Tagarchief: maart

Vingerhelmbloem : Corydalis solida

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

vingerhelmbloem

.

 

Goed te herkennen aan 
– de volle trossen helder roze tot lila (soms witte) bloemen met lang spoor en
– de handvormig ingesneden schutblaadjes onderaan de bloemsteel

 

 

 

.

Algemeen 

 

Vingerhelmbloem is een tenger, overblijvend plantje van 10 tot 25 cm hoog. Ze is vrij zeldzaam in de duinge- bieden en het rivierengebied, elders zeer zeldzaam. De bloeitijd van vingerhelmbloem is maart en april. Ze groeit op vochtige, matig voedselrijke, vaak kalkhoudende grond in loofbossen en op beschaduwde grasgrond aan de binnenduinrand, aan de voet van hellingen en bij buitenplaatsen.

.

 

jcs-corydalis-solida-47395 vingerhelmbloem

 

.

 

Bloemen

 

De bloemen van vingerhelmbloem zijn helder roze tot lila (soms wit) en staan in dichte trossen aan het einde van de stengel, vaak met de spoor schuin omhoog.De stengels zijn teer en onvertakt. Vingerhelmbloem wordt ook wel voorjaarshelmbloem genoemd.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Vingerhelmbloem kan makkelijk verward worden met holwortel. De twee zijn ook nauw verwant aan elkaar. Het meest in het oog springende verschil zijn de schutblaadjes onderaan de bloemenstelen. Die van vingerhelmbloem zijn handvormig ingesneden. Daaraan dankt vingerhelmbloem ook haar naam. De schutblaadjes van holwortel zijn niet ingesneden. Naast holwortel kan vingerhelmbloem ook verward worden met duivenkervel.

 

 

 

rankende duivenkervel : eerst geelwitte bloemen met donkerrode top, later soms geheel rood, vrij dichte tros van 12 tot 20 bloemen, bloem 10 – 14 mm, vruchtstelen sterk omlaag gekromd.

 

 

Rankende duivenkervel

 

 

 

middelste duivenkervel : lichtroze tot bijna witte bloemen met donkere top, losse trossen tot 15 bloemen, bloem 9 tot 14 mm lang, tros ongeveer even lang als de steel.

 

 

 

 

 

 

gewone duivenkervel : donkerroze tot rozerode bloemen met donkere top, trossen met meer dan 15 bloemen,  bloem 7 tot 8 (9) mm lang, tros langer dan de steel.

 

 

 

 

 

vingerhelmbloem : roodpaarse, soms witte bloemen, schutbladen tussen de bloemen handvormig ingesneden, bloem 1,5 tot 2,5 cm.

 

 

 

 

 

holwortel : roodpaars tot wit, schutbladen tussen de bloemen met gave rand, bloem 2 tot 3 cm.

 

 

 

Algemeen

 

– papaverfamilie (Papaveraceae)
– overblijvend
– vrij tot zeer zeldzaam voorkomend
– 10 tot 25 cm hoog
– verspreiding

Bloem
– helder roze tot lila (soms wit)
– maart en april
– eindelingse tros
– 1,5 tot 2,5 cm
– gespoord
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 2 kelkbladen
– 2 meeldraden, elk met 3   helmknoppen
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel geveerd
– top stomp
– rand gaaf
– voet wigvormig
– handnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

Bloeiend in maart in de Lage Landen.

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

.

.

Bloeiend in maart in de Lage Landen. Elke bloem wordt in de categorie ” Kamerplanten en bloemen ” beschreven : zie zoeken

.

.

bosanemoon

.

.

.

gele anemoon

.

.

.

gevlekt longkruid

.

.

.

gewoon speenkruid

.

.

.

groot hoefblad

.

.

.

herderstasje

.

.

.

Japans hoefblad

.

.

.

klein tasjeskruid

.

.

.

kleine veldkers

.

.

.

klimop ereprijs

.

.

.

maarts viooltje

.

.

.

paardenbloem

.

.

.

paarse dovenetel

.

.

.

prachtschubwortel

.

.

.

slanke sleutelbloem

.

.

.

vingerhelmbloem

.

.

.

winterpostelein

.

.

.

wrangwortel

.

.

.

zandhoornbloem

.

.

.

sneeuwklokje

.

.

.

klein hoefblad

.

.

.

klein kruiskruid

.

.

.

kluwenhoornbloem

.

.

.

lenteklokje

.

.

.

madeliefje

.

.

.

stinkend nieskruid

.

.

.

vogelmuur

.

.

.

vroegeling

.

.

.

winterakoniet

.

.

.

wit hoefblad

.

.

.

blauwe anemoon

.

.

.

grote sneeuwroem

.

.

.

holwortel

.

.

.

oosterse hyacint

.

.

.

.

.

Winterpostelein: Claytonia perfoliata

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

Winterpostelein: Claytonia perfoliata

 

De winterpostelein of kleine winterpostelein (Claytonia perfoliata, synoniem: Montia perfoliata) is een eenjarige plant uit de familie Montiaceae. Vroeger was de soort opgenomen in de posteleinfamilie (Portulacaceae). De soort groeit in Noord-Amerika. Via Cuba is de plant naar West-Europa gekomen. De soort wordt in Engeland, Frankrijk België, Nederland en Duitsland verbouwd als winterharde postelein, maar komt in al deze landen ook verwilderd voor. Vanwege de route waarlangs de plant in Europa arriveerde, wordt de plant in Duitsland ‘Kubaspinat’ genoemd.

 

 

Winterpostelein
Winterpostelein - overzicht
Winterpostelein – overzicht
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: ‘nieuwe’ Tweezaadlobbigen
Clade: Geavanceerde tweezaadlobbigen
Orde: Caryophyllales
Familie: Montiaceae
Geslacht: Claytonia (Winterpostelein)
Soort
Claytonia perfoliata
Donn ex Willd. (1798)
Blad en bloem
Blad en bloem

 

Kenmerken

 

De plant is 15-40 cm hoog en tijdens de bloei gemakkelijk te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel door heen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Dit zijn geen  kelkbladeren, maar naar de bloem opgerukte gewone bladeren. De gewone blaadjes hieronder hebben een schop-vorm.

De gewone bladeren zijn 2-3 cm groot. De twee om de bloemstengel vergroeide bladeren zijn groter. De witte bloemen zijn klein met 2-3 mm lange kroonbladen. Deze meerjarige plant bloeit van april tot juni. In maart gezaaid bloeit de plant van juni tot in de herfst. De 1 – 1,5 mm grote zaden hebben een mierenbroodje.

 

 

 

 

 

Naamgeving

 

De naam Claytonia komt van John Clayton, een botanicus uit de 17e eeuw. De naam perfoliata (Latijn: per door +folium blad) is gebaseerd op het feit dat de stengel door 2 tot een schotel aaneengegroeide bladeren groeit.

 

 

Teelt

 

planten half oktober

 

 

Wie de plant wil telen kan in juni en juli zaaien, waarbij de zaadhoeveelheid 10 g/m² bedraagt. Een onderlinge afstand van 10 cm tussen de rijen is gewenst. Voor de teelt onder glas moet in de tweede helft van augustus gezaaid worden, waarbij de eerste oogst in november en de tweede in maart valt.

Reeds jonge planten kunnen in de herfst geoogst worden. Wanneer men het hart laat staan, maakt de plant weer nieuwe bladeren. De oogst dient in maart afgesloten te worden voordat de plant gaat bloeien.

Het plantje heeft een sterke voorkeur voor zandige gronden, en zal dus in tuinen met goede grond niet snel als onkruid woekeren. Wel stelt het eisen aan de vochtigheid: het heeft behoefte aan constant vochtige grond. De plant verwacht een zuurgraad tussen 6,1 en 7,8.

 

 

Zaadteelt

 

Zaden

 

 

Voor de teelt van zaad moet er half maart gezaaid worden. De bloei begint in juni tot in de herfst. De zaaddozen moeten voordat ze op de grond vallen geplukt en gedroogd worden.

 

 

 

Gebruik

 

De plant is tegen vorst bestand en daardoor in het vroege voorjaar een belangrijke bron van vitamine C en mineralen als calcium, magnesium, en ijzer. In Amerika werd de plant door zowel Indianen als de goudzoekers in Californië gewaardeerd. Voor deze laatsten was het een belangrijk bestrijdingsmiddel van scheurbuik in het vroege voorjaar, wanneer zij gebrek aan vitamine C hadden. Diverse stammen waaronder de Zwartvoetindianen waardeerden overigens niet alleen de zachte blaadjes, maar ook de knollen, die ook eetbaar zijn evenals de wortels.