Tagarchief: vegetatie

Aardaker : Lathyrus tuberosus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_9303-gr-aardaker

 

 

Goed te herkennen aan
– de opvallende, rozerode tot helder rode, aangenaam geurende vlinderbloemen met brede vlag én
– de samengestelde bladeren, bestaande uit 2 deelblaadjes en een al of niet vertakte rank én
– de ongevleugelde, kantige stengels

 

 

lathyrus-tub-img_2639

 

 

 

Algemeen

 

Aardaker is een overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog, die groeit op vochtige, kalkhoudende grond in bermen, akkers, duinen, aan spoorwegen en op dijken. De laatste jaren wordt aardaker uitgezaaid in bermen. In Nederland ze wettelijk beschermd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Aardaker bloeit vanaf juni tot en met augustus met vrij grote, rozerode tot helder rode, aangenaam geurende vlinderbloemen, die in lang gesteelde, okselstandige trossen van 2 tot 7 bloemen staan. De bloemen hebben een brede vlag.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn samengesteld uit maximaal 2 elliptische tot langwerpige deelblaadjes met daar tussen een al dan niet vertakte rank, waarmee de plant zich hecht aan omringende vegetatie.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Aardaker werd vroeger verbouwd als groente. De wortels vormen plaatselijk verdikkingen. Deze knolletjes kunnen gegeten worden en zijn te koken als aardappelen of te poffen als tamme kastanjes. Ook de bloemen en jonge scheuten zijn te eten. De zaden zijn licht giftig. De verschillende delen van sier- of pronkerwt (Lathyrus odoratus), die als eenjarige plant in tuinen en moestuinen wordt gekweekt vanwege de heerlijke geur en de decoratieve waarde, zijn zeer giftig!

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 90 cm

Bloem
– rozerood tot helder rood
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– vlinderbloem
– 12 tot 20 mm breed
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– elliptisch tot langwerpig
– top stomp, soms met spitsje
– rand gaaf
– voet afgerond of wigvormig
– parallelnervig
– rank

Stengel
– liggend of klimmend
– glad en kaal
– vierkant

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Waterpunge : Samolus valerandi

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de kleine, witte, 5-tallige, onopvallende bloemetjes en
– de bladeren in rozet én verspreid en
– natte, liefst brakke standplaatsen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Waterpunge is een onbehaard, tweejarig of overblijvend, geelgroen plantje van 5 tot 50 cm hoog. Ze groeit op open plaatsen met matig voedselrijke, natte, liefst brakke grond in duinvalleien, laagveenmoerassen, aan greppelranden en op drassige kapvlakten. Het zijn plekken, die vaak ’s winters onder water staan en zomers droogvallen. Ze is plaatselijk vrij algemeen voor komend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Waterpunge bloeit vanaf juni tot in de herfst met weinig opvallende, kleine, witte bloemetjes, die 5 vergroeide, soms licht uitgerande kroonbladen hebben. De bloemen staan in een eindelingse tros, die zich tijdens de bloei verlengd. De bloemstelen zijn licht geknikt en hebben bij de knik een klein steelblaadje. De kelkbladen zijn vergroeid en ze omsluiten en groeien mee met de ronde doosvrucht.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren vormen een rozet. Vaak hebben ze een iets omgerolde rand. In dichte vegetatie verdwijnt het rozet meestal; op meer open plekken blijft het aanwezig. Langs de stengel staan verspreid een aantal stengelbladeren. Zowel rozet- als stengelbladeren zijn spatelvormig, iets vlezig met een wasachtig laagje en hebben een in een steel aflopende voet. De steel van van de onderste bladeren is langer dan van de bovenste. De stengels zijn niet of weinig vertakt.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

De niet bloeiende rozetten lijken op de rozetten van madeliefje. De bladrand van de bladeren van madeliefje is gekarteld, die van waterpunge is gaaf. En de bladeren van waterpunge zijn wat vlezig, die van madeliefje niet.

Verder zijn er vele planten met kleine witte bloemetjes, zoals herderstasjevroegeling, verschillende soorten muur,  hoornbloemen en kleine- en bosveldkers. Van deze soorten is waterpunge eenvoudig te onderscheiden door haar standplaats en door het iets vlezige uiterlijk.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– tweejarig of overblijvend
– plaatselijk vrij algemeen tot zeer
zeldzaam
– 5 tot 50 cm

Bloem
– wit
– vanaf juni tot in de herfst
– pluimvormige tros
– stervormig
– 3 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid en rozet
– enkelvoudig
– spatelvormig
– top stomp, soms met spitsje
– rand gaaf
– veernervig
– iets vlezig met wasachtig laagje

Stengel
– rechtop
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Waterkruiskruid : Jacobaea aquatica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de voor kruiskruid kenmerkende gele bloemhoofdjes en
– de liervormige middelste stengelbladeren met grote eindslip

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Waterkruiskruid is een 1- of 2-jarige plant van 0,3 tot 1,20 meter hoog. Ze groeit op natte, matig voedselrijke grond in wei- en hooilanden, in bermen, aan waterkanten, in lichte loofbossen en grienden. Ze is algemeen voor komend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Waterkruiskruid bloeit vanaf juni tot en met augustus met de voor kruiskruid bekende gele bloemhoofdjes. De kleur van de straalbloemen is mat dooier-geel, warmer van kleur dan van vergelijkbare kruiskruiden als jakobskruiskruid en viltig kruiskruid. De hoofdjes staan aan het einde van de stengels in losse pluimen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn kaal of bovenaan en in de bloeiwijze spinnenwebachtig behaard, onderaan vaak rood aangelopen en meestal al onder het midden vertakt. De zijtakken staan redelijk wijd uit, waardoor waterkruiskruid een omgekeerd pyramidevormig uiterlijk heeft, vaak niet zichtbaar omdat ze tussen andere vegetatie staat.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Waterkruiskruid is van alle andere soorten binnen de geslachten Jacobaea en Senecio (jakobskruid en kruiskruid) te onderscheiden door de naar verhouding grote eindslip van de bladeren, die bij de middelste stengelbladeren ongeveer gelijk is aan de helft van de bladlengte.

 

 

 

 

 

 

Herkennen vergelijkbare kruiskruiden
blad (dubbel) geveerd

 

 

blad langwerpig

bezemkruiskruid

1 jakobskruiskruid
2 viltig kruiskruid
3 duinkruiskruid
4 waterkruiskruid

 

5schaduwkruiskr.
6 rivierkruiskruid
7moeraskruiskruid

blad vlezig en zeer smal

1 omwindselbladen met zwarte punt
2 omwindselbladen zonder zwarte punt
3 zonder straalbloemen
4 blad met grote eindslip (ongeveer de helft van het blad)

 

5 tanden bladrand opzij gericht
6 tanden bladrand naar de top gericht
7 onderkant grijs viltig behaard, bladeren staan ook vaak omhoog gericht

 

 

 

bezemkruiskruid

 

 

 

jacobskruiskruid

 

 

 

viltig kruiskruid

 

 

 

duinkruiskruid

 

 

 

schaduwkruiskruid

 

 

 

Rivierkruiskruid

 

 

 

moeraskruiskruid

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– 1- of 2-jarig
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje
– buis- en straalbloemen
– 25 tot 30 mm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– geveerd of liervormig
– top stomp
– rand gekarteld, gezaagd of gelobd
– voet gevleugeld
– veernervig

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– kaal of
– bovenaan spinnenwebachtig behaard
– onderaan vaak rood aangelopen
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Teer guichelheil : Anagallis tenella

Standaard

kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de tere, zachtroze tot bijna witte bloemetjes, met 5 donker geaderde kroonbladen tussen lage vegetatie op natte plekken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Teer guichelheil is een overblijvend, laag, kruipend plantje, dat groeit op open plaatsen met natte tot vochtige, al of niet kalkhoudende grond in duinvalleien, in moerassige heiden en lage graslanden. Het zijn plaatsen die in de zomer nat tot vochtig blijven en in de winter meestal onder water staan. De bescherming van het water helpt teer guichelheil de winter door en voorkomt dat ze bevriest. Naast de vochtigheid is ook de hoogte van de overige vegetatie van belang; teer guichelheil heeft open ruimte nodig. Ze is zeer zeldzaam in de Lage Landen en ze staat op de rode lijst als zeer zeldzaam en matig afgenomen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Teer guichelheil bloeit vanaf juni tot en met augustus met zachtroze tot bijna witte bloemetjes. De 5 kroonbladen zijn donker geaderd en 2 tot 3 keer zo lang als de kelkbladen. De bloemen staan op vrij lange, slanke, draad- vormige stelen in de bladoksels. En profiel tonen ze wat klokvormig. De helmdraden zijn dicht en lang wit behaard en aan de voet vergroeid tot een kokertje.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De kruipende stengels wortelen op de knopen. Teer guichelheil kan onder de juiste omstandigheden snel uitgroeien, ze is dan zodenvormend. De bladeren zijn kort gesteeld, rond tot eirond, staan tegenover elkaar en hebben geen klierpuntjes zoals de bladeren van rood en blauw guichelheil.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Naast teer guichelheil zijn er in ook blauw- en rood guichelheil, door hun kleur makkelijk te onderscheiden van teer guichelheil. Een ander laag blijvend, zoden vormend plantje met roze/witte bloemetjes is melkkruid. De bloemetjes van melkkruid zijn compacter, zien er steviger uit en hebben geen steel. Melkkruid groeit voornamelijk op brakke tot zilte plaatsen.

 

 

blauw guichelheil

 

 

rood guichelheil

 

 

melkkruid

 

 

 

Algemeen

 

– sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam, rode lijst
– 5 tot 20 cm

Bloem
– roze tot bijna wit
– vanaf juni t/m augustus
– alleenstaand
– stervormig
– 0,5 tot 1 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand, zelden verspreid
– enkelvoudig
– rond tot eirond
– top stomp
– rand gaaf
– voet afgerond
– netnervig

Stengel
– kruipend
– kaal
– wortelend op de knopen
– rolrond

zie wilde bloemen