Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
.
Matthew 8 (Part 4) :28-34 – Healing of two demon-possessed men
.
Mattheüs 8 (deel4) : 28-34 – Genezing van twee door demonen bezeten mannen
.
Paul LeBoutillier
.
.




pasteltekening van john Astria
De Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament en de Bijbel. Het werd geschreven door de apostel Johannes op het eiland Patmos, een eiland in de Egeïsche Zee vlakbij Turkije. Het boek is gedateerd in 96 NC, alhoewel er ook argumenten zijn voor een vroegere datum. Omdat de teksten in het Grieks geschreven zijn, noemt men het boek ook de Apocalyps.
Hedendaags gebruikt men dit woord wanneer men de klemtoon wil leggen op een grote ramp. Het is een profetisch boek en bevat 22 hoofdstukken. God openbaart Johannes via een visioen geheimen over de eindtijden, gebeurtenissen die de mens zijn verstand te boven gaan.
Dit zijn citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Het is aan de mens om de eerste stap te zetten. Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar. In het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft.
Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren kennen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toekomst tegemoet kunnen gaan.
-zijn doel met deze wereld
-de toekomst van Israël en de wereld
-het mysterie van het goede en het kwade
-de bestraffing van het goede en de bestraffing van het kwade
-de toekomstige natuurrampen en oorlogen
-de wederkomst van de Messias
-de dag des oordeel
-het uitzicht in de hemel en zijn troon
-de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
De Openbaring is moeilijk te begrijpen door de vele mystieke symbolen in de teksten en de verwijzingen naar het Oude Testament. De geschiedenis van Israël is een leidraad doorheen de 22 hoofdstukken. Jeruzalem wordt het centrum van Goddelijke theocratie voor gans de wereld.








.
.
.
.
.
De Bijbel vertelt ons dat God de aarde in zes dagen schiep, en dat de planten en dieren ‘naar hun aard’ (Hebreeuws: miyn, ook wel ‘soort’) werden geschapen. De verschillende typen planten en dieren werden dus apart geschapen, en hoewel er uit één type meerdere soorten kunnen ontstaan, is er dus geen sprake van grootschalige gezamenlijke afstamming, zoals de evolutietheorie stelt. Bovendien was de tijdschaal van de schepping veel te kort om evolutie plaats te laten vinden.
Hoewel de Bijbel en evolutie diametraal tegenover elkaar staan, zijn sommige christenen toch zó onder de indruk van het ogenschijnlijk overtuigende bewijsmateriaal voor evolutie, dat ze naar allerlei manieren zoeken om toch in evolutie en de miljarden jaren te kunnen geloven. (Al hebben maar weinigen dit bewijsmateriaal goed onderzocht.) Eén van de meest toegeeflijke compromisposities is theïstisch evolutionisme.
Het idee is dat God evolutie gebruikte als scheppingsmethode. De mate waarin God hier actief bij betrokken is geweest varieert van theïstisch evolutionist tot theïstisch evolutionist, maar allemaal accepteren ze de miljarden jaren en grootschalige gezamenlijke afstamming. Dus waarom niet schepping en evolutie? Kan God niet gewoon gebruik gemaakt hebben van evolutie als manier om ons te scheppen? Nee. Evolutie en geloof in de Bijbelse God zijn onverenigbaar.
.
.
Theïstisch evolutionisme levert een totaal verkeerd beeld van het karakter van God. De God van de Bijbel is goed (Lucas 18:19) en alles wat Hij doet is volmaakt (Deut 32:4). Maar hoe is de God van theïstisch evolutionisme?
Evolutie staat in schril contrast met Gods volmaaktheid. Evolutie door mutaties en natuurlijke selectie is een verschrikkelijk wreed proces. Honderden miljoenen jaren lang hebben dieren geleden, hebben dieren elkaar bestreden, bejaagd en gedood, zijn dieren om het leven gekomen door ziekte, honger of predatie.
De ‘voorwaartse stappen’ in de evolutie als gevolg van natuurlijke selectie zijn ten koste gegaan van miljoenen individuen die de strijd om het bestaan en succesvolle voortplanting verloren hebben. Degenen die te zwak waren zijn genadeloos verdelgd. De geschiedenis van het leven is er één van ongekend veel pijn, ziekte, lijden, dood en talloze uitstervingen.
.
.
.
.
De evolutionaire tijdlijn: Het ontstaan van de mens werd vooraf gegaan door honderden miljoenen jaren van natuurlijke selectie, pijn, ziekte, predatie en dood. De god van miljoenen jaren van evolutie en natuurlijke selectie is wreed en bloeddorstig. Zelfs atheïsten zien deze grote tegenstrijdigheid in. Darwin zelf noemde de werken der natuur (natuurlijke selectie) klunzig, verspillend, blunderend, laag en verschrikkelijk wreed.
De atheïstische bioloog en Nobelprijswinnaar Jacques Monod zei:
Natural selection is the blindest, and most cruel way of evolving new species […] because it is a process of elimination, of destruction. The struggle for life and elimination of the weakest is a horrible process, against which our whole modern ethics revolts. An ideal society is a non-selective society, is one where the weak is protected; which is exactly the reverse of the so-called natural law. I am surprised that a Christian would defend the idea that this is the process which God more or less set up in order to have evolution.
Jacques Monod, “The Secret of Life,” Interview met Laurie John, Australian Broadcasting Co., 10 juni 1976
De filosoof David Hull schreef:
Whatever the God implied by evolutionary theory and the data of natural history may be like, He is not the Protestant God of waste not, want not. He is also not a loving God who cares about His productions. He is not even the awful God portrayed in the book of Job. The God of Galápagos is careless, wasteful, indifferent, almost diabolical. He is certainly not the sort of god to whom anyone would be inclined to pray.
Hull, David L., “The God of the Galápagos,” review van Darwin on Trial, Nature, vol. 352 (August 8, 1991), p. 486.
.
.
Op dit moment is de wereld een verschrikkelijke plaats om op te leven.2 Maar als (theïstisch) evolutionisme klopt, is dat altijd al zo geweest. Als het altijd zo is geweest, en het zelfs de scheppingsmethode is geweest… dan is God verantwoordelijk voor al deze ellende. Dan is God de schuldige van dit alles.
De Bijbel leert ons echter iets anders. Tijdens de schepping observeerde God meerdere malen dat het ‘goed’ was (Genesis 1:4, 10, 12, 18, 21, 25), en nadat Hij zijn werk voltooid had zelfs ‘zeer goed’ (1:31). Ook staat er dat God de dieren ‘het groene kruid’ als voedselbron gaf (1:30), dus er was geen predatie.
Het is ook zeer waarschijnlijk dat de dieren met een ziel oorspronkelijk niet dood gingen. Maar door toedoen van de mens kwam hier verandering in. Bij de zondeval keerde de mens God de rug toe, en bracht daarmee al de ellende in de wereld die we nu zien. De mens, niet God, is dus verantwoordelijk.
.
.
De God van de Bijbel is goed, liefhebbend en zorgzaam, maar de god van evolutie is wreed en gemeen. De Bijbel zegt dat pijn, predatie en dood pas bij de zondeval in de wereld kwamen, en de mens is hiervoor verantwoordelijk. Maar theïstisch evolutionisme behelst dat deze verschrikkelijke dingen er honderden miljoenen jaren voor het ontstaan van de mens al waren, en dat God dus verantwoordelijk is. De christelijke God kan onmogelijk evolutie hebben gebruikt om het leven te scheppen.
.
.
The total amount of suffering per year in the natural world is beyond all decent contemplation. During the minute that it takes me to compose this sentence, thousands of animals are being eaten alive, many others are running for their lives, whimpering with fear, others are being slowly devoured from within by rasping parasites, thousands of all kinds are dying of starvation, thirst and disease.’Dawkins, Richard, “God’s Utility Function,” Scientific American, vol. 273 (November 1995), pp. 80‑85.
.
.
.
.
.
.
.
.





