Tagarchief: medicijnen

ADHD of attention deficit hyperactivity disorder

Standaard

categorie : gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

ADHD (attention deficit hyperactivity disorder), ook wel aandachtstekort-hyperkinetische stoornis of aandachtstekort-hyperactiviteitstoornis genoemd, is een aan het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders ontleende benaming voor een cluster van symptomen. Kenmerkend zijn impulsief gedrag, concentratieproblemen, rusteloosheid en leermoeilijkheden. De symptomen beginnen in de kindertijd en werken veelal belemmerend bij het dagelijks maatschappelijk functioneren.

 

 

 

 

 

 

 

 

ADHD is een omstreden stoornis omdat de symptomen in meer of mindere mate bij de meeste mensen voorkomen. De mate waarin het gedrag normaal functioneren belemmert is afhankelijk  van wat in een samenleving als normaal wordt verondersteld.

Het is goed mogelijk dat ADHD het uiteinde vertegenwoordigt van een normaal continuüm van persoonlijkheidskarakteristieken op het gebied van aandacht, prikkelgevoeligheid en motoriek. Ook het grootschalige gebruik van medicatie voor ADHD bij kinderen en de wereldwijde verspreiding van diagnose en behandeling dragen bij aan de publieke discussie over ADHD.

 

 

 

Voorkomen

 

In 2000 werd geschat dat circa 3 tot 5% van de kinderen ADHD had. In recenter onderzoek wordt een cijfer van 7 tot 8% van de kinderen en 2 tot 5% van de volwassenen genoemd. Het voorkomen hangt samen met een aantal risicofactoren zoals de leeftijd, het mannelijk geslacht, chronische gezondheidsproblemen, problemen in de familie, een lage sociaal economische status, de aanwezigheid van ontwikkelingsstoornissen en het wonen in een stad. De ziekte komt in alle tot nu toe onderzochte landen voor. De stoornis manifesteert zich in principe vroeg in het leven. Bij jongens wordt de diagnose drie keer zo vaak vastgesteld als bij meisjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

In tweederde van de gevallen blijft ADHD aanhouden tot de volwassenheid maar de symptomen nemen af. Ook in de gevallen waar de symptomen tijdens de volwassenheid verdwijnen, functioneert 90% nog niet goed. Bij volwassenen wordt voor de aandoening soms de naam adult attention deficit disorder (AADD) gebruikt.

 

 

 

Kenmerken en diagnose

 

Personen met ADHD zijn beweeglijk, onrustig en minder voorspelbaar in hun motoriek en in hun denken. Ze zijn gevoelig voor prikkels van buitenaf, maar zoeken de prikkels zelf op wanneer die ontbreken.

Het “aandachtstekort” slaat niet op onvoldoende aandacht krijgen. Wel kan iemand met ADHD onvoldoende aandacht schenken aan zijn of haar omgeving doordat het niet goed mogelijk is om de aandacht bij één ding tegelijk te houden (concentratiegebrek). Een ADHD’er wordt snel afgeleid.

Hyperactiviteit kan zich uiten door lichamelijke onrust, maar ook door innerlijke onrust en impulsiviteit. Bij hyperactiviteit kan er ook sprake zijn van overmatige beweeglijkheid. Deze beweeglijkheid is door ADHD’ers vaak moeilijk te onderdrukken. Sommige ADHD’ers lijken zelf weinig tot niet bewust van hun eigen beweeglijkheid tot hen hierop gewezen wordt.

De mate en manier van beweeglijkheid is voor elke ADHD’er verschillend. Sommigen maken  grote bewegingen met benen of armen, sommigen friemelen meer met de vingers en handen. De beweeglijkheid kan in verschillende situaties ontstaan of verergeren. Over het algemeen zijn dat situaties met stress of een drukke omgeving.

Impulsiviteit betekent dat indrukken worden gevolgd door bijbehorend handelen. De handelingen moeten direct plaatsvinden en kunnen niet worden uitgesteld. Handelingen die eenmaal in gang zijn gebracht kunnen niet meer worden gestopt en moeten eerst worden afgemaakt. Afhankelijk van de situatie waarin zich de impulsiviteit voordoet kan deze tot problemen leiden.

Er kan vaak minder goed onderscheid worden gemaakt tussen belangrijke en minder belangrijke zaken. Bij taken worden dan verkeerde prioriteiten gelegd. De combinatie van bewegelijkheid en impulsiviteit zijn kenmerkend voor het drukke gedrag van personen met ADHD.

Bij een overmaat aan prikkels zoals bijvoorbeeld achtergrondmuziek in winkels, sterke geuren, veel mensen in zijn omgeving, enz., zal een persoon met ADHD zich liever in een rustige omgeving terugtrekken. De symptomen zijn het duidelijkst zichtbaar in de vroege kinderjaren. De diagnose vaak gesteld wanneer een kind nog op de basisschool zit.

De symptomen veranderen geleidelijk naarmate kinderen volwassen worden. De hyperactiviteit en impulsiviteit worden minder duidelijk zichtbaar en de problematiek verschuift naar meer subtiele symptomen zoals innerlijke onrust, onoplettendheid, gebrek aan organiserend vermogen en vermindering van gedrag m.b.t. uitvoerende taken.

Mogelijk omdat de volwassene na verloop van tijd beter met zijn/haar beperkingen leert om te gaan en de maatschappij aan volwassenen andere eisen stelt. Volwassenen met ADHD zijn gebaat bij een vaste structuur in hun werk waarin men optimaal kan functioneren. Men kiest soms onbewust een omgeving waar men minder last ervaart.

 

 

 

 

 

 

 

Diagnose

 

Elke arts is bevoegd om de diagnose ADHD te stellen, maar de stoornis wordt doorgaans vastgesteld door een psychiater of psycholoog of door een orthopedagoog. Deze zijn hiervoor specifieker opgeleid. Alleen een arts is bevoegd om eventueel medicatie voor te schrijven.

Voor stellen van de diagnose ADHD worden verschillende tests en observaties gebruikt. Er bestaat geen standaardtest. Vanwege het gebrek aan een eenduidige manier van diagnosestelling, is de diagnose vaak willekeurig en tendentieus.

In een Zwitsers onderzoek bleek dat in 75 procent van de gevallen de diagnose ADHD ten onrechte wordt gesteld. Wanneer het om een jongen gaat is de kans op een foute diagnose nog groter. Meisjes met dezelfde symptomen als jongens werden vaker ADHD-vrij verklaard.

In oktober 2005 sprak het kinderrechtencomité CRC van de Verenigde Naties zijn zorgen uit over overdiagnose van ADHD en het te vaak voorschrijven van psychoactieve middelen. Het comité sprak zich uit voor meer onderzoek naar de diagnose.

 

 

Leeftijden van personen bij wie ADHD gediagnosticeerd werd:

1 t/m 5 jaar 5%
6 t/m 8 jaar 22%
9 t/m 12 jaar 35%
13 t/m 18 jaar 22%
19+ jaar 16%

 

 

 

Oorzaken van ADHD

 

De hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek naar ADHD is exponentieel toegenomen sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw. De huidige ontwikkelingen in de cognitieve neurowetenschappen, en gedrags- en moleculaire genetica hebben bewijs verschaft dat ADHD een complexe neuro biologische stoornis is. Verschillende hersengebieden en verscheidene neurotransmitters zijn betrokken bij ADHD.

De rol van de neurotransmitter dopamine heeft behoorlijke aandacht gekregen. En de prefrontale cortex lijkt relevant om ADHD te begrijpen. De prefrontale cortex heeft een hoge behoefte aan dopamine, en speelt een rol in cognitieve functies.

De prefrontale cortex heeft veel verbindingen met andere gebieden van de hersenen, met inbegrip van het striatum (nucleus caudatus, putamen), kleine hersenen en de pariëtale cortex. Onderzoek heeft aangetoond dat sommige hersengebieden iets kleiner zijn of afgenomen activiteit hebben bij mensen met ADHD.

 

 

 

Behandeling

 

Met behulp van medicijnen kunnen de symptomen vaak flink worden verminderd. Dit heeft een positieve invloed op het sociaal functioneren. Medicijnen kunnen ook de niet-medicinale behandelingen ondersteunen. De behandeling van ADHD bestaat uit een op het individu afgestemd behandelprogramma, dat vaak medicatie en psychologische, educatieve, sociale en voedingsinterventies omvat.

Het is voor de effectiviteit belangrijk dat de persoon met ADHD en zijn of haar ouders/partner, andere familieleden en leerkrachten/schoolleiding actief bij het opstellen en uitvoeren van het behandelplan betrokken worden. Lotgenotencontact kan hierbij ook van positieve invloed zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

 

Advertenties

Dr Edward Bach (1886-1936)

Standaard

categorie : beroemde personen

 

 

 

 

dr_-edward_bach

.

.

.

Edward Bach was een Engelse arts aan het begin van de 20e eeuw. Als bacterioloog aan het Londense Univer-siteitsziekenhuis bond hij de strijd aan met chronische ziektes en ontwikkelde diverse vaccins. Wat hem tegen-stond in die periode was dat er meer aandacht was voor ziektes dan voor de patiënten. Ook vond hij het niet prettig om vaccins toe te dienen via injecties, omdat de mensen hier bang van waren, en hij merkte dat de werk-zaamheid van de vaccins te lijden had onder die angst.

Later kwam hij te werken in het Londense Homeopathisch Ziekenhuis, en kwam daar in aanraking met het werk van Hahnemann (grondlegger van de hedendaagse homeopathie), waarvan hij zeer onder de indruk was. Hahne-mann was tot dezelfde conclusie gekomen als hijzelf, nl.: “Behandel de patiënt, niet de ziekte”. Door zijn eerde-re werk te combineren met Hahnmann’s homeopathie kwam hij tot de zeven Bach-nosodes, die tot de dag van vandaag gebruikt worden. Wat hem nog niet helemaal beviel was dat homeopathische geneesmiddelen soms ge-maakt worden van stoffen die in pure vorm schadelijk zouden zijn voor de gezondheid.

Bach was ervan overtuigd dat alle remedies die een mens nodig kon hebben al lang “door de Schepper in de na-tuur waren opgenomen”, zoals hij zelf zei. Uiteindelijk liet hij in het voorjaar van 1930 zijn baan in het ziekenhuis en zijn eigen bloeiende Londense praktijk achter, en trok naar het platteland op zoek naar die natuurlijke reme-dies. De laatste periode van zijn leven (van 1928 tot 1936) besteedde hij aan het zoeken van genezende bloemen en bloesems. Dit moesten bloemen zijn met uitsluitend heilzame eigenschappen, niet alleen als remedie maar ook in pure vorm. In de loop van deze jaren vond hij 37 van deze bloemen en manieren om ze te verwerken tot remedies. Als 38e potentieerde hij puur water uit een heilzame bron. Ze zijn nu bekend als “Bach Flower Reme-dies” (BFR) ofwel “Bach Bloesem Remedies”.

 

 

 

Jeugd

 

Edward Bach werd geboren op 24 september 1886 te Moseley ten zuiden van Birmingham. Van kinds af aan was hij een gevoelig type, niet heel gezond, was graag buiten in de natuur en wist dat hij mensen wilde helpen gene-zen. Als kind kon hij zich al zo geconcentreerd in iets verdiepen dat de wereld om hem heen verdween. Toen hij op 16-jarige leeftijd van school kwam wilde hij zijn ouders niet vragen om een lange medische opleiding te beta-len, en besloot om eerst geld te verdienen in de bronsgieterij van zijn vader (1903-1906).

In die periode bemerkte hij hoe moeilijk zijn collega-arbeiders het hadden met gezondheidszorg: ze werkten vaak door als ze ziek waren, want ziek thuisblijven betekende geen loon en wel hoge medische kosten. Hij zag niet alleen hun angst voor ziekte, maar ook dat er niet veel meer werd gedaan dan het verlichten van de klachten en het bestrijden van symptomen. Dit alles sterkte hem in zijn plan om eenvoudige geneesmiddelen te ontdekken voor alle ziekten. Toen hij uiteindelijk met zijn vader sprak over zijn wens om dokter te worden, besloot deze zijn studie te betalen.

 

 

 

 

Studie (1906-1913)

 

Zo begon hij op 20-jarige leeftijd aan een medische studie aan de universiteit van Birmingham. Van daaruit ging hij naar het Londense Universiteitsziekenhuis en behaalde daar in 1912 het (niet-universitaire) “Conjoint” (samen-gevoegde) diploma M.R.C.S. en L.R.C.P. Met dit diploma op zak mocht hij in Londen als arts praktiseren, en veel studenten deden daarom dit examen al voordat ze waren afgestudeerd. Vervolgens behaalde hij in 1913 de uni-versitaire graden M.B. en B.S., en rondde hij in 1914 zijn studie af met een D.P.H. Camb. Als student had Bach al meer interesse in de patiënten dan in hun ziektes. Hij kon rustig naast hun bed zitten en ze laten vertellen, om op die manier achter de werkelijke achtergrond van hun ziekte te komen.

 

 

 

Bach als regulier arts (1913-1918)

 

Nadat hij op 14 januari 1913 getrouwd was met Gwendoline Caiger en zijn doktergraden MB en BS had behaald, begon hij als eerste-hulp-arts in het University College Hospital. Later dat jaar begon hij als eerste-hulp-chirurg in het London Temperance Hospital, waarmee hij na enkele maanden al moest stoppen omdat zijn gezondheid hem in de steek liet. Daarop begon hij een eigen praktijk in Harley Street, waar hij steeds weer merkte dat de medische wetenschap nog weinig kon uitrichten tegen chronische ziekten. Hij zag in dat artsen werden opgeleid om vooral naar ziekten te kijken, en niet naar de persoonlijkheid van de mens, terwijl hij ervan overtuigd was dat die per-soonlijkheid juist het belangrijkste was: waarom wordt de ene mens ziek, terwijl een andere mens immuun is voor dezelfde ziekte?

Op die manier raakte hij geïnteresseerd in de leer van de immuniteit en legde zich toe op onderzoek als Assistent Bacterioloog aan het University College Hospital. Hij ontdekte een verband tussen chronische ziekten en de aan-wezigheid van bepaalde bacteriën in de darmflora, en vroeg zich af of hun aanwezigheid het herstel bevorderde of juist tegenhield. Zijn idee om de gevonden bacteriën terug te injecteren had resultaten die zijn verwachtingen overtroffen. Het gebruik van de injectienaald en de pijnlijk gevolgen ervan stond hem echter tegen. Dit werd deels opgelost toen hij ontdekte dat de resultaten verbeterden door een tweede injectie pas te geven als het effect van de eerste ophield, in plaats van telkens na een vaste tijd. Hierdoor waren dus minder injecties nodig.

In 1917 overleed zijn eerste vrouw en hertrouwde hij met Kitty Light, bij wie hij een dochter had. In dat jaar was Bach naast zijn eigen praktijk en zijn onderzoek als bacterioloog ook verantwoordelijk voor 400 ziekenhuisbedden voor oorlogsgewonden, en ook nog actief aan de Hospital Medical School. Hij werkte zo hard dat hij soms flauw-viel achter zijn onderzoekstafel en had in juli 1917 een zware bloeding die een operatie nodig maakte waarbij een tumor werd verwijderd. Hij kreeg nog 3 maanden te leven en vastbesloten om die korte tijd zo goed mogelijk te besteden, werkte hij harder dan ooit om nog zoveel mogelijk van zijn werk af te kunnen maken. Aan het einde van die drie maanden voelde hij zich echter beter dan ooit, en hij concludeerde:

Als een mens met liefde het werk doet waarvoor hij geroepen is, resulteert dat in gezondheid en geluk.

 

 

 

????????

 

 

 

 

 

Bach als homeopaat (1918-1930)

 

Toen in 1918 het University College Hospital bepaalde dat alle medewerkers hun nevenwerkzaamheden moesten stoppen, was dat voor Bach aanleiding om direct ontslag te nemen. Hij besteedde al zijn geld aan het inrichten van een eigen laboratorium, zodat hij zijn werk kon voortzetten. Toen kort daarna een plaats vrijkwam als pa-tholoog en bacterioloog aan het London Homoeopathic Hospital werd hij daar aangenomen. Daar maakte hij kennis met het werk van Samuel Hahnemann, de grondlegger van de hedendaagse homeopathie.

Bach’s bewondering voor het werk van Hahnemann was grenzeloos: ongelofelijk dat een enkele mens, in de don-kere dagen van de wetenschap 100 jaar eerder, zulke ontdekkingen had kunnen doen! Hahnemann wist 100 jaar eerder de dingen al die hijzelf met de moderne wetenschap pas net aan het ontdekken was, hij gebruikte geen bacteriën maar middelen uit de natuur. Bovendien was Hahnemann er net als hijzelf van overtuigd dat elk geval anders is en individueel behandeld dient te worden: behandel de patiënt, niet de ziekte.

Op zoek naar een manier om zijn allopathische werk te combineren met dat van Hahnemann werkte hij zijn vac-cinerende injecties om tot homeopathische nosodes die via de mond konden worden ingenomen, en was verrukt over de resultaten. (Een nosode is een homeopathisch middel dat is gemaakt van de ziekteverwekker of van ziek weefsel, en is wat dat betreft vergelijkbaar met een vaccin.) Deze 7 nosodes worden tot op de dag van vandaag gebruikt als de Bach-nosodes.

Om te bepalen welke van de 7 nosodes een patiënt nodig had, moest de darmflora onderzocht worden. Dit ver-zwakte de patiënt, soms alleen al door het onderzoek, soms ook omdat de patiënt zieker werd voordat de uitslag bekend was. Totdat Bach ontdekte dat bepaalde types mensen meestal dezelfde bacteriën in hun darmen mee-droegen, en dus dezelfde behandeling nodig hadden. Uiteindelijk was hij in staat de uitslag van het onderzoek te voorspellen aan de hand van het type patiënt, en werden de onderzoeken overbodig.

In 1922 scheidde hij van Kitty Light. Hij was intussen zo bekend geworden, en had zoveel werk dat hij het Homo-eopathic Hospital verliet en weer een eigen laboratorium opende. Zijn werk vond inmiddels algemene waardering bij homeopaten en reguliere artsen, en hij kreeg de bijnaam “de tweede Hahnemann”. De jaren die volgden wer-den steeds drukker, en de resultaten steeds beter, en hij bemerkte dat mensen niet zo zeer genezen door lokale behandeling, maar vooral door algemene verbetering van hun gezondheid, waardoor de lokale klacht verdwijnt.

Tot 1930 volgde Bach de route van een geïnspireerd wetenschapper: hij werkte volgens strikt wetenschappelijke methoden, maar waar een onderzoek meerdere kanten op kon, vertrouwde hij op zijn intuïtie. Al die tijd bleef hij op zoek naar middelen uit de natuur die zijn nosoden konden vervangen. Vanaf 1928 ging hij steeds vaker in de natuur op zoek naar planten die hij kon gebruiken, en probeerde er heel veel uit. In september 1928 vond hij de eerste planten die aan zijn wensen voldeden. De resultaten met deze natuurlijke medicijnen waren zo bevredi-gend dat hij besloot om de wetenschappelijke en kunstmatige medicijnen achter zich te laten.

 

 

 

 

Bach en zijn bloesems (1928-1936)

 

In mei 1930 verdeelde hij zijn praktijk onder bevriende artsen, verkocht zijn laboratorium-inventaris en liet hij Londen definitief achter zich. Samen met zijn assistente Nora Weeks trok hij naar het noorden van Wales. Daar bestudeerde hij planten: waar ze groeien, hoe ze groeien, hun bloeiwijze, kleur, voortplanting, voedingstoffen, alles wat samen het karakter van de plant vormt. Hij was niet op zoek naar medicinale kruiden waar bepaalde stofjes in zitten, maar naar planten die vanwege hun karakter (energieniveau) mensen kunnen helpen. Voor Bach’s vindingen bestaat tot op de dag van vandaag geen wetenschappelijke basis. Bach baseerde zich bij zijn ontdek-kingen niet op enige theorie, maar op de werkzaamheid van de gevonden remedies in de praktijk. Hij ontdekte dat de dauw die op bloemen lag die in de zon stonden, de eigenschappen van de plant in sterke mate overnam. Omdat het verzamelen van bruikbare hoeveelheden dauw onbegonnen werk was ontwikkelde hij zijn zonne- methode: hij liet bloemen enkele uren in de volle zon op water drijven, en constateerde dat de geneeskrachtige eigenschappen van de plant daarna door het water waren overgenomen.

Om de zo ontstane remedie houdbaar te maken voegde hij een evengrote hoeveelheid cognac toe als conser-veringsmiddel.  Dat deze methode enige vooroordelen te overwinnen had blijkt uit wat hij schreef: “Laat niet de eenvoud van deze methode u weerhouden ze te gebruiken”. Rondtrekkend door Wales en Zuid- en Oost-Enge-land onderzocht hij vele planten. Bij zijn onderzoek kreeg hij hulp van enkele bevriende artsen die zijn remedies gebruikten en de bereikte resultaten met hem deelden. Anderen, hoewel ze hem als geniaal beschouwden voor zijn wetenschappelijke ontdekkingen, kon-den of wilden hem niet volgen toen hij de wetenschappelijke weg ver-liet en zijn “kruiden-remedies” ontdekte. Bach zelf benadrukte juist steeds dat gevallen die wetenschappelijk als hopeloos werden gezien, vaak goed te genezen waren met zijn nieuwe remedies. Hij schreef zijn kijk op gezond-heid en ziekte op in de boeken “Genees uzelf” en “Bevrijd uzelf”.

Hierin beschrijft hij dat lichamelijke klachten volgens hem het gevolg zijn van (gemoeds)toestanden. Zorgen, angst, onzekerheid, boosheid, fanatisme en dergelijke kunnen een mens uit evenwicht bren-gen. Hij zocht plan-ten met de positieve eigenschappen die zo’n negatieve houding kunnen verdrijven. In 1932 rondde hij met de vondst van de twaalfde remedie het eerste deel van zijn werk af. In 1933 publiceerde hij de eerste versie van zijn boekje “De twaalf genezers”, maar de zoektocht ging door: Hij vond in 1933 nog 4 remedies en vulde zijn boekje aan tot “De twaalf genezers & vier helpers”, en in 1934 tot “De twaalf genezers & zeven helpers”. De periode van 1930 tot 1934 bracht hij regelmatig enkele maanden door in Cromer aan de Engelse oostkust. In 1934 ging hij op zoek naar een vaste plaats om te wonen in zijn geliefde Thames vallei en vond het huis “Mount Vernon” in Sotwell (bij Wallingford). Daar woonde hij tot zijn dood. In die omgeving ontdekte hij de rest van zijn 38 remedies.

 

 

 

setladrome

 

 

 

 

 

De tweede negentien remedies

 

In de loop van de jaren was Bach steeds meer gaan vertrouwen op zijn intuïtie. De manier waarop hij de tweede negentien remedies vond verschilde totaal van de eerste. Weeks beschrijft dat hij enkele dagen voordat hij een nieuwe remedie vond, zelf last kreeg van een extreme vorm van de gemoedstoestand waar die remedie voor be-doeld was. Soms kreeg hij daarbij fysieke kwalen die bij die gemoedstoestand passen, ook in bijna ondraaglijke vorm. Hij trok er dan op uit tot hij de juiste remedie gevonden had. De eerste van deze remedies vond hij in maart 1935, de laatste in augustus. Voor deze remedies gebruikte hij een nieuwe bereidingswijze, namelijk de koken-methode. Hij verzamelde niet slechts de bloemen, maar stukjes twijg van ca. 15 cm, met daaraan de bloe-men en wat blaadjes, als die er al waren. Deze deed hij in een steelpan met zo vers mogelijk bronwater, en kookte het geheel dan een half uur. Vervolgens liet hij het afkoelen, filterde het en voegde weer een evengrote hoeveel-heid cognac toe als conserveringsmiddel.

De reden waarom hij een nieuwe methode gebruikte is niet helemaal duidelijk. Daarover zijn geen aantekeningen van Bach bewaard gebleven. Een argument is dat de eerste remedies al in maart gevonden werden, toen de zon nog onvoldoende kracht had. Weeks noemt ook nog het feit dat Bach haast had om de remedie te maken van-wege de ernstige klachten die hij had. Barnard wijst erop dat de gewelddadige wijze waarop de kracht door het koken aan de plant onttrokken wordt verband kan hebben met de hardnekkigheid van de bijbehorende mentale toestand. Bij de zonnemethode geeft de bloem onder invloed van de zon (ook vuur) zijn kracht op een vriende-lijker manier aan het water. Van de tweede negentien bereidde hij alleen White Chestnut volgens de zonnemetho-de.

 

 

 

 

De laatste maanden

 

Nadat hij de tweede negentien remedies gevonden had beschreef hij in de zomer van 1936 alle remedies op-nieuw op een zo eenvoudig mogelijke manier in de definitieve uitgave van “De twaalf genezers en andere remedies”. Hij schreef daarin over zijn behandelsysteem: “in zijn eenvoud kan het gebruikt worden in het huis-houden”.  Hij had het als zijn levenstaak gezien om een geneesmethode te vinden die door leken gebruikt kon worden. In 1932 schreef hij al in zijn boek “Bevrijd uzelf”: “hoe ieder van ons onze eigen dokter kan worden”. Begin 1936, toen de General Medical Council hem eraan herinnerde dat het niet was toegestaan om leken als assistent in te zetten schreef hij terug: “Ik beschouw het als de plicht en het voorrecht van iedere arts om de zieken en anderen te leren om zichzelf te genezen”, en “ik heb de orthodoxe geneeskunde verlaten”.

Nu alle remedies gevonden waren en de behandelmethode compleet, was de laatste taak het verspreiden van de kennis. Hij bereidde een lezing voor die in een tournee door hemzelf en zijn assistenten gegeven kon worden. Op 24 september 1936, zijn 50e verjaardag, hield hij zelf die lezing voor het eerst in Wallingford, het stadje vlakbij Sotwell. Vanaf eind oktober werd hij ziek, en op de avond van 27 november 1936 stierf hij in een verpleeghuis in Didcot. Zijn overlijdensacte vermeldt “hartfalen” als doodsoorzaak, maar vermeldt ook een sarcoom (tumor). Hij ligt begraven op een klein kerkhof bij de kerk van Sotwell. Zijn assistenten Nora Weeks, Victor Bullen en Mary Ta-bor zetten zijn werk voort vanuit Mount Vernon, het huis waar Bach zijn laatste jaren had gewoond, en waar tot op de dag van vandaag het Bach Centre is gevestigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

John Astria

 

Wat en waarom Bachbloesems ?

Standaard

categorie : Gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

 

 

.

 

Edward Bach

Edward Bach

 

.

 

 

Wat zijn Bachbloesems ?

.

Dr Edward Bach zocht een eenvoudige methode waarmee je in veel gevallen zelf “je eigen dokter” kunt zijn. Vanuit de overtuiging dat de symptomen van ziekte een dieper liggende oorzaak hebben zocht hij oplossingen voor die onderliggende onevenwichtigheden. Hij vond een aantal bloemen en bloesems die je kunnen helpen om weer in evenwicht te komen, en op die manier van klachten af te komen. Deze 38 Bachbloesems worden gemaakt door de energie van deze uitgezochte bloemen te “vangen” in water.

 

 

 

 

Waarom Bachbloesems ?

.

  • Bachbloesems werken op de geestelijke/emotionele oorzaak van je klachten
  • Bij Bachbloesems kijk je naar de hele mens, niet naar symptomen
  • Je kunt Bachbloesems naast “gewone medicijnen” gebruiken
  • Bachbloesems hebben geen bijwerkingen
  • Bachbloesems mag je mengen (zoals ook een mens gemengde eigenschappen heeft)
  • Bachbloesems zijn ook geschikt voor kinderen en dieren
  • Een beetje mensenkennis is voldoende om de juiste Bachbloesem te kunnen selecteren
  • Als je een “verkeerde” Bachbloesem neemt heeft dit geen effect
  • Bachbloesems zijn natuurlijke middelen
  • Bachbloesems zijn nooit schadelijk

.

 

 

 

verschillende soorten Bachbloesems

verschillende soorten Bachbloesems

 

 

 

 

 

Het vinden van de juiste Bach Bloesem Remedie

.

Vanaf onze jeugd zijn we bekend gemaakt met een beeld van ziekte en gezondheid, waarin ziekte wordt beschouwd als een onheil van buitenaf, dat bestreden moet worden. We zijn eraan gewend geraakt dat bij een bepaalde ziekte een bepaald medicijn hoort.

Het is niet eenvoudig om dat ingebakken beeld weer los te laten. Toch is dat nodig wanneer we met de Bach Bloesem Remedies gaan werken.

Bijvoorbeeld: Van twee mensen die allebei iets moeten doen waarvan ze denken dat ze het niet kunnen, krijgt de één misschien hoofdpijn, maar de ander moet misschien overgeven. Deze twee verschillende symptomen zouden -met onze oude kijk op ziekte- verschillend behandeld worden.
Maar het zal iedereen duidelijk zijn dat de verschillende verschijnselen vanzelf zullen verdwijnen wanneer deze mensen voldoende zelfvertrouwen hebben.

Nog een voorbeeld: Twee mensen hebben hoofdpijn, de één omdat hij bang is, en de ander omdat hij zich suf piekert over een keuze die hij moet maken. Beiden kunnen ze het symptoom hoofdpijn natuurlijk onderdrukken met dezelfde pijnstiller, maar als ze in plaats daarvan iets aan de oorzaak willen doen, dan hebben ze ieder een ander middel nodig.

Het uitgangspunt van Bach was juist: “Behandel de patiënt, niet de ziekte”. De ziekte is immers slechts een symptoom, en het gevolg van hoe de patiënt in elkaar zit. Hoe de patiënt voelt, denkt, reageert…
Ook gaat het erom hoe de patiënt in elkaar zit op dit moment. Dat kan een combinatie van zijn van het karakter, een ingesleten chronische houding, en een voorbijgaande emotionele toestand. Edward Bach vertelt ons dat we de symptomen daarbij mogen laten voor wat ze zijn.

 

 

 

 

 

.

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

JOHN ASTRIA

Aids en HIV

Standaard

categorie : Gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

 

Aids of verworven immunodeficiëntiesyndroom is een ziektebeeld dat wordt veroorzaakt

door het retrovirus hiv.

 

.

 

 

.

 

 

 

De geschiedenis van aids

.

 

Een onbekende ziekte

.

Aan het eind van de jaren 70 stak er een tot dan onbekende ziekte de kop op in Amerika en even later in Europa. Kenmerkend aan de ziekte was dat de weerstand van de getroffen personen aangetast werd, dat negen van de tien patiënten homoseksueel waren en 98% man. Het leek een ‘homoziekte’, zoals veel kranten toen berichtten en daarom sprak men in eerste instantie over GRID (gay-related immuno deficiency).

Later bleek deze aanduiding onjuist te zijn. In 1982 werd duidelijk dat ook gebruikers van verdovende middelen en lijders aan de bloedziekte hemofilie de ziekte konden krijgen. Deze laatsten kregen bloedtransfusies met bloed dat besmet bleek te zijn. De ziekte kreeg al een naam voordat de verwekker gevonden was: acquired immuno-deficiency syndrome (verworven immuundeficiëntiesyndroom), afgekort aids.

 

 

 

Afweersysteem.

 

Medici veronderstelden dat de ziekte te maken had met het afweersysteem, omdat een belangrijke groep bloedcellen die onze immuniteit regelen, de CD4+ T-cellen, afnam bij mensen met aids. Hierdoor krijgen mensen met aids zogenaamde ‘opportunistische infecties’: infecties die gezonde mensen niet krijgen, maar die zich kunnen ontwikkelen bij een verzwakte afweer.

Dat was bijvoorbeeld het geval met longontstekingen door het organisme Pneumocystis jiroveci, die bij deze mensen frequent ontstonden. Gezonde mensen lijden nooit aan een infectie met dit organisme. Verder bleken infecties die gezonde mensen meestal doorstaan, dodelijk te zijn voor personen die getroffen waren door de onbekende ziekte.

 

.

 

 

Ouder dan gedacht

.

De onderzoeker Jaap Goudsmit schreef dat het aidsveroorzakende virus, hiv, al tientallen jaren eerder dan gedacht voorkwam in Europa. Het virus zou verantwoordelijk zijn geweest voor enkele epidemieën van de bovengenoemde Pneumocystis-longontsteking. De eerste epidemie was in de Poolse stad Gdańsk in 1939 en het virus was waarschijnlijk meegekomen met Duitse soldaten vanuit Kameroen.

De tweede epidemie stak de kop op tussen 1955 en 1958 in de Kweekschool voor Vroedvrouwen in Heerlen. Er zijn in enkele decennia oude weefselmonsters (1959, 1970) van patiënten die aan toen onverklaarbare ziekten waren gestorven wel aidsvirussen aangetroffen.

Doordat het aidsveroorzakende virus relatief snel muteert, is het mogelijk een genetische stamboom van het virus samen te stellen. Een genetische analyse van 25 jaar oude bloedstalen toont aan dat een van de meest verspreide subtypes van hiv rond 1969 vanuit Haïti de VS werd binnengebracht. In Haïti waarde het al 3 tot 7 jaar rond. Deze introductie in de Verenigde Staten komt mogelijk voor rekening van één persoon.

Onderzoek van Rambaut en andere uit 2007 suggereert dat het virus tien jaar eerder dan eerst was aangenomen al in de Verenigde Staten rondwaarde. Onderzoek gepubliceerd in Nature suggereert dat het aidsveroorzakende virus al een eeuw onder de mensheid verspreid is. Door het genetisch profiel van oude stammen van het virus te vergelijken met moderne varianten werd de mutatiesnelheid uitgerekend.

Op basis hiervan schatten de onderzoekers de ontstaansperiode ergens tussen 1884 en 1924. De onderzoekers stellen dat deze periode samenvalt met het ontstaan van steden in Afrika, waardoor de voedingsbodem ontstond voor verdere verspreiding van het virus. Desondanks suggereert hetzelfde onderzoek dat rond 1960 slechts enkele duizenden Afrikanen met het virus besmet geweest zijn.

 

.

 

 

 

 

.

Apen

.

Het aidsvirus komt oorspronkelijk voor bij apen.Volgens Goudsmit is het virus bij de mens terechtgekomen door een toegenomen contact tussen mensen en apen. Hiv is een virus en heeft dus gastheren nodig. Het aidsvirus stapte van de ene gastheer (de aap) over naar een andere gastheer, de mens, en evolueerde verder.

 

 

 

 

Oorzaak

.

Aids was in de eerste decennia na de ontdekking een ziekte, die in de meeste gevallen vrij snel een dodelijke afloop had. Hiv is een virus en kan worden overgedragen wanneer een slijmvlies of de bloedsomloop in aanraking komt met een hiv-besmette lichaamsvloeistof, zoals bloed, sperma, vaginale afscheiding, voorvocht en moedermelk.

Overdracht van besmetting kan dus plaatsvinden tijdens anale, vaginale of orale seks, een bloedtransfusie met besmet bloed, het gebruik van besmette injectienaalden, en overdracht van moeder op kind tijdens de zwangerschap, geboorte of door borstvoeding. De tabel hieronder is een weergave van de kans op besmetting met betrekking tot verschillende besmettingswegen.

 

.

 

 

besmettingsroute geschat gemiddeld aantal besmettingen op 10.000 blootstellingen
bloedtransfusie 9.000
besmetting van een kind bij geboorte uit een seropositieve moeder 2.500
injectienaalden, intraveneus drugsgebruik 67
anale seksuele penetratie (ontvangend) 50
ingrepen met een percutaneuze toegangsnaald 30
vaginale seksuele penetratie (ontvangend) 10
anale seksuele penetratie (penetrerend) 6,5
vaginale seksuele penetratie (penetrerend) 5
orale seks (met een man, ontvangend) 1
orale seks (met een man, penetrerend) 0,5

 

.

 

 

Een virus heeft een incubatietijd, dat is de tijd tussen de besmetting en het uitbreken van de ziekte. Bij aids is de gemiddelde incubatietijd 9 à 10 jaar. Na deze periode wordt men dus pas echt ziek en heeft men aids. De eerste 9 à 10 jaar is men seropositief.

.

 

 

 

 

Hiv

 

.

.

 

Dwarsdoorsnede van het Humaan Immunodeficientie Virus (hiv)

 

 

Aids is een syndroom dat bij mensen meestal veroorzaakt wordt door hiv-1. Er is een stamboom van aidsvirussen, daarbij wordt verschil gemaakt tussen menselijke virussen (hiv) en apenvirussen (SIV, Simian Immunodeficiency Virus). De mensvirussen worden onderverdeeld in het veel voorkomende hiv-1 en het zeldzamere hiv-2, dat vooral voorkomt in West-Afrika.

Een besmetting met hiv-1 is zonder behandeling fataal, maar mensen die met hiv-2 besmet worden, krijgen niet altijd aids. De aapvirussen kunnen gesplitst worden in een chimpanseevirus, een roodkopmangabévirus en verschillende meerkatvirussen. De verschillen tussen deze virussen komen door verschillen in het erfelijk materiaal, RNA, een stof die sterk op het DNA lijkt.

 

.

 

 

.

 

Het aidsvirus behoort tot de retrovirussen, waarvan het genetisch materiaal bestaat uit RNA (ribonucleïnezuur). RNA dient normaal voor de reproductie van het eigen DNA. Het retrovirus tracht via het DNA van de besmette gastheer zijn eigen erfelijk materiaal te vermenigvuldigen.

Een virus is geen cel en heeft zelf geen enzymen waarmee een stofwisseling in stand kan worden gehouden. Een virus is voor zijn vermenigvuldiging daarom aangewezen op levende cellen. Daartoe dringt een virus levende lichaamscellen binnen en dwingt deze om nieuwe virusdeeltjes te maken die gelijk zijn aan het oorspronkelijk binnengedrongen deeltje. Het virale RNA wordt met behulp van enzymen ‘vertaald’ in DNA. Het virale DNA dringt binnen in het DNA van de gastheercel en zet de gastheercel aan tot het maken van viraal RNA voor hiv.

Het erfelijk materiaal van virussen is omhuld door eiwitten. Vaak kan een vaccin tegen een virus worden gemaakt door antistoffen tegen die eiwitten te laten opwekken. Helaas kunnen deze eiwitten bij het aidsvirus snel muteren, wat de bestrijding ervan moeilijker maakt. Het is tot dusver niet mogelijk gebleken om een vaccin te maken om de productie van antistoffen te bevorderen, want die helpen maar tegen één vorm van het eiwitomhulsel.

Aangezien dit eiwit mogelijk verder gemuteerd is heeft een dergelijk vaccin geen blijvend effect. Het tweede nadeel van de snelle mutatie is dat hiv zelf niet getraceerd kan worden. De ziekte wordt dan ook vastgesteld door bloed te testen op aanwezigheid van antistoffen.

Als een vrouw met hiv zwanger is, kan haar baby met het virus besmet ter wereld komen. Vaker treedt besmetting pas na de geboorte op. De baby zal wel antistoffen hebben maar die duiden in dit geval niet noodzakelijk op een besmetting met het virus.

 

 

 

.

Symptomen

.

Een infectie met hiv leidt tot een algemene immunodeficiëntie. Dit wil zeggen dat de specifieke afweer tegen bedreigingen voor het lichaam wordt afgebroken. We spreken van het aidsstadium als er per microliter bloed nog slechts 200 T-helpercellen of minder worden aangetroffen.

Deze verminderde afweer leidt tot een grotere gevoeligheid voor infecties. De aidspatiënt wordt sneller ziek en kan aan meer ziekten tegelijk gaan lijden. Ook kunnen ziekteverwekkers die gezonde personen zonder problemen meedragen de kop opsteken omdat ze niet meer onderdrukt worden door het afweersysteem. Dit noemen we het aids related complex.

.

De volgende symptomen kunnen optreden als ziekten en symptomen:

  • longziekten
  • kanker (met name kaposisarcoom)
  • herpesinfecties
  • acute necrotiserende ulceratieve gingivitis
  • Candida albicans proliferatie en andere schimmelinfecties
  • chronische diarree

Wanneer geen behandeling, bestaande uit antivirale medicijnen, voorhanden is, bedraagt de levensverwachting van een aidspatiënt 6 tot 18 maanden (gemiddeld 9,2 maanden). Patiënten die met een combinatie van antivirale middelen (HAART) behandeld worden hebben over het algemeen een normale levensverwachting.

 

 

 

 

Preventie

.

Condoomgebruik

.

Aidsvoorlichting in Indonesië

 

.

 

.

 

Het gebruik van een condoom maakt de kans op besmetting door aids veel kleiner maar de kans op besmetting blijft aanwezig, zoals ook zwangerschappen bij het gebruik van condooms niet uitgesloten zijn. Bij zeer massaal, langdurig en zorgvuldig condoomgebruik wordt het aantal besmettingen uiteindelijk zo laag dat de epidemie uitwoedt. Het bevorderen van het gebruik van condooms in onder andere derdewereldlanden is een middel om ervoor te zorgen dat aids en hiv zich minder verspreiden.

 

.

 

 

.

 

 

 

Actuele situatie

.

Tegen hiv bestaat geen vaccin en er zijn geen medicijnen die aids kunnen genezen. Er zijn wel medicijnen die de replicatie van het virus remmen, de zogeheten hiv-remmers. De huidige behandeling van aids bestaat uit een combinatie van meerdere van deze aidsremmers, die HAART (Highly active anti-retroviral therapy) wordt genoemd. Deze therapie is zeer effectief, zodat in de Westerse wereld de levensverwachting van hiv-positieve patiënten tegenwoordig de normale levensverwachting benadert.

Een hiv-besmetting is hierdoor veranderd in een chronische ziekte. In veel derdewereldlanden en met name in zuidelijk Afrika, waar de ziekte de grootste ravage aanricht, zijn aidsremmers echter zeer moeilijk verkrijgbaar en vaak onbetaalbaar. De farmaceutische industrie heeft onder druk van de politiek en aidsorganisaties wel de prijzen voor haar aidsremmers verlaagd. Daarmee wordt de therapie echter nog niet voor alle mensen betaalbaar en zijn de logistieke problemen ook niet opgelost.

Het succes van de behandeling van hiv heeft ertoe geleid dat het beeld van hiv is veranderd. Mensen zijn minder bang om hiv op te lopen en vertonen daardoor vaker risicogedrag. De laatste jaren wordt in Westerse landen een duidelijke stijging gezien in het aantal nieuwe hiv-besmettingen en andere soa’s. Eind 2007 waren wereldwijd 33 miljoen mensen geïnfecteerd met hiv, waarvan 22 miljoen in zuidelijk Afrika.

Dat jaar stierven ongeveer 2 miljoen mensen aan de gevolgen van hiv. Volgens het jaarrapport van UNAIDS in 2009 liepen in 1996, toen het aantal nieuwe besmettingen een hoogtepunt bereikte, 3,5 miljoen mensen een nieuwe hiv-besmetting op.Dat komt overeen met circa 1 nieuwe besmetting per 9 seconden.

 

 

 

.

Ten slotte

 

Een samenleving met hetzij 100% perfect condoomgebruik hetzij alleen exclusieve monogame relaties is een utopie. De combinatie van beide – het condoom en trouw aan de partner – kan zowel op individueel niveau als op het niveau van de samenleving een goede bescherming bieden. Het idee van exclusieve monogamie dan wel het celibaat voor iedereen gaat voorbij aan de realiteit waarin de meeste mensen serieel monogaam zijn en circa 30% van de mensen ook tijdens een relatie andere seksuele contacten heeft.

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

Blauwe monnikskap : Aconitum napellus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

geheel3-g

 

 

Goed te herkennen aan
– de helmvormige, blauwe of paarsblauwe bloemen in
– een rijkbloemige tros aan het einde van een rechte, stevige stengel

 

 

aconitum

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Blauwe monnikskap behoort niet tot de inheemse flora van ons land. Ze is oorspronkelijk afkomstig uit de bergen van West- en Midden-Europa. Ze wordt bij ons gekweekt als tuinplant en kan na verwildering lang standhouden. Ze bloeit vanaf juni tot en met september. Ze groeit op zonnige tot beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke grond.

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

De kort behaarde bloemen zijn blauw of paarsblauw, soms met wit en staan aan het einde van de rechte, stevige stengel in rijkbloemige, rechte trossen. Het bovenste bloemdekblad is helmvormig, breder dan hoog. Bij diverse cultivars, die allen tuinmonnikskap genoemd worden, is het helmvormige blad hoger dan breed. Evenals bij gele monnikskap zit de nectar bovenin het helmvormige blad in 2 lang gesteelde honingreservoirs (nectariën). Per bloem ontstaan meestal 3 kokervruchten.

 

 

 

 

 

 

 

gele monnikskap

 

 

 

 

 

Blad

 

De glanzende bladeren zijn lang gesteeld, onbehaard en handvormig gespleten in 5 tot 7 lijnvormige slippen van ± 0,5 cm breed. De bovenkant is donkergroen, de onderkant is lichter. Naar boventoe worden de bladeren kleiner.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Hoewel blauwe monnikskap zeer giftig is, werd ze vroeger gebruikt voor medicijnen tegen jicht, zenuwpijnen, artritis, reuma en mazelen. Zelfs een kleine beetje van de gifstof kan binnen korte tijd de dood veroorzaken. Na aanraking is het verstandig de handen te wassen, omdat de gifstof door de huid heen dringt. In de homeopathie is het een vaak gebruikt middel in acute situaties.

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– verwilderd, lang standhoudend
– 50 tot 150 cm

Bloem
– blauw, paarsblauw, soms met wit
– vanaf juni t/m september
– tros
– buisvormig
– 2 tot 4 cm hoog
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– meer dan 20 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– enkelvoudig
– handvormig gedeeld
– 5 tot 7 delig
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– handnervig

Stengel
– rechtop
– kort behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

botanische-tekening-extragr-blauwe-monnikskap

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

mijne-kop-a4