Tagarchief: juni

Wit vetkruid : Sedum album

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de rolronde, groene tot rode, verspreid staande bladeren en
– de trossen 5-tallige kleine witte tot rozeachtige bloemetjes

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wit vetkruid is een overblijvende vrij zeldzaam voorkomende plant, die 15 tot 20 cm hoog wordt. Van nature komt ze voor in de rivierengebieden, elders is ze uit tuinen verwilderd. Je vindt haar op open, droge, voedselarme, meestal stenige plaatsen, ook in bermen en op omgewerkte grond. Recent wordt ze veel als dakbedekking aangeplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wit vetkruid bloeit in juni en juli met rijkbloemige, sterk vertakte, schermvormige bloeiwijzen van kleine witte, soms roze-achtige bloemetjes. De kroonbladen hebben vaak een rode middennerf.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn groen tot rood, rolrond, lijnvomig en blijven in de winter ook aan de plant. Ze heeft opgerichte bloeiende stengels en kruipende liggende stengels. Ze is zodevormend, dus een goede bodembedekker.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– vetplantenfamilie (Crassulaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam, deels verwilderd
– 15 tot 20 cm

– wit, soms rozeachtig
– juni en juli
– schermvormige tros
– stervormig
– tot 10 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– rolrond, lijnvormig
– top stomp
– rand gaaf
– voet afgerond

Stengel
– opstijgend of liggend
– glad en kaal
– rolrond

 

 

 

 

 

 

 

 

Waterpunge : Samolus valerandi

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de kleine, witte, 5-tallige, onopvallende bloemetjes en
– de bladeren in rozet én verspreid en
– natte, liefst brakke standplaatsen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Waterpunge is een onbehaard, tweejarig of overblijvend, geelgroen plantje van 5 tot 50 cm hoog. Ze groeit op open plaatsen met matig voedselrijke, natte, liefst brakke grond in duinvalleien, laagveenmoerassen, aan greppelranden en op drassige kapvlakten. Het zijn plekken, die vaak ’s winters onder water staan en zomers droogvallen. Ze is plaatselijk vrij algemeen voor komend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Waterpunge bloeit vanaf juni tot in de herfst met weinig opvallende, kleine, witte bloemetjes, die 5 vergroeide, soms licht uitgerande kroonbladen hebben. De bloemen staan in een eindelingse tros, die zich tijdens de bloei verlengd. De bloemstelen zijn licht geknikt en hebben bij de knik een klein steelblaadje. De kelkbladen zijn vergroeid en ze omsluiten en groeien mee met de ronde doosvrucht.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren vormen een rozet. Vaak hebben ze een iets omgerolde rand. In dichte vegetatie verdwijnt het rozet meestal; op meer open plekken blijft het aanwezig. Langs de stengel staan verspreid een aantal stengelbladeren. Zowel rozet- als stengelbladeren zijn spatelvormig, iets vlezig met een wasachtig laagje en hebben een in een steel aflopende voet. De steel van van de onderste bladeren is langer dan van de bovenste. De stengels zijn niet of weinig vertakt.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

De niet bloeiende rozetten lijken op de rozetten van madeliefje. De bladrand van de bladeren van madeliefje is gekarteld, die van waterpunge is gaaf. En de bladeren van waterpunge zijn wat vlezig, die van madeliefje niet.

Verder zijn er vele planten met kleine witte bloemetjes, zoals herderstasjevroegeling, verschillende soorten muur,  hoornbloemen en kleine- en bosveldkers. Van deze soorten is waterpunge eenvoudig te onderscheiden door haar standplaats en door het iets vlezige uiterlijk.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– tweejarig of overblijvend
– plaatselijk vrij algemeen tot zeer
zeldzaam
– 5 tot 50 cm

Bloem
– wit
– vanaf juni tot in de herfst
– pluimvormige tros
– stervormig
– 3 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid en rozet
– enkelvoudig
– spatelvormig
– top stomp, soms met spitsje
– rand gaaf
– veernervig
– iets vlezig met wasachtig laagje

Stengel
– rechtop
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Winterpostelein: Claytonia perfoliata

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

Winterpostelein: Claytonia perfoliata

 

De winterpostelein of kleine winterpostelein (Claytonia perfoliatasynoniemMontia perfoliata) is een eenjarige plant uit de familie Montiaceae. Vroeger was de soort opgenomen in de posteleinfamilie (Portulacaceae). De soort groeit in Noord-Amerika. Via Cuba is de plant naar West-Europa gekomen. De soort wordt in Engeland, Frankrijk BelgiëNederland en Duitsland verbouwd als winterharde postelein, maar komt in al deze landen ook verwilderd voor. Vanwege de route waarlangs de plant in Europa arriveerde, wordt de plant in Duitsland ‘Kubaspinat’ genoemd.

 

 

Winterpostelein
Winterpostelein - overzicht
Winterpostelein – overzicht
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: ‘nieuwe’ Tweezaadlobbigen
Clade: Geavanceerde tweezaadlobbigen
Orde: Caryophyllales
Familie: Montiaceae
Geslacht: Claytonia (Winterpostelein)
Soort
Claytonia perfoliata
Donn ex Willd. (1798)
Blad en bloem
Blad en bloem

 

Kenmerken

 

De plant is 15-40 cm hoog en tijdens de bloei gemakkelijk te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel door heen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Dit zijn geen  kelkbladeren, maar naar de bloem opgerukte gewone bladeren. De gewone blaadjes hieronder hebben een schop-vorm.

De gewone bladeren zijn 2-3 cm groot. De twee om de bloemstengel vergroeide bladeren zijn groter. De witte bloemen zijn klein met 2-3 mm lange kroonbladen. Deze meerjarige plant bloeit van april tot juni. In maart gezaaid bloeit de plant van juni tot in de herfst. De 1 – 1,5 mm grote zaden hebben een mierenbroodje.

 

 

 

 

 

Naamgeving

 

De naam Claytonia komt van John Clayton, een botanicus uit de 17e eeuw. De naam perfoliata (Latijn: per door +folium blad) is gebaseerd op het feit dat de stengel door 2 tot een schotel aaneengegroeide bladeren groeit.

 

 

Teelt

 

planten half oktober

 

 

Wie de plant wil telen kan in juni en juli zaaien, waarbij de zaadhoeveelheid 10 g/m² bedraagt. Een onderlinge afstand van 10 cm tussen de rijen is gewenst. Voor de teelt onder glas moet in de tweede helft van augustus gezaaid worden, waarbij de eerste oogst in november en de tweede in maart valt.

Reeds jonge planten kunnen in de herfst geoogst worden. Wanneer men het hart laat staan, maakt de plant weer nieuwe bladeren. De oogst dient in maart afgesloten te worden voordat de plant gaat bloeien.

Het plantje heeft een sterke voorkeur voor zandige gronden, en zal dus in tuinen met goede grond niet snel als onkruid woekeren. Wel stelt het eisen aan de vochtigheid: het heeft behoefte aan constant vochtige grond. De plant verwacht een zuurgraad tussen 6,1 en 7,8.

 

 

Zaadteelt

 

Zaden

 

 

Voor de teelt van zaad moet er half maart gezaaid worden. De bloei begint in juni tot in de herfst. De zaaddozen moeten voordat ze op de grond vallen geplukt en gedroogd worden.

 

 

 

Gebruik

 

De plant is tegen vorst bestand en daardoor in het vroege voorjaar een belangrijke bron van vitamine C en mineralen als calciummagnesium, en ijzer. In Amerika werd de plant door zowel Indianen als de goudzoekers in Californië gewaardeerd. Voor deze laatsten was het een belangrijk bestrijdingsmiddel van scheurbuik in het vroege voorjaar, wanneer zij gebrek aan vitamine C hadden. Diverse stammen waaronder de Zwartvoetindianen waardeerden overigens niet alleen de zachte blaadjes, maar ook de knollen, die ook eetbaar zijn evenals de wortels.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hokjespeul : Astragalus glycyphyllos

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de lange, liggende, zigzag knikkende stengels
– met samengestelde oneven geveerde bladeren en de
– trossen bleek groengele vlinderbloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Hokjespeul is een giftige, overblijvende plant met liggende, zigzag knikkende stengels, die 30 tot 120 cm lang kunnen worden. Ze groeit op vochtige, kalkrijke grond aan bosranden, tussen kreupelhout, aan dijken en spoorwegen, en in leemkuilen. Ze is zeldzaam voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Hokjespeul bloeit vanaf juni tot en met september met eironde, vrij dichte trossen bleek groengele, geurende vlinderbloemen. De trossen staan in de bladoksels en bestaan uit 8 tot 30, kort gesteelde bloemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren bestaan uit 9 tot 15 elliptische of eironde deelblaadjes. Elk samengesteld blad heeft twee, vrij grote, driehoekige steunblaadjes.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– 30 tot 120 cm

Bloem
– bleek groengeel
– vanaf juni t/m september
– tros
– vlinderbloem
– 1 tot 1,5 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– eirond
– top stomp met klein spitsje
– rand gaaf
– voet afgerond
– veernervig
– onderzijde behaard

Stengel
– liggend
– vrijwel kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote pimpernel : Sanguisorba officinalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– eironde tot langwerpige, donkerrode tot bruinrode bloemhoofdjes
– in een vertakte bloeiwijze op
– lange stelen, die bovenaan kaal zijn

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote pimpernel is een overblijvende, pollen vormende plant van 30 tot 100 cm hoog. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond in hooilanden, aan waterkanten, in bermen en langs spoorwegen. Ze is plaatselijk algemeen voor komend in de Lage landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote pimpernel bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen staan bij elkaar in een aarvormige bloei- wijze. Ze hebben 4 donkerrode tot bruinrode kelkbladen; kroonbladen ontbreken. Ze leveren veel nectar en lokken daarmee verschillende insecten en vlinders. Onderaan het hoofdje worden de nieuwe bloemen gevormd; de bovenste bloemen zijn het verst uitgebloeid. Pas geopende bloemen hebben nog witte kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn oneven geveerd; ze bestaan uit 7 tot 13 gesteelde, langwerpige tot ovale deelblaadjes met een gezaagde rand. De bovenkant is groen, de onderkant is blauwgroen.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Grote pimpernel is de waardplant van twee dagvlinders, donker pimpernelblauwtje en pimpernelblauwtje. Beide vlinders waren in de jaren 70 van de vorige eeuw bijna verdwenen. In 1990 zijn beide soorten geherintroduceerd en kunnen zich nu handhaven. Donker pimpernelblauwtje heeft zich in 2001 weer spontaan gevestigd in Limburg.

 

 

pimpernelblauwtje

 

 

 

Toepassingen

 

Grote pimpernel heeft bloedstelpende eigenschappen. In Rusland en China wordt de plant daarvoor nog steeds gebruikt. Thee van de bladeren werkt heilzaam tegen ontstekingen in mond en keel. Verder bevat de plant stoffen tegen darmstoringen, die ook nu nog in de homeopathie gebruikt worden.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Naast grote pimpernel is er ook kleine pimpernel . De tweede helft van de naam is de grootste overeenkomst; ze zijn makkelijk van elkaar te onderscheiden. Kleine pimpernel is in alles kleiner. Beide soorten hebben eironde tot langwerpige bloemhoofdjes. Die van kleine pimpernel zijn groenig met rode accenten. Kleine bevernel heeft vergelijkbare bladeren, maar is bloeiend duidelijk van grote pimpernel te onderscheiden door de witte schermbloemen.

 

kleine pimpernel

 

 

 

kleine bevernel

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– algemeen tot ontbrekend
– 30 tot 100 cm

Bloem
– donkerrood tot bruinrood
– vanaf juni t/m september
– hoofdje
– 1 tot 3 cm
– 4 bloemdekbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top spits
– rand gezaagd
– voet hartvormig of afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grijskruid : Berteroa incana

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes,
– die in een dichte tros aan het einde van de stengel staan en
– de door beharing grijsgroene bladeren en stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grijskruid is een 20 tot 50 cm hoge, eenjarige plant. Ze groeit op open plaatsen met matig voedselrijke, zandige grond in bermen, langs spoordijken, in de duinen, op industrieterreinen en in graslanden. Ze is vrij algemeen voor komend. Grijskruid wordt ook uitgezaaid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grijskruid bloeit vanaf juni tot en met september met witte bloemetjes, die 4 gespleten kroonbladen hebben. De bloemen van grijskruid staan in dichte trossen aan het einde van de stengel.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Behalve op de kroonbladen hebben alle delen van de plant een dichte, aanliggende, stervormige beharing, wat de plant een grijsgroen uiterlijk geeft. De stengelbladeren staan verspreid aan de stengel, zijn lancetvormig met een stompe top en gave (soms getande) rand.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vrucht

 

Tijdens de bloei worden de stengels langer en vormen zich onder de bloeiwijze langs de stengel elliptische, iets bolle, behaarde, rechtopstaande vruchtjes. In elke vruchtje zitten 6 tot 10 zaden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– vrij algemeen tot zeldzaam
– ook uitgezaaid
– 20 tot 50 cm

Bloem
– wit
– vanaf juni t/m september
– dichte tros
– stervormig
– 8 tot 16 mm
– 4 gespleten kroonbladen
– niet vergroeid
– 4 behaarde kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top stomp
– rand gaaf of iets getand
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Judaspenning

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

De Judaspenning

 

De judaspenning (Lunaria annua) is een tweejarige, 50-80 cm (soms tot 100 cm) hoge plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). De vaste judaspenning (Lunaria rediviva) lijkt op de judaspenning, maar heeft langwerpige in plaats van ronde zaaddozen.

 

 

 

 

 

Botanische beschrijving

 

De bovenste bladeren zijn zittend of zeer kort gesteeld, de onderste zijn gesteeld. De bladeren zijn grof gekarteld, en ei- tot hartvormig.
De bloemen zijn reukloos en 2,5-3 cm groot. De kleur van de bloemen wordt omschreven als paars, mauve of wit. De bloemen zijn gegroepeerd aan de top van de rechtopstaande stengel. De bloeitijd loopt van april tot in juni.
De hauwtjes zijn bijna rond. De vruchten zijn plat en 3-6 cm groot.
De plant is aantrekkelijk voor vlinders. De plant ontsnapt vaak uit tuinen en groeit dan langs bosranden, bij heggen, en in wegbermen. De plant heeft een voorkeur voor zonnige tot licht beschaduwde standplaatsen.

 

 

zaaddozen

 

 

Verspreiding

 

De plant is afkomstig uit Zuidoost-Europa. In zowel België als Nederland is de soort algemeen vanuit tuinen verwilderd aanwezig, iets wat ook voor andere delen van Midden- en West-Europa geldt.

Er zijn verschillende cultivars ontwikkeld:
Lunaria annua ‘Alba Variegata’
Lunaria annua ‘Albiflora’
Lunaria annua ‘Atrococcinea’
Lunaria annua ‘Munstead Purple’
Lunaria annua ‘Sissinghurst White’
Lunaria annua ‘Variegata’

  • Hoogte: 50 tot 100 cm.
  • Standplaats: volle zon.
  • Zaaien: V t/m begin VII. Kiemtijd 14 – 21 dagen. Lichtkiemer. Zaden dus nauwelijks bedekken. Verplanten in de zomer en uitplanten op 30 cm in oktober of voorjaar.
  • Bloei: vanaf half IX t/m X.
  • Kenmerken: Trekt vlinders aan. Een tweejarige plant die zijn naam dankt aan de zaaddozen die op penningen lijken.

 

 

zaden

 

 

EIGENSCHAPPEN

Hoogte: 50 – 100 cm
Kleur: wit tot donker paars
Winterhard: Ja
PH: Neutraal
Vochtigheid: Normaal
Licht: Zon halfschaduw
Evergreen: Bladverliezend

 

witte Judaspenning

 

 

 

 

 

 

Franjekelk : Tellima grandiflora

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de in een eindelingse, eenzijdige trosstaande groengele, klokvormige, knikkende bloemen met teruggeslagen franje-achtige kelkbladen, die soms rozerood verkleuren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Franjekelk is een overblijvende tuinplant uit Noord-Amerika, die in de Lage landen verwilderd voorkomt en wellicht ingeburgerd is.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in mei en juni met groengele bloemen, die in een eenzijdige tros aan het einde van de stengel staan. De bloemen vallen op door hun franje-achtige kelkbladen, die soms rozerood verkleuren. De 5 kelkbladen zijn vergroeid en vormen een opgeblazen, vijftandige kelk. De franje-achtige kelkbladen komen tussen de kelktanden naar buiten en buigen zich in de loop van de bloeitijd helemaal terug.

 

 

 

 

 

Blad

 

De behaarde bladeren zijn in omtrek nagenoeg rond. Ze hebben een hartvormige voet. De rand is gelobd en getand. De onderste bladeren vormen een rozet en zijn lang gesteeld. De stengelbladeren zijn korter gesteeld. Naar boven toe worden de stelen korter; de bovenste bladeren zijn zittend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

steenbreekfamilie (Saxifragaceae)
– overblijvend
– verwilderd, wellicht ingeburgerd
– 30 tot 75 cm

Bloem
– groengeel, soms rozerood verkleurend
– mei en juni
– eenzijdig, aarvormige tros
– klokvormig
– tot 1 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 2 of 3 stijlen

Blad
– rozet en stengelbladeren
– enkelvoudig
– in omtrek nagenoeg rond
– top spits
– rand gelobd en getand
– voet hartvormig
– handnervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond
– groen tot roodbruin

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Echte valeriaan : Valeriana officinalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de lange, soms bovenaan vertakte stengels en
– de geurende zachtroze tot witte bloemschermen en
– de bladeren, die allemaal geveerd zijn met 9 – 21 paar blaadjes

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Echte valeriaan is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze heeft veel vocht nodig. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond aan waterkanten, in grienden en moerasbossen, in ruige graslanden, op kapvlakten en in de duinen. Zodra ze geplukt wordt, gaat ze hangen. Ze wordt 60 tot 120 cm hoog.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Echte valeriaan bloeit in juni en juli. De bloemen zijn zachtroze tot wit en staan in een schermachtige bloeiwijze aan het einde van de stengel. Bloemen in de knop zijn roze. De meeldraden en stijl steken buiten de bloem.

 

 

 

 

 

Stengel

 

De stengels zijn, als ze vertakt zijn, alleen bovenaan vertakt.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Echte valeriaan wordt gebruikt in de homeopatie en fytotherapie. De wortel bevat vluchtige olie en valepotriaten, die een zeer effectieve kalmerende werking hebben. Echte valeriaan kan gebruikt worden tegen nervositeit, stress, slapeloosheid en examenvrees. Het is een mild en doeltreffend plantaardig middel zonder gewenning of versuffing.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Kleine valeriaan, tot 40 cm hoog, onderste bladeren ongedeeld en lang gesteeld, tweehuizig (dus mannelijke en vrouwelijke bloemen op aparte planten), staat op de rode lijst.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 60 tot 120 cm

Bloem
– roze, wit
– juni en juli
– bijscherm
– buisvormig
– 2,5 tot 5 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 3 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– samengesteld
– oneven geveerd
– top spits
– onderste deelblaadjes rand gezaagd
– bovenste deelblaadjes rand gaaf
– netnervig
– onderste gesteeld, bovenste zittend

Stengel
– rechtop
– soms bovenaan vertakt
– gegroefd
– onderaan verspreid behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein tasjeskruid ; Teesdalia nudicaulis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-teesdalia_nudicaulis1_ef

 

 

 

Goed te herkennen aan
– het trosje witte bloemen met ongelijke kroonbladen
– aan de einde van de stengel en
– de vorm van de vruchtjes

 

 

klein_tasjeskruid_01

 

 

 

Algemeen

 

Klein tasjeskruid is een klein eenjarig plantje van 3 tot 20 cm hoog. Ze groeit op open, droge zandgrond en komt algemeen voor op de hoge zandgronden in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Klein tasjeskruid bloeit vanaf april tot en met juni, soms weer in augustus/september. De bloemetjes zijn wit en staan in een tros aan het einde van de stengel. Ze hebben vier kroonblaadjes, waarvan de buitenste twee groter zijn dan de binnenste. Door de buitenste stralende bloemen valt het plantje meer op en trekt daardoor beter insecten aan. Alle bloemen in de bloeiwijze zijn stralend, want elk bloemetje komt op een gegeven moment aan de buitenkant van de bloeiwijze te staan doordat de bloeistengel zich tijdens de bloei verlengt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De plant kiemt in de winter. Daarna vormt ze een platte rozet van enkelvoudige, veervormig ingesneden bladeren. De middelste stengel is bladloos, eventuele andere stengels uit hetzelfde rozet kunnen één of meer kleinere blaadjes hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Klein tasjeskruid lijkt op afstand wat op herderstasje, maar is tengerder en de vruchtjes zijn niet driehoekig, maar uitgerand ei-rond.

 

Naast herderstasje zijn er nog 5 andere (zeer) algemeen voorkomende, vroege voorjaarsbloeiers met 4-tallige, kleine witte bloemetjes en een bladrozet.

 

 

 

herderstasje : driehoekige vruchten.

 

 

 

 

 

 

vroegeling : gespleten kroonbladen en brede, platte vruchten, rozetbladeren gaaf of getand.

 

 

 

 

 

 

zandraket : lange, smalle, schuin afstaande vruchten, rozetbladeren gaaf of getand.

 

 

 

 

 

 

 

kleine veldkers : lange, smalle, rechtop staande vruchten, die boven de bloemen uitkomen, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

 

 

bosveldkers : lange, smalle, rechtop staande vruchten, die niet of nauwelijks boven de bloemen uitkomen, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

 

 

klein tasjeskruid : ongelijke kroonbladen, eironde, platte, haaks afstaande vruchten, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Cruciferae)
– eenjarig
– algemeen voorkomend op   zandgronden
– 3 tot 20 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– hoofdje
– stervormig
– 3 tot 4 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig

Stengel
– rechtop
– niet behaard
– rolrond

zie wilde bloemen