Tagarchief: nectar

Gele monnikskap : Aconitum vulparia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de bleekgele, langwerpige bloemen, die in eindelingse trossen staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gele monnikskap is een zeer giftige, overblijvende plant van 50 tot 125 cm hoog. Ze groeit op kalkrijke grond in vochtige loofbossen, meestal langs beken. Ze staat op de rode lijst en is uiterst zeldzaam. Ze wordt ook aangeplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Gele monnikskap bloeit vanaf juni tot en met augustus met lichtgele bloemen. Het bovenste kelkblad is helmvormig, meer hoog dan breed. Dat betekent dat er ook 1 of meerdere onderste kelkbladen zouden moeten zijn. Er is geen duidelijk onderscheid te maken tussen kelk- en kroonbladen. De bloemen bestaan uit 5 bleekgele, kort behaarde bloemdekbladen, waarvan het bovenste hoger is dan breed en helmvormig. De nectar zit bovenin het helmvormige deel. Alleen insecten met een lange tong (voornamelijk hommels) kunnen bij de nectar. De bloeiwijze is een tros aan het einde van de stengel en zijstengels. Per bloem ontstaat meestal 3 vruchten.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn in omtrek bijna rond, handvormig gedeeld, niet tot aan de basis ingesneden (de bladeren van blauwe monnikskap zijn wel geheel ingesneden). De slippen zijn breder dan 1 cm.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– uiterst zeldzaam
– op de rode lijst
– 50 tot 125 cm

Bloem
– bleekgeel
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– buisvormig
– 15 tot 22 mm
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– meer dan 20 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– enkelvoudig
– handvormig gedeeld
– slippen in 3-en en breder dan 1 cm
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– handnervig

Stengel
– rechtop
– kort behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geel walstro : Galium verum

Standaard

categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de pluimen kleine, gele, geurende bloemetjes en
– de zeer smalle bladeren, die in kransen om de stengel staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Geel walstro is een overblijvende plant van 15 tot 120 cm hoog/lang, die groeit op open tot grazige, droge tot vrij natte, meer of minder voedselarme, meestal zandige grond. Ze komt zeer algemeen voor in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot de herfst met lange, smalle, rijkbloemige pluimen. De kleine, geurende, gele bloemetjes hebben 4 bloemdekbladen met een toegespitst topje. Ze produceren veel nectar en worden daarom veelvuldig bezocht door verschillende insecten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan in kransen van 8 tot 12 rond de stengel, zijn lijnvormig, hebben een tot de middennerf omgerolde, gave rand en zijn aan de onderkant wit door beharing. De bovenkant is glanzend groen.
De kort behaarde stengels lijken vierkant, maar ze zijn rond met 4 smalle ribben, staan soms rechtop, maar vaker liggen ze op de grond of over andere planten.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Geel walstro kent vele toepassingen. In Schotland wordt uit de wortel een rode en uit de bloemen een gele verfstof gewonnen. De kleurstof uit de bloemen wordt ook gebruikt om Chesterkaas zijn kleur en smaak te geven. Verder bevat de plant een enzym, dat melk doet stremmen en daarom bij kaasbereiding wordt gebruikt. In de fytotherapie wordt geel walstro onder andere gebruikt vanwege haar bloedzuiverende werking.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Van alle walstrosoorten is geel walstro makkelijk te herkennen aan de smalle, rijkbloemige, gele pluimen. Voor vergelijking met andere soorten zie glad walstro en kruisbladwalstro.

 

 

glad walstro

 

 

kruisbladwalstro

 

 

 

Algemeen

 

sterbladigenfamilie (Rubiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot zeldzaam
– 0,15 tot 1,2 meter

Bloem
– geel
– vanaf juni tot de herfst
– pluim
– stervormig
– 2 tot 4 mm
– 4 bloemdekbladen, vergroeid en
met kort topspitsje
– 4 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– kransstandig
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top toegespitst
– rand gaaf en omgerold
– voet wigvormig
– 1-nervig
– glanzend
– onderzijde viltig behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– glad en kaal
– rond met 4 smalle ribben
– kort behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blauwe monnikskap : Aconitum napellus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

geheel3-g

 

 

Goed te herkennen aan
– de helmvormige, blauwe of paarsblauwe bloemen in
– een rijkbloemige tros aan het einde van een rechte, stevige stengel

 

 

aconitum

 

 

 

Algemeen

 

Blauwe monnikskap behoort niet tot de inheemse flora van ons land. Ze is oorspronkelijk afkomstig uit de bergen van West- en Midden-Europa. Ze wordt bij ons gekweekt als tuinplant en kan na verwildering lang standhouden. Ze bloeit vanaf juni tot en met september. Ze groeit op zonnige tot beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke grond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De kort behaarde bloemen zijn blauw of paarsblauw, soms met wit en staan aan het einde van de rechte, stevige stengel in rijkbloemige, rechte trossen. Het bovenste bloemdekblad is helmvormig, breder dan hoog. Bij diverse cultivars, die allen tuinmonnikskap genoemd worden, is het helmvormige blad hoger dan breed. Evenals bij gele monnikskap zit de nectar bovenin het helmvormige blad in 2 lang gesteelde honingreservoirs (nectariën). Per bloem ontstaan meestal 3 kokervruchten.

 

 

 

 

 

gele monnikskap

 

 

 

Blad

 

De glanzende bladeren zijn lang gesteeld, onbehaard en handvormig gespleten in 5 tot 7 lijnvormige slippen van ± 0,5 cm breed. De bovenkant is donkergroen, de onderkant is lichter. Naar boventoe worden de bladeren kleiner.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Hoewel blauwe monnikskap zeer giftig is, werd ze vroeger gebruikt voor medicijnen tegen jicht, zenuwpijnen, artritis, reuma en mazelen. Zelfs een kleine beetje van de gifstof kan binnen korte tijd de dood veroorzaken. Na aanraking is het verstandig de handen te wassen, omdat de gifstof door de huid heen dringt. In de homeopathie is het een vaak gebruikt middel in acute situaties.

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– verwilderd, lang standhoudend
– 50 tot 150 cm

Bloem
– blauw, paarsblauw, soms met wit
– vanaf juni t/m september
– tros
– buisvormig
– 2 tot 4 cm hoog
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– meer dan 20 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– enkelvoudig
– handvormig gedeeld
– 5 tot 7 delig
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– handnervig

Stengel
– rechtop
– kort behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-extragr-blauwe-monnikskap

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

mijne-kop-a4

Bitterzoet : Solanum dulcamara

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-solanum_dulcamara-01_xndr

 

 

Goed te herkennen aan
overhangende trossen paarse (zelden witte), 5-tallige, knikkende, geurende, bloemen met tot een gele kegel vergroeide helmknoppen

 

09_heidijk_drunen_annie_2011_08_16-23

 

 

 

Algemeen

 

Bitterzoet is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant en stelt weinig eisen aan grond, hoeveelheid licht en vochtigheid. Ze verdraagt zelfs zoute zeewind. Ze groeit op droge tot natte, min of meer voedselrijke grond in moerasbossen, aan waterkanten, op drijftillen, aan heggen, ook in de zeereep en op geknotte bomen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met september. De bloemen zijn paars met in het hart een opvallende gele kegel van vergroeide helmknoppen. Ze staan met 10 tot 25 bij elkaar in overhangende trossen. De kroonbladen van pas geopende bloemen staan eerst recht of zijn licht teruggeslagen; de kroonbladen van de bloemen, die langer open zijn liggen meestal tegen de steel. Elk kroonblad heeft aan de basis twee glanzende, groene vlekken met een witte rand. De bloemen ruiken aangenaam, maar bevatten geen nectar, hoewel dat door de glanzende, groene vlekken wel zo lijkt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De donkergroene, soms paars aangelopen bladeren zijn aan beide zijden zacht behaard, langwerpig tot eirond, hebben een gave rand en een zwak hartvormige of afgeronde voet. De voet van de bovenste bladeren is vaak spiesvormig of het blad is 3-tallig geoord. De stengels zijn onderaan verhout, kunnen rechtop staan, op de grond liggen of zich winden om andere vegetatie.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

De 1 cm grote, ovale bessen, die na de bloei gaan groeien, verkleuren van groen via geel naar rood en zijn glanzend. Ze bevatten vele zaden, die jaren kiemkrachtig blijven. De rijpe bessen zijn zacht en eetbaar voor vogels, die zo mede zorgdragen voor de verspreiding van de plant. Voor de mens zijn ze zeer giftig!

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Bitterzoet bevat glycosiden. Als je op de stengel kauwt proef je eerst de bittere smaak van de glycosiden. Dan gaat het speeksel met de glycosiden reageren en komt er sacharose vrij, dat zoet smaakt. Zoals de meeste nachtschade-soorten is bitterzoet giftig! Ondanks de giftigheid wordt bitterzoet gebruikt in de fytotherapie. Het heeft een vochtafdrijvende, ontstekingremmende en bloedzuiverende werking.

 

 

 

 

 

Weetje

 

Omdat bitterzoet een waardplant is voor de bruinrotbacterie, die besmetting van het oppervlaktewater kan veroorzaken, wordt de plant gezien als een probleem in de land- en tuinbouw. Bestrijding is niet makkelijk, omdat elk stukje wortel dat achterblijft, kan uitgroeien tot een nieuwe plant.

 

 

4195324642_629e060a2c_b

 

 

 

Algemeen

 

nachtschadefamilie (Solaneceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 30 tot 200 cm

Bloem
– paars, zelden wit
– vanaf juni t/m september
– tros
– stervormig
– 10 tot 15 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet zwak hartvormig of afgerond
– veernervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop, windend of liggend
– weinig behaard of kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

mijne kop a4

Akkerdistel : Cirsium arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bluhende_distel

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtpaarse, smalle, lang gesteelde, bloemhoofdjes en
– de stekelig, gegolfde of gekroesde bladeren

 

 

akkerdistel_01

 

 

 

Algemeen

 

Akkerdistel is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Van de distels is ze de meest voorkomende. De plant wordt 60 tot 120 cm hoog en bloeit van juni tot en met september met lichtpaarse, lila (zelden witte) lang gesteelde, geurende bloemhoofdjes, die in een pluim staan. Je ziet akkerdistel op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond op akkers, braakliggende terreinen en langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Onder de bloemhoofdjes zit een omwindsel, dat bestaat uit aangedrukte omwindselbladen. Ze hebben een stekelige punt, die afstaand maar niet teruggeslagen is. Het omwindsel is paars gekleurd wat de kleur van de bloeiwijze extra versterkt. Een enkele keer kun je in de hoofdjes van de mannelijke plant ook vrouwelijke bloemen vinden.

De mannelijke bloemenhoofdjes zijn tot anderhalf maal groter dan de vrouwelijke. De zoete, muskusachtige geur van de vrouwelijke bloemen trekt allerlei insecten aan, die beloond worden met veel nectar. De vruchtjes zijn een belangrijke voedselbron voor veel vogels. In de moeilijk toegankelijk distelhaarden broeden meerdere vogelsoorten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is niet of zeer smal stekelig gevleugeld, aan de top sterk vertakt, het bovenste deel is meestal kaal. De stekelige bladeren zijn lancetvormig, veerspletig met gegolfde of gekroesde rand, aan de bovenkant kaal en glanzend, de onderzijde kan zilverig wit zijn.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Akkerdistel is een lastig onkruid. Door de vele pluizige vruchtjes kan de plant zich sterk uitzaaien. Ook vormt ze worteluitlopers. Ploegen van akkers werkt in het voordeel van de plant, want elk stukje uitloper kan weer uitgroeien tot een zelfstandige plant. Bovendien is de plant resistent tegen veel onkruidverdelgende middelen. Akkerdistel heeft daarom als bijnaam “Boerenplaag”.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 120 cm hoog

Bloem
– lichtpaarse, zelden witte buisbloemen
– vanaf juni t/m september
– lang gesteelde hoofdjes in pluimen
– 1,5 tot 3 cm
– omwindselbladeren gestekeld
en topje afstaand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig, veerspletig
– top stekelpuntig
– rand stekelig getand, soms gegolfd
of gekroesd
– voet aflopend
– veernervig
– bovenkant glanzend en kaal
– onderkant kaal, soms wit viltig
behaard

Stengel
– rechtop
– aan de top sterk vertakt
– glad en kaal of zeer smal stekelig
gevleugeld

zie wilde bloemen

 

 

flora-g

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Witte klaver : Trifolium repens

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_0623-gr-witte-klaver

 

 

Goed te herkennen aan
– het ronde bloemhoofdje met (room)witte vlinderbloemen en
– de halvemaanvormige lichte vlek op de bladeren

 

 

bloemen-witte-klaver1

 

 

 

Algemeen

 

Witte klaver is een zeer algemeen voorkomende soort, die groeit op vochtige tot natte, voedselrijke of brakke tot zilte grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Witte klaver bloeit vanaf mei tot in de herfst. De bloemhoofdjes staan op lange bladerloze stelen en ruiken zoet. Ze zijn (room)wit met soms een roze waas. Ze verwelken van (room)wit via roze naar bruin. De uitgebloeide bloemen gaan hangen, de onderste het eerst. Aan de basis van het door de kroonbladen gevormde buisje wordt vrij veel nectar afgescheiden. De bloemen vormen daarom voor langtongige insecten, zoals bijen, een waardevolle nectarbron.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn lang gesteeld, 3-tallig (zelden 4) en voorzien van een halvemaanvormige lichte vlek. Omdat witte klaver een lange liggende stengel heeft, die op elke knoop kan wortelen, is ze moeilijk uit te roeien. Snel woekerend kan ze andere planten verdringen en soms hele tapijten vormen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 5 tot 25 cm

Bloem
– roomwit, soms met een roze waas
– vanaf mei tot in de herfst
– hoofdje
– vlinderbloem
– 7 tot 12 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– op lange steel, meestal 3-tallig,
zelden 4-tallig
– samengesteld
– rond tot eirond, met
halvemaanvormige lichte vlek
– top stomp of uitgerand
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– bovengronds kruipend
– wortelend op knopen
– glad en kaal of behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

witte-klaver

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

 Smalle wikke : Vicia sativa subsp. nigra

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

smalle-wikke

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder roze vlinderbloemen, die alleenstaand of met 2-4 in de bladoksels staan en
– waarvan de zwaarden nagenoeg dezelfde kleur hebben als de vlag
– en de samengestelde bladeren met vertakte rank

 

 

plant-smalle-wikke

 

 

 

Algemeen

 

Smalle wikke is een eenjarige, zeer algemeen voorkomende plant en groeit op grazige zandgrond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit van mei tot en met juli met helder roze, kort gesteelde bloemen, die alleen of met 2-4 in de bladoksels staan. De zwaarden en vlag zijn nagenoeg gelijk van kleur. Dit in tegenstelling tot vergeten wikke, waarbij de vlag duidelijk lichter is dan de zwaarden.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stomp vierkantige stengels, die 10 tot 100 cm lang kunnen worden, zijn slap en de plant vindt door middel van de ranken steun bij omringend gras, soortgenoten of andere planten. De ranken zijn vertakt en zitten aan het uiteinde van de samengestelde bladeren in het verlengde van de bladspil. De bladeren hebben kleine steun- blaadjes met klieren, die bij zonnig weer nectar produceren, waar vooral mieren op afkomen. De deelblaadjes van de bovenste bladeren zijn veel smaller dan die van de onderste bladeren. De overgang in breedte is tamelijk abrupt. De overgang in breedte van de deelblaadjes bij vergeten wikke gaat heel geleidelijk.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 10 tot 100 cm

Bloem
– helder roze
– vanaf mei t/m juli
– tros
– vlinderbloem
– 1 tot 2 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen met gelijke tanden
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– even veervormig
– top rankend
– deelblaadjes :
– smal eirond tot langwerpig
– in of boven het midden het breedst
– zeer kort gesteeld
– top rond met spits uitsteekseltje
– rand gaaf
– voet afgerond
– veernervig
– behaard

Stengel
– klimmend
– weinig behaard
– stomp vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

smalle-wikke

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4

Rode klaver : Trifolium pratense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

rodeklaver

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze tot rozerode bloemhoofdjes
– met stengelbladeren direct onder het hoofdje en
– de eironde tot langwerpige bladeren met V-vormige, lichte vlek en behaarde onderkant

 

 

bloeiende-rode-klaver

 

 

 

Algemeen

 

Rode klaver is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant van vochtige, voedselrijke grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met oktober met paarsrode tot roze, ronde bloemhoofdjes, die geuren naar nectar. Ze worden alleen bezocht door insecten met een lange tong, zoals hommels en vlinders; insecten met een korte tong kunnen niet bij de nectar komen. Verwelkte bloemen worden bruin, maar gaan niet hangen. Dit in tegenstelling tot de uitgebloeide bloemen in het bloemhoofdje van basterdklaver, die wel gaan hangen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Het blad is samengesteld en bestaat uit 3 (soms 4) eironde tot langwerpige deelblaadjes, elk met een duidelijke, V-vormige, lichte vlek. Verder zijn de bladeren vooral aan de onderkant behaard en is de rand gewimperd. ’s Nachts vouwen de bladeren zich samen. De onderste bladeren zijn lang gesteeld, de bovenste kort gesteeld of zittend. De stengels zijn liggend, aan het einde opstijgend en behaard.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 15 tot 50 (80) cm

Bloem
– roze tot rozerood en wit
– vanaf mei t/m oktober
– hoofdje
– vlinderbloem
– 12 tot 15 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top stomp
– rand gaaf en gewimperd
– voet afgerond
– veernervig
– met V-vormige lichte vlek
– vooral de onderzijde behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– behaard
– rolrond
– niet wortelend

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Phacelia : Phacelia tanacetifolia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

phacelia_flower

 

 

 

Goed te herkennen aan
de rijkbloeiende, lila schichten met bloemen, waarvan de meeldraden en stijlen ver buiten de bloemen steken.

 

 

phacelia1

 

 

 

Algemeen

 

Phacelia is een eenjarige, vrij algemeen voorkomende plant, oorspronkelijk afkomstig uit Californië, en is in de Lage landen volledig ingeburgerd. Ze groeit op open, vochtige, voedselrijke, omgewerkte grond en wordt 20 tot 80 (120) cm hoog. Ze heeft een breed vertakt wortelstelsel en maakt daardoor de grond goed los.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met september met lila bloemen, die in een schicht staan. De schicht is in eerste instantie opgerold, maar rolt zich tijdens de bloei uit. De meeldraden en stijlen steken ver buiten de bloemen. De kelkbladen zijn lang, afstaand, ruw behaard en roodbruin of groen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De weinig kort behaarde bladeren zijn enkel of dubbel geveerd of veerdelig en staan verspreid aan de naar boven toe behaarde stengels.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Phacelia bevat stoffen, die gebruikt worden in de parfumindustrie. Huidcontact met de plant kan een onaangenaam prikkelend gevoel geven.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Phacelia is een uitstekende groenbemester. Daarnaast produceert ze veel nectar en is daardoor aantrekkelijk voor bijen. Ze wordt daarom ook bijenvoer of bijenvriend genoemd.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– eenjarig
– vrij algemeen, volledig ingeburgerd
– 20 tot 80 (120) cm

Bloem
– lila, zelden wit of roze
– vanaf mei t/m september
– schicht
– klokvormig
– 1 tot 1,5 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– enkel of dubbel geveerd of veerdelig
– deelblaadjes langwerpig
– top spits
– rand getand of gelobd
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– naar boven toe behaard

zie wilde bloemen

 

 

phacelia11

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

 Heggenwikke : Vicia sepium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_3866-m-heggenwikke

 

 

Goed te herkennen aan
– blauwachtig- tot vuil blauwpaarse bloemen
– met paars gestreepte vlag en
– zeer ongelijke kelktanden en
– deelblaadjes die onder het midden het breedst zijn

 

 

jcs-vicia-sepium-48356

 

 

 

Algemeen

 

De heggenwikke  (Vicia sepium) is een vaste plant uit de vlinderbloemfamilie(Leguminosae) die groeit op vochtige, voedselrijke, vaak kalkhoudende grond. De heggenwikke is klimmend of kruipend en is te vinden langs wegen, in heggen (vandaar de Nederlandse naam), op bouwland, grasland en in gemengd bos.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met augustus met blauwachtig tot vuil blauwpaarse bloemen, die een paars gestreepte vlag hebben. Ze zijn zelden wit. De bloemen zijn kort gesteeld, hebben zeer ongelijke kelktanden en staan met 2-6 in de bladoksels.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn samengesteld en bestaan uit 3-9 paar langwerpige tot eironde deelblaadjes, die onder het midden het breedst zijn. Aan het einde van het blad, in het verlengde van de bladspil zit een vertakte rank, waarmee heggenwikke zich vastgrijpt aan omringende planten en zo omhoog klimt. De stengels en bladeren hebben korte haartjes of ze zijn nagenoeg kaal. De steunblaadjes geven net als bij vergeten wikke nectar af, waar mieren op af komen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 100 cm

Bloem
– blauwachtig tot vuil blauwpaars
– vanaf mei t/m augustus
– tros
– vlinderbloem
– 1,2 tot 2 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 vergroeide kelkbladen met ongelijke   tanden
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– even veervormig
– top rankend
– behaard
– deelblaadjes :
– eirond tot langwerpig
– onder het midden het breedst
– zeer kort gesteeld
– top (soms) iets uitgerand met spits     uitsteekseltje
– rand gaaf
– voet afgerond
– veernervig

Stengel
– klimmend
– weinig behaard
– vierkant gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

John Astria