waar het vuur niet zal worden gedoofd.
Deuteronomium 32:22: “Als het vuur van mijn toorn is ontstoken zal het branden tot in het diepste dodenrijk; het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit, het zal de grondvesten van de bergen verteren.”
Hier is de hel een plaats waar God zijn toorn zal uitgieten
Psalmen 55:16 : “Laat de dood hen onverhoeds treffen, laat hen levend neerdalen in het dodenrijk, want bij hen huist het kwaad, het heerst in hun hart.”
De hel is het rijk van de zondaars
Bestaat de hel? Als de duidelijke taal van het Oude Testament nog niet genoeg is, dan heeft ook het Nieuwe Testament hier genoeg over te zeggen.
2 Tessalonicenzen 1:9 : “Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit.”
Openbaring 14:11 : “De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid. Wie het beest en zijn beeld aanbidden, of wie het merkteken van zijn naam draagt, ze krijgen geen rust, overdag niet en ’s nachts niet.”
Openbaring 20:14-15 : “Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.”
pasteltekening van John Astria
Sommige mensen die beweren dat de hel niet bestaat, doen dit op basis van hun geloof dat Jezus liefde, vrede, en vergeving predikte en dat Hij ons niet onderwees over een eeuwige, vurige plaats waar ongelovigen gestraft zouden worden. Het tegenovergestelde is juist waar. In Gods Woord onderwees niemand méér over de hel dan Jezus.
Hij beschreef de hel als een plaats van
eeuwig vuur, (Matteüs 25:41)
eeuwige bestraffing (Matteüs 25:46)
en een plaats van kwelling, vlammen, en lijden (Lucas 16:23-24).
Jezus onderwees tijdens Zijn leven vele malen uitdrukkelijk over de hel (Matteüs 5:22, 29-30; 10:28; 18:9; 23:15,33; Marcus 9:43-47; Lucas 12:6; 16:23).
Als de hel bestaat, hoe kan die dan rechtvaardig zijn? Waarom zou een liefdevolle God een mens eeuwig straffen, als zijn zonde slechts over een periode van zo’n 70-80 jaar plaatsvond? Het antwoord is dat uiteindelijk alle zonden tegen God zijn gekeerd. God is oneindig (Psalmen 51:4). Omdat God een eeuwig en oneindig Wezen is, is dus elke zonde een oneindige bestraffing waard.
God houdt van ons (Johannes 3:16) en Hij wil dat alle mensen gered worden (2 Petrus 3:9). Maar God is ook rechtvaardig en oprecht; Hij zal niet toestaan dat zonde onbestraft wordt gelaten. Dit is de reden dat God Jezus stuurde om de prijs voor onze zonden te betalen. De dood van Jezus Christus was een eeuwige dood. Het was de betaling van onze schuld die het gevolg was van onze oneindige zonde, zodat wij hier niet tot in de eeuwigheid in de hel voor zouden hoeven te boeten (2 Korintiërs 5:21).
Het enige dat wij hoeven te doen is ons vertrouwen op Hem te stellen. Onze zonden zijn daarmee vergeven en ons wordt daarvoor een eeuwig thuis in de hemel beloofd. God hield zo veel van ons dat Hij voorzag in onze redding.
Als jij vandaag zou sterven, zou je dan met 100% zekerheid weten dat je naar de hemel gaat? Zorg er vandaag voor dat je het zeker weet!
Pasteltekening van John Astria
De Bijbel spreekt als geen ander boek op aarde over gebedsgenezing. Van begin tot eind verhaalt de Bijbel over de grote God van wonderen, die vol liefde is voor de gebroken mens, en die van harte bereid is onze ziekten te genezen en ons het leven in overvloed te geven. Zowel de profeten in het Oude Testament als de apostelen in het Nieuwe Testament zagen steeds weer dat God mensen volkomen herstelde door gebedsgenezing.
In het bijzonder in de bediening van Jezus Christus, die ons op volmaakte wijze liet zien wie God is, gebeurde vele duizenden wonderen van genezing.
Zo’n 25 procent van de evangeliën bestaat uit de geschiedschrijving van de talloze wonderen die Jezus deed. Door zoveel zieken te genezen, liet Hij enerzijds zien dat hij inderdaad de Zoon van God is. Het bevestigde zijn goddelijke gezag, zodat mensen luisteren naar zijn boodschap. Bovendien toonde Hij op deze manier hoeveel liefde en bewogenheid God heeft voor de lijdende mens en dat het niet Gods wil is dat zijn dierbare, geliefde kinderen ondraaglijk lijden door gruwelijke ziekte en pijn.
Jezus Christus genas echter niet alleen zelf vele duizenden zieken, Hij gaf ook zijn volgelingen nadrukkelijk opdracht hetzelfde te doen. Dit is wat Jezus Christus zei tegen zijn volgelingen:
“Genees de zieken en zeg tegen de mensen: Het koninkrijk van God is dicht bij u.” (Lukas 10:9)
“Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader.” (Johannes 14:12)

Dat God vroeger grote wonderen deed, begrijpen veel mensen wel. Maar de vraag is of dit ook nog vandaag de dag gebeurt. Om antwoord op deze vraag te krijgen moeten we eerlijk durven lezen wat er in de Bijbel staat. Een centraal thema in de Bijbel is Gods verlangen om zijn geliefde kinderen te bevrijden van elk juk in hun leven en ze het leven in overvloed te geven. Dit zijn enkele citaten uit de Bijbel:
“Geliefde, ik bid, dat het u in alles wèl ga en gij gezond zijt.” (3 Johannes 1:2)
“Smaakt en ziet, dat de HERE goed is; welzalig de man die bij Hem schuilt.” (Psalm 34:9)
“Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.” (Johannes 10:10)
“Hij geneest al uw kwalen, hij redt uw leven van het graf, hij kroont u met trouw en liefde, hij overlaadt u met schoonheid en geluk, uw jeugd vernieuwt zich als een adelaar.” (Psalm 103:3-5)
Nergens kun je in de Bijbel lezen dat God er vreugde in heeft om zijn geliefde kinderen ziek te maken, hun leven te vernietigen en ze ondraaglijk lijden mee te geven. Integendeel, God benadrukt doorheen de Bijbel dat Hij ons leven wil geven, vreugde, rust, geluk, enz. Hij is een goede Vader, die voor ons zorgt.
Naast de algemene openbaring over het karakter van God, laat de Bijbel ons zien dat we God op volmaakte wijze kunnen leren kennen als we kijken naar Jezus Christus. Jezus Christus zei dat Hij alleen deed wat de Vader Hem toonde en dat Hij en de Vader een volmaakte eenheid zijn.
“Als je mij kent, zul je ook mijn Vader kennen.” (Johannes 14:7)
‘Ik verzeker u,’ zei Jezus tegen hen, ‘de Zoon kan niets doen uit zichzelf; hij doet alleen wat hij de Vader ziet doen. Wat hij doet, doet de Zoon ook.’ (Johannes 5:19)
De volmaakte wil van God is door niemand anders zo volkomen tot uiting gekomen als in zijn Zoon Jezus Christus. In de woorden en daden van Jezus zien we wie God is.
“Hij genas hen van alle ziekten en kwalen. Ze brachten hem ALLEN die er slecht aan toe waren, mensen met allerlei ziekten en pijnen, bezetenen, lijders aan vallende ziekte en verlamden, en hij maakte hen beter.” (Mattheus 4:23,24)
“Ze brachten verlamden, blinden, kreupelen en doofstommen mee en nog veel andere zieken en legden die aan zijn voeten neer. En hij genas hen.” (Mattheus 15:30)
“Blinden en verlamden kwamen daar bij hem en hij genas hen.” (Mattheus 21:14)

“Als een weldoener ging hij rond: hij genas allen die in de macht van de duivel waren.” (Handelingen 10:38)
Nergens in de Bijbel zie je dat Jezus Christus iemand niet wilde genezen. Eigenlijk kon Jezus slechts op een enkele plek niet velen genezen, en dat was in de stad van zijn jeugd, waar ze geen geloof in Hem hadden. Dat lag dus niet aan Jezus, maar aan de mensen die Hem niet erkenden als een gezondene van God.
Dat is wat de Bijbel ons klaar en duidelijk laat zien. Is gebedsgenezing echter ook nog voor vandaag? Geneest Jezus ook nu de zieken? Doet God nog steeds wonderen? Het antwoord is eenvoudiger dan je misschien denkt. Jezus gaf namelijk een duidelijke opdracht aan zijn volgelingen:
“Genees de zieken en zeg tegen de mensen: Het koninkrijk van God is dicht bij u.” (Lukas 10:9)
“Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader.” (Johannes 14:12)
“Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.” (Johannes 20:21)
Jezus geeft zijn volgelingen de duidelijke opdracht om zieken te genezen. Nergens in de Bijbel staat dat God deze opdracht heeft teruggetrokken. De bewering dat deze opdracht niet voor vandaag geldt, kan op geen enkele wijze vanuit de Bijbel gestaafd worden. Integendeel, dan ga je radicaal in tegen het duidelijke geschreven Woord van God dat ons de nadrukkelijke opdracht geeft: Genees de zieken.
Gebedsgenezing is voor volgelingen van Jezus Christus een opdracht. Niet alleen lang geleden, maar ook vandaag. Omdat gebedsgenezing zo belangrijk is, geeft God bovennatuurlijke gaven van de Geest aan zijn kinderen om zieken te genezen:
“Door die ene Geest krijgen anderen de gave om zieken te genezen of de kracht om wonderen te doen.” (1 Korinthe 12:9)
Er is een leugen in veel kerken binnengeslopen dat gebedsgenezing en wonderen niet meer voor deze tijd zijn en enkel was weggelegd voor de tijd van de apostelen uit de eerste eeuw. Die leer staat in schril contrast met wat de Bijbel leert. Niet alleen spreekt het Nieuwe Testament over Gods wil en opdracht om te genezen, ook in het Oude Testament is het duidelijk wie God is:
“Ik, de HERE, ben uw Heelmeester.” (Exodus 15:26)

God heeft altijd mensen gebruikt om zijn genezing door te geven. In het Oude Testament gebruikte Hij zijn profeten, daarna kwam Gods wil tot uiting in Jezus Christus die vele duizenden (zelfs uit de landen rond Israël) genas. En Jezus gaf de opdracht aan hen die Hem dienen:
doe hetzelfde wat Ik gedaan heb. De Vader zond Mij, nu zend Ik jullie. Ga, verkondig het koninkrijk en genees de zieken.
Dat is een hele uitdaging, die ons heel diep naar God zelf toe trekt. Het maakt ons hongerig om niet alleen woorden over God te kennen, maar om Hem zelf te kennen en zijn kracht te ontdekken in ons leven. Religie brengt geen genezing, maar bestrijdt juist de kracht van God. Religie wil enkel woorden. Maar als we Jezus Christus gehoorzamen, worden we heel diep afhankelijk van God en weten we: het is tijd dat we ons losmaken van alles wat Jezus Christus belemmert en dat we gehoor geven aan zijn roep.
Toen God bijvoorbeeld beschreef hoe hij Jeruzalem gezegend had, sprak hij over de stad als een vrouw en zei:
„Voorts tooide ik u met sieraden en gij werdt zeer, zeer schoon” (Ezechiël 16:11-13).
Tot die sieraden, die weliswaar symbolisch waren, behoorden armbanden, een halsketting en oorringen.
De Bijbel vergelijkt ook „een wijze terechtwijzer”, wiens woorden door een bereidwillige luisteraar ter harte worden genomen, op een positieve manier met persoonlijke gouden sieraden (Spreuken 25:1, 12).
Door deze positieve uitingen in de Bijbel mag men besluiten dat God er niets op tegen heeft dat vrouwen zich met mooie voorwerpen tooien om er beter uit te zien.
Sommige gedeelten uit de Bijbel gaan rechtstreeks over dit onderwerp. De apostel Paulus schreef:
„Ik wens dat de vrouwen zich in welverzorgde kleding sieren.”
Als dat met „bescheidenheid en gezond verstand” wordt gedaan, kan het een weerspiegeling zijn van haar eerbied voor God (1 Timotheüs 2:9, 10).
Wanneer christelijke vrouwen zich op zo’n bescheiden manier mooi maken, kan dat een gunstig licht werpen op Gods leringen en op de gemeente.
Sommigen brengen hiertegen in dat dezelfde verzen zeggen dat een vrouw zich niet mag sieren met :„bijzondere haarvlechtingen en goud of parels of zeer kostbare kleding, maar zoals het vrouwen die belijden God te vereren, past, namelijk door middel van goede werken” ( 1 Timotheüs 2:9 en 10).
Dit betekent niet dat vrouwen niets ter verfraaiing van hun haar mogen doen en geen sieraden mogen dragen, want de bijbel spreekt positief over uiterlijke verzorging.
Dus in plaats van bepaalde sieraden te verbieden, moedigde Paulus vrouwen aan zich er vooral op te concentreren zich met christelijke eigenschappen en goede werken te sieren.
De apostel Paulus schreef:
„Laten wij elkaar niet langer oordelen, maar neemt liever deze beslissing, een broeder geen struikelblok in de weg te leggen noch iets waarover hij kan vallen” (Romeinen 14:13).
Hoe is dit van toepassing op onze keuze op het gebied van kleding en uiterlijke verzorging?
Ten eerste zegt Paulus ons dat we elkaar niet moeten oordelen. We moeten oppassen dat we ’een broeder geen struikelblok in de weg leggen’. De normen voor wat aanvaardbaar is, verschillen per land en per cultuur. Wat in een bepaalde tijd of streek aanvaardbaar is, is misschien ongepast in een andere tijd of streek.
We mogen anderen geen aanstoot geven of hen niet tot struikelen brengen door ons mooi te maken op een manier die in onze cultuur geassocieerd wordt met een verwerpelijke leefstijl. Godvrezende vrouwen zouden zich moeten afvragen hoe de mensen in de omgeving hun uiterlijke verschijning bezien en hoe de leden van de gemeente in verlegenheid kunnen gebracht worden door wat ze dragen.
Zelfs als een christelijke vrouw het recht heeft zich op een bepaalde manier te kleden of op te maken, zal ze van dat recht afzien als haar stijl aanstootgevend is. — 1 Korinthiërs 10:23, 24.
Ook kan te veel aandacht voor het uiterlijk een ongezonde houding tot gevolg hebben. Tegenwoordig maken vrouwen in veel landen zich mooi om te flirten en op een onbescheiden manier de aandacht op zichzelf te vestigen. Maar christelijke vrouwen zullen zo’n verkeerde houding vermijden en zullen proberen in hun doen en laten gezond van verstand en eerbaar te zijn.
„zodat er niet schimpend over het woord van God wordt gesproken”. — Titus 2:4, 5.
Godvrezende vrouwen beseffen dat hoewel ze misschien aandacht aan hun uiterlijk besteden, hun echte schoonheid in „de verborgen persoon van het hart” ligt en dus tot uiting komt in hun houding en gedrag (1 Petrus 3:3, 4). De vrouw die qua kledingstijl, gebruik van cosmetica en sieraden verstandige keuzes maakt, wint het respect van anderen en eert haar Schepper.
Tegenwoordig gelden strikt genomen alleen diamanten, smaragden, robijnen en saffieren als edelstenen, terwijl andere zeldzame en mooie stenen als halfedelstenen worden beschouwd. De Hebreeuwse uitdrukking over edelstenen heeft echter een ruimere betekenis. Deze edelstenen onderscheiden zich voornamelijk van andere mineralen door hun zeldzaamheid, schoonheid en duurzaamheid.
De eerste keer dat er in de Bijbel melding wordt gemaakt van kostbare stenen, is in Genesis 2:11, 12, waar Havila wordt beschreven als een land met goed goud, „bdelliumhars en de onyxsteen”.
„Allerlei edelgesteente was uw bedekking: robijn, topaas en jaspis; chrysoliet, onyx en jade; saffier, turkoois en smaragd; en van goud was de makelij van uw zettingen en uw kassen in u” (Ez 28:12, 13).
Hoewel men in de oudheid edelstenen wel rondsleep en polijstte, schijnt men ze over het algemeen niet van facetten te hebben voorzien, zoals hedendaagse handwerkslieden doen. De Hebreeën en de Egyptenaren gebruikten de smaragd (korund) of smaragdpoeder om edelstenen te polijsten. Vaak werden deze bewerkt en gegraveerd. De Hebreeën verstonden de kunst van het graveren van edelstenen blijkbaar al lang voor hun knechtschap in Egypte, waar de graveerkunst ook reeds bestond. Juda’s zegelring was kennelijk gegraveerd (Ge 38:18).
De efod en het borststuk van de hogepriester
De Israëlieten kregen in de wildernis het voorrecht om zowel voor de tabernakel als voor de efod en het borststuk van de hogepriester diverse waardevolle dingen bij te dragen. En ongetwijfeld ging het hierbij om artikelen die de Egyptenaren hun hadden gegeven toen zij er bij hen op aandrongen hun land te verlaten (Ex 12:35, 36).
De efod (of ephod) was een uit kostbaar materiaal vervaardigd gewaad, ook wel een lijfrok genoemd, dat in het oude Israël werd gedragen door de hogepriester..
Hiertoe behoorden ook „onyxstenen en zetstenen voor de efod en voor het borststuk” (Ex 25:1-7; 35:5, 9, 27). De schouderstukken van de hogepriesterlijke efod waren met twee onyxstenen bezet, en op elk daarvan waren de namen van zes van de twaalf stammen van Israël gegraveerd.
„Het borststuk der rechtspraak” was met vier rijen kostbare stenen versierd, waarover het verslag zegt:
Ze werden in gouden kassen in hun zettingen gevat.” Op elk van deze stenen was de naam van een van de twaalf stammen van Israël gegraveerd. — Ex 39:6-14; Ex 28:9-21.
Hoewel God koning David niet toestond de tempel in Jeruzalem te bouwen (1Kr 22:6-10), schonk het de bejaarde David veel vreugde waardevolle materialen voor de tempelbouw in gereedheid te brengen, waaronder ook onyxstenen en stenen die gezet moeten worden met harde mortel, en mozaïekstenen, en allerlei kostbaar gesteente, en albaststenen in grote hoeveelheid. Hij droeg zelf een aanzienlijke hoeveelheid materialen bij, en ook het volk schonk vrijwillige gaven (1Kr 29:2-9). Toen Salomo de tempel bouwde, „bekleedde hij het huis met kostbaar gesteente”, dat wil zeggen, hij versierde het met edelstenen. — 2Kr 3:6.
Nadat de apostel Paulus Jezus Christus had geïdentificeerd als het fundament waarop christenen dienen te bouwen, maakte hij in verband met de christelijke bediening gewag van diverse soorten bouwmaterialen. Volgens zijn woorden behoorden tot de uitgelezen materialen ook figuurlijke kostbare stenen, die de kracht van vuur zouden kunnen weerstaan. — 1Kor 3:10-15.
Kostbare stenen worden in de Schrift soms gebruikt om eigenschappen van hemelse of geestelijke dingen, respectievelijk personen, te symboliseren. De hemel werd voor Ezechiël geopend, en in twee visioenen zag hij vier gevleugelde levende schepselen met naast elk van hen een wiel, waarvan de aanblik met de gloed van chrysoliet werd vergeleken, wat wil zeggen dat ze geel of misschien groen van kleur waren (Ez 1:1-6, 15, 16; 10:9).
Later zag Daniël een engel, een zekere man, in linnen gekleed, wiens lichaam als chrysoliet was. — Da 10:1, 4-6.
In een visioen dat Ezechiël van Gods heerlijkheid had, zag hij ook „iets dat er uitzag als saffiersteen, iets dat geleek op een troon” (Ez 1:25-28; 10:1).
De heerlijkheid van God zelf wordt met de verblindende schoonheid van edelstenen vergeleken, want toen de apostel Johannes Gods hemelse troon zag, zei hij: „Degene die erop is gezeten, is van aanzien gelijk een jaspissteen en een kostbare roodkleurige steen, en rondom de troon is een regenboog, van aanzien aan een smaragd gelijk.” — Opb 4:1-3, 9-11.
Van het Nieuwe Jeruzalem wordt gezegd: Haar glans was gelijk een zeer kostbare steen, als een kristalhelder schijnende jaspissteen. De twaalf fundamenten van haar muur waren met allerlei edelgesteente versierd, elk fundament met een andere steensoort: jaspis, saffier, chalcedon, smaragd, sardonyx, sardius, chrysoliet, beril, topaas, chrysopraas, hyacint en amethist. De twaalf poorten van de stad waren twaalf parels. — Opb 21:2, 9-21;
Pasteltekening van John Astria