Tagarchief: pluimen

Klein kruiskruid : Senecio vulgaris

Standaard

kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de gele bloemhoofdjes zonder straalbloemen en
– de glanzende geveerde bladeren

 

.

 

.

 

Algemeen

 

Klein kruiskruid is zeer algemeen voorkomende eenjarige plant. Ze kan tot 50 cm hoog worden. Vooral omge-werkte grond heeft de voorkeur, maar ook tussen stoeptegels kom je klein kruiskruid tegen.

 

 

 

 

.

Bloem

 

Klein kruiskruid bloeit bijna het hele jaar, behalve bij strenge vorst, met kleine gele bloemhoofdjes, die meer hoog dan breed zijn met zwart gepunte omwindsel blaadjes. De bloemhoofdjes staan in losse pluimen aan het einde van de stengel. Ze bestaan uitsluitend uit gele buisbloemen, straalbloemen ontbreken. De hoofdjes blijven lang gesloten en gaan ook nooit erg ver open.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren van klein kruiskruid zijn glanzend groen.

 

 

 

.

 

Bijzonderheden

 

Voor de bestuiving zorgt de plant zelf. Dus ook bij ongunstig weer, wanneer het nog te koud is voor de insecten, produceert ze veel zaadjes. De zaden groeien in zeer korte tijd uit tot volwaardige planten. Ook die produceren weer opnieuw zaden, die door het vruchtpluis makkelijk door de wind verspreid worden. Al met al een plantje dat je niet snel uit je tuin krijgt.

 

 

 

.

 

Vergelijkbare soorten

 

boskruiskruid : heeft een aantal naar buiten omgerolde straalbloemen, sterk ruikend, niet kleverig.

kleverig kruiskruid : kleverig door talrijke klierharen.

 

 

boskruiskruid :

.

  •  heeft een aantal naar buiten omgerolde straalbloemen, sterk ruikend, niet kleverig.

 

.

 

Boskruiskruid Senetio sylvaticus 5

 

 

 

.

kleverig kruiskruid : 

.

  • kleverig door talrijke klierharen
  • De bovenkant van de bladeren is glanzend groen en enigszins behaard, soms ook kaal.
  • De omwindselblaadjes hebben een zwarte punt.
  • De buitenste (onderste) omwindselblaadjes zijn voor de helft zwart.
  • De hoofdjes bestaan enkel uit buisbloemen, straalbloemen ontbreken.

.

 


01191Kruiskruid klerverig bloem 1copy

 

 

.

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 7 tot 50 cm hoog

Bloem
– geel
– hele jaar, behalve bij strenge vorst
– hoofdje
– 1 cm lang, 4 à 5 mm breed
– buisbloemen
– omwindselbladeren zwarte top

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig
– veervormig ingesneden tot de helft
– top spits
– rand getand of gelobd
– voet onderste bladeren steelvormig   versmald
– voet bovenste al dan niet   stengelomvattend
– veernervig
– vlezig
– bovenkant glanzend
– kaal of gedeeltelijk spinnenwebachtig   behaard

Stengel
– rechtop
– licht behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

.

 

Boerenwormkruid : Tanacetum vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de talrijke gele schijfvormige bloemhoofdjes en
– de geveerde bladeren en
– de groei in grote pollen

 

 

.

.

 

Algemeen

 

Boerenwormkruid is een sterk ruikende, overblijvende plant van 60 tot 120 cm hoog. Ze vormt grote pollen door ondergrondse uitlopers. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen. Je vindt boerenwormkruid op vochtige tot droge, omgewerkte grond op dijken en in bermen, de uiterwaarden, langs spoorwegen en aan akkerranden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot en met september met gele bloemen, die schermvormige pluimen vormen aan het einde van de stengel.

 

 

.

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren doen wat denken aan varenbladeren. In het volle zonlicht richten zij zich plat naar het zuiden. Als ze gewreven worden geven ze een kruidige geur af. De stengel is enigszins verhout en bovenaan sterk vertakt.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Boerenwormkruid kent vele toepassingen. Zo is het een insecten werend middel en verjaagt onder andere vlie-gen, muggen, mieren en vlooien. Vroeger werd het bij mens en dier gebruikt als middel tegen wormen. Verder is ze zeer geschikt voor droogbloem boeketten, omdat de bloemen bij droging mooi hun gele kleur behouden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– vrij zeldzaam in het noordelijk   zeekleigebied
– 60 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juli t/m september
– hoofdje
– schermvormige pluim
– alleen buisbloemen
– 7 tot 13 mm
– omwindselblaadjes vliezig gerand

Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel afgebroken veerdelig
– top spits of toegespitst
– rand scherp gezaagd
– voet gevleugld
– veernervig
– bovenste niet gesteeld

Stengel
– rechtop
– enigszins verhout
– glad en kaal
– bovenaan vertakt
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

.

.

 

 

 

 

Wilde marjolein : Origanum vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

.

Goed te herkennen aan
– de vertakte bloeiwijze van talrijke kleine roze bloemetjes met donker rood-paarse schutbladen en
– de sterk geurende bladeren, waarvan de nerven aan de onderkant duidelijk zichtbaar zijn

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilde marjolein is een beschermde, sterk geurende, stevige, overblijvende plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze is vrij algemeen voor komend in de Lage Landen  en in verwilderde (moes)tuinen. Wilde marjolein groeit op min of meer droge, matig voedselrijke, kalkrijke grond op hellingen, dijken, langs bermen en bosranden.

 

 

 

 

 

.

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf juli tot en met september. De bloeiwijze van wilde marjolein is vertakt en bestaat uit een aantal pluimen met talrijke kleine roze bloemetjes, waarvan de meeldraden ver buiten de bloem steken. In weze bestaan de pluimen uit kleine schijnaren, die op hun beurt weer opgebouwd zijn uit schijnkransen van 2 tot 6 bloemen.

 

 

 

 

 

Bladeren

 

De schutbladen tussen de bloemetjes zijn donker rood-paars gekleurd, waardoor de bloeiwijzen in het begin van de bloei een afwisselend roze/donker rood-paars uiterlijk krijgen. Vanwege de nectar en in mindere mate het stuifmeel worden de bloemetjes door veel vlinders, vliegen, bijen en hommels bezocht.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Wilde marjolein bevat vluchtige oliën, die gebruikt worden voor de behandeling van verkoudheid, krampen, astma, reuma en gewrichtspijnen. Bovendien is ze, naast de verschillende kweekvormen, ook in gebruik als keukenkruid.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

wilde marjolein : kelk met vijf tanden, bladeren alleen aan de onderkant behaard.

echte marjolein : ongetande kelk, bladeren aan beide kanten grijs-viltig.

 

 

 

echte marjolein

.

 

 

Algemeen

 

– lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeldzaam
– beschermd
– ook als tuinplant
– 30 tot 60 cm

Bloem
– roze, zelden wit
– vanaf juli t/m september
– pluim
– lipbloem
– 4 tot 7 mm
– kelk vijftandig
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf of gekarteld
– veernervig
– voet afgerond of wigvormig
– onderkant zacht behaard

Stengel
– rechtop
– vierkantig
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

.

 

 

 

 

Viltig kruiskruid : Jacobaea erucifolia

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de gele “kruiskruid” bloemen en
– de tot dubbel geveerde vlakke bladeren met omgerolde randen en
– de viltige beharing, die later op de bovenkant verdwijnt

.

 

 

 

.

Algemeen

 

Viltig kruiskruid is een overblijvende plant van 30 tot 120 cm hoog. Ze komt algemeen voor op in de Lage Landen. Ze groeit op vochtige, kalkhoudende, grazige grond, vooral op beplante dijken en aan slootkanten.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf eind juli tot en met september. Ze begint later te bloeien dan jakobskruiskruid. De gele bloemhoofdjes bestaan uit buisbloemen (in het hart) en 12 tot 15 straalbloemen. Een enkele keer ontbreken de straalbloemen. De hoofdjes staan in schermvormige pluimen. De omwindselbladen hebben meestal geen zwarte top, die van de bloemhoofdjes van jakobskruiskruid wel.

 

.

.

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn tot dubbel geveerd en spinnenwebachtig behaard. De beharing aan de bovenkant verdwijnt later. De bladslippen staan in 1 vlak en de bladrand is iets omgerold. De bladeren van jakobskruiskruid zijn ook tot dubbel geveerd, maar vaak gekroesd, niet behaard en hebben geen omgerolde rand. De stengels zijn groen, soms rood, boven het midden vertakt en evenals de bladeren spinnenwebachtig behaard. Ook die beharing verdwijnt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Herkennen vergelijkbare kruiskruiden
bezemkruiskruid : blad vlezig en zeer smal

jacobskruiskruid : omwindselbladen met zwarte punt / blad (dubbel) geveerd

viltig kruiskruid : omwindselbladen zonder zwarte punt / blad (dubbel) geveerd

duinkruiskruid : zonder straalbloemen / blad (dubbel) geveerd

waterkruiskruid : blad met grote eindslip (ongeveer de helft van het blad) / blad (dubbel) geveerd

schaduwkruiskruid : tanden bladrand opzij gericht / blad langwerpig

rivierkruiskruid : tanden bladrand naar de top gericht / blad langwerpig

moeraskuiskruid : onderkant grijs viltig behaard, bladeren staan ook vaak omhoog gericht / blad langwerpig

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

bezemkruiskruid

 

 

 

jacobskruiskruid

 

 

 

duinkruiskruid

 

 

 

waterkruiskruid

 

 

 

schaduwkruiskruid

 

 

 

rivierkruiskruid

 

 

 

moeraskruiskruid

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf eind juli t/m september
– hoofdjes in schermvormige pluimen
– lint- en straalbloemen
– 12 tot 15 mm
– omwindselblaadjes meestal zonder   zwarte punt

Blad
– vespreid
– tot dubbel geveerd
– top spits
– rand gaaf en omgerold
– veernervig

Stengel
– rechtop
– behaard, later kaal
– gesteept
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Late guldenroede : Solidago gigantea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de gele pluimen met gebogen zijtakken en
– stengels, die alleen in de bloeiwijze behaard zijn en
– bladeren zonder duidelijke zij-nerven

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Late guldenroede is een overblijvende, algemeen voorkomende plant oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. Late guldenroede groeit op natte tot vochtige, voedselrijke, omgewerkte grond aan rivieroevers en op onbebouwde terreinen. Ze is een echte woekeraar en vormt grote bestanden. De plant kan tot 1,50 meter hoog worden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot in de herfst met kleine gele bloemhoofdjes, die in brede pluimen gerangschikt zitten. De brede pluimen hebben gebogen zijtakken. De bloemen produceren veel nectar en trekken dan ook veel insecten aan, zoals vliegen, dag- en nachtvlinders, bijen, hommels en wespen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste en bovenste bladeren zijn nagenoeg gelijk aan elkaar. Ze zijn lancetvormig, de bovenkant is kaal, de onderkant is blauwgroen en kaal of alleen behaard op de midden-nerf en aan de randen. Ze hebben niet twee duidelijke zij-nerven, zoals de bladeren van Canadese guldenroede. Alleen in de bloeiwijze is de groene of rood aangelopen stengel behaard.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Zowel in de kruidengeneeskunde als in de homeopathie worden alle guldenroedes gebruikt vanwege de ontstekingremmende en urine afdrijvende eigenschappen.

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

late guldenroede : pluimen met gebogen zijtakken, stengel alleen behaard in de bloeiwijze, onderkant bladeren blauwgroen en kaal of alleen midden-nerf en randen behaard, alle bladeren ongeveer gelijk.

 

 

 

 

 

 

 

echte guldenroede : pluimen met korte, rechte zijtakken, onderste bladeren groter dan bovenste, op de rode lijst.

 

 

 

 

 

 

Canadese guldenroede : pluimen met gebogen zijtakken, stengel tenminste vanaf het midden behaard, onderkant bladeren groen en behaard, alle bladeren ongeveer gelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 50 tot 150 hoog

Bloem
– goudgeel
– juli tot in de herfst
– hoofdjes in pluimen
– 6 tot 8 mm
– buis- en straalbloemen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits of toegespitst
– rand gezaagd
– voet wigvormig
– veernervig
– onderkant blauwgroen

Stengel
– rechtop
– kaal, in de bloeiwijze behaard
– soms rood aangelopen
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zulte of zeeaster : Aster tripolium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– op herfstasters lijkende lichtpaarse bloemhoofdjes met een geel hartje (soms ontbreken de straalbloemen) en
– de groeiplaats; op zoute of brakke plaatsen

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Zulte of zeeaster is een overblijvende, soms eenjarige, kale, min of meer vlezige plant van 5 tot 90 cm hoog. Ze komt algemeen voor langs de gehele kust en ze is plaatselijk algemeen in de Lage Landen. Ze groeit op natte, zoute en brakke, zeer voedselrijke grond op schorren en kwelders, in rietlanden, in uiterwaarden, op opgespoten terreinen en aan oevers.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juli tot in de herfst. De bloemhoofdjes vormen grote, vaak iets schermvormige pluimen, hebben lichtpaarse straalbloemen (11 – 17 mm lang) en een hartje van gele buisbloemen. Soms ontbreken de straal- bloemen; dat betreft de variëteit discoideus. Deze vorm komt vooral voor in Zeeland en dan vrijwel uitsluitend op de buitendijkse schorren.

 

 

 

 

 

Blad

 

De stengelbladeren zijn smaller dan de rozetbladeren. De rozetbladeren zijn gesteeld, de stengelbladeren zittend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bladeren kunnen gegeten worden als groente en heten dan lamsoren, niet te verwarren met het plantje lamsoor (Limomium vulgare). Daarnaast is zulte een belangrijke voedingsbron voor bv rotganzen en schapen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Naast zulte komen er van het geslacht Aster in ons land nog 3 verwilderde soorten voor, alle 3 oorspronkelijk uit Noord-Amerika : smalle aster, gladde aster en Nieuw-Nederlandse aster. Gezien het verschil in milieu zul je zulte niet snel verwarren met één van deze asters. Maar mocht je twijfelen : de omwindselblaadjes van zulte zijn 2 tot 3 mm breed en hebben een stompe punt. Die van de andere asters zijn hooguit 1,5 mm breed en spits of ietsje stomp.

 

 

smalle aster

 

 

 

gladde aster

 

 

 

Nieuw Nederlandse aster

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– (vrij) algemeen
– 5 tot 90 (200) cm

Bloem
– lichtpaarse straalbloemen
– gele buisbloemen
– vanaf (april) juli tot in de herfst
– 0,8 tot 2,0 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– 1-, 3- of 5-nervig
– min of meer vlezig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Waterkruiskruid : Jacobaea aquatica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de voor kruiskruid kenmerkende gele bloemhoofdjes en
– de liervormige middelste stengelbladeren met grote eindslip

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Waterkruiskruid is een 1- of 2-jarige plant van 0,3 tot 1,20 meter hoog. Ze groeit op natte, matig voedselrijke grond in wei- en hooilanden, in bermen, aan waterkanten, in lichte loofbossen en grienden. Ze is algemeen voor komend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Waterkruiskruid bloeit vanaf juni tot en met augustus met de voor kruiskruid bekende gele bloemhoofdjes. De kleur van de straalbloemen is mat dooier-geel, warmer van kleur dan van vergelijkbare kruiskruiden als jakobskruiskruid en viltig kruiskruid. De hoofdjes staan aan het einde van de stengels in losse pluimen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn kaal of bovenaan en in de bloeiwijze spinnenwebachtig behaard, onderaan vaak rood aangelopen en meestal al onder het midden vertakt. De zijtakken staan redelijk wijd uit, waardoor waterkruiskruid een omgekeerd pyramidevormig uiterlijk heeft, vaak niet zichtbaar omdat ze tussen andere vegetatie staat.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Waterkruiskruid is van alle andere soorten binnen de geslachten Jacobaea en Senecio (jakobskruid en kruiskruid) te onderscheiden door de naar verhouding grote eindslip van de bladeren, die bij de middelste stengelbladeren ongeveer gelijk is aan de helft van de bladlengte.

 

 

 

 

 

 

Herkennen vergelijkbare kruiskruiden
blad (dubbel) geveerd

 

 

blad langwerpig

bezemkruiskruid

1 jakobskruiskruid
2 viltig kruiskruid
3 duinkruiskruid
4 waterkruiskruid

 

5schaduwkruiskr.
6 rivierkruiskruid
7moeraskruiskruid

blad vlezig en zeer smal

1 omwindselbladen met zwarte punt
2 omwindselbladen zonder zwarte punt
3 zonder straalbloemen
4 blad met grote eindslip (ongeveer de helft van het blad)

 

5 tanden bladrand opzij gericht
6 tanden bladrand naar de top gericht
7 onderkant grijs viltig behaard, bladeren staan ook vaak omhoog gericht

 

 

 

bezemkruiskruid

 

 

 

jacobskruiskruid

 

 

 

viltig kruiskruid

 

 

 

duinkruiskruid

 

 

 

schaduwkruiskruid

 

 

 

Rivierkruiskruid

 

 

 

moeraskruiskruid

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– 1- of 2-jarig
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje
– buis- en straalbloemen
– 25 tot 30 mm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– geveerd of liervormig
– top stomp
– rand gekarteld, gezaagd of gelobd
– voet gevleugeld
– veernervig

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– kaal of
– bovenaan spinnenwebachtig behaard
– onderaan vaak rood aangelopen
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Puntwederik : Lysimachia punctata

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de schijnkransen van gele bloemen in een lange bebladerde pluim
– en de geheel groene kelkbladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Puntwederik is een overblijvende tuinplant oorspronkelijk afkomstig uit Oost- en Zuidoost-Europa. De plant is verwilderd (via tuinafval) en kan zich meestal goed handhaven. Ze groeit op vochtige, moerassige plaatsen, ook op grazige plaatsen tussen bomen en struiken en wordt 0,4 tot 1 meter hoog.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Puntwederik bloeit vanaf juni tot en met augustus met 5-tallige gele bloemen, die met 2-8 in schijnkransen in de bovenste bladoksels staan. De kroonbladeren zijn klierachtig gewimperd en aan de basis vaak oranjebruin. De kelkbladen zijn geheel groen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De eironde tot langwerpige, behaarde en gewimperde, kort gesteelde bladeren zitten met 3 of 4 in kransen aan de rechtopstaande zacht behaarde stengels. Ze zijn aan de onderkant beklierd.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

puntwederik : gele bloemen in schijnkransen in langgerekte bebladerde pluimen, kelkbladen geheel groen, kroonbladen gewimperd.

 

grote wederik : gele bloemen in pyramide-vormige pluimen aan het einde van de stengels en zijstengels, kelkbladen roodachtig gerand.

 

 

grote wederik

 

 

 

Algemeen

 

– sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvend
– verwilderd vanuit tuinen
– 40 tot 100 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– pluim
– stervormig
– tot 3 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kransstandig, kort gesteeld
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf, gewimperd
– voet afgerond
– veernervig
– zacht behaard
– onderkant beklierd

Stengel
– rechtop
– kort zacht behaard
– stomp vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Poelruit : Thalictrum flavum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de op lange, onvertakte stengels staande lichtgele, geurende pluimen van dicht op elkaar staande bloemen met lange meeldraden

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Poelruit is een overblijvende plant, die groeit op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, langs rivieren, in drassige graslanden, in grienden en moerassen. Ze is algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Poelruit bloeit in juni en juli met lichtgele, geurende pluimen. Bij nader bekijken blijken de bloeiende pluimen voornamelijk te bestaan uit lange meeldraden; die geven de pluimen hun kleur. Elke bloem heeft vier, smalle, groenig witte bloemdekbladen, die vrij snel afvallen. De knoppen zijn lichtgroen. De geurende bloemen bevatten geen nectar. Bezoekende insecten verzamelen stuifmeel en zorgen voor de bestuiving.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn langer dan breed, 2- tot 3-voudig oneven geveerd. De deelblaadjes zijn handvormig en aan de onderkant grijsgroen met uitstekende nerven.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Poelruit wordt in de kruidengeneeskunde gebruikt als laxeermiddel.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Op afstand lijkt de bloeiwijze van moerasspirea op die van poelruit; de pluimen van moerasspirea zijn echter witter en zien er wolliger uit. De bladeren van moerasspirea zijn afgebroken oneven geveerd met langwerpige, onregelmatig gezaagde deelblaadjes. Het bovenste blad is meestal 3- tot 5-lobbig. De bladeren van poelruit zijn oneven 2- tot 3-voudig geveerd met handvormige deelblaadjes

 

 

moerasspirea

 

 

 

blad moerasspirea

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 45 tot 90 cm

Bloem
– lichtgeel, wit, groen
– juni en juli
– pluim
– stervormig
– 4 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 10 tot 20 meeldraden
– 10 tot 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– 2- tot 3-voudig geveerd
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– handnervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– rond en geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moerasspirea : Filipendula ulmaria

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de pluimen roomwitte kleine bloemetjes, die zoet geuren en
– de vruchtjes, die spiraalsgewijs om elkaar heen gedraaid zijn

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moerasspirea is een overblijvende plant met krachtige rechtopstaande, dunne, vaak rood/bruin gestreepte stengels en wordt 60 tot 120 cm hoog. Ze is zeer algemeen voorkomend en groeit voornamelijk op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en in lichte loofbossen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Moerasspirea bloeit vanaf juni tot en met augustus in schuimachtige pluimen, die bestaan uit talrijke kleine, roomwitte of witte, zoet geurende bloemen. De vruchten zijn spiraalvormig gedraaid.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Moerasspirea werd veel gebruikt om de lucht te verfrissen. De geurige bloemen werden samen met andere bloemen (o.a. kamperfoelie), in huizen en kerken gelegd om onaangename geuren te verdrijven.

De plant heeft pijnstillende, koortsverlagende en ontstekingsremmende eigenschappen en werd gebruikt tegen malaria en buikloop. Tegenwoordig wordt een aftreksel van de bloemen (thee) nog gebruikt bij griep en verkoudheid. De plant bevat salicylzuur, de werkzame stof in aspirine.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Moeasspirea lijkt op knolspirea. Toch zijn er wel wat verschillen. Knolspirea wordt minder hoog. De bloemen van de knolspirea zijn groter, soms roze of rood, de bladeren zijn langgerekter en bestaan uit minstens 8 paar deelblaadjes. Knolspirea staat op de rode lijst.

Op afstand lijkt moerasspirea op poelruit. De pluimen van moerasspirea zijn echter witter en zien er wolliger uit. De bladeren van moerasspirea zijn afgebroken oneven geveerd met langwerpige, onregelmatig gezaagde deelblaadjes. Het bovenste blad is meestal 3- tot 5-lobbig. De bladeren van poelruit zijn oneven 2- tot 3-voudig geveerd met handvormige deelblaadjes.

 

 

knolspirea

 

 

 

poelruit

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 0,6 tot 1,2 meter

Bloem
– wit of roomwit
– sterk geurend
– vanaf juni t/m augustus
– pluim
– stervormig
– 4 tot 8 mm
– 5 of 6 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 of 6 kelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– 5 tot 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– 2 tot 5 paar blaadjes
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– voet afgerond of wigvormig
– veernervig
– van onderen vaak zilverwit behaard

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond
– vaak roodbruin aangelopen

zie wilde bloemen