Tagarchief: dijken

Veldsla : Valerianella locusta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de hele kleine (2 mm) lichtblauwe (bijna witte) bloemetjes
– in schermachtige hoofdjes, die
– paarsgewijs aan het einde van een gevorkte stengel zitten

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Veldsla is een eenjarig plantje, dat 7 tot 25 cm hoog wordt. Ze is plaatselijk vrij algemeen in de Lage Landen. El-ders is ze zeer zeldzaam. Ze groeit op vochtige, voedselrijke, vaak omgewerkte, grazige grond in bermen en op dijken, soms in akkers.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd van veldsla is april en mei, zelden in juli/augustus. De bloemen van veldsla zijn heel lichtblauw (bijna wit), soms paarsachtig. Ze zijn 2 mm groot en hebben 5 kroonblaadjes. Ze staan in schermvormige hoofdjes, die paarsgewijs aan het einde van de vorkachtig vertakte stengel staan. Onder elk scherm bloemetjes zitten een aan-tal schutbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De tere stengels zijn vaak onderaan verspreid behaard en soms voelen ze bovenaan ruw aan door omlaag gerich-te stijve haren. De onderste bladeren vormen een rozet. Ze zijn spatelvormig. De bovenste bladeren zijn tegen-overstaand, iets spits, lancetvormig tot langwerpig, meestal met een gave, soms iets getande rand, verspreid be-haard en gewimperd.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Veldsla wordt vanwege haar rozet-bladeren ook gekweekt als groente. De gekweekte soort is in alle delen groter dan de wilde. De bladeren kunnen zowel vers als gestoofd gegeten worden en smaken nootachtig. Veldsla is een wintergroente : in de herfst kiemen de zaden en ze overwintert als rozet. Veldsla bevat slijm en is daardoor gevrij-waard van slakkenvraat.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Naast veldsla zijn er nog drie andere soorten veldsla : gegroefde veldsla, getande veldsla en geoorde veldsla. Alle drie staan ze op de rode lijst (gegroefde als gevoelig, getande als ernstig bedreigd en geoorde als verdwenen. Veldsla soorten zijn van elkaar te onderscheiden door de vorm en de hokjes-indeling van de vruchtjes.

 

 

gekweekte

 

 

 

gekweekte

 

 

 

gegroefde

 

 

 

geoorde

 

 

 

getande

 

 

 

Algemeen

 

– kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae)
– eenjarig
– plaatselijk vrij algemeen voorkomend
– 7 tot 25 cm hoog

Bloem
– heel lichtblauw, bijna wit,
soms paarsachtig
– april en mei, zelden in juli/augustus
– stervormig
– 2 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 3 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– onderste :
– rozet
– spatelvormig
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig
– bovenste :
– tegenoverstaand
– langwerpig tot lancetvormig
– top stomp
– rand gaaf of iets getand
– 1-nervig
– verspreid behaard
– gewimperd

Stengel
– rechtop
– vier- of meerkantig
– onderaan verspreid behaard
– soms bovenaan ruw door stijve haren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone ereprijs : Veronica chamaedrys

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

IMG_9705-m.gewone ereprijs

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de 4-tallige hemelsblauwe bloemen in trossen
– en de stengels met beharing in 2 rijen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

De gewone ereprijs is een plant van matig voedselrijke, vochtige graslanden en lichte bossen en struwelen. De soort groeit veel in bermen en op dijken. Ook kan hij in gazons voorkomen. Doordat deze zoveel gemaaid wor-den, komt hij dan niet tot bloei.

 

 

 

 

 

Bloemen

 

Gewone ereprijs wordt 10 tot 40 cm hoog en bloeit in april , mei en juni met hemelsblauwe, 4-tallige bloemen, die donker geaderd zijn en wit hart hebben. De kroonbladen zijn aan de buitenkant iets lichter blauw. De bloemen zijn 0,8 tot 14 mm in doorsnede en vormen ijle trossen van 10 tot 20 bloemen in de oksels van de bovenste bladeren. De donkere beadering dient als honingmerk en leidt insecten naar het binnenste van de bloem. Bij veel regenval en/of harde wind sluiten de bloemen zich en gaan ze hangen. Bloemen van een dag oud krijgen een paars-rode zweem.

 

 

ereprijsgewone-110506-012

 

 

 

Bladeren

 

De ronde, opstijgende, enigszins slappe stengels zijn behaard met twee rijen haren. Zelden zijn ze rondom behaard en als ze dat wel zijn, dan zijn er toch twee dichter behaarde lijnen aanwezig. Ze zijn bebladerd met kruisgewijs tegenoverstaand, eironde tot elliptische bladeren, die zowel aan de boven- als aan de onderkant dicht behaard zijn met korte, zachte haren. De bladeren zijn zittend (soms kort gesteeld) en hebben een gekartelde rand.

 

.

 

 

 

Algemeen

 

weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 10 tot 40 cm

Bloem
– hemelsblauw
– vanaf april t/m juni
– tros
– stervormig
– 8 tot 14 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen, behaard
– 2 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond
– top spits
– rand gekarteld
– voet afgerond
– veernervig
– zittend (soms kort gesteeld)
– beide kanten zacht behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

Onkruid soorten in ons land – letter K – deel 4

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten

 

 

Kruiskruiden (Copmositae)

 

Klein kruiskruid

 

KLEIN KRUISKRUID (Senecio vulgaris) werd in vroeger tijd geprezen om zijn geneeskrachtige eigenschappen. De bladeren werden in water of wijn gekookt als middel tegen ‘pijn in de maag die uit de gal voortvloeit’, zoals de beroemde arts-kruidkundige John Gerard schreef. Vanwege deze en andere heilzame eigenschappen namen de Pilgrimfathers de plant mee toen ze in het begin van de zeventiende eeuw naar Amerika vertrokken. Vijftig jaar later was Klein kruiskruid daar al een onkruid geworden.

Deze soort komt thans over de gehele wereld in de gematigde luchtstreken voor en is een van de meest algemene onkruiden in de tuin. En geen wonder! Het gemiddelde aantal nakomelingen van een enkele plant kan ongeveer 1000 zijn. Wanneer u bedenkt dat het hele jaar door bloemen gevormd worden en dat vijf weken voldoende zijn voor levenscyclus van zaailing tot zaad, dan zouden dus aan het eind van de derde generatie in de herfst in principe een miljoen nieuwe planten uit één exemplaar kunnen zijn voortgekomen.

Ieder zaad is voorzien van een parachute, zodat de wind kan zorgen voor transport over grote afstanden. Bij nat weer worden de zaden kleverig, waardoor ze gemakkelijk blijven hangen aan alles wat ze aanraakt. Op die manier kunnen dus ook mens en dier ze vervoeren naar nieuwe groeigebieden. Vogels zijn verzot op de zaden, waardoor ze de zaak enigszins in toom houden. Anderzijds wordt hierdoor toch ook weer de verspreiding bevorderd, want uit de uitwerpselen kunnen weer zaailingen opslaan.

Klein kruiskruid heeft een nogal slordig uiterlijk als gevolg van de afwisselend, diep ingesneden en getande bladeren en de onregelmatig vertakte stengels, die slap en tamelijk sappig zijn. De hoogte varieert van 7 tot 50 cm, hoewel het maximum niet vaak bereikt wordt. De bloeiwijzen zijn uitsluitend opgebouwd uit (gele ) buisbloempjes, die uitsteken boven een kelkachtig omwindsel dat bestaat uit blaadjes die voor ongeveer de helft groen en voor de rest zwart zijn.

De bladeren zijn zacht behaard en de wortels zijn vezelig, waardoor de plant door wieden gemakkelijk verwijderd kan worden. Dat verwijderen moet zonder pardon gebeuren, vooral aan het eind van het jaar en zeker wanneer u in een akkerbouwgebied woont. Klein kruiskruid verschaft namelijk ’s winters een schuilplaats aan de bladluis Myzus persicae, die op zijn beurt de overbrenger is van een gevreesd bietenvirus. Voor de tuinier is er echter één lichtpuntje in de aanwezigheid van Klein kruiskruid: dat wijst op voldoende stikstof en andere voedingsstoffen in de grond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleverig kruiskruid

 

KLEVERIG KRUISKRUID (Senecio viscosus) draagt zijn naam met ere, vanwege de sterk klierachtig-kleverig behaarde stengels, die 15 tot 45 cm hoog kunnen worden. Het is gewoonlijk een forsere plant dan de voorgaande. Hoewel de bladeren dezelfde vorm hebben zijn de randen niet getand en zijn ze donkergroen in plaats van lichtgroen. Ook zijn de bloemhoofdjes meer open, met uitgespreide, korte straalbloemen, die geel zijn en met ongeveer dertien stuks het platte kussentje van buisbloemen omgeven. De hoofdjes zijn langgesteeld, de knoppen bijna rond. Deze eenjarige plant bloeit van juni tot in de herfst. Komt voor in vrijwel geheel Europa en is verwilderd in Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen op zandgrond, op ruige plaatsen, langs heggen en langs spoorwegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jacobskruiskruid

 

JACOBSKRUISKRUID (Senecio jacobaea) wijkt van de voorgaande twee soorten af doordat niet alleen de plant als geheel maar ook de bloemhoofdjes veel groter zijn. De bloemhoofdjes staan op lange stelen in een schermvormige pluim, die 30 tot 90 cm hoog wordt. De bladeren onder aan de plant vormen een rozet en zijn getand; de vorm is ovaal, met kleine slippen aan de voet. De onderste stengelbladeren zijn gesteeld en geveerd, ze staan afwisselend langs de stengel. De bovenste bladeren zijn veel meer getand. Als geheel ziet de plant er slordig uit; hij kan een plaag worden op verwaarloosd grasland en is giftig voor het vee. Door de stevige wortels kan de plant ook in het gazon veel last veroorzaken. Jacobskruiskruid is een tweejarige of overblijvende plant die bloeit van juli tot en met oktober. Komt voor in geheel Europa; in ons land algemeen in grasland (vooral op de zandgrond), langs wegen en dijken en ook veel in de duinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boerenwormkruid : Tanacetum vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de talrijke gele schijfvormige bloemhoofdjes en
– de geveerde bladeren en
– de groei in grote pollen

 

 

.

.

 

Algemeen

 

Boerenwormkruid is een sterk ruikende, overblijvende plant van 60 tot 120 cm hoog. Ze vormt grote pollen door ondergrondse uitlopers. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen. Je vindt boerenwormkruid op vochtige tot droge, omgewerkte grond op dijken en in bermen, de uiterwaarden, langs spoorwegen en aan akkerranden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot en met september met gele bloemen, die schermvormige pluimen vormen aan het einde van de stengel.

 

 

.

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren doen wat denken aan varenbladeren. In het volle zonlicht richten zij zich plat naar het zuiden. Als ze gewreven worden geven ze een kruidige geur af. De stengel is enigszins verhout en bovenaan sterk vertakt.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Boerenwormkruid kent vele toepassingen. Zo is het een insecten werend middel en verjaagt onder andere vlie-gen, muggen, mieren en vlooien. Vroeger werd het bij mens en dier gebruikt als middel tegen wormen. Verder is ze zeer geschikt voor droogbloem boeketten, omdat de bloemen bij droging mooi hun gele kleur behouden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– vrij zeldzaam in het noordelijk   zeekleigebied
– 60 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juli t/m september
– hoofdje
– schermvormige pluim
– alleen buisbloemen
– 7 tot 13 mm
– omwindselblaadjes vliezig gerand

Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel afgebroken veerdelig
– top spits of toegespitst
– rand scherp gezaagd
– voet gevleugld
– veernervig
– bovenste niet gesteeld

Stengel
– rechtop
– enigszins verhout
– glad en kaal
– bovenaan vertakt
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

.

.

 

 

 

 

Zomerfijnstraal : Erigeron annuus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de op madeliefjes lijkende bloemhoofdjes
– met zeer veel en zeer smalle witte straalbloemen

 

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Zomerfijnstraal is een eenjarige, vrij zeldzame plant die bloeit in juli en augustus.  Ze wordt 30 tot 75 cm hoog en groeit op natte tot vochtige, voedselrijke, omgewerkte grond aan rivieroevers, in bermen en op dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemhoofdjes zijn 1,5 tot 2 cm groot, meestal wit, soms iets blauw of lila aangelopen en staan in losse scher-men bij elkaar. De knopjes hangen. Zodra de bloemhoofdjes opgaan, richten ze zich op.

 

 

 

 

 

Stengel

 

De stengel is rechtopstaand en weinig behaard. Alleen de bovenste helft is vertakt.

 

 

.

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– vrij zeldzaam in Zuid-Limburg en
het rivierengebied
– 30 tot 75 cm hoog

Bloem
– witte straalbloemen
– gele buisbloemen
– juli en augustus
– hoofdje
– 1,5 tot 2 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– verspreid behaard
– onderste bladeren :
– omgekeerd eirond
– lang gesteeld
– verwijderd gezaagd/getand
– top stomp
– middelste bladeren :
– langwerpig
– kort gesteeld
– iets getand
– top spits
– bovenste bladeren :
– lancetvormig
– zittend
– gaafrandig
– top spits

Stengel
– rechtop
– alleen bovenaan vertakt
– verspreid behaard
– rolrond met lengteribben

zie wildebloemen

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Wilde marjolein : Origanum vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

.

Goed te herkennen aan
– de vertakte bloeiwijze van talrijke kleine roze bloemetjes met donker rood-paarse schutbladen en
– de sterk geurende bladeren, waarvan de nerven aan de onderkant duidelijk zichtbaar zijn

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilde marjolein is een beschermde, sterk geurende, stevige, overblijvende plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze is vrij algemeen voor komend in de Lage Landen  en in verwilderde (moes)tuinen. Wilde marjolein groeit op min of meer droge, matig voedselrijke, kalkrijke grond op hellingen, dijken, langs bermen en bosranden.

 

 

 

 

 

.

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf juli tot en met september. De bloeiwijze van wilde marjolein is vertakt en bestaat uit een aantal pluimen met talrijke kleine roze bloemetjes, waarvan de meeldraden ver buiten de bloem steken. In weze bestaan de pluimen uit kleine schijnaren, die op hun beurt weer opgebouwd zijn uit schijnkransen van 2 tot 6 bloemen.

 

 

 

 

 

Bladeren

 

De schutbladen tussen de bloemetjes zijn donker rood-paars gekleurd, waardoor de bloeiwijzen in het begin van de bloei een afwisselend roze/donker rood-paars uiterlijk krijgen. Vanwege de nectar en in mindere mate het stuifmeel worden de bloemetjes door veel vlinders, vliegen, bijen en hommels bezocht.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Wilde marjolein bevat vluchtige oliën, die gebruikt worden voor de behandeling van verkoudheid, krampen, astma, reuma en gewrichtspijnen. Bovendien is ze, naast de verschillende kweekvormen, ook in gebruik als keukenkruid.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

wilde marjolein : kelk met vijf tanden, bladeren alleen aan de onderkant behaard.

echte marjolein : ongetande kelk, bladeren aan beide kanten grijs-viltig.

 

 

 

echte marjolein

.

 

 

Algemeen

 

– lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeldzaam
– beschermd
– ook als tuinplant
– 30 tot 60 cm

Bloem
– roze, zelden wit
– vanaf juli t/m september
– pluim
– lipbloem
– 4 tot 7 mm
– kelk vijftandig
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf of gekarteld
– veernervig
– voet afgerond of wigvormig
– onderkant zacht behaard

Stengel
– rechtop
– vierkantig
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

.

 

 

 

 

Viltig kruiskruid : Jacobaea erucifolia

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de gele “kruiskruid” bloemen en
– de tot dubbel geveerde vlakke bladeren met omgerolde randen en
– de viltige beharing, die later op de bovenkant verdwijnt

.

 

 

 

.

Algemeen

 

Viltig kruiskruid is een overblijvende plant van 30 tot 120 cm hoog. Ze komt algemeen voor op in de Lage Landen. Ze groeit op vochtige, kalkhoudende, grazige grond, vooral op beplante dijken en aan slootkanten.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf eind juli tot en met september. Ze begint later te bloeien dan jakobskruiskruid. De gele bloemhoofdjes bestaan uit buisbloemen (in het hart) en 12 tot 15 straalbloemen. Een enkele keer ontbreken de straalbloemen. De hoofdjes staan in schermvormige pluimen. De omwindselbladen hebben meestal geen zwarte top, die van de bloemhoofdjes van jakobskruiskruid wel.

 

.

.

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn tot dubbel geveerd en spinnenwebachtig behaard. De beharing aan de bovenkant verdwijnt later. De bladslippen staan in 1 vlak en de bladrand is iets omgerold. De bladeren van jakobskruiskruid zijn ook tot dubbel geveerd, maar vaak gekroesd, niet behaard en hebben geen omgerolde rand. De stengels zijn groen, soms rood, boven het midden vertakt en evenals de bladeren spinnenwebachtig behaard. Ook die beharing verdwijnt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Herkennen vergelijkbare kruiskruiden
bezemkruiskruid : blad vlezig en zeer smal

jacobskruiskruid : omwindselbladen met zwarte punt / blad (dubbel) geveerd

viltig kruiskruid : omwindselbladen zonder zwarte punt / blad (dubbel) geveerd

duinkruiskruid : zonder straalbloemen / blad (dubbel) geveerd

waterkruiskruid : blad met grote eindslip (ongeveer de helft van het blad) / blad (dubbel) geveerd

schaduwkruiskruid : tanden bladrand opzij gericht / blad langwerpig

rivierkruiskruid : tanden bladrand naar de top gericht / blad langwerpig

moeraskuiskruid : onderkant grijs viltig behaard, bladeren staan ook vaak omhoog gericht / blad langwerpig

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

bezemkruiskruid

 

 

 

jacobskruiskruid

 

 

 

duinkruiskruid

 

 

 

waterkruiskruid

 

 

 

schaduwkruiskruid

 

 

 

rivierkruiskruid

 

 

 

moeraskruiskruid

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf eind juli t/m september
– hoofdjes in schermvormige pluimen
– lint- en straalbloemen
– 12 tot 15 mm
– omwindselblaadjes meestal zonder   zwarte punt

Blad
– vespreid
– tot dubbel geveerd
– top spits
– rand gaaf en omgerold
– veernervig

Stengel
– rechtop
– behaard, later kaal
– gesteept
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pastinaak : Pastinaca sativa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele platte schermen, bestaande uit kleine bloemetjes met naar binnen gerolde blaadjes en
– de geveerde bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Pastinaak is behaarde, rechtop groeiende, tweejarige plant met een kantig gegroefde stengel, die groeit op vochtige, voedselrijke, grazige grond langs wegen, op dijken en in de uiterwaarden, ook op omgewerkte grond in de duinen. Ze wordt 40 tot 100 cm hoog. Ze is algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot en met september met geurende gele bloemschermen, die bestaan uit 9 tot 20 ongelijke stralen. Het hoofdscherm is meestal groter dan de zijschermen. De bloemetjes zijn erg klein en hebben 5 naar binnen gerolde kelkblaadjes. De vruchtjes zijn plat en ovaal.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

De wortel heeft een crème-witte kleur en een anijsachtige smaak. De wortel was voor de introductie van de aardappel een belangrijk voedsel. Net als van een aantal andere schermbloemigen, zoals bv reuzenberenklauw, kan het sap van de plant tot huidverbranding leiden.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Vergelijkbare andere gele schermbloemigen zijn venkel en dille. Beiden zijn niet inheemse planten en worden gekweekt als keukenkruid. Zeer zelden kun je een verwilderd exemplaar treffen. Het verschil met pastinaak is gelijk te zien aan de bladeren. De bladeren van zowel venkel als dille zijn 3- tot 4-vouwdig geveerd met draadvormige slippen.

 

 

venkel

 

 

wortel venkel

 

 

 

dille

 

 

 

 

dille

 

 

 

 

Algemeen

 

– schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– tweejarig
– algemeen tot zeldzaam voorkomend
– tot 100 cm hoog

Bloem
– geel
– vanaf juli t/m september
– scherm, 5 tot 20 stralen
– 1,5 mm
– stervormig
– 5 naar binnen gerolde kroonbladen
– 0 tot 2 omwindselblaadjes, die afvallen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– enkel, soms dubbel, geveerd
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand ongelijk gekarteld/gezaagd
– veernervig
– bovenkant vaak glanzend
– onderkant behaard tot kaal

Stengel
– rechtop
– behaard
– kantig, diep gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Heelblaadjes : Pulicaria dysenterica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– aan de talrijke gele compacte bloemhoofdjes en
– de viltig behaarde stengels en bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Heelblaadjes is een overblijvende plant van 60 tot 90 cm hoog. Ze komt algemeen voor in de Lage Landen. Ze groeit op zonnige tot licht beschaduwde, vochtige tot natte (brakke) plaatsen, zoals duinvalleien, bermen, dijken, oevers en graslanden. Ze breidt zich uit via ondergrondse uitlopers van de wortel en kan zo grote bestanden vormen. De plant is, op de gele bloemenhoofdjes na, geheel viltig behaard.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Heelblaadjes die bloeit vanaf juli tot en met september met gele bloemenhoofdjes van 1,5 tot 2 cm breed.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn viltig behaard. Later worden ze aan de bovenkant kaal. De hoofdstengel vertakt zich boven het midden. De bloeiende zijstengels zijn vaak hoger dan de hoofdstengel.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Heelblaadjes werd vroeger als geneeskruid gebruikt om wonden te helen en buikloop te stoppen (vandaar de soortnaam “dysenterica”). Bovendien zou ze vlooien op een afstand houden. Pulicaria betekent “vlooienkruid”.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Het blad en de wortel hebben een citroenachtige geur. Doet ook wel denken aan zeep.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Engelse alant : heeft grotere hoofdjes en langere straalbloemen.

 

 

 

 

 

 

Klein vlooienkruid : is veel kleiner en heeft veel kortere straalbloemen.

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– plaatselijk algemeen voorkomend,   elders zeldzaam
– 60 tot 90 cm

Bloem
– geel
– hoofdje
– vanaf juli t/m september
– buis- en straalbloemen
– 1,5 tot 2 cm
– omwindselblaadjes met klierharen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste zittend
– bovenste (half)stengelomvattend met   oortjes
– langwerpig
– top spits
– rand verwijderd gezaagd en gegolfd
– voet hartvormig
– netnervig, aan de bovenkant verdiept, aan de onderkant duidelijk zichtbaar
– wit viltig behaard, later bovenkant   kaal
– geurend

Stengel
– rechtop
– boven het midden vertakt
– viltig behaard
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote kaardebol : Dipsacus fullonum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de grote, stekelige, lila bloemhoofdjes en
– de vergroeide stengelbladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote kaardebol is een tweejarige plant van 0,9 tot 2 meter hoog. De plant komt plaatselijk algemeen voor. Ze wordt ook uitgezaaid. Ze groeit op vochtige, kalkhoudende, omgewerkte grond in bermen, op dijken en in ruigten. Grote kaardebol is in Nederland wettelijk beschermd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote kaardebol bloeit vanaf juli tot en met september. De rechtopstaande, eironde bloemhoofdjes worden aan de onderkant omgeven door enkele opwaarts gebogen stekelige schutbladen, waarvan een aantal langer zijn dan het bloemhoofdje. De bloemen gaan eerst in een ring halverwege het hoofdje open en vandaar naar boven en naar beneden. De uitgebloeide bloemhoofdjes kunnen goed verwerkt worden in droogbloemboeketten.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn aan de voet vergroeid en vormen zo een opvangbakje voor water. Het nut van het waterbakje is niet bekend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Grote kaardebol is een geneeskrachtige plant die een bloedzuiverende werking heeft. Bovendien is ze eet- lustopwekkend en vochtafdrijvend. Uit de wortel en het blad worden tegenwoordig smeersels samengesteld om de pijn bij reuma en jicht te bestrijden. Ook maakt men er een in te nemen medicijn van tegen tuberculose.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae)
– tweejarig
– plaatselijk algemeen tot vrij   zeldzaam
– wettelijk beschermd
– tot 2 meter

Bloem
– lila, zelden wit
– vanaf juli t/m september
– hoofdje, 3 tot 9 cm lang
– buisbloem
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand gaaf tot getand of gezaagd
– voet om de stengel vergroeid
– netnervig
– witte middennerf aan de onderkant met stekels

Stengel
– rechtop tot 2 meter
– meerkantig
– gestekeld
– naar boven toe vertakt

zie wildebloemen