Tagarchief: meeldraden

Adderwortel : Persicaria bistorta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

polygonum-bistorta-adderwortel-03

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze, lang gesteelde, alleenstaande, aarvormige bloeiwijze
– met een doorsnede van 1 tot 2 cm en
– de meeldraden die buiten de bloemetjes steken en
– de bladschijf die afloopt langs de bladsteel

 

 

img_6816-gr-adderwortel

 

 

 

Algemeen

 

Adderwortel is een overblijvende stinsenplant van 20 tot 50 cm hoog, die groeit op natte, matig voedselrijke grond in beekdalgraslanden en langs slootkanten. Ze groeit ook in vochtige loofbossen, maar dan bloeit ze meestal niet. Adderwortel is vrij zeldzaam, wordt ook aangeboden als tuinplant en verwildert vaak.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode valt in juni en juli. Soms is er een tweede bloeiperiode in augustus en september. Ze wordt 20 tot 50 cm hoog en bloeit met roze, langwerpige, dichtbloemige, stompe schijnaren, die 1 tot 2 cm breed zijn. In de schijnaar staan de bloemetjes met 2 of 3 bij elkaar. Elk bloemetjes heeft 5 bloemdekbladen (kelkbladen ontbreken) en 8 meeldraden die buiten de bloem steken. De schijnaar bloeit van onder naar boven en zodra de eerste serie bloemetjes is uitgebloeid, bloeit de schijnaar nogmaals, weer van onder naar boven. De eerst bloeiende bloemen hebben lange meeldraden en korte stijlen. Bij de tweede serie is dit omgekeerd.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De wortelbladeren zijn lang gesteeld en de bladschijf loopt af lang de steel. De stengelbladeren zijn kleiner, kort gesteeld of zittend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Adderwortel kent vele toepassingen. Jonge stengels en bladeren kunnen als spinazie gegeten worden of verwerkt worden in soep. Medicinaal is adderwortel onder andere te gebruiken als gorgelmiddel bij tandvleesproblemen, kiespijn of keelontsteking. Daarnaast is het door de zeer sterke samentrekkende werking te gebruiken bij bloedingen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– duizendknoopfamilie (Polygonaceae)
– overblijvend
– vrij tot zeer zeldzaam
– stinsenplant
– ook als tuinplant
– 20 tot 50 cm

Bloem
– roze, zelden wit
– in juni en juli, soms weer in
augustus en september
– aarvormige bloeiwijze
– 4 tot 5 mm
– stervormig
– 5 bloemdekbladen, vergroeid
– 8 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– wortelstandig en verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gegolfd of gaaf
– voet hartvormig
– veernervig
– wortelbladeren lang gesteeld
– stengelbladeren kort gesteeld of
zittend

Stengel
– rechtop
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

plaatthome

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Smalle weegbree : Plantago lanceolata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-plantago_lanceolata_inflorescense

 

 

Goed te herkennen aan
– het rozet van lange, smalle bladeren met duidelijk zichtbare parallel lopende nerven en
– de bloeiwijzen aan het einde van de stengel met uitstekende (room)witte meeldraden

 

 

bloeiende-plant-smalle-weegbree

 

 

 

Algemeen

 

Smalle weegbree is een 5 tot 45 cm hoge, zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant. Ze bloeit vanaf mei tot de herfst en groeit op open en grazige, vochtige, meestal omgewerkte of betreden grond langs wegen en dijken en in graslanden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemetjes van smalle weegbree staan in een korte, eironde tot langwerpige donkere aar op een duidelijk gegroefde stengel. Ook de vorm en grootte van de aar is afhankelijk van de kwaliteit van de grond. Korter en boller betekent minder voedselrijke omstandigheden.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan in een wortelstandige rozet, zijn lancetvormig (zelden breder), zacht behaard en voorzien van 3 tot 7 duidelijk zichtbare parallel lopende nerven. De bladeren versmallen zich geleidelijk in een gootvormige steel. In voedselrijke omstandigheden staan de bladeren rechtop. Zijn de omstandigheden minder gunstig dan blijft de hele plant kleiner en liggen de bladeren op de grond.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Smalle weegbree is vanouds een bekende geneeskrachtige plant. De bladeren bevatten een slijmoplossend en hoestprikkel dempend middel. Het sap van de bladeren kan tevens gebruikt worden bij jeukende insectensteken.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 5 tot 45 cm

Bloem
– (room)wit
– vanaf mei tot de herfst
– aar
– stervormig
– 15 tot 25 mm lengte hoofdje
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 4 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– geleidelijk versmallend
– parallelnervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– zacht behaard
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

smalleweegbree1

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4

Onkruid soorten in ons land – letter Z

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Zevenblad (Umbelliferae)

 

Van alle onkruiden is ZEVENBLAD (Aegopodium podagria) wel een van de lastigste en moeilijkst te bestrijden soorten. Door diep te spitten en ieder afgebroken stukje wortel of ondergrondse stengel op te sporen kan men de plant uitroeien. Dat lukt evenwel uitsluitend wanneer men constant op zijn hoede blijft. De plant komt in de meeste delen van Europa voor en werd vroeger gebruikt als geneeskrachtig kruid; de soortaanduiding podagraria is afgeleid van het Latijnse podagra = jicht. Men neemt dan ook aan dat monniken een belangrijk aandeel hebben gehad in de verspreiding van de plant. Tegenwoordig komt Zevenblad ook voor in het oostelijk deel van Noord-Amerika.

De plant wordt 60-90 cm hoog en heeft een holle, gegroefde stengel. Kenmerkend zijn de glanzend groene bladeren, waarvan de bovenste in drieën verdeeld zijn en de onderste dubbel drietallig zijn. Alle bladeren hebben een onregelmatig gezaagde rand. De bladeren aan de stengel staan met tweeën tegenover elkaar; uit hun oksels verheffen zich de schermvormige bloeiwijzen, die 15-20 groepjes kleine, witte, stervormige bloempjes dragen. De bloemen hebben vijf bloemblaadjes en groeien uit tot vruchtjes die slechts twee zaden bevatten. De bloei valt in juni en juli. Hoewel het plezierig is te weten dat het vóórkomen van Zevenblad op goede grond wijst, moet men niet uit het oog verliezen dat de kruipende wortelstokken in één groeiseizoen een oppervlak van 3 m2 in beslag kunnen nemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zuringsoorten (Polygonaceae)

 

De grote Amerikaanse plantkundige Asa Gray omschreef de leden van het geslacht Zuring als ‘grove onkruidachtige planten, met kleine en onooglijke (meestal groene) bloemen’. (Overigens zijn er ook kleine, allerminst grofgebouwde Zuringsoorten.) De bloemetjes staan dicht opeen, meestal in kransen rond de bloeistengels in – al dan niet vertakte – bloeiwijzen. Deze planten komen vooral voor in de gematigde en koude delen van het noordelijk halfrond, maar sommige soorten hebben zich over de hele wereld verspreid. Het zijn meesters in de kunst van het overleven.

De meeste soorten zijn overblijvende planten en hun zaden (ze kunnen er per jaar tot 50.000 per plant voortbrengen) worden door de wind verspreid. De verspreiding kan ook door vogels plaatsvinden en zelfs – ondergronds – door mieren die de zaden als nestmateriaal gebruiken. Deze onder de grond terechtgekomen zaden kunnen wel 80 jaar hun kiemkracht bewaren. De vertakkingen van de dikke gele penwortels gaan soms tot 1,5 meter of nog dieper de grond in. Ieder afgebroken stuk vormt gemakkelijk nieuwe wortels en levert dan weer een nieuwe plant. Er zijn vijf soorten die een plaag kunnen vormen in de tuin. Hoewel alle soorten altijd gemakkelijk als een zuring te herkennen zijn is het onderscheid tussen de soorten onderling vaak moeilijk te zien.

 

 

Krulzuring

 

KRULZURING (Rumex crispus) is wel een van de meest algemene en lastige leden van het geslacht. De plant heeft gegolfde, meestal lancetvormige bladeren, die tot 30 cm lang worden en afwisselend langs de stengel staan. De hoogte varieert van 0,5 tot 1,5 meter. De bloeitijd is van mei tot oktober; de vertakte bloeistengels dragen de bloemen in kransen die worden afgewisseld met weinige tot vele lintvormige bladeren die ook weer een gegolfde rand hebben. Een grote plant kan 30.000 zaden per jaar voortbrengen, waarvan 88% kiemkrachtig is. Zelfs zaden die 50 jaar onder de grond hadden gelegen bleken nog voor 52% kiemkrachtig te zijn. Dit is een lastig onkruid, niet alleen in de tuin maar ook voor de boer. (In Groot-Brittannië zijn de boeren zelfs verplicht deze plant op hun grond uit te roeien, zoals bij ons in sommige provincies met de distel het geval is.) Het optreden van Krulzuring in uw tuin betekent in ieder geval wel dat de grond rijk aan voedingsstoffen is. Krulzuring komt voor in Europa en Azië en is door toedoen van de mens ook in Amerika terechtgekomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ridderzuring

 

RIDDERZURING (Rumex obtusifolius) is in ons land ongeveer even algemeen als de vorige soort en heeft ook zo’n beetje hetzelfde verspreidingsgebied. Hier zijn de bladeren – die eveneens afwisselend staan – ± 25 cm lang en breed ovaal met een hartvormige basis. De bloemen staan eveneens in kransen rond de stengels, die vertakt zijn en nogal uitstaan. Vooral onderaan zijn de bloeistengels bebladerd. Het bloemdek dat de vrucht omgeeft draagt aan ieder van de drie zijden 3-5 lange tanden. De bloeitijd is van juni tot oktober.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kluwenzuring

 

KLUWENZURING (Rumex conglomeratus) heeft lange ovale bladeren, die veel op die van Krulzuring lijken, maar smaller zijn. Te herkennen doordat de bloemen kortgesteeld zijn en in een kluwenvormige bloeiwijze zitten die tot dicht bij de top bebladerd is. Ook het uiterlijk van de vruchtjes met hun lange ongetande slippen is kenmerkend. De plant wordt 0,5 tot 1 meter hoog. Komt voor in Europa en Midden- en Noord-Azië.

 

 

 

 

 

 

 

 

Schapenzuring

 

Ook SCHAPENZURING (Rumex acetosella) heeft een taaie penwortel en de horizontale vertakkingen daarvan lopen gemakkelijk uit, waardoor hele kolonies ontstaan. Gemakkelijk te onderscheiden van zijn verwanten door zijn geringe hoogte (meestal minder dan 30 cm), de meestal spiesvormige bladeren en de gele tot rode bloempjes. Deze zitten in losse bloeiwijzen en verschijnen van mei tot in de herfst. Schapenzuring komt van nature voor op voedselarme, droge zure (zand- en veen) grond. Doordat Schapenzuring vaak in zeer grote aantallen tegelijk voorkomt kan hij ’s zomers, wanneer de zaden rijp zijn, hele oppervlakten kleur geven met zijn roestbruin-rode  vruchtpluimen en scharlaken blaadjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

Veldzuring

 

VELDZURING (Rumex acetosa) heeft gladde, ovale, afwisselend staande bladeren met twee naar beneden gerichte, soms in tweeën gespleten slippen aan de voet. De in mei-juni verschijnende bloemen worden gevolgd door vruchten die een eigenaardige glans vertonen. Veldzuring, die 0,5 tot 1 meter hoog wordt, komt voor over de hele wereld in de gematigde delen. In ons land algemeen op voedzame, grazige plaatsen. Ook gekweekt als groente.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zwarte nachtschade (Solanaceae)

 

De ZWARTE NACHTSCHADE (Solanum nigrum) roept u toe: ‘Ik kan gevaarlijk zijn.’ Alle delen van deze plant bevatten giftige alkaloïden, maar in wisselende hoeveelheden. Bladeren en bessen zijn dan ook door dieren gegeten zonder schade – of met dodelijk gevolg. De glanzend gele of zwarte bessen (ter grootte van een erwt) zien er voor kinderen aantrekkelijk uit; het eten ervan leidt soms tot weinig meer dan wat misselijkheid, soms echter tot hevige pijn, uitputting en zelfs de dood.

Zwarte nachtschade is een bossige, een- of tweejarige plant die 50 tot 60 cm hoog wordt. De bladeren staan afwisselend en zijn eirond tot bijna driehoekig, met bochtige randen; tegen het licht zijn ze soms doorschijnend. Deze soort behoort tot dezelfde familie als de aardappel en heeft ook dezelfde stervormige bloemen, met vijf vergroeide bloembladeren en vijf gele meeldraden in een zuiltje. De witte, in een soort tros staande, bloemen verschijnen van juni tot in de herfst. Dit onkruid komt over de hele wereld voor op akkers, in tuinen en langs wegen. In ons land een zeer algemene verschijning.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Phacelia : Phacelia tanacetifolia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

phacelia_flower

 

 

 

Goed te herkennen aan
de rijkbloeiende, lila schichten met bloemen, waarvan de meeldraden en stijlen ver buiten de bloemen steken.

 

 

phacelia1

 

 

 

Algemeen

 

Phacelia is een eenjarige, vrij algemeen voorkomende plant, oorspronkelijk afkomstig uit Californië, en is in de Lage landen volledig ingeburgerd. Ze groeit op open, vochtige, voedselrijke, omgewerkte grond en wordt 20 tot 80 (120) cm hoog. Ze heeft een breed vertakt wortelstelsel en maakt daardoor de grond goed los.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met september met lila bloemen, die in een schicht staan. De schicht is in eerste instantie opgerold, maar rolt zich tijdens de bloei uit. De meeldraden en stijlen steken ver buiten de bloemen. De kelkbladen zijn lang, afstaand, ruw behaard en roodbruin of groen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De weinig kort behaarde bladeren zijn enkel of dubbel geveerd of veerdelig en staan verspreid aan de naar boven toe behaarde stengels.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Phacelia bevat stoffen, die gebruikt worden in de parfumindustrie. Huidcontact met de plant kan een onaangenaam prikkelend gevoel geven.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Phacelia is een uitstekende groenbemester. Daarnaast produceert ze veel nectar en is daardoor aantrekkelijk voor bijen. Ze wordt daarom ook bijenvoer of bijenvriend genoemd.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– eenjarig
– vrij algemeen, volledig ingeburgerd
– 20 tot 80 (120) cm

Bloem
– lila, zelden wit of roze
– vanaf mei t/m september
– schicht
– klokvormig
– 1 tot 1,5 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– enkel of dubbel geveerd of veerdelig
– deelblaadjes langwerpig
– top spits
– rand getand of gelobd
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– naar boven toe behaard

zie wilde bloemen

 

 

phacelia11

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Krabbenscheer : Stratiotes aloides

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

img_5229-gr-krabbenscheer

 

 

Goed te herkennen aan
– de boven water uitstekende, scherp getande bladeren in rozet en
– daartussen de 3-tallige witte bloemen

 

 

img_5239-gr-krabbenscheer

 

 

 

Algemeen

 

Krabbenscheer is een altijd groene waterplant. Ze groeit in voedselrijke, zoete en zwak brakke, luwe wateren; niet in groot open water. De plant komt voor in Eurazië en staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als algemeen voorkomend maar sterk afgenomen.

In België is het een zeldzame plant, die op de lijst van de wettelijk beschermde planten staat. Men vindt die slechts in de driehoek Gent, Antwerpen en Mechelen. Ook in Frankrijk is het een zeldzame plant die op de lijst van de wettelijk beschermde planten staat.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemen van krabbenscheer zijn wit en bloeien vanaf mei tot en met juli in de bladoksels. Ze zijn of mannelijk of vrouwelijk. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke bloemen hebben 15 tot 30 priemvormige gele staminodia (steriele meeldraden). De mannelijke bloemen groeien op korte stelen; ze hebben een schotelvormige bloemkroon, staan met 3 tot 6 bij elkaar, telkens maar eentje in bloei. De vrouwelijke bloemen staan alleen, hebben een trechtervormige bloemkroon en zijn zittend of heel kort gesteeld.

 

 

 

 

 

Blad

 

Alle bladeren staan in een rozet. Ze zijn lancetvormig, puntig, enigszins gootvormig met getande rand. Op elke bladtand staat een naar de top gerichte stekel. De bladeren onder water zijn donkergroen tot wijnrood, die boven water zijn grasgroen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

In het winterhalfjaar is de plant in rust op de bodem; de cellen zijn dan gevuld met water. Zodra in de lente nieuwe bladeren gevormd worden, komt krabbenscheer naar boven. Krabbenscheer is een snelle groeier en vermenigvuldigt zich voornamelijk via de vorming van nieuwe rozetten aan het einde van uitlopers vanuit de bladoksels. Zo kan een sloot snel dichtgroeien. De populatie bestaat dan uit klonen van 1 soort; of mannelijk of vrouwelijk.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– waterkaardefamilie (Hydrocharitaceae)
– waterplant
– plaatselijk vrij algemeen tot   ontbrekend
– 15 tot 40 cm

Bloem
– wit
– vanaf mei t/m juli
– alleenstaand
– stervormig
– ongeveer 4 cm
– 3 kroonbladen, niet vergroeid
– 3 kelkbladen
– 12 meeldraden
– 6 stijlen

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand scherp getand
– voet gevleugeld
– parallelnervig

Stengel
– ondergedoken
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

John Astria