Category, categorie: he Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
| Deuteronomium 8 | 1 – 20 | Israël tot gehoorzaamheid vermaand |
|---|---|---|
| Deuteronomium 9 | 1 – 29 | Waarschuwing aan Israël tot ootmoedigheid |
.
Deuteronomy 9-10 – Skip Heitzig


.
| Deuteronomium 8 | 1 – 20 | Israël tot gehoorzaamheid vermaand |
|---|---|---|
| Deuteronomium 9 | 1 – 29 | Waarschuwing aan Israël tot ootmoedigheid |
.


| Deuteronomium 7 | 1 – 26 | Hoe Israël zich moest houden jegens de Kanaänieten |
|---|---|---|
| Deuteronomium 8 | 1 – 20 | Israël tot gehoorzaamheid vermaand |






.
.
.
Het lot van de verloren tien stammen van Israël staat al tientallen jaren in de belangstelling. Tot ongeveer 1950 was de algemene mening het volgende: In de oorlog tegen de Assyriërs in 722 voor Christus, werd een groot deel van het volk Israël afgeslacht. De overlevenden werden door de Assyriërs in ballingschap gezonden. Zij vermengden zich met de heidenen en verdwenen als herkenbaar volk.
.

.
.
.
Sommige theologen zien geen onderscheid meer tussen Juda en Israël. Zij zijn van mening, dat het huidige Joodse volk niet alleen uit afstammelingen van Juda en Benjamin bestaat, maar ook uit leden van de andere tien stammen. Dat zou waar kunnen zijn, indien we naar menselijke maat meten. Uit de tien stammen hebben zich in de loop der eeuwen inderdaad beperkte aantallen bij de Joden gevoegd. Ezechiël 37:16 doet daar een verhelderende uitspraak over en uit die tekst blijkt, dat God hen daarom niet meer onder Israël telt, maar bij Juda.
Ook wordt gesteld dat het onderscheid tussen de twaalf stammen al grotendeels is weggevallen door onderlinge huwelijken. Ook dat lijkt een geldig argument. Weer dienen we te zeggen: naar menselijke maat gemeten. De Almachtige blijkt daar anders over te denken. De profeet Ezechiël is daar heel duidelijk over.
.
.
De profetieën van Ezechiël spreken over de terugkeer van de tien stammen van Israël in de Eindtijd. We citeren een aantal teksten uit de grondtekst.
Ezechiël 34:12 en 13a
Ik zal hen redden uit elke plaats waarheen zij verstrooid waren; Op de dag van wolken en dikke duisternis (= de oordelen van de Eindtijd). En zal Ik hen uit de naties tevoorschijn brengen.
De tekst spreekt over de Eindtijd. Aangezien de Joden al tientallen jaren bezig zijn terug te keren naar het land Kanaän en de Eindtijd nog niet is aangebroken, kunnen zij dus niet bedoeld zijn. Blijft over dat de tekst over de tien stammen van Israël spreekt. Dat volk is voor ons verborgen, daarom moet het tevoorschijn gebracht worden.
Ezechiël 34:16
De verlorene zal Ik opsporen en het verstrooide zal Ik terugbrengen.
Het Joodse volk (Juda en Benjamin) is nooit verloren geweest. Het is tot op de huidige dag herkenbaar (zoals zo schrijnend bleek bij de holocaust). Het hoeft dus niet opgespoord te worden, het volk Israël wel.
Ezechiël 36:24
Want Ik zal u uit de heidenvolken tevoorschijn brengen en Ik zal u verzamelen uit alle landen en Ik zal u terugbrengen naar uw eigen land.
Ook hier wordt gesproken van een volk, dat in de heidenvolken is opgegaan en daarom eerst zichtbaar gemaakt moet worden.
Ezechiël 37:12
Daarom, profeteer! Dan zult u tot hen zeggen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Zie toch! Ik zal uw graven openen en Ik zal u doen oprijzen uit uw graven, o mijn volk en Ik zal u terugbrengen naar het land van Israël.
Een dood volk herleeft. Weer een verwijzing naar de verdwenen tien stammen van Israël.
Ezechiël 37:16
Wat u betreft, mensenzoon: Neem houten panelen voor u en schrijf op het ene: Voor Juda en voor de kinderen Israëls die hun metgezellen zijn. Neem dan een ander houten paneel en schrijf daarop: Voor Jozef – dat is het houten paneel van Efraïm – en geheel het huis van Israël die zijn metgezellen zijn;
Dit is een heel belangrijke uitspraak. Het spreekt over Juda en degenen van de kinderen Israëls die hun metgezellen zijn. Dat zijn afstammelingen van de overige tien stammen, voorzover zij zich bij Juda (= de Joden) gevoegd hebben. Zij worden onder Juda geteld.
De tien stammen worden hier, onderscheidend, Jozef en Efraïm genoemd. Daarbij worden allen uit geheel het huis van Israël geteld (dus ook uit Juda en Benjamin), die daarbij horen, dus die met hen samenleven. Daarmee is de absolute scheiding tussen Israël en Juda hersteld.
Ezechiël 37:19
Zeg dan tot hen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Ziet! Ik zal het houten paneel van Jozef nemen – dat in de hand van Efraïm is – en de stammen van Israël, zijn metgezellen. Dan zal Ik die bij de ander voegen – het houten paneel van Juda – en Ik zal hen tot één houten paneel maken. Zo zullen zij één worden in mijn hand.
In de Eindtijd worden Juda en Israël weer één. Dat is nog onvervulde profetie.
Ezechiël 37:21
Zeg vervolgens tot hen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Zie Mij aan, die de zonen van Israël oppak van tussen de volken – waarheen zij ook gingen – en Ik zal hen overal vandaan verzamelen en hen terugbrengen naar hun eigen land.
Ook hier het beeld van een volk dat verdwenen is en dat door God zelf opgespoord wordt.
.

Regio Israël en Palestina: 9e eeuw voor Christus
.
.
Sinds de terugkeer van Juda (en Benjamin) is de belangstelling voor het lot van de overige tien stammen sterk gegroeid. Het feit, dat in die terugkeer een aantal profetieën vervuld zullen worden, bracht schriftgetrouwe onderzoekers tot de overtuiging, dat de profetieën over de tien stammen van Israël serieus genomen dienden te worden. Want de Bijbel spreekt ook over hun terugkeer. Die toenemende belangstelling stimuleerde onderzoek en zo kwamen vele feiten aan het licht.
.
.
Uiteenlopende bevolkingsgroepen worden genoemd als afstammelingen van Israël, of geloven dat zelf. Veel claims zijn volstrekte onzin, echter lang niet alle. Want het staat nu wel vast dat een aantal bevolkingsgroepen inderdaad van Israël afstammen. Joden en/of Israëlieten behoren helaas niet tot de meest geliefde mensen in de wereld en antisemitisme is vandaag een voortdurend toenemend kwaad.
Toch doet het wonderlijke fenomeen zich voor dat een stijgend aantal families, stammen en/of volken er aanspraak op maken, dat zij tot de verloren tien stammen van Israël behoren.
Een aantal door Joodse instanties wordt serieus genomen en onderzocht en sommige van die claims werden al bevestigd. Hier een aantal korte omschrijvingen van mogelijke kandidaten:
1. Lemba Joden
De Lemba wonen in Zuid-Afrika en spreken Bantu. Zij claimen van Israël af te stammen. Genetisch onderzoek heeft dat bevestigd.
2. B’ney Efraïm (kinderen van Efraïm)
Deze worden ook Telugu Joden genoemd. Zij wonen in Andhra Prades, in India, bij de delta van de rivier de Krishna. Ze zijn zo overtuigd van hun afkomst, dat ze Hebreeuws hebben geleerd en zich tot het Judaïsme hebben bekeerd.
3. B’ney Manashe (kinderen van Manasse)
Dit betreft een groep van onbekende grootte (sommigen spreken van 1-2 miljoen), die aan de noordoost grens van Manipur leven, in India en in Noord-Birma. In Birma worden zij de Lusi genoemd, dat betekent ‘de tien stammen’. In hun liederen en gebeden vinden we de naam Manasse veelvuldig terug. Zij zijn ervan overtuigd dat zij tot de stam Manasse behoren. Een deel van de B’ney Manashe heeft zich tot het Judaïsme bekeerd en vereert Jozef als hun stamvader. Zij bezitten geen geschreven geschiedenis. Echter, de overlevering spreekt van een tocht over een rood gekleurde zee (Rode Zee?) en over een wolkkolom, die hen leidde op hun zwerftocht.
4. Beta Israël (huis van Israël)
Dit zijn donkergekleurde Falasha’s van Ethiopische herkomst. De bevolkingsgroep telt ongeveer 120.000 leden. Hoewel een deel van hen in naam christen was, zijn ze vrijwel allen overgegaan naar het Joodse geloof. Zij zijn al als Joden erkend.
5. Igbo Joden
Die vinden we in Nigeria. Ze tellen ongeveer 40.000 leden. Zij spreken naast de landstaal, ook Hebreeuws. De Igbo’s beweren van Gad, Zebulon en Manasse af te stammen. Zij houden zich al eeuwen aan Joodse tradities.
China
In Jesaja 49:12 vinden we de volgende, intrigerende tekst, over de terugkeer van Israël: Zie, dezen komen uit de verte, genen uit het noorden en het westen, weer anderen uit het land Sinim.
Dit laatste woord (Grondtekst: çiynîym) betekent waarschijnlijk China. En ook daar vinden we sterke aanwijzingen dat daar afstammelingen van Israël leven.
6. Chiang Min Joden
Zij wonen in China, aan de grens met Tibet en houden een aantal Joodse religieuze gebruiken in ere. Zij kennen één God (wat heel ongewoon is in die streken) die zij Jawei noemen (Jahweh).
7. Kaifeng Joden
In China, in de Henan provincie, vinden we ook de Kaifeng Joden. Zij houden in hun religie en gebruiken het geloof der vaderen in stand en staan bekend als: De godsdienst die de pees verwijdert. De geschiedenis van de Kaifeng Joden gaat terug tot 1163, toen zij een synagoge bouwden. Volgens de overlevering kwamen zij in 200 v. Chr. vanuit Noord-India naar China en stammen zij af van de Joden, die onder Ezra verbannen werden (Ezra 9).
8. De Pashtun
Dit is een groot volk, want het telt 40-50 miljoen leden. Zij leven in Afghanistan, Pakistan en het noorden van Iran. Een deel van hen heeft waarschijnlijk Israëlische voorouders. Het oude Afghaanse koningshuis (de Mahmad Zei-familie) beweert zelfs van Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van koning Saul, uit Benjamin, af te stammen (2 Samuël 9).
.

.
.Een aantal stamnamen toont een sterke overeenkomst met de tien stammen van Israël. Zoals: Efidi of Ephriti (Efraïm), Rabbani of Rebbani (Ruben) Shinwari (Simeon), Lewani of Levoni (Levi), Daftani (Naftali), de Gaji of Ghagi (Gad) en Ashurai (Aser). Veel Pashtun dragen een amulet met daarop de Hebreeuwse woorden: Shema Yisrael (= Hoor Israël) waarmee de morgen- en avondgebeden van vrome Joden beginnen. Onder de Pashtun-stammen worden zeer veel Joodse namen gevonden, al dan niet verbasterd. De Pashtun houden een groot aantal Joodse gebruiken in stand en passen besnijdenis toe, zoals de Mozaïsche wet voorschrijft, op de achtste dag. Zij werken of koken niet op de Sabbath. En in veel huizen van de Pashtun treffen we de ster van David aan.
.
.

.
.
.
.

.
.
.
.
Een vrome groep mensen had, op aanwijzingen van de kerkelijke overheid, een onderkomen geregeld voor Pierina Gilli op een zekere afstand van Montichiari. Zij slaagden erin de zusters Franciscanessen van de Lelie ertoe te bewegen om Pierina op 20 mei 1949 op voorlopige basis op te nemen in hun klooster. Deze voorlopige opvang duurde in werkelijkheid negentien jaren.
.
.
.
Op 17 april 1966, op Beloken Pasen, zou de Heilige Maagd aan Pierina verschenen zijn in Fontanelle tussen de vruchtbare akkers van de gemeente Montichiari, dicht bij de oude bron van San Giorgio. Daar zou zij alle zieken hebben uitgenodigd om naar de wonderbaarlijke bron te komen en om barmhartigheid en troost te bidden.
De daarop volgende 13 mei 1966 wenste de H. Maagd dat men de bron de “Bron van Genade” zou noemen en dat tevens een bassin aangelegd zou worden om er al haar kinderen te ontvangen, voornamelijk de zieken.
.
.
Op H. Sacramentsdag, 9 juni 1966, zou Rosa Mystica verschenen zijn aan Pierina boven een rijpend korenveld met de wens dat de tarwe ervan voor het Eucharistisch Brood gemaald zou worden voor vele eer herstellende communies. Tijdens het feest van de Gedaanteverandering van de Heer op 6 augustus 1966, zou de H. Maagd gevraagd hebben om op 15 oktober de Wereldbond van Eerherstellende Communies te vieren.
.
.
.
De laatste jaren van haar leven leefde Pierina in nederigheid en verborgenheid. Alle dagen verbleef zij in gehoorzaamheid aan de bepalingen van de kerkelijke autoriteit. Ze bleef iedereen ontvangen in het huisje met haar gebruikelijke vriendelijkheid en bescheidenheid en zolang haar gezondheid het toeliet had ze altijd een goed woord en een suggestie voor iedereen en voornamelijk gebed.
In 1990 was zij, wegens de voortschrijdende ziekte, genoodzaakt gebruik te maken van een rolstoel en pas dan hield ze op de zieken te bezoeken en te troosten. Op 12 januari 1991, na een lange zuivering van lichaam en geest, eindigde haar aardse leven. De begrafenis werd gevierd in de aanwezigheid van een grote menigte van gelovigen en vrienden die haar begeleidden naar de begraafplaats van haar Montichiari.
.
.
De gebeurtenissen die plaats vonden in de Kathedraal van Montichiari en in het plaatsje Fontanelle, Montichiari, als ook de door Pierina meegedeelde boodschappen, dienen momenteel als een puur persoonlijke ervaring beschouwd te worden. Wat hier ter informatie is vermeld, blijft derhalve onder de exclusieve controle van de Kerkelijke Autoriteit; de uitspraak van de Kerk ten opzichte van de gebeurtenissen is niet in positieve zin gewijzigd door de Heilige Stoel.
In de maand januari 2014 werd de Stichting Rosa Mystica Fontanelle opgericht als een door de Italiaanse wetten erkende stichting van cultus en religie. In overleg met de kerkelijke autoriteit, werd het beheer over de plaatsen van verering te Fontanelle door voornoemde Stichting overgenomen.
.
.
.
Pierina Gilli werd geboren in Montichiari op 3 augustus 1911 als eerste van negen kinderen in een eenvoudige boerenfamilie, dat arm maar heel gelovig was. Zij groeide op geheel toegewijd aan de familie, het werk en het gebed, geduldig het ongemak verdragend van materiële armoede en zwakke gezondheid. Hoewel zij al heel vroeg de wens had zich aan de Heer te wijden als religieuze, bij het door de H. Maria Crocifissa di Rosa in Brescia opgerichte klooster der Dienstmaagden van Liefdadigheid, kon haar wens niet in vervulling gebracht worden wegens de continue en plotselinge ernstige ziektes waarvoor men groot onbegrip toonde.
Rond de dertig jaar onderging Pierina plotseling op intense wijze geestelijke ervaringen met betrekking tot de devotie tot Maria Rosa Mystica, die heden over de hele wereld bekend is geraakt. In dit gelovige getuigenis, ontving zij haar uiteindelijk Kruis, een eindeloos fysiek en moreel leed.
.
.
.
In de nacht van 23 en 24 november 1946, op het hoogtepunt van haar ziekte, verklaarde Pierina dat de H. Maria Crocifissa di Rosa haar zou zijn verschenen en haar uitnodigde te kijken naar een plek in de kamer:
“Toen zag ik een wonderschone Dame, zij droeg een violetkleurig kleed en een witte sluier dat van haar hoofd tot de voeten hing, zij hield haar armen open en ik zag dat haar borst in de hartstreek door drie grote zwaarden was doorboord.”
De H. Maria Crocifissa di Rosa zou haar uitgelegd hebben dat de Dame de H. Maagd was, die haar kwam vragen om “gebed, boete en offer” voor drie soorten zonden van de godgewijde zielen:
◆ voor religieuze zielen die hun roeping prijsgeven,
◆ voor boetedoening voor de doodzonden van deze zielen,
◆ voor de verzoening van het verraad van de priesters die zich onwaardig hebben gemaakt het heilige priesterschap uit te oefenen.
De Heilige zou haar de heiliging van priesters hebben aanbevolen door doeltreffende middelen zoals gebed, boete en offer.
.
.
.
Pierina verklaart dat de H. Maagd opnieuw verschenen is. Deze keer geheel gehuld in het wit met drie rozen op de borst in plaats van de drie zwaarden, die toen aan haar voeten stonden.
◆ de witte roos betekent: de geest van gebed
◆ de rode roos betekent: de geest van verzoening en offervaardigheid
◆ de gouden (of gele) roos betekent: de geest van boete.
Pierina geeft door dat de H. Maagd gevraagd had elke 13de dag van iedere maand als een Maria-dag te vieren. Aan de 12 voorafgaande dagen moeten boete en bijzondere gebeden van voorbereiding gedaan worden.
.
.
.
Op 22 november 1947 zou Rosa Mystica Pierina hebben aangekondigd dat zij op 8 december in de Kathedraal van Montichiari zou verschijnen om het Uur van Genade in te stellen, een uur van boetedoening en gebed, een gebeurtenis van grote en talrijke bekeringen.
Op 7 december zou, volgens de verklaringen van Pierina, de H. Maagd zijn verschenen in gezelschap
van de herdertjes van Fatima, Franciscus en Jacintha, om de toewijding aan haar Onbevlekt Hart te vragen, vooral ten gunste van de godgewijde zielen.
Op 8 december, in de overvolle Kathedraal in Montichiari, zou Pierina een visioen gekregen
hebben van het Onbevlekt Hart van Maria; de H. Maagd zou opnieuw gevraagd hebben het Uur van Genade in te stellen en haar aan te roepen met de titel «Rosa Mystica».
.
.
voorkant : Rosa Mystica
.
achterzijde : Maria, Moeder van de kerk
.
.
.
.
.
.