Tagarchief: profeet

De verloren stammen van Israël

Standaard

 De verloren stammen van Israël

.

.

De profeet Ezechiël

 

Het lot van de verloren tien stammen van Israël staat al tientallen jaren in de belangstelling. Tot ongeveer 1950 was de algemene mening het volgende: In de oorlog tegen de Assyriërs in 722 voor Christus, werd een groot deel van het volk Israël afgeslacht. De overlevenden werden door de Assyriërs in ballingschap gezonden. Zij vermengden zich met de heidenen en verdwenen als herkenbaar volk.

 

 

 

 

 

Onderscheiden volksdelen: Israël en Juda!

 

Sommige theologen zien geen onderscheid meer tussen Juda en Israël. Zij zijn van mening, dat het huidige Joodse volk niet alleen uit afstammelingen van Juda en Benjamin bestaat, maar ook uit leden van de andere tien stammen. Dat zou waar kunnen zijn, indien we naar menselijke maat meten. Uit de tien stammen hebben zich in de loop der eeuwen inderdaad beperkte aantallen bij de Joden gevoegd. Ezechiël 37:16 doet daar een verhelderende uitspraak over en uit die tekst blijkt, dat God hen daarom niet meer onder Israël telt, maar bij Juda.

Ook wordt gesteld dat het onderscheid tussen de twaalf stammen al grotendeels is weggevallen door onderlinge huwelijken. Ook dat lijkt een geldig argument. Weer dienen we te zeggen: naar menselijke maat gemeten. De Almachtige blijkt daar anders over te denken. De profeet Ezechiël is daar heel duidelijk over:

 

 

De profetie voorzegt een terugkeer van Israël

 

De profetieën van Ezechiël spreken over de terugkeer van de tien stammen van Israël in de Eindtijd. We citeren een aantal teksten uit de grondtekst.

 

Ezechiël 34:12 en 13a

Ik zal hen redden uit elke plaats waarheen zij verstrooid waren; Op de dag van wolken en dikke duisternis (= de oordelen van de Eindtijd). En zal Ik hen uit de naties tevoorschijn brengen.

De tekst spreekt over de Eindtijd. Aangezien de Joden al tientallen jaren bezig zijn terug te keren naar het land Kanaän en de Eindtijd nog niet is aangebroken, kunnen zij dus niet bedoeld zijn. Blijft over dat de tekst over de tien stammen van Israël spreekt. Dat volk is voor ons verborgen, daarom moet het tevoorschijn gebracht worden.

 

Ezechiël 34:16

De verlorene zal Ik opsporen en het verstrooide zal Ik terugbrengen.

Het Joodse volk (Juda en Benjamin) is nooit verloren geweest. Het is tot op de huidige dag herkenbaar (zoals zo schrijnend bleek bij de holocaust). Het hoeft dus niet opgespoord te worden, het volk Israël wel.

 

Ezechiël 36:24

Want Ik zal u uit de heidenvolken tevoorschijn brengen en Ik zal u verzamelen uit alle landen en Ik zal u terugbrengen naar uw eigen land.

Ook hier wordt gesproken van een volk, dat in de heidenvolken is opgegaan en daarom eerst zichtbaar gemaakt moet worden.

 

Ezechiël 37:12

Daarom, profeteer! Dan zult u tot hen zeggen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Zie toch! Ik zal uw graven openen en Ik zal u doen oprijzen uit uw graven, o mijn volk en Ik zal u terugbrengen naar het land van Israël.

Een dood volk herleeft. Weer een verwijzing naar de verdwenen tien stammen van Israël.

 

Ezechiël 37:16

Wat u betreft, mensenzoon: Neem houten panelen voor u en schrijf op het ene: Voor Juda en voor de kinderen Israëls die hun metgezellen zijn. Neem dan een ander houten paneel en schrijf daarop: Voor Jozef – dat is het houten paneel van Efraïm – en geheel het huis van Israël die zijn metgezellen zijn;

Dit is een heel belangrijke uitspraak. Het spreekt over Juda en degenen van de kinderen Israëls die hun metgezellen zijn. Dat zijn afstammelingen van de overige tien stammen, voorzover zij zich bij Juda (= de Joden) gevoegd hebben. Zij worden onder Juda geteld.

De tien stammen worden hier, onderscheidend, Jozef en Efraïm genoemd. Daarbij worden allen uit geheel het huis van Israël geteld (dus ook uit Juda en Benjamin), die daarbij horen, dus die met hen samenleven. Daarmee is de absolute scheiding tussen Israël en Juda hersteld.

 

Ezechiël 37:19

Zeg dan tot hen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Ziet! Ik zal het houten paneel van Jozef nemen – dat in de hand van Efraïm is – en de stammen van Israël, zijn metgezellen. Dan zal Ik die bij de ander voegen – het houten paneel van Juda – en Ik zal hen tot één houten paneel maken. Zo zullen zij één worden in mijn hand.

In de Eindtijd worden Juda en Israël weer één. Dat is nog onvervulde profetie.

 

Ezechiël 37:21

Zeg vervolgens tot hen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Zie Mij aan, die de zonen van Israël oppak van tussen de volken – waarheen zij ook gingen – en Ik zal hen overal vandaan verzamelen en hen terugbrengen naar hun eigen land.

Ook hier het beeld van een volk dat verdwenen is en dat door God zelf opgespoord wordt.

 

 

Regio Israël en Palestina: 9e eeuw voor Christus

 

 

Bijbel: Opmerkelijke feiten

 

Sinds de terugkeer van Juda (en Benjamin) is de belangstelling voor het lot van de overige tien stammen sterk gegroeid. Het feit, dat in die terugkeer een aantal profetieën vervuld zullen worden, bracht schriftgetrouwe onderzoekers tot de overtuiging, dat de profetieën over de tien stammen van Israël serieus genomen dienden te worden. Want de Bijbel spreekt ook over hun terugkeer. Die toenemende belangstelling stimuleerde onderzoek en zo kwamen vele feiten aan het licht.

 

 

De tien stammen van Israël worden langzaam maar zeker zichtbaar

 

Uiteenlopende bevolkingsgroepen worden genoemd als afstammelingen van Israël, of geloven dat zelf. Veel claims zijn volstrekte onzin, echter lang niet alle. Want het staat nu wel vast dat een aantal bevolkingsgroepen inderdaad van Israël afstammen. Joden en/of Israëlieten behoren helaas niet tot de meest geliefde mensen in de wereld en antisemitisme is vandaag een voortdurend toenemend kwaad.

Toch doet het wonderlijke fenomeen zich voor dat een stijgend aantal families, stammen en/of volken er aanspraak op maken, dat zij tot de verloren tien stammen van Israël behoren.

Een aantal door Joodse instanties wordt serieus genomen en onderzocht en sommige van die claims werden al bevestigd. Hier een aantal korte omschrijvingen van mogelijke kandidaten:

 

1. Lemba Joden

De Lemba wonen in Zuid-Afrika en spreken Bantu. Zij claimen van Israël af te stammen. Genetisch onderzoek heeft dat bevestigd.

 

2. B’ney Efraïm (kinderen van Efraïm)

Deze worden ook Telugu Joden genoemd. Zij wonen in Andhra Prades, in India, bij de delta van de rivier de Krishna. Ze zijn zo overtuigd van hun afkomst, dat ze Hebreeuws hebben geleerd en zich tot het Judaïsme hebben bekeerd.

 

3. B’ney Manashe (kinderen van Manasse)

Dit betreft een groep van onbekende grootte (sommigen spreken van 1-2 miljoen), die aan de noordoost grens van Manipur leven, in India en in Noord-Birma. In Birma worden zij de Lusi genoemd, dat betekent ‘de tien stammen’. In hun liederen en gebeden vinden we de naam Manasse veelvuldig terug. Zij zijn ervan overtuigd dat zij tot de stam Manasse behoren. Een deel van de B’ney Manashe heeft zich tot het Judaïsme bekeerd en vereert Jozef als hun stamvader. Zij bezitten geen geschreven geschiedenis. Echter, de overlevering spreekt van een tocht over een rood gekleurde zee (Rode Zee?) en over een wolkkolom, die hen leidde op hun zwerftocht.

 

4. Beta Israël (huis van Israël)

Dit zijn donkergekleurde Falasha’s van Ethiopische herkomst. De bevolkingsgroep telt ongeveer 120.000 leden. Hoewel een deel van hen in naam christen was, zijn ze vrijwel allen overgegaan naar het Joodse geloof. Zij zijn al als Joden erkend.

 

5. Igbo Joden

Die vinden we in Nigeria. Ze tellen ongeveer 40.000 leden. Zij spreken naast de landstaal, ook Hebreeuws. De Igbo’s beweren van Gad, Zebulon en Manasse af te stammen. Zij houden zich al eeuwen aan Joodse tradities.

 

China

In Jesaja 49:12 vinden we de volgende, intrigerende tekst, over de terugkeer van Israël: Zie, dezen komen uit de verte, genen uit het noorden en het westen, weer anderen uit het land Sinim.

Dit laatste woord (Grondtekst: çiynîym) betekent waarschijnlijk China. En ook daar vinden we sterke aanwijzingen dat daar afstammelingen van Israël leven.

 

6. Chiang Min Joden

Zij wonen in China, aan de grens met Tibet en houden een aantal Joodse religieuze gebruiken in ere. Zij kennen één God (wat heel ongewoon is in die streken) die zij Jawei noemen (Jahweh).

 

7. Kaifeng Joden

In China, in de Henan provincie, vinden we ook de Kaifeng Joden. Zij houden in hun religie en gebruiken het geloof der vaderen in stand en staan bekend als: De godsdienst die de pees verwijdert. De geschiedenis van de Kaifeng Joden gaat terug tot 1163, toen zij een synagoge bouwden. Volgens de overlevering kwamen zij in 200 v. Chr. vanuit Noord-India naar China en stammen zij af van de Joden, die onder Ezra verbannen werden (Ezra 9).

 

8. De Pashtun

Dit is een groot volk, want het telt 40-50 miljoen leden. Zij leven in Afghanistan, Pakistan en het noorden van Iran. Een deel van hen heeft waarschijnlijk Israëlische voorouders. Het oude Afghaanse koningshuis (de Mahmad Zei-familie) beweert zelfs van Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van koning Saul, uit Benjamin, af te stammen (2 Samuël 9).

 

 

 

 

Een aantal stamnamen toont een sterke overeenkomst met de tien stammen van Israël. Zoals: Efidi of Ephriti (Efraïm), Rabbani of Rebbani (Ruben) Shinwari (Simeon), Lewani of Levoni (Levi), Daftani (Naftali), de Gaji of Ghagi (Gad) en Ashurai (Aser). Veel Pashtun dragen een amulet met daarop de Hebreeuwse woorden: Shema Yisrael (= Hoor Israël) waarmee de morgen- en avondgebeden van vrome Joden beginnen. Onder de Pashtun-stammen worden zeer veel Joodse namen gevonden, al dan niet verbasterd. De Pashtun houden een groot aantal Joodse gebruiken in stand en passen besnijdenis toe, zoals de Mozaïsche wet voorschrijft, op de achtste dag. Zij werken of koken niet op de Sabbath. En in veel huizen van de Pashtun treffen we de ster van David aan.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

Scapulier van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Scapulier van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel

 

 

 

 

Het feest van de Heilige Maagd Maria van de berg Karmel valt op 16 juli.

 

 

De berg Karmel in het Heilig Land wordt in de Bijbel genoemd als de plek waar Elia streed tegen de profeten van de afgod Baäl. In de 12e eeuw lieten kluizenaars zich door het geloof van de profeet Elia inspireren en vestigden zich op de berg Karmel, onder bescherming van de Heilige Maagd. Zij legden de basis voor de latere ordes van de karmelieten en karmelietessen.

De heilige karmeliet Simon Stock  kreeg in de nacht van 15 op 16 juli 1251 in Cambridge een verschijning van de Heilige Maagd Maria. Zij gaf hem een scapulier. Maria beloofde bijzondere zegen voor allen die in de loop der eeuwen haar scapulier zouden dragen. De Kerk heeft plechtig en herhaaldelijk deze Maria devotie, ontstaan in Engeland, goedgekeurd, zodat de pausen aan allen die het scapulier van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel dragen talrijke geestelijke voorrechten hebben verleend.

In 1386 werd 16 juli voor de karmelieten een belangrijke feestdag. Sinds 1726 staat deze vrije gedachtenis  op de liturgische kalender van de Rooms-Katholieke Kerk.

Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel is de patrones van de zeelieden. Zij is de veilige haven, waarin wij onze toevlucht moeten nemen te midden van alle stormen van het leven.

Simon Stock ontvangt het scapulier van Maria (sculptuur in de Santa Maria della Vittoria)

 

 

Het scapulier van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel is een scapulier dat tijdens een Mariaverschijning op 16 juli 1251 in Cambridge aan de heilige karmeliet Simon Stock overhandigd werd. Tijdens deze verschijning overhandigde Maria hem een bruin wollen scapulier. Deze verschijning is door de kerk meermaals erkend.

 

 

 

De beloften

 

Maria beloofde bij het overhandigen van het scapulier: “Neem dit scapulier, het zal een teken van verlossing zijn, een bescherming in gevaar en een belofte van vrede. Al wie zal sterven met dit habijt bekleed zal gevrijwaard zijn voor het eeuwige vuur”.

Later werd aan deze belofte ook het ‘zaterdags privilege’ toegevoegd. Dit omvat de bevrijding uit het vagevuur op de zaterdag na de dood. Hiervoor moeten, in tegenstelling tot de genade van de vrijwaring van de hel, aan twee voorwaarden worden voldaan naast het voortdurend dragen van het scapulier:

  • Kuisheid beleven volgens zijn eigen levensstaat.
  • Dagelijks het klein officie van de Heilige Maagd bidden. Dit kan door een priester worden omgezet in het dagelijks bidden van het rozenhoedje of een ander goed werk.

De kuisheid van zijn eigen levensstaat staat onderhouden is eigenlijk niets meer is dan dat wat voor iedere christen geldt: “Gehuwden zijn geroepen om de echtelijke kuisheid te beleven; de ongehuwden beoefenen de kuisheid in onthouding”.

Alle karmelieten dragen dit scapulier. Ook veel leken wensten dit scapulier te dragen, om aldus deel te krijgen aan bijzondere genade die Maria beloofd had aan hen die het scapulier zouden dragen. Zij dragen een ‘kleine’ variant. Deze bestaat uit twee kleine lapjes bruine wol met twee touwtjes verbonden. Het ene lapje hangt op de borst en het andere op de rug. Het wordt gedragen onder de kleren.

Het scapulier moet worden opgelegd door een priester, volgens de voorgeschreven ritus. Hij kan dan het Klein Officie van de H. Maagd, dat vereist is voor het genieten van het zaterdag-privilege, omzetten in het dagelijks rozenhoedje of een ander goed werk. Als het eerste scapulier versleten is, kan het gewoon vervangen worden door een ander zonder dat het opnieuw door een priester hoeft te worden opgelegd. Omdat het scapulier een gewijd voorwerp is, wordt het niet zomaar weggegooid, wanneer men het vervangt dient men het te verbranden of te begraven.

Op 13 oktober 1917 verscheen Maria aan de herdertjes van Fatima met het Scapulier van de Berg Karmel. Lucia, een van de drie zieners, zei daarover: “De H. Maagd wilde dat iedereen het Scapulier draagt, dat het teken is van de Toewijding aan het Onbevlekt Hart van Maria. De Rozenkrans en het scapulier zijn onafscheidelijk”.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

10 wetenswaardigheden over de islam

Standaard

categorie : religie

 

 

 

De islam is weer volop in het nieuws. Sommigen spreken van “de meest onbegrepen religie”. Velen weten niet dat moslims geen hekel hebben aan Jezus en dat de islam niet per definitie een religie van vrede of haat is. Hier tien dingen die we zouden moeten weten over het islamitisch geloof.

 

 

De mens in geloof

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

1. ‘De Koran is Jezus. Mohammed is de Bijbel’

 

Te vaak maken mensen deze fout: de Koran is een soort islamitische Bijbel en Mohammed is vergelijkbaar met Jezus. In werkelijkheid is het precies andersom: de Koran is een soort Jezus (vleesgeworden God) en Mohammed is vergelijkbaar met de Bijbel. De Koran is voor moslims een incarnatie van God op aarde. Het is voor hen dus niet zomaar een boek. Zelfs meer dan een heilig boek dat respect verdient. Mohammed is voor moslims het middel waarmee de islamitische opvatting bekendheid kreeg. Zeg maar, zoals de Bijbel voor christenen een middel was om de christelijke boodschap te verspreiden.

 

 

 

2. Moslims houden van Jezus

 

Hoewel moslims Jezus niet als een goddelijk iemand beschouwen, zien ze Hem wel als een uitzonderlijke profeet, geboren uit de maagd Maria en geopenbaard aan het Joodse volk. Voor veel islamieten is Jezus een goede tweede, achter Mohammed, als het gaan om eerbied.

 

 

 

3. De meeste moslims zijn niet Arabisch

 

Indonesië is het grootste islamitische land op aarde, gevolgd door Pakistan, India en Bangladesh. Zo komt Saoudi-Arabië pas op de 16e plaats als het gaat om de grootste moslimbevolking. Daarmee staan de Saoediërs achter Oezbekistan, Ethiopië, Turkije en Iran.

 

 

 

4. De islam is niet ‘een religie van vrede’

 

De gruweldaden van de Islamitische Staat (IS) hebben ertoe geleid dat de Verenigde Staten (in samenwerking met zo’n 50 landen, red.) een nieuwe oorlog zijn begonnen. We kunnen ons na 11 september 2001 ook nog allemaal de oorlogsverklaring van George W. Bush herinneren. Het is een denkfout dat een religie per definitie vreedzaam of barbaars is. In plaats daarvan is er een overgrote meerheid moslims die vredelievend is en zijn er een paar rotte appels, zoals dat bij iedere religieuze traditie het geval is. Er zijn immers verschillende manieren om hetzelfde geloof te benaderen.

 

 

 

5. ‘De islam’ is niet een instelling die onderwijst

 

Er is niet iets wat ‘de islam’ belichaamt of iets waartoe ‘de islam’ in algemene zin oproept. Ja, er zijn veel moslims die prediken en adviseren. Veel van deze zaken zijn terug te vinden in islamitische tradities. Maar we kunnen niet spreken over een islamitisch instituut met een specifieke boodschap. Zo is er geen islamitische paus die kan rekenen op een enorme aanhang. Bovendien kun je de islam beschouwen als een soort onveranderlijke traditie.

 

 

 

6. Allah is niet de benaming van de islamitische God

 

‘Allah’ is een woord dat Arabisch sprekende christenen ook gebruiken wanneer zij het hebben over God. Het is niet zo dat ‘Allah’ concurreert met de goden van joden en christenen.

 

 

 

7. ‘De islam’ betekent letterlijk ‘om te dienen’ of ‘overgave’

 

‘Islam’ is afkomstig van ‘salaam’, wat ‘vrede’ betekent. In de letterlijke zin van het woord betekent islam: overgave of onderwerping (aan Gods wil en woord). We mogen hopen dat die overgave leidt tot vrede, maar iedereen interpreteert de islam zoals hij of zij zelf wilt.

 

 

 

8. ‘Sharia’ hoeft geen enge betekenis te hebben

 

Sharia betekent simpelweg ‘juridische onderbouwing’ of ‘canoniek recht’. Er zijn tenminste vijf klassieke leerstellingen waar de sharia wordt geleerd (waaronder de sjiitische leer). Deze vijf methoden verschillen radicaal in de uitleg van de sharia. Zo beveelt de Koran om niet niet dronken te worden wanneer er gebeden wordt en geen gegiste wijn te drinken. Wat wordt hier precies mee bedoeld? De sharia probeert hierop antwoord te geven. Die antwoorden variëren sterk per leerstelling, van een letterlijk alcoholverbod tot een verbod op het drinken van gegiste wijn. Binnen de gehele islamitische wereld wordt de sharia verschillend geïnterpreteerd. Dan zijn er ook nog veel moslims die de sharia negeren. Moslims zijn immers ook mensen.

 

 

 

9. Er is meer dan een soennitische en sjiitische islam

 

Het is belangrijk om te weten dat er een grote, leerstellige verdeeldheid heerst en dat soennieten en sjiieten de twee belangrijkste groepen vormen. Maar er zijn nog veel meer islamitische stromingen. Bovendien, een soennitische moslim in Amsterdam benadert het geloof heel anders dan een soennitische moslim in Marokko. Die levenswijze verschilt vervolgens ook weer van de soennieten in Beiroet, Parijs of Kaapstad.

Een fundamenteel verschil tussen soennieten en sjiieten is het antwoord op de vraag: is het gezag van Mohammed overdraagbaar naar anderen? Soennieten antwoorden met ‘nee’ en sjiieten zeggen ‘ja’. Daarnaast zijn er ook nog etnische en culturele verschillen. Zo vormen Iran en Saoedi-Arabië tegenpolen. In sommige gevallen is het vergelijkbaar met lang bestaande spanningen tussen katholieke, orthodoxe en protestantse christenen. Maar binnen de islam zijn de verschillen dus niet alleen theologisch van aard.

 

 

 

10. Moslims waren cruciaal binnen de moderne natuurkunde, wiskunde en geneeskunde

 

De medische producties van Ibn Sina (beter bekend als Avicenna) werden tot ver in de 17e eeuw in Europa gebruikt. Daarnaast hebben verschillende islamieten een belangrijke bijdrage geleverd aan de natuurkunde en wiskunde. Daar mogen we moslims dankbaar voor zijn. Deze lijst nog langer had kunnen zijn. Als we bereid zijn om de verschillen binnen het jodendom, christendom en hindoeïsme te aanvaarden, moeten we hetzelfde doen met de islam.

 

 

DE ISLAM IS DE GOEDSCHIKSE

TEGENBEWEGING VAN SATAN,

ALS ENGEL VAN HET LICHT,

TEGEN HET WARE CHRISTENDOM

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

Abraham, de stamvader van Israël

Standaard

categorie : religie

 

 

Abraham, oorspronkelijk Abram geheten, is de stamvader van het volk Israël. Uit de Bijbel leren wij hem kennen als een uitstekend vroom man, die zich, in het volle vertrouwen, volkomen aan de goddelijke Voorzienigheid overgaf, toen hem gevraagd werd zijn zoon Izak te offeren. Hij werd als zoon van Terah (of ‘Terach’) en kleinzoon van Nahor geboren in Ur. Hij was dus een afstammeling van Sem, zoon van Noach.

 

 

Abraham Friend of God2

 

 

 

Naam

 

Zijn naam was eerst Abram (‘hoge vader’, ‘vader der hoogheid’), doch na de goddelijke belofte van een talrijk kroost (Gen. 12:2; 17:5), ontving hij op 99-jarige leeftijd de naam Abraham, welke hij de hele Bijbel door behoudt. De nieuwe naam betekent ‘vader van een grote menigte’. Hij zou worden ‘tot een groot volk’ (Gen. 12:2) en ‘een vader van menigte der volken’ (Gen. 17:5).

 

 

 

Afgoderij

 

Terah en zijn zonen Abraham en Nahor hebben andere goden gediend. Jozua verhaalde daarvan:

Joz 24:2 Toen zei Jozua tegen heel het volk: Zo zegt de Heere, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen van oude tijden af gewoond, Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.

Joz 24:14 Nu dan, vrees de Heere, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de goden weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte, en dien de Heere.

Joz 24:15 Maar als het in uw ogen kwalijk is de Heere te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de goden die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden,gediend hebben, óf de goden van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de Heere dienen!

Joz 24:16 Toen antwoordde het volk en zei: Er is geen sprake van dat wij de Heere zouden verlaten om andere goden te dienen.

 

 

52e00dfb70a3badbe4499241b720db2f

 

 

 

Roeping

 

Abram werd door God geroepen om zijn land en familie te verlaten en te gaan naar een ander land dat God hem zou wijzen. Jahweh zou hem tot een groot volk maken, namelijk het volk van Israël. In hem zouden alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

 

Ge 12:1 De Heere nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.


Ge 12:2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.


Ge 12:3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.


Ge 12:4 Toen ging Abram op weg, zoals de Heere tot hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran vertrok.

.

.

God verscheen meermaals aan Abraham

 

Hij zei eens van Abraham:

Ge 18:19 want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heeren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Heere aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft.

 

 

 

Abraham kreeg acht zonen bij drie vrouwen

 

De vrouwen van Abraham waren Sara, Hagar en Ketura. Hij nam Ketura tot vrouw nadat Sara, 127 jaar oud (Gen. 23:1) gestorven was; Abraham was toen 137 jaar oud. De naam “Ketura” betekent “reukwerk”. Abrahams zonen waren:

  1. Ismaël (‘God verhoort’), zoon van Sara’s dienstmaagd Hagar
  2. Izak (‘gelach’), zoon van Sara.
  3. Zimran (‘beroemde’), zoon van Ketura
  4. Joksan (‘vogelaar’), zoon van Ketura
  5. Medan (‘twist’), zoon van Ketura
  6. Midian (‘strijd’), zoon van Ketura
  7. Jisbak (‘verlatene’), zoon van Ketura
  8. Suah (‘treurig’), zoon van Ketura.

Sara’s overlijden in Hebron gaf hem aanleiding om een spelonk te kopen van de Hethiet Efron (Gen. 23). Hij kocht de spelonk en de akker van Efron voor 400 zilverstukken. Dat was zijn eerste, aangekochte eigendom in het land Kanaän. Na de dood van Sara heeft Abraham nog 38 jaar geleefd. Hij bereikte een leeftijd van 175 jaar. Door zijn zonen Izak en Ismaël werd hij begraven in de spelonk van Machpela.

 

 

 

Abraham, de profeet

 

God noemde Abraham tegenover de filistijnse vorst Abimelech “een profeet” (Gen. 20:7).

Ge 20:7 Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet dan dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.

Dat Abraham een profeet was, bleek uit zijn antwoord aan Izak, onderweg naar de offerplaats.

Ge 22:7 Toen sprak Izak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader! Hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon. Hij zei: Zie, hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?
Ge 22:8 Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen.

 

 

1505

 

 

De profeet Abraham sprak tot zijn knecht, die de opdracht kreeg naar Abrahams familie te gaan en daar een vrouw voor Izak te vinden.

Ge 24:7 De Heere, de God van de hemel, Die mij uit mijn familie en uit mijn geboorteland weggehaald heeft, Die tot mij gesproken heeft en Die mij gezworen heeft: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven -die God zal Zijn engel voor u uit sturen, opdat u voor mijn zoon daarvandaan een vrouw zult nemen.

Toen de aartsvader zich tegenover de Hethieten, van wie hij een gunst verzocht, “een vreemdeling en een inwoner bij u” noemde, noemden zij hem “een vorst Gods in het midden van ons’ (Gen. 23:6). God noemde hem tegenover zijn volk Israël “de rotssteen” waaruit de Israëlieten gehouwen zijn.

 

Jes 51:1  Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid najaagt, gij, die den Heere zoekt! aanschouwt den rotssteen, waaruit gij lieden gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt.


Jes 51:2 Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die ulieden gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem.

 

Jezus Christus wordt “de Zoon van Abraham” genoemd, omdat hij naar het vlees een afstammeling van Abraham is en evenals deze wandelde in geloof.

Mt 1:1 Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.

 

Joh 8:39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zei tot hen: Als u kinderen van Abraham was, zou u de werken van Abraham doen.

 

 

 

Belofte van land

 

Abraham kreeg de belofte van het land Kanaän. Hij was gegaan en gekomen in het land dat God hem ter bezitting aanwees. Het land was voor hem en zijn ‘zaad’, zijn nageslacht. De landbelofte wordt meermaals herhaald.

 

Ge 12:1 De Heere nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.


Ge 12:7 Zo verscheen de Heere aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den Heere, Die hem verschenen was.


Ge 15:7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de Heere, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.


Ge 17:8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.

 

 

Afbeelding-04-Het-Beloofde-Land

 

 

 

Het beloofde land is zelfs groter dan Kanaän en strekt zich uit tot de rivier Eufraat (of Frath).

 

Ge 15:18 Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.

 

 

 

Abraham bleef een vreemdeling in het land en woonde in tenten.

 

Hnd 7:5 En Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs geen voetbreed, en Hij beloofde het hem tot een bezitting te geven en zijn nageslacht na hem, terwijl hij geen kind had.

 

 

3sarah-et-abraham_isaac540

 

 

 

De landbelofte wordt door God aan Abrahams zoon Izak bevestigd

 

Ge 26:2 En de Heere verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal;

Ge 26:3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb.

Ge 26:4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,

Ge 26:5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.

 

Ook aan Jacob en Mozes werd de belofte door God bevestigd (Deut. 34:4).

 

 

 

Belofte van talrijk nageslacht

 

Abraham kreeg ook de belofte van een talrijk nageslacht. Abraham is, overeenkomstig de belofte van God, een vader van vele volken geworden. De naam ‘Abraham’ betekent ‘vader van een grote menigte’ .

Ge 12:2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.

Ge 17:5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.


Ge 17:6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.

Ge 18:17 De Heere zei: Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?


Ge 18:18 Immers, Abraham zal zeker tot een groot en machtig volk worden, en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.


Ge 18:19 Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de Heere in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Heere over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.

 

 

 

God herhaalde Zijn belofte nadat Abraham zijn zoon offerde:

 

Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,


Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.


Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

 

 

 

De belofte van een talrijk nageslacht werd door God aan Izak herhaald:

 

Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,

Ge 26:5 omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.

Abraham heeft afstammelingen naar het vlees en naar het geloof. Van Abraham stammen af naar het vlees (lijfelijke nakomelingen):

  • de Israëlieten, via zijn zoon Izak
  • de Edomieten, via zijn zoon Izak
  • de Ismaëlieten, via zijn zoon Ismaël
  • de Assurieten, via zijn zoon Joksan
  • de Letusieten, via zijn zoon Joksan
  • de Leümmieten, via zijn zoon Joksan
  • de Midianieten, via zijn zoon Midian
  • en vele Arabische stammen

Volgens de islamitische overlevering zijn de Arabieren de nakomelingen van Ismaël en daarmee kinderen van Abraham. Moslims zien Abraham als hun vader.

 

 

 

Abrahams nageslacht door het geloof

 

In figuurlijke of geestelijke zin, namelijk om hun geloof, worden gelovigen in de Bijbel kinderen van Abraham genoemd. Abraham geloofde God op het woord van Diens beloften en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Zo wordt ook ons geloof in Jezus Christus, de Zoon van God en de Heiland der wereld, ons tot gerechtigheid gerekend. In dat opzicht is de gelovige als Abraham en wordt hij door God als een zoon van Abraham beschouwd.

Ga 3:7 Erkent dan, dat zij die op grond van geloof zijn,zonen van Abrahamzijn. 

Ga 3:29 En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en volgens belofte erfgenamen.

 

Uit en door Abraham is dus een natuurlijk en aards volk (Israël) alsook een geestelijk en hemels volk (gemeente van Christus) ontstaan. Deze beide volken worden misschien aangeduid door de uitdrukkingen “de sterren aan de hemel” (gemeente van Christus) en “het zand aan de oever van de zee” (Israël).

 

Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,


Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als hetzand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.


Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden.

 

 

plaat10

 

 

 

Belofte van zegen

 

Abraham kreeg ook een belofte van zegen in hem: in hem zouden alle geslachten van het aardrijk gezegend worden.

Ge 12:3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

 

 

 

God herhaalde Zijn belofte nadat Abraham zijn zoon offerde:

 

Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,


Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.


Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

 

 

 

De belofte van zegen wordt door God aan Izak herhaald:

 

Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, 

Ge 26:5 omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.

 

 

 

Op de Pinksterdag herinnert Petrus zijn toehoorders aan deze belofte:

 

Hnd 3:25 U bent de zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen heeft gemaakt, toen Hij tot Abraham zei: ‘En in uw nageslacht zullen alle families van de aarde gezegend worden’.

 

 

 

Deze zegen komt door een zoon van Abraham, namelijk Jezus Christus, tot alle volken van de aarde. Eén zegen is de rechtvaardiging uit geloof.

 

Ga 3:8 De Schrift nu, die voorzag dat God de volken op grond van geloof zou rechtvaardigen, verkondigde tevoren aan Abraham de blijde boodschap: ‘In u zullen alle volken gezegend worden’.

 

 

 

Belofte van overwinning

 

Nadat God aan Abraham meermaals de belofte van land, een talrijk nageslacht en zegen door hem voor de volken had gedaan, voegt Hij, nadat Abraham zijn eigen zoon offerde, er een nieuwe belofte bij.

 

 

Het zaad (nageslacht) van Abraham zou de poort van zijn vijanden in bezit nemen:

 

Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,


Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.


Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

 

Wanneer wij Abrahams zaad (nageslacht) in het meervoud nemen, dus op zijn nakomelingen zien, dan zegt de belofte dat Abrahams nageslacht de poort van zijn vijanden (erfelijk) zal bezitten, hun steden innemen en het goed van hun land genieten. Een poortis in de Heilige Schrift het beeld van macht en sterkte (vgl. Matth. 16:18). In de poorten werden ook de rechtspraken gehouden. Jahweh wil daarmee dus aan Abraham zeggen, dat zijn nakroost over zijn vijanden zal heersen en zijn vijanden overwinnen zal.

Deze belofte ging in vervulling toen Israël zijn vijanden versloeg en het beloofde land innam. De volkomen vervulling geschiedt na de Grote Verdrukking en het geestelijke herstel van Israël. Israël zal dan niet langer de smaad en de staart, maar de eer en het hoofd der volken zijn.

Wanneer wij Abrahams zaad in het enkelvoud nemen, dus op zijn Nakomeling Jezus zien – zoals Paulus doet in Gal. 3:16 – dan zegt de belofte dat de Heer Jezus de poort van zijn vijanden zal innemen. De Heer Jezus is verhoogd aan Gods rechterhand totdat God al zijn vijanden tot zijn voetbank heeft gesteld.

Heb 1:13 Tot wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden stel tot een voetbank voor uw voeten’?

Lu 19:27 Die vijanden van mij evenwel, die niet wilden dat ik over hen regeerde, brengt ze hier en slacht ze in mijn bijzijn af.

 

 

De Heer Jezus heeft door de dood de satan, die de macht over de dood had, teniet gedaan.

 

Heb 2:14  Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel.

 

 

 

Hij heeft de sleutel van de dood en de hades (= dodenrijk).

 

Opb 1:18 en de levende; en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van de dood en de hades.

Mt 16:18 En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen.

Hij zal bij zijn toekomstige verschijning in de wereld zijn vrederijk op aarde oprichten. Hij zal de wereld regeren, die voordien, na de zondeval, door satan werd geregeerd.

 

1Co 15:25 Want Hij moet regeren, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd.

 

 

 

DE ISLAM IS DE GOEDSCHIKSE

TEGENBEWEGING VAN SATAN,

ALS ENGEL VAN HET LICHT,

TEGEN HET WARE CHRISTENDOM

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

John Astria

Openbaring les 3: Gods oordeel aan de witte troon!

Standaard

Categorie: religie

 

Achtergrond

 

Beeld je een wereld in die geregeerd wordt door een volmaakte Heerser die onmiddellijk en vastberaden afrekent met zonden. Wanneer de vloek van de zonde verwijderd is en alles terug naar haar oorspronkelijke zuiverheid als in de tuin van Eden wordt gebracht, zou de wereld gedomineerd worden door rechtvaardigheid en goedheid. Zo een aarde is nog ver te zoeken, maar het is  toch de juiste beschrijving van hoe de aarde er zal uitzien tijdens het komende aardse rijk van Jezus Christus. Gods volk heeft naarstig uitgezien naar deze tijd wanneer Christus zou terugkeren en Zijn vijanden zal verslaan om een aards koninkrijk op te zetten.

Deze verwachting blijft aanhouden omdat Christus’ aardse koninkrijk het hoogtepunt is van Gods verlossingsplan en de verwezenlijking van de hoop die de gelovigen doorheen de eeuwen hebben gekoesterd. De Gemeente wordt opgenomen en naar de hemel geleid, een grote verdrukking van zeven jaar zal de aarde overkomen en alles wat er nog overblijft, is weggelegd om afgehandeld te worden bij het oordeel. In hoofdstuk 20 schrijft Johannes zijn visioen over dit oordeel. Christus, het waardige Lam van God en de Heerser van de aarde, zal Zijn duizendjarig rijk oprichten en rechtvaardig afrekenen met al degenen die zich tegen Hem verzetten.

 

 

Openbaring hoofdstuk 20 ; de eerste opstanding en de tweede dood

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Het binden van de dienaren van satan in het aardse

koninkrijk van Christus (Openbaring 20:1-6)

 

Het eerste waar de Koning aandacht aan zal schenken wanneer hij Zijn koninkrijk opzet is de opsluiting van de verzetsleider. Tegen deze tijd zal God alle menselijke tegenstanders hebben vernietigd (Op.19:11-21) en het beest (antichrist) en de valse profeet zullen in de poel van vuur geworpen worden (19:20). De laatste stap, in de voorbereiding van het koninkrijk, zal het wegnemen van satan en zijn demonische garde zijn zodat Christus kan regeren zonder de tegenstand van bovennatuurlijke vijanden.

God kiest ervoor om satan door een van Zijn engelen te verwijderen van de aarde. Ondanks dat we niet weten wie deze engel zal zijn, kunnen we wel zeggen dat hij grote krachten zal bezitten; “met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand” (20:1). Doordat hij de sleutel bezit, is hij alleen degene die de macht heeft om deze geschapen plaats van straf te openen en te sluiten. Terwijl hij nederdaalt uit de hemel merkt Johannes op dat hij slechts met één agendapunt is gestuurd: om satan (ook wel de draak, oude slang en de duivel genoemd) te grijpen, te binden en weg te werpen in de afgrond (bodemloze put) voor een periode van duizend jaar. Omwille van zijn verzet tegen Gods Zoon, dat wordt afgebeeld door de verschillende benamingen die hem hier worden gegeven, zou satan gedurende de duizend jaar dat Christus Zijn aardse rijk zal regeren worden gebannen. Gedurende deze tijd zal satan niet in staat zijn om volkeren te misleiden (20:3), wat wil zeggen dat hij op geen enkele manier invloed zal hebben op de wereld.

Met satan, zijn demonische garde en alle God verwerpende zondaren uit de weg geruimd, zal het duizendjarig koninkrijk opgericht worden. De Here Jezus zal in dit koninkrijk natuurlijk de voornaamste Heerser zijn (Luk.1:32; Op.19:16). Toch heeft Jezus beloofd dat Zijn heiligen met Hem zullen regeren (Dan.7:27; Matt.19:28;1 Kor.6:2; 2 Tim.2:12; Op.2:26; 3:21; 5:10). Dat deze belofte vervuld zal worden is duidelijk in de rest van Johannes’ visioen. Johannes ziet Gods volk verheerlijkt worden en beloond en heersend met Christus. Hij “zag tronen”, wat duidt op gezag en Gods uitverkorenen “gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven” (Op.20:4). Genietend van een ondergeschikte heerschappij onder leiding van Christus zullen de heiligen Gods wil volledig tot stand doen komen in ieder aspect van het koninkrijk.

Daarna ziet Johannes de laatste groep gelovigen die samen met Christus zullen regeren in Zijn koninkrijk. In dit visioen ziet Johannes “tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven. En ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, die het beest en zijn beeld niet hadden aangebeden, die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en  hand” (Op.20:4). Dit zijn de gemartelde gelovigen uit de grote verdrukking (6:9; 7:9-17; 12:11). Tijdens dit rijk zal de antichrist gelovigen tijdens de jaren van verdrukking omwille van verschillende redenen uitroeien:

(1) hun getuigenis van Jezus (19:10)

(2) ze zullen trouw Gods Woord verkondigen (6:9)

(3) ze zullen het beeld en zijn beeld niet vereren en ze zullen het teken niet op hun voorhand of hand dragen (19:20).

Net als koning Nebukadnessar in de dagen van Daniël zal de antichrist anderen door bevel oproepen om hem te vereren. Zij die zullen weigeren om het beeld van de antichrist te aanbidden zullen de doodstraf krijgen (13:15). In feite zijn van de vele martelaars die eerder in Openbaring genoemd worden mensen die in deze tijd van verdrukking zijn omgekomen.

Als deel van zijn plan om aanbidding van de antichrist af te dwingen, zal de valse profeet vereisen dat iedereen een teken op zijn voorhoofd of rechterhand zal dragen (13:16). Dit teken zal de personen die dit dragen kenmerken als aanbidders en trouwe volgelingen van de antichrist. Zij die weigeren om zulk een teken te dragen zullen geëxecuteerd worden. Omdat deze gelovigen tijdens deze jaren van verdrukking trouw zullen blijven tot aan de dood, en hiermee getuigen van hun ware verlossing, zullen ook zij terug tot leven komen en samen met Christus gedurende duizend jaar regeren.

Deze opstanding van de gelovigen noemt Johannes de eerste opstanding en degenen die er deel van uitmaken worden gezegend en heilig beschouwd (20:5). Zij die zullen horen bij de tweede opstanding zijn de dode ongelovigen uit de geschiedenis, waarvan de opstanding tot oordeel en verdoemenis in de volgende verzen 11-15 beschreven worden. Zij die deel uitmaken van de eerste opstanding zijn eerst en vooral gezegend omdat “de tweede dood geen macht” heeft over hen (20:6). Deze tweede dood die in vers 14 beschreven wordt als “de poel van vuur” is de eeuwige hel. De geruststellende waarheid is dat geen enkel kind van God ooit Gods toorn zal ondergaan (Rom.5:9; 1Thess.1:10; 5:9). Zij die deel hebben aan de eerste opstanding zijn ook gezegend omdat ze “priesters van God en van Christus zijn” (1:6; 5:10; 20:6). De gelovigen dienen nu als priesters door het aanbidden van God en het leiden van anderen in het kennen van Hem (1 Pet.2:9) en zullen op gelijkaardige wijze gaan dienen in het duizendjarig rijk.

 

 

De bevrijding en het einde van satan (Openbaring 20:7-10)

 

Zoals eerder werd aangehaald zullen satan en zijn demonen tijdens het duizendjarig rijk gevangen worden gehouden in de afgrond (of bodemloze put), zodat Jezus Christus soeverein zonder verzet zal kunnen regeren. Hen zal niet toegelaten worden om zich op een of andere manier te moeien met zaken die betrekking hebben op het duizendjarig rijk. Maar de opsluiting van satan zal ongedaan worden gemaakt “wanneer die duizend jaar tot een einde gekomen zijn” en hij “uit zijn gevangenis (zal) worden losgelaten” om een laatste opstand van zondaars te leiden. Ondanks de persoonlijke heerschappij van Christus op aarde en ondanks de hoge moraal die de aarde zal kennen zullen vele nakomelingen van hen die het duizendjarig rijk met hun fysieke lichamen zijn binnengetreden hun zonden toch gaan liefhebben en Christus verwerpen (cf. Rom.8:7). Zelfs de geweldige omgeving van het duizendjarig rijk zal de trieste realiteit van de menselijke verdorvenheid niet veranderen. Het loslaten en terugkeren naar de aarde van satan zal het bovennatuurlijke leiderschap voorzien dat nodig is om alle rebellie die er nog steeds leeft op aarde naar de oppervlakte te brengen (20:8).

Verwonderlijk ziet Johannes dat het aantal van deze rebellerende mensen “als het zand van de zee” is – een beeldspraak die in de Bijbel gebruikt wordt om een massale ontelbare groep aan te geven (Gen.22:17; Joz.11:4; Heb.11:12). Deze rebellen zullen de gelovigen omsingelen, die op dat moment allen in “de geliefde stad” Jeruzalem zullen verblijven (cf. Ps.78:68; 87:2). Alle gelovigen zullen daar zijn samengekomen, omdat het de plaats zal zijn waar de troon van de Messias zal staan en dit het centrum ts van het duizendjarig rijk (cf. Jes.24:23; Ezech.38:12; 43:7; Zach.14:9-11).

Omdat de rebellen zullen vergaderen om zich te verzetten tegen Christus, zal de oorlog eerder een terechtstelling worden. Volgens het visioen van Johannes komt er, wanneer de rebellen ten strijde willen trekken, “vuur van God neer uit de hemel en dat verslindt hen” (20:9). Ze worden snel, onmiddellijk en volledig uitgeroeid, een manier die God dikwijls gebruikt om zondaren te oordelen (cf. Gen.19:24; Lev.10:2; Luk.9:54). Satans strijdmachten worden fysisch gedood en hun zielen zullen naar het dodenrijk keren waar ze wachten op hun straf, de eeuwige hel, die gauw zal voltrokken worden (20:11-15). Johannes geeft ook weer hoe hun kwaadaardige leider zijn lot niet zal kunnen ontlopen. “De duivel, die hen misleidde, wordt in de poel van vuur en zwavel geworpen” (20:10). Daar zal hij het beest en de valse profeet vergezellen die tegen die tijd al duizend jaren hebben doorgebracht in deze plaats van tuchtiging (19:20). Eenmaal in deze verschrikkelijke plek zullen ze “dag en nacht gepijnigd worden” (20:10). Er zal “in alle eeuwigheid” geen moment van opluchting zijn (20:10) in de hel als een blijvende plaats (Matt.25:46; 2 Thess.1:9; Op.14:10-11) van onuitblusbaar vuur (Mark.9:43).

 

 

666 en de antichrist

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De grote witte troon van het oordeel (Openbaring 20:11-15)

 

Na getuige te zijn van het eeuwige einde van satan samen met de inluiding van het duizendjarig rijk van Christus krijgt Johannes een visioen over een grote witte troon. Het is op deze plaats dat de berouwloze zondaren die Gods genade en barmhartigheid tijdens hun leven hebben verworpen onvermijdbaar Gods rechtvaardigheid tegen zullen komen. Daarom is dit gedeelte de meest ernstige, ontnuchterende en tragische passage van heel de Bijbel. Hierna zal rechtspraak nooit meer nodig zijn en zal God niet meer als Rechter moeten optreden.

De apostel krijgt de Rechter gezeten op Zijn rechterstoel en al de beschuldigden voor Hem te zien. Deze Rechter is niemand anders dan de verheven Here Jezus Christus. Het hele Nieuwe Testament onderwijst dat het God in de persoon van Zijn verheerlijkte Zoon zal zijn, die zal uiteindelijk over alle ongelovigen zal oordelen (Joh.5:22, 26-27; Hand.10:42; 17:31;Rom.2:16; 2 Tim.4:1). Johannes vermeldt ook de opzienbarende realiteit dat “voor Zijn aangezicht” de aarde en de hemel wegvluchtten, “zodat er geen plaats meer voor hen te vinden was” (20:11).

Dit is niets anders dan het plotse stormachtige einde van het universum (cf. Ps.102:25-26; Jes.51:6; Matt.5:18; 24:35; Heb.1:11-12; 12:26-27). Ondanks dat de aarde hersteld wordt tijdens Christus’ heerschappij in het duizendjarig rijk, zal hij toch nog steeds met zonden besmeurd en onderworpen zijn aan de gevolgen van de zondeval – verval en dood. Daarom moet de aarde uiteindelijk vernietigd worden, omdat niets dat besmet is met zonde voor eeuwig kan bestaan (2 Pet.3:13). Dit is ook de reden waarom God een nieuwe hemel en nieuwe aarde zal scheppen.

De doden die hier voor de witte troon staan zijn niet enkel die uit het duizendjarig rijk, maar alle ongelovigen die ooit hebben geleefd. Na hun dood zijn hun zielen in een plaats van pijn en marteling geweest die Hades wordt genoemd. Nu is voor hen de tijd gekomen om voor eeuwig veroordeeld te worden tot de hel. De alomvattende natuur van dit oordeel vereist dat de zee, de dood en Hades (het dodenrijk) “de doden die in hen waren” gaven. Op deze dag zullen al degenen die in ongeloof zijn gestorven voor Christus komen te staan – de Grote Rechter. Het oordeel over deze goddelozen zal niet aanvangen zonder goddelijke maatstaf.

De boeken die geopend werden voor de grote witte troon bevatten iedere gedachte, ieder woord en ieder daad van iedere ongelovige die ooit had geleefd. God heeft ieders leven volmaakt, precies en uitgebreid bijgehouden. Omdat Gods rechtvaardigheid vereist dat ieder zonde beboet wordt, zal iemand  die niet voldoet aan Gods volmaakte en heilige maatstaf “overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken” geoordeeld worden (20:12-13). Terwijl Christus de straf voor de gelovigen droeg (en hen dus dit oordeel deed ontkomen) zullen de ongelovigen Christus’ rechtvaardigheid niet toegerekend krijgen (Fil.3:9). Zij zullen zelf de straf voor het overtreden van Gods wet moeten dragen– eeuwige ondergang in de hel (2 Thess.1:9).

Nadat de boeken met de slechte daden van mensen werden geopend werd “nog een ander boek geopend, namelijk het boek des levens”(Op.20:12). Dit boek bevat de namen van allen wiens “burgerschap… in de hemelen” is (Fil.3:20). Het boek des levens is dus een register van al degenen die in geloof Jezus Christus hebben gevolgd en zich van hun zonden hebben bekeerd. Zij die hier op aarde weigerden om hun zondeschuld te erkennen, weigerden zich te bekeren en God om vergeving te vragen op basis van het plaatsvervangend offer van Jezus zullen niet in het boek des levens gevonden worden. Zulke personen zullen schuldig bevonden worden op de dag van het oordeel en voor eeuwig moeten lijden om willen van hun zonden.

Dat zulk een einde voor ongelovigen bestaat, wordt duidelijk aan het eind van Johannes’ visioen aan de grote witte troon. Volgens zijn verslag zal, eenmaal het oordeel is voltrokken, het heel gauw ten uitvoer worden gebracht. Terwijl de gezegende en heilige deelhebbers aan de eerste opstanding de tweede dood niet zullen meemaken (20:6), zal de rest van de doden die geen deelhebben aan de eerste opstanding (20:5) de tweede dood of hel tegemoet treden – hier omschreven als de poel van vuur (20:15). Hoe vreselijk en pijnlijk deze plaats ook zal zijn, toch zullen zij die in hun zonden sterven hier op deze wereld nogmaals een tweede dood ondergaan, veroordeling tot een eeuwigheid in de poel van het vuur.

 

 

Rechtvaardig oordeel

Pasteltekening van John Astria

 

 

Conclusie

 

Er is slechts één manier om de schrikwekkende werkelijkheid van de hel te ontkomen. Zij die hun zonden belijden en God vragen om hen te vergeven op basis van Christus’ plaatsvervangende dood voor hen zullen Gods eeuwige toorn ontkomen (Rom.5:9; 1 Thess.1:10; 5:9). Terwijl dit Bijbelgedeelte geschreven is als een waarschuwing voor de ongelovige wereld, moedigt het eveneens de gelovige aan om zorgzaam, opmerkzaam en godsvruchtig te leven en daarbij te evangeliseren naar een hopeloze verloren wereld die op weg is naar verwoesting. Gelovigen moeten daarom trouw het reddende Evangelie van de Here Jezus verkondigen en daardoor de zielen van de mannen en vrouwen redden van het onheil dat hun te wachten staat.

 

 

BEGELEIDENDE VRAGEN

 

 Wat wordt er aan het begin van de tekst voorbereidt?

 

Het boek Openbaring bevat hetgeen wat er in de toekomst plaats zal vinden. Voor gelovigen wordt dit zeer verwelkomd als we uitzien om bij Christus in de hemel te zijn. Voor dit gebeurt komt Christus naar de aarde en vestigt er Zijn koninkrijk. Dit zal gekend zijn als het duizendjarig rijk, want het voor duizend jaren zal duren.

 

 

 Welke rol speelt de engel in de voorbereiding voor dit koninkrijk?

 

De laatste fase in de voorbereiding van het koninkrijk zal een verwijdering van satan en zijn demonen zijn, zodat Christus zonder tegenstand kan regeren. Dit is het moment dat de engel komt. In zijn visioen ziet Johannes de engel nederdalen uit de hemel naar de aarde, de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn handen houdende. Hij is voor een reden gekomen: om satan te grijpen, te binden en hem voor duizend jaar in de afgrond te werpen. Vanwege zijn positie tot Gods Zoon, zal satan worden weg verzegeld voor de gehele duizend jaar dat Christus heersen zal in Zijn aards koninkrijk. Gedurende deze periode zal satan niet in staat zijn om de volken te misleiden (Op.20:3); wat betekend dat hij de wereld op geen enkele wijze meer kan beïnvloeden. Christus zal kunnen regeren in Zijn aardse rijk, zonder enige tegenstand of opstand. Wanneer de duizend jaar voorbij zijn wordt satan bevrijdt en toegestaan om terug te keren op aarde voor een hele korte tijd.

 

 

 Wie zal nog met Christus regeren zoals we in Johannes’ visioen kunnen zien?

 

Nu satan, zijn demonen en alle zondaren die God afgewezen hebben, weg zijn, zal het duizendjarig rij van vrede en rechtvaardigheid gevestigd worden. De soevereine Heerser in dat koninkrijk is natuurlijk de Here Jezus Christus. Maar Christus had ook Zijn heiligen beloofd om met Hem te regeren. (Dan.7:27;Matt.19:28; 1 Kor.6:2; 2 Tim.2:12; Op.2:26; 3:21; 5:10). Deze belofte wordt duidelijk gezien in de rest van Johannes’ visioen. Johannes ziet Gods kinderen (i.e. gelovigen) als herrezen, beloonde en regerende met Christus.

 

 

 Wie zal deel hebben aan de eerste opstanding?

 

Degenen die deel hebben aan de eerste opstanding, zullen degene zijn die geloofd hebben en ware verlossing hebben ontvangen door Jezus Christus. Deze individuen zijn getrouw gebleven, sommigen zelfs tot de dood. Omdat ze bewijs van ware verlossing hebben gegeven, zullen ze ook tot leven komen en met Christus voor duizend jaar regeren. Ze worden als gezegend beschouwd, omdat de “tweede dood geen macht” over hen heeft (20:6). Deze tweede dood is “de poel van vuur”, welke de hel is. Omdat ze Gods kinderen zijn, zullen ze nooit Gods eeuwige toorn onder ogen zien.

 

 

 Wie zal deel hebben aan de tweede opstanding?

 

Degene die deel hebben aan de tweede opstanding, zullen degene zijn die gefaald hebben om in hun leven te geloven in en zich te onderwerpen aan Christus. Deze individuen zullen uit de dood voortgebracht worden om niets anders dan oordeel en veroordeling te treffen. Hun einde zal hetzelfde zijn als die van satan en de rest van Gods vijanden.

 

 

 Wat zal er aan het einde van Christus’ duizendjarige regering op aarde plaatsvinden?

 

Als de duizend jaar om zijn, zal satan vrijgelaten worden uit de afgrond, om de laatste rebellie van de zondaren te leiden. Degene die op aarde zijn en hun zonden blijven liefhebben en Christus afwijzen tijdens Zijn duizendjarig heersen (wat een groot aantal zal zijn), zullen verleid en gelokt worden om satan te volgen in zijn laatste en definitieve rebellie tegen God.

 

 

 Op welke manier zullen de vijanden van God plannen om tegen Hem rebelleren?

 

Als alle opstandelingen zich rond de hoofdvijand satan verzamelen, zal hij hen in een strijd tegen God en Zijn volk leiden. Alle goddelozen zullen de heiligen insluiten, die dan verzameld zijn in de “geliefde stad” van Jeruzalem. Alle heiligen zullen hier verzameld zijn, omdat het een plaats van de Messias’ troon zal zijn en het middelpunt van het duizendjarig rijk.

 

 

 Hoe zal God de rebellie eindigen?

 

Volgens Johannes’ visioen zal er, als de opstandelingen zich verplaatsen voor de aanval, vuur uit de hemel neerdalen en hen verslinden (20:9). Ze zullen snel, direct en volledig uitgeroeid worden, wat vaak de manier is waarop God zondaren oordeelt. Alle strijdkrachten van satan zullen fysiek gedood worden.

 

 

 Hoe zal God tenslotte op het einde met satan afrekenen?

 

Johannes vermeldt ook dat hun slechte leider zijn lot niet zal kunnen ontlopen. “En de duivel, die hen misleidde” zal “in de poel van vuur en zwavel geworpen” worden (20:11). Daar zal hij zich bij de rest van Gods vijanden voegen. Eenmaal naar die vreselijke plaats geleid te zijn, zullen ze “dag en nacht gepijnigd worden” (20:10). Daar zal geen moment van verlichting zijn “in alle eeuwigheid” (20:10); want de hel is een eeuwige plaats van onuitblusbaar vuur.

 

 

 Nadat God de rebellie beëindigt, waar worden de opstandigen onmiddellijk heengebracht?

 

Na getuige geweest te zijn van het eeuwige einde van satan, samen met het inluiden van Christus’ duizendjarig rijk, ontvangt Johannes een visioen van een grote witte troon. De apostel krijgt de Rechter te zien die op Zijn troon van oordeel zit en alle beschuldigden staan voor Hem. Deze Rechter is niemand minder dan de verhoogde Here Jezus Christus. Op deze dag zal elke ongelovige die ooit geleefd heeft, voor Christus moeten staan – de Grote Rechter.

 

 

 Wat zal er in de laatste dagen met de aarde gebeuren?

 

Johannes schrijft dat van de Rechters’ “aangezicht vluchtten de aarde en de hemel weg” en dat “er geen plaats meer voor hen te vinden was” (20:11). Dit is niets anders dan de plotselinge, hevige beëindiging van het universum. Hoewel de aarde herstelt zal zijn tijdens Christus’ duizendjarig rijk, zal hij nog steeds besmet zijn met zonde en daarom onderworpen aan de gevolgen van verval en dood. Vandaar dat hij vernietigd moet worden, aangezien er niets wat bedorven is door zonde toegestaan kan worden om in de eeuwige staat te blijven bestaan. Dit is waarom God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal maken.

 

 

 Waardoor zullen ongelovigen veroordeeld worden?

 

De boeken die geopend voor de grote witte troon liggen, bevatten de vermelding van iedere gedachte, woord en daad van iedere niet verloste persoon die ooit geleefd heeft. God heeft een perfecte en nauwkeurige vermelding van het leven van iedere persoon. Aangezien Gods rechtvaardigheid een betaling vereist voor elke zonde van iedereen, zal elke persoon die Gods volmaakte heilige standaard niet haalt, geoordeeld worden “overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken” (20:12-13). Terwijl Christus de straf voor gelovigen betaald heeft (en daarmee hen van oordeel bevrijd heeft), zullen ongelovigen, die Christus’ gerechtigheid niet hebben, zelf de straf moeten betalen voor het schenden van Gods wet. Deze straf is eeuwige vernietiging in de hel.

 

 

 Wat zal er uiteindelijk gebeuren met degene wiens naam

niet in het boek des levens geschreven staan?

 

Nadat het boek met de slechte daden van de gevangenen geopend was, werd “nog een ander boek geopend, namelijk het boek des levens” (20:12). Dit boek bevat de namen van al degene die hun “burgerschap … in de hemelen” hebben (Fil.3:20). Zo is het boek des levens een verslag van degene die geloof in Christus hebben  en berouw getoond hebben van hun zonden en zich hebben bekeerd. Degene die weigeren om in deze wereld van hun zonden schuld te bekennen, berouw tonen en God om vergeving te vragen, zullen niet in het boek des levens gevonden worden. Deze individuen zullen schuldig verklaard worden op de dag van het oordeel en zullen in alle eeuwigheid lijden voor hun zonden. Deze straf zal snel uitgevoerd worden, want alle ongelovigen zullen onmiddellijk in de poel van het vuur geworpen worden (i.e., de hel).

 

 

SAMENVATTING

 

In Johannes’ visioen zag hij een engel vanuit de hemel komen die een sleutel en een grote ketting in zijn hand vasthield. De engel nam satan en bond hem vast en wierp hem in de afgrond en deed het op slot. Satan werd daar voor duizend jaar gebonden, zodat hij niemand meer kon misleiden. Johannes zag ook tronen en de zielen van mensen die voor hun geloof onthoofd waren. Deze mannen en vrouwen zullen voor duizend jaar met Christus regeren. Na de duizend jaar zal satan voor een korte tijd bevrijdt worden. Gedurende deze tijd zal satan een opstand tegen God en Gods volk houden. God zal deze opstandelingen verslinden en zal satan in de poel van het vuur werpen. Daarna zag Johannes een grote witte troon waar God met grote, geopende boeken
zat. De doden die voor God stonden, werden vanwege hun daden veroordeeld en als hun namen niet in het boek des levens stonden, werden ze in de poel van het vuur geworpen.

Dit tekstgedeelte dient als een grote waarschuwing voor een ieder die blijft rebelleren tegen God. Degene die falen om hun zonden te belijden, om God om vergeving te vragen en aan Christus te onderwerpen, zullen een hevige straf ondervinden. Daarom zou iedere gelovige bezorgd moeten zijn om te zien of zijn of haar leven blijk geeft van ware verlossing. Terwijl we nog op deze aarde zijn, zouden we een groot verlangen moeten hebben om de reddende genade te brengen aan degene die in ongeloof wandelen en tegen God in opstand komen.

 

 

Chronologie Johannes’ visioen

 

Johannes zit nog steeds op het eiland Patmos. God wil hem daar meer vertellen over wat er in de toekomst gaat gebeuren. Hij geeft Johannes een droom waarin Hij hem meeneemt naar die tijd die nog moet komen. In deze droom ziet Johannes een hele sterke engel uit de hemel neerdalen. Hij heeft een sleutel en een ketting vast. De engel komt om satan gevangen te nemen. Hij neemt satan beet en maakt hem met de ketting vast. Daarna gooit hij satan in een put waar hij zelf niet uit kan. Duizend jaar zal hij in die put moeten blijven. Maar wat ziet Johannes nu? Op de troon in Jeruzalem zit een man die hij heel goed kent. Het is Jezus! Hij zit op een troon. Ziet hij dat goed? Er staan nog heel veel tronen met mensen erop. Het lijken wel allemaal koningen. Dit zijn alle mensen die in Jezus hebben geloofd. Zij mogen nu samen met Hem als koningen regeren over de aarde voor wel duizend jaar.

Tijdens die duizend jaar is bijna iedereen gelukkig want Jezus is de grote Koning. Na de duizend jaar wordt satan weer losgelaten. Hij vlucht vliegensvlug naar de aarde. Heel veel mensen kiezen om met hem te gaan vechten tegen Jezus en Zijn leger. Maar God laat dit niet gebeuren. Wanneer de troepen van satan bijeen komen laat God vuur uit de hemel komen om hen allemaal te doden. Satan wordt nu voorgoed in de hel geworpen. Johannes zijn droom gaat verder. Nu ziet hij een grote witte troon staan met een hele strenge Rechter erop. Voor de troon staan een heleboel mensen. Het zijn alle mensen die niet hebben geloofd in God en niet vertrouwden op Jezus. Ze dachten: “Ik heb Jezus niet nodig, ik zorg wel voor mezelf!” Hier staan ze nu, niemand om hun te helpen. De Grote Rechter, die eigenlijk Jezus is, doet een heel dik boek open.

In dit boek staat alles wat iedereen heeft gedacht, gezegd en gedaan. Een heleboel dingen. De Rechter kijkt naar het boek en wanneer hij één zonde vindt, spreekt Hij daarover de straf uit. Alle mensen voor de troon blijken schuldig te zijn. Niemand staat er zonder zonden. Ze hebben allemaal gezondigd en gedaan wat God slecht vindt. De Rechter schudt met Zijn hoofd en zegt tegen elk van hen: “Je hebt niet gedaan wat Ik wilde, je verdient
straf. Je zult voor eeuwig in de hel blijven en daar gestraft worden omwille van je zonden.” Dit is de meest triestige dag van de geschiedenis, want die dag zullen er heel veel mensen zijn die voorgoed in de hel zullen blijven. Jezus, de Rechter, doet dit niet graag. Maar Hij moet het doen, want bij zonde hoort straf. Daarom geeft Jezus nu nog iedereen de kans om op Hem te vertrouwen. Vraag God vergeving van je zonden en vertrouw erop dat Jezus de straf voor jouw zonden droeg aan het kruis! Haat zonden en vecht ertegen! En vertel ander mensen over Jezus die van hen houdt en voor zonden stierf aan het kruis.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Ezechiël 1 – 24 / met video

Standaard

Categorie: religie

 

 

Ezechiël 1 – 24 en 25-48

 

 

Ezechiël 1 – 24:  ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

De profetie van Ezechiël is een bijzonder boek met indrukwekkende visioenen, symbolische handelingen en boodschappen.

 

 

 ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 1
– Een stormwind uit het noorden
– Een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven voor een glans
– Midden in het vuur iets als blinkend metaal
– Midden in het blinkend metaal vier wezens
– Gedaante van een mens
– Vier aangezichten
– Vier vleugels
– Rechte benen
– Voetzolen als van en kalf fonkelend als gepolijst koper
– Onder de vleugels mensenhanden aan vier zijden
– Vleugels met elkaar verbonden
– Ieder ging recht voor zich uit
– Aangezicht ter rechterzijde leek op dat van een mens en dat van een leeuw
– Aangezicht ter linkerzijde leek op dat van een rund- Alle vier hadden ook het aangezicht van een arend
– Vleugels naar boven uitgespreid
– Twee vleugels waren met elkaar verbonden
– Twee vleugels bedekten hun lichaam, één van voren en één van achteren
– Het aanblik van de gedaante van de wezens was als brandende vuurkolen, als fakkels
die zich bewogen tussen de wezens
– Het vuur glansde en bliksemen schoten daaruit
– De wezens schoten heen en weer als bliksemschichten
– Op de grond voor de wezens was een rad
– De aanblik en het maaksel van de raderen was als de schittering van turkoois
– Alle vier de raderen hadden dezelfde vorm
– De aanblik en het maaksel van de raderen was alsof er een rad was midden in het rad
– Als de raderen gingen konden naar alle vier zijden gaan zonder zich om te keren
– De velgen waren hoog en ontzagwekkend en vol ogen
– Als de wezens gingen, gingen de raderen mee
– Boven het hoofd van de wezens was iets dat leek op een uitspansel, een
ontzagwekkend ijskristal
– Onder het uitspansel stonden de vleugels recht naar elkaar uitgestrekt
– Het geruis van de vleugelen als de wezens gingen was als het gebruis van vele
wateren, als de stem des Almachtige, een dreunend geluid als van een leger
– Als de wezens stilstonden lieten ze hun vleugels hangen
– Een stem klonk van boven het uitspansel (1:25; het lijkt erop dat Ezechiël wil zeggen
dat de stem opdracht geeft tot het gaan of stilstaan)
– Boven het uitspansel was iets als lazuursteen dat de vorm had van een troon
– Boven op datgene wat een troon leek was een gedaante die eruit zag als een mens
– Iets schitterde als metaal vanaf zijn lendenen naar boven omvat als vuur door een
omhulsel
– Vanaf zijn lendenen naar beneden was iets als vuur omgeven door een glans
– De aanblik van de omhullende glans was als de regenboog

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 10
– Wezens worden aangeduid als cherubs
– Het gehele lichaam van de wezens (rug, handen, vleugels) waren vol ogen
– De raderen werden ‘Werveling’ genoemd
– Ieder van de wezens had vier aangezichten: het eerste van een cherub, het tweede van
een mens, het derde van een leeuw, het vierde van een arend

 

 

 

 

 

 

 

Het visioen van de troonwagen

 

Direct bij aanvang van het boek wordt je gegrepen door het indrukwekkende en verbijsterende (3:15) visioen van de troonwagen of gloriewagen. Het staat niet voor niets aan het begin van het boek. De toon voor de profetie is gezet door de verschijning die Ezechiël een week lang verbijsterd of verdoofd achterlaat. Wat Ezechiël ziet in het eerste hoofdstuk komt ook op meerdere plaatsen in zijn profetie terug. Zo zien wij het een hele belangrijke rol spelen in de hoofdstukken 8 tot en met 11 en ook helemaal aan het einde van het boek in hoofdstuk 43.

Het visioen begint met een stormwind die Ezechiël uit het noorden ziet komen. Deze stormwind bestaat uit een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans. Midden in deze wolk is iets wat er uitziet als blinkend metaal en in het midden daarvan is een verschijning te zien die Ezechiël tot in detail schetst. Een stormwind, een wolk, iets blinkends, en dan de hele verschijning. Wat Ezechiël ziet, is opgebouwd uit verschillende lagen en dit bij elkaar wordt door Ezechiël ‘het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren’ (1:28) of ‘de heerlijkheid van de God van Israël’ (8:4) genoemd. De lagen zijn van onder naar boven:

– Werveling
Vier raderen van schitterend turkoois met velgen vol ogen, die in het midden allen nog een rad bezaten, zodat het voertuig naar alle kanten kon gaan. De raderen stonden ieder voor een cherub.

– Cherubs
Vier cherubs met vier vleugels en vier aangezichten. Twee vleugels waren uitgespreid naar boven en droegen het uitspansel en twee vleugels bedekten hun lichaam van voren en achteren. Hun aangezichten waren van rechts dat van een mens en een leeuw, van links dat van een rund en daarnaast ook nog het aangezicht van een arend.
De cherubs hadden rechte benen die uitliepen op koper gepolijste voetzolen als van een kalf. Tussen de cherubs was vuur als brandende kolen en fakkels. De cherubs zelfs schoten heen en weer als bliksemschichten. Wanneer de cherubs gingen, maakten hun vleugels een geruis als het bruisende water, de stem van de Almachtige, het dreunende geluid van een leger. De cherubs gehoorzaamden de stem die van boven het uitspansel klonk.

– Uitspansel
Een ontzagwekkend ijskristal gedragen door de vleugels van de cherubs.

– Troon
Op het uitspansel stond een lazuurstenen troon.

– Menselijke gedaante
Een gedaante als van een mens zat op de troon. Vanaf zijn lendenen schitterde iets als metaal naar boven, omvat als vuur door een omhulsel en naar beneden iets als vuur omgeven door een glans dat de aanblik had van een regenboog.

 

Wat zag Ezechiël? Als we het letterlijk willen nemen is het heel duidelijk. Alles staat tot in details beschreven. Zo gedetailleerd zelfs dat er door de lezer heel goed een voorstelling van te maken is. 

 

 

De hemelwezens

 

– Chayos/Chayah (wezens)
Voor de Chayah is de engelorde ook in overeenstemming met latere passages van Ezechiël waarin de wezens als cherubs worden aangeduid.

– Chasmal/Chasmalim (blinkend metaal)
Het woord voor blinkend metaal, Chasmal, is een moeilijk woord. Waarschijnlijk wordt er een legering van koper en zink bedoeld. De Griekse vertaling van deze verzen heeft “electron”, de naam van een mengsel van goud en zilver. Er kan sprake zijn van een verwijzing naar een hemels wezen. Er wordt dan echter alleen gedoeld op de vurige uitstraling van dit wezen. In Ezechiël 1:4 en 27 worden in ieder geval hetzelfde woord gebruikt. Dat ondersteunt het idee dat het om een hemelse aanblik gaat.

– Ofan/Ofanim (raderen)
De raderen, Ofan of Ofanim, zou mogelijk kunnen duiden op hemelwezens. De ontzagwekkende hoogte van de raderen en de ogen (1:18) doen inderdaad denken aan een wezen.

Galgal/Galgalim (werveling)
De laatste groep, Galgal of Galgalim, is onwaarschijnlijk als aanduiding voor hemelwezens, omdat het verwijst naar het geluid dat de raderen maakten (werveling).

 

Het is goed om op dit punt even stil te staan bij wat de Bijbel zegt over de hemelwezens. Er wordt eigenlijk onderscheid gemaakt tussen vier soorten hemelwezens:

(1) Engelen (mal’ak = bode)
In de Oude Testament worden deze wezens zonen Gods, goddelijken of heiligen genoemd.
Enkele eigenschappen die voor engelen gelden:
– Het zijn geesten (1 Kn 22:21)
– Ze zijn geschapen (Nh 9:6, Ps 33:6)
– Het zijn er veel (Dn 7:10)
– Ze kunnen verschijnen in mensengedaanten (Gn 18:2, 19:5)
– Ze worden geïdentificeerd als het ‘heer des hemels’ oftewel als de sterren (1Kn 22:19, Dt 4:19)

(2) Cherubs
Cherubs komen we in de Bijbel op meerdere plaatsen tegen:
– Als bewakers van de hof van Eden (Gn 3:24)
– Op het verzoendeksel van de ark van het verbond (Ex 25:19, 37:8)
– Als vervoerder van God (2 Sm 22:11 = Ps 18:10)
– Als troon van God (Ps 80:1, 99:1, Js 37:16)
– Opgesteld in de tempel (1 Kn 6:24)

(3) Serafs
Van serafs weten we heel weinig. Het enige wat we weten is gebaseerd op twee teksten uit Jesaja. Het zijn vliegende wezens met zes vleugels (Js 6:2,6). Zowel de cherubs als de serafs worden in de joodse traditie onder de engelen gerekend.

(4) Aartsengelen
Dit zijn hooggeplaatste engelen die ook wel vorsten worden genoemd. De Bijbel noemt er maar twee: Michäel en Gabriël (Lk 1:19, 26, Dn 8:26, 9:21). Maar op basis van Openbaring 8:3 kunnen we mogelijk concluderen dat het er zeven zijn. Binnen de joodse traditie worden de andere aartsengelen ook benoemd. Raphaël is daar één van. Nogmaals, de Bijbel zwijgt dus over de overige vijf naast Michaël en Gabriël.

 

 

 

 

 

De troon en de wagen

 

Een ander opmerkelijk punt is dat de verschijning eigenlijk uit twee delen bestaat: (1) de troon en (2) de wagen.
Het is waarschijnlijk dat de troon pas later in het visioen neerdaalt op de wagen. Enkele argumenten hiervoor zijn:
– Tot vers 21 wordt er namelijk helemaal niet gesproken over het ontzagwekkende uitspansel en de troon.
– In vers 9 wordt er gezegd dat de wezens ieder afzonderlijk recht vooruit gaan. Dat betekent dat het oppervlak dat ze beslaan groter en groter wordt. Alsof ze ruimte willen maken voor het ontzagwekkende uitspansel dat neerdaalt op hun vleugels.
– Verder vinden we in Ezechiël 10:18,19 ook nog een argument. Daar wordt beschreven hoe de heerlijkheid des Heren vanuit de tempel gaat staan boven de cherubs. Dat wil dus zeggen dat de heerlijkheid daarvoor niet boven de wagen stond.

 

 

De aangezichten

 

Ezechiël zag wezens met vier aangezichten: één van een mens, één van een leeuw, één van een arend en één van een rund die in tegenstelling tot 1:10 in 10:14 als het gezicht van een cherub wordt aangeduid. Er zijn meerdere soorten uitleggingen over de betekenis van de aangezichten.

De eerste groep ziet in de wezens duidelijke dienaars van God en stelt dat de aangezichten symbool staan voor bepaalde eigenschappen in die dienst.
– Het menselijk gezicht: zachtheid of begrip
– Het aangezicht van de leeuw: kracht
– Het aangezicht van de rund: geduld of volharding
– Het aangezicht van de arend: snelheid en alertheid

De tweede groep ziet in de aangezichten van de wezens representanten van de verschillende soorten op aarde. Ieder is binnen zijn soort de grootste.
– De mens als allergrootste
– De leeuw als de grootste van de wilde dieren
– De rund als grootste van het vee
– De arend als grootste van de vogels
Hiermee zouden de wezens dus Gods almachtige heerschappij in de schepping uitdrukken.Dit is natuurlijk een mooi beeld. Het is dan echter vreemd dat de zeedieren volledig in het beeld ontbreken.

Een derde groep ziet in de vier aangezichten een heenwijzing naar de vier evangelisten, die de ‘vier zuilen van de wereld’ genoemd werden:
– Mens: Mattheüs, omdat zijn evangelie begint met de menselijke afstamming van Christus
– Leeuw: Markus, omdat zijn evangelie begint met de boetepreken van Johannes die brulde als een leeuw
– Rund: Lukas, omdat zijn evangelie begint met het offer van Zacharias
– Arend: Johannes, omdat zijn evangelie begint met de hemelse afkomst van Christus

Een vierde groep wijst op de opmerkelijke overeenkomsten tussen de aangezichten en de Babylonische hoofdgodheden.

– Het menselijke gezicht: Nabu, de god van de openbaring
– Het gezicht van de leeuw: Nergal, de god van de onderwereld en de plaag
– Het gezicht van de rund: Marduk, de hoofdgod, die werd voorgesteld als een kolossale gevleugelde os
– Het gezicht van de arend: Ninib, de god van de jacht en oorlog

Heidense godheden waren in wezen niets anders dan personificaties van de krachten van de natuur. In de Babylonische godsdienst werden deze goden ook geassocieerd met vier sterrenbeelden die ook de eigenschappen van de aangezichten in zich droegen:
– Waterman
– Stier
– Leeuw
– Schorpioen; dit ongunstige teken werd vervangen door zijn vijand, het niet veraf gelegen sterrenbeeld van de Arend.

Wij moeten ons goed beseffen dat de Heer God zelf in Deuteronomium 4:15-19 al waarschuwt voor de verafgoding van afbeeldingen van menselijke en dierlijke wezens en de verafgoding van de hemellichamen.Het kan nooit zo zijn dat er in de heilige troonwagen van God daadwerkelijk afgoden te zien zijn.

Het is heel moeilijk om vast te stellen wat er nou voor betekenis achter de wezens in het visioen van Ezechiël schuilgaat. Uiteindelijk dragen de getoonde wezens bij aan de glorierijke majesteit van Hem die daar bovenop troont. Hem, de Heer God, komt alle eer toe!

 

We komen de opmerkelijke combinatie van dieren overigens op twee andere plaatsen in de
Bijbel tegen:

In 1 Koningen 7:29 worden ze vermeld als versierselen in de tempel die door koning Salomo gebouwd is en in Openbaringen 4:6-8 staan de wezens afzonderlijk (dus niet één wezen met vier aangezichten, maar vier afzonderlijke wezens gelijkend op een leeuw, een rund, een mens en een vliegende arend) voor Gods troon. Opmerkelijk is dat beide plaatsen direct zijn verbonden aan de heiligheid van God. De eerste keer in de woonplaats van de Heer God op aarde en de tweede keer bij de troon in de hemel. In de nieuwe tempel zoals Ezechiël die beschrijft aan het einde van zijn boek, zien we overigens de versierselen van een menselijk
gezicht en het aangezicht van een leeuw terugkomen (41:19).

 

 

 

 

 

 

Metahistorie: Godsverberging

 

De val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel is een duidelijk te markeren historische gebeurtenis in het jaar 586/587 vC. Vaak zijn wij geneigd om een dergelijke gebeurtenissen ook als historische verslaglegging te lezen en ons niet te beseffen wat de werkelijke impact is die deze gebeurtenis heeft gehad. We moeten ons echter goed beseffen dat de verwoesting van de tempel niet zomaar iets is, maar dat dit de verwoesting van Gods
woonplaats op aarde is.

In 1 Koningen 8 kunnen we lezen hoe de tempel door Salomo wordt ingewijd en hoe ‘de heerlijkheid des Heren het huis de Heren vervuld’ (vers 11). De plaats waar de heerlijkheid des Heren ooit was, was verwoest. Dat had natuurlijk grote consequenties voor Gods plaats op aarde. In dat verband is de profetie van Ezechiël zeer belangrijk. In de hoofdstukken 8 tot en met 11 zien we hoe de heerlijkheid des Heren geleidelijk de tempel verlaat. Ezechiël ziet hoe de heerlijkheid zich verplaatst van de ingang van de voorhof (8:7) naar de binnenste voorhof (8:16), naar de dorpel van de tempel (9:3), naar de ingang van de Oostpoort (10:19) en zich tenslotte opheft uit de stad Jeruzalem en zich vestigt op de berg ten Oosten van de stad (11:23). Dit is de Olijfberg. De berg waar Jezus weende over het lot van Jeruzalem (Lk 19:41) en de berg waar Hij uiteindelijk op zal terugkeren (Zc 14:4).

De verdwijning van de heerlijkheid des Heren is een aangrijpende en zeer belangrijke gebeurtenis in het Oude Testament en niet alleen voor het volk Israël, maar voor heel de wereld. Het boek De Zesde Kanteling van Ouweneel zet een interessante lijn uit. Ouweneel verdeelt de wereldgeschiedenis in de volgende zes kantelmomenten:
– Eerste kanteling: 4e millenium vC – Neolithische revolutie (landbouw, beschaving, cultuur)
– Tweede kanteling: 6e eeuw vC – Spilperiode (ontstaan grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten)
– Derde kanteling: komst van Christus
– Vierde kanteling: 7e eeuw nC – begin van de islam (de tegenactie)
– Vijfde kanteling: 16e eeuw nC – Wetenschappelijke revolutie (verbonden aan Renaissance, Reformatie, Humanisme)
– Zesde kanteling: ? (alles is ‘post’ -modern, – christelijk, -koloniaal, -industrieel)

De periode waar Ezechiël in leefde, wordt in de cultuurgeschiedenis de ‘Spilperiode’ genoemd. Dit was de periode waarin de grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten als het boeddhisme ontstonden. Als kerngebeurtenis ziet Ouweneel de verwoesting van de tempel in 586/587 en daarmee de verdwijning van de Sjechina van de aarde. De Sjechina is de ‘aanwezigheid van God’. Het woord komt van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘wonen’ of ‘verkeren’.

Zijn stelling is dat de Heer God Zich na de verwoesting heeft teruggetrokken in de hemel (Godsverberging) en dat dit gevolgen heeft gehad voor de hele aarde. Hierdoor veranderde er niet alleen iets in Gods relatie tot Israël, maar ook in Gods relatie tot de rest van de wereld. Voortaan werd Gods soevereine heerschappij namelijk geassocieerd met het volkerenhoofd die onder Gods toelating de macht kreeg. De allereerste hiervan was Nebukadnessar.

Zoals gezegd, is de Spilperiode, de tijd van Ezechiël dus, een periode waarin grote filosofische denksystemen zijn opgezet. In ieder geval lijkt het erop dat door de verberging van God, die begon met de terugtrekking van de heerlijkheid des Heren uit de tempel in Jeruzalem, overal op aarde allerlei godsdiensten en filosofische denksystemen zonder de ware God uit de grond schoten.

 

 

 

 

 

Heilshistorie

 

Ezechiël 1 tot en met 11 is een soort prelude tot de rest van het boek. Alle elementen van de boodschap van Ezechiël zijn er in terug te vinden:
– De heerlijkheid des Heren (1),
– De opdracht van Ezechiël (2-3)
– De waarschuwing voor het komende oordeel (4-7)
– De aanklacht: de beschrijving van Israëls zondigheid (8)
– De uitvoering van het oordeel (9-11)
– De belofte van het heil (11:14-21).

Deze volgorde komen we vaker tegen bij de profeten. De Heer God openbaart zich aan de profeet. Hij geeft hem de opdracht om het volk Israël te wijzen op haar zonden, te waarschuwen voor het komende oordeel hierover, maar ook de opmerkelijke belofte te doen van het heil dat de Heer God in de toekomst aan Zijn volk zal geven. Opvallend is daarbij dat het initiatief van het heil volledig bij de Heer God ligt. Hij zal het volk Israël weghalen bij de volken en terugbrengen naar hun land (11:17). Hij zal hen eensgezind maken, een nieuwe geest geven en hun versteende hart vervangen door een levend hart (11:19). Het initiatief ligt echter niet alleen bij de Heer God, want de gevolgen moeten heiliging (11:18) en gehoorzaamheid (11:20) zijn, waar iedereen persoonlijk voor moet kiezen (11:21).

De boodschap van Ezechiël draait om de verwoesting van de tempel. De verwoesting van de tempel betekende ook de opheffing van de tempeldienst. De Grote Verzoendag was de centrale gebeurtenis waarbij één keer per jaar de Hogepriester het Heilige der Heilige binnenging en de gemeenschappelijke offers te brengen om zo genoegdoening te doen voor de zonden van de individuen die onderdeel waren van het geheel. Door de verwoesting van de tempel viel ook dit weg. Als we in dat verband in hoofdstuk 18 lezen van het voorbeeld van de rechtvaardige vader, de goddeloze zoon en de rechtvaardige kleinzoon, dan is het opvallend dat er sterke nadruk komt te liggen op de individuele verantwoordelijkheid en ook het oordeel dat de Heer God aan ieder persoonlijk zal voltrekken.

Wij kennen nu de grote Hogepriester Jezus Christus (Hb 4:14). Ook voor het behoud dat door Zijn lijden, sterven en opstanding is bewerkt, geldt echter dat ‘ieder (individu) die in Hem gelooft het eeuwig leven krijgt’ (Jh 3:16).

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Wat kunnen wij leren van Ezechiël? Wat kunnen wij leren van het Oude Testament? We moeten ons goed beseffen dat de God van het Oude Testament en van het Nieuwe Testament precies Dezelfde is. Willen wij, als nieuwtestamentische gelovigen, God leren kennen dan zullen wij ook moeten studeren op het Oude Testament. We moeten de eigenschappen van God, zoals beschreven in het Oude Testament niet naast ons neerleggen als afgedaan of verouderd. De Bijbel geeft ons nergens aanleiding voor een dergelijke houding.

In de christenheid zie je steeds meer de ‘zachte’ eigenschappen van God benadrukt worden. Hij is onze liefhebbende Vader. De Heer Jezus heeft ons God doen kennen als onze Vader. Maar aan de andere kant neemt dat niets af van Gods heiligheid. God kan op geen enkele manier samenzijn met zondigheid. Johannes 1:5 en 6 zegt dat God licht is en dat in Hem geheel geen duisternis is en als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, maar in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet. Er is niet te onderhandelen over heiligheid! Het is een zwart-wit keuze. Je bent heilig of je bent het niet.

Het volk Israël was het niet. Als we in Ezechiël 8 lezen hoe de heerlijkheid des Heren Ezechiël rondleidt in de tempel dan schrik je. De gehele tempel is vervuld door afgoderij ontleent aan de heidens vruchtbaarheidsgod:

*Eerst ziet hij in de tempel van de Heer God een beeld voor de vruchtbaarheidsgodin Asjera of Astarte staan.

*Vervolgens wordt Ezechiël meegevoerd naar iets wat lijkt op een geheime kamer waar zeventig oudsten van het volk Israël occulte rituelen uitvoeren voor de afbeeldingen van dierlijke afgoden die op de muren geschilderd staan.

*Dan wordt Ezechiel een groep vrouwen ‘die Tammuz beweenden’ getoond. Tammuz was een van oorsprong Soemerische godheid die later geïdentificeerd werd met Baäl. Een god die stierf in de zomer aan het begin van de droogte en opstond met de komst van de regen in de herfst.

*Tot slot ziet Ezechiël een groep zonaanbidders. De tempel van Salomo schijnt door de Phoenisische architectuur zo gebouwd te zijn dat het zonlicht bij het begin van de herfst en de lente doordrong in de tempel. De mannen die Ezechiël zag, aanbaden echter in plaats van de Schepper van de zon het schepsel zelf.

Als wij deze afgoderij lezen dan begrijpen wij iets meer van de toon die in de hoofdstukken 12 tot en met 24 wordt aangeheven tegen Israël. De Heer God spreekt in zeer expliciete bewoording over de zondigheid van Israël. Met name de hoofdstukken 16 en 23 zijn heftige hoofdstukken, waarin de Heer God zich net als bij de profetie van Hosea beklaagt als bedrogen echtgenoot. De aanklachten zijn expliciet en zeer aangrijpend.

In Jacobus 4:1-10 en 2 Korinthe 11:1-3 zien we dat ook het Nieuwe Testament aanspoort om rein te blijven ten opzichte van Christus en ook daarbij wordt gesproken over een huwelijksrelatie en overspel. Binnen een goed huwelijk is het onmogelijk dat één van beide partners op welke manier dan ook ontrouw is aan de ander. Natuurlijk is het voor ons geen vraag of we ons storten in afgoderij, maar er zijn meerdere vormen van overspelig gedrag. Jacobus noemt daarbij heel duidelijk de vriendschap met de wereld.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

De rechten van de vrouw in de Islam

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

De islam kent aan de vrouwen een recht op veiligheid, geborgenheid

en levensonderhoud toe.

 

 

 

godvrezende vrouw

 

 

Dat laatste is een soort van financieel vangnet. Immers, volgens de islam, is de echtgenoot de behoeder van zijn vrouw:

‘Mannen zullen volledig zorg dragen van vrouwen’(Koran 4:34)
(De Arabische uitdrukking spreekt van ‘qawwam’, d.i. een intensieve vorm van qaim of ‘iemand die verantwoordelijk is voor’ of ‘iemand die zorgt voor’ een ding of een persoon).

Ook de  volgende uitspraak van de  profeet Mohamed stelt dat mannen financieel moeten zorgen voor vrouwen:

“Jullie zijn verplicht hen eervol te voorzien van voedsel en kledij” (Uitspraak van profeet Mohamed in diverse collecties).

Dit betekent dat haar echtgenoot voor haar moet zorgen. Hij moet voor haar fysische veiligheid instaan en  voor haar financiële zekerheid (voorzien in woonst, kledij, voeding, medicijnen enz) . Ook als de vrouw zelf werkt en een vermogen of een inkomen heeft moet een man in deze kosten voorzien. De vrouw mag  alles wat zij verdient voor zichzelf  houden, het staat haar vrij bij te dragen tot de kosten van het gezin maar niets in de islam verplicht haar daartoe.

Een man mag ook niet krenterig zijn, hij moet geld  aan zijn vrouw besteden afhankelijk van zijn inkomen. In samenhang hiermee, is het erfdeel van een dochter in de islam kleiner dan dat van een zoon. Immers, de dochter mag het geld dat zij erft volledig voor zichzelf houden terwijl de zoon ervan moet besteden voor zijn familie, zijn vrouw, zijn kinderen enz.

Merk op dat de vrouw haar man daarvoor geen dienstbaarheid verschuldigd is. Een huwelijk is geen dienstbaarheidscontract maar een contract tussen gelijken.  Het betekent dus niet dat een vrouw “in ruil” het huishouden moet doen. Naar het voorbeeld van de profeet Mohamed moeten mannen immers hun deel van de huishoudelijke taken doen.

De man is er verder ook toe gehouden zijn vrouw attent en liefdevol te behandelen.

‘Waarlijk, de meest volmaakte in geloof onder de gelovigen is hij die best gemannierd is en meest voorkomend (attent, vriendelijk) is voor zijn vrouw.’ (Uitspraak van profeet Mohamed)
.
.
.
.
.
.

DE ISLAM IS DE GOEDSCHIKSE

TEGENBEWEGING VAN SATAN,

ALS ENGEL VAN HET LICHT,

TEGEN HET WARE CHRISTENDOM

 

voorpagina openbaring a4
.
.
.
.
.

pijl-omlaag-illustraties_430109

.

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

   

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

Waarom vier evangeliën?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

Waarom vier evangeliën?

 

De Bijbel is niet een enkel boek maar een verzameling van verschillende boeken en geschriften. Als je de Bijbel openslaat kom je al gauw tot de ontdekking dat dit ‘boek’ uit twee hoofddelen bestaat, te weten: het Oude Testament en het Nieuwe Testament

 

 

Het Oude Testament

 

Het eerste deel, vaak afgekort tot OT, omvat de boeken die het Joodse volk heeft bewaard en ons heeft overgeleverd. De apostel Paulus zegt dat het voorrecht van de Jood o.a. is dat “hun de woorden van God zijn toevertrouwd” (Rm 3:1,2). Dit eerste deel omvat de boeken Genesis tot en met Maleachi.

 

 

 

Het Nieuwe Testament

 

Het tweede deel, vaak afgekort tot NT, omvat de geschriften na

(1) de komst van Jezus Christus op aarde,

(2) zijn dood op het kruis,

(3) de opstanding uit de doden,

(4) zijn hemelvaart en

(5) de uitstorting van de Heilige Geest op aarde, zijn opgesteld.

 

Dit tweede deel omvat de boeken Mattheüs tot en met Openbaring.

 

 

 

Het Nieuwe Testament begint met de vier Evangeliën

 

– het evangelie opgesteld door Mattheüs;
– het evangelie opgesteld door Markus;
– het evangelie opgesteld door Lukas en
– het evangelie opgesteld door Johannes.

 

Natuurlijk komt dan de vraag op waarom er vier evangeliën zijn. Kon dat niet met één? Dat zou het geval zijn als de vier slechts herhalingen waren van wat Jezus Christus gedaan heeft. Nu kan men bij de eerste drie wel aan herhalingen denken want ze beschrijven veel dezelfde gebeurtenissen. Dat geldt niet voor het vierde evangelie want dat is totaal verschillend van de andere drie, maar ook de eerste drie vertonen toch wel kenmerkende verschillen.  Deze verschillen hebben te maken met het doel dat de schrijvers voor ogen stond bij het opstellen van hun boek.

 

 

 

Door verschillende uitleggers uit het verleden is dat doel als volgt aangegeven

 

– Mattheüs heeft als doel de Heer Jezus voor te stellen als de koning;
– Markus beschrijft Hem als de profeet / dienstknecht;
– Lukas schildert de Heer als de Mensenzoon en
– Johannes tekent hem als de Zoon van God.

Johannes geeft het doel dat hij heeft met zoveel woorden aan in Jh 20:31. Bij de anderen moet men het afleiden uit de inhoud.

 

 

 

De vier evangeliën worden elk gekenmerkt door een bepaalde uitdrukking die er regelmatig in voorkomt

 

– bij Mattheüs is dat de uitdrukking “opdat vervuld zou worden”;
– bij Markus komen we regelmatig de uitdrukking “terstond” tegen (ruim
40 maal);
– bij Lukas zijn het de woorden “en het gebeurde”;
– bij Johannes is de kenmerkende uitdrukking “gezonden”

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Jezus en Maria volgens de Islam

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

In deze bijdrage overlopen we hoe de drie monotheïstische godsdiensten (dwz de drie godsdiensten die in de Ene God geloven – het jodendom, chirstendom en de islam) denken over Jezus.

 

 

MariaIcoon

.

.

.

Islam

 

Volgens de islam is Jezus een machtig profeet van God. De islam leert dat er duizenden profeten geweest die allemaal hetzelfde geloof brachten, voor de noden van hun specifieke gemeenschap. Zo waren er bijvoorbeeld de profeten Abraham, Mozes, David en Jezus. Daarna kwam er volgens de islam nog één en meteen de laatste profeet, met name de profeet Mohammed. Met hem werden de openbaringen van God (in het Arabisch: Allah) aan de hele mensheid voltooid. Volgens de meeste moslims kunnen nu geen Profeten meer komen.

.

Eén van de geloofsartikelen van de islam, is het geloof in alle profeten van God en in de aan hen geopenbaarde Heilige Boeken. Dit betekent dat iemand die niet in het profeetschap van Jezus gelooft, dus ook geen moslim kan zijn. Moslims beschouwen Jezus echter niet als (zoon van) God. Volgens de islam is het onmogelijk dat een mens God kan zijn. Dat gaat in tegen het centrale geloofspunt dat er geen god is dan God.

.

Zeg: “Hij is God, als enige. God de bestendige. Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt en nieti is aan Hem gelijkwaardig.” (Koran 112:1-4)
.

Net zoals de christenen, geloven moslims in de maagdelijke verwekking van Jezus. Beiden delen ook het geloof dat Jezus levend in de hemel is en van daar zal weerkeren. Volgens moslims is Jezus echter niet gekruisigd en is hij dus ook geen drie dagen dood geweest. Moslims geloven dat God ervoor gezorgd heeft dat iemand die op Jezus leek gekruisigd werd. Later is Jezus levend ten hemel opgenomen.

.

Zoals uit volgende voorbeelden blijkt, worden Jezus (Arabisch: Isa) en zijn Moeder Maria (Arabisch: Maryam, Mariam, Meriam) in de Koran vele malen eervol vermeld. Een hoofdstuk van de Koran draagt zelfs als titel de naam ‘Maryam’. En sommige moslims aanzien ook Maria als een Profeet.

.

“En toen de engelen zeiden: ‘ O Maria, God heeft jou uitverkoren en jou rein gemaakt en Hij heeft jou uitverkoren boven de vrouwen van de wereldbewoners. O Maria, wees jouw Heer onderdanig en buig je eerbiedig voor Hem neer (in gebed) en buig met de buigenden’ … Toen de engelen zeiden:
.
‘O Maria, God kondigt jou een woord van Hem aan, wiens naam zal zijn de Messias, Jezus zoon van Maria. Hij zal in het tegenwoordige leven en in het hiernamaals in hoog aanzien staan en behoren tot hen die in de nabijheid [van God] zijn. Als kind en als volwassene zal hij tot de mensen spreken en hij zal een van de rechtschapenen zijn’.
.
Zij zei ‘Mijn Heer, hoe zou ik een kind krijgen, terwijl geen mens mij aangeraakt heeft.’ Hij zei: ‘Zo is het. God schept wat Hij wil. Wanneer Hij iets beslist, dan zegt Hij er slechts tegen: “Wees! en het is.” En God zal hem het Boek, de Wijsheid, de Taura (de Wet) en de Bijbel onderwijzen. ‘ (Koran 3:42-48)
.
“En God zal hem als een gezant tot de Israëlieten zenden, om te zeggen: “Ik ben tot jullie gekomen met een teken van jullie Heer: dat ik voor jullie uit klei iets als de vorm van een vogel zal scheppen, er dan in zal blazen en dat het dan met Gods toestemming een vogel zal zijn. Dat ik blindgeborenen en melaatsen zal genezen en doden levend maak, met Gods toestemming…” (Koran 3:49)
.
“… Wij hebben Jezus, de zoon van Maria, de duidelijke bewijzen gegeven en hem gesterkt met de heilige geest. Maar telkens als er een gezant tot jullie komt met iets wat jullie niet zint, zijn jullie dan niet hoogmoedig? Dan betichten jullie sommigen van leugens en anderen doden jullie”(Koran 2:87)
.
“Zeg: ‘Wij geloven in God, in wat naar ons is neer gezonden en in wat naar Abraham, Ismaïl, Isaac, Jacob en de stammen is neer gezonden en in wat aan Mozes en Jezus is gegeven en in wat aan de profeten door hun Heer is gegeven. Wij maken geen verschil tussen één van hen, en wij hebben ons aan Hem overgegeven.'” (Koran 2:136)
.
.
.
.

Jodendom

 

Joden erkennen Jezus niet als zoon van God. Ze erkennen ook het Jezus als profeet niet. Volgens hen was Jezus ook geen Messias. Joden wachten nog altijd op de komst van de messias. Sommige Joden menen dat ze door eigen handelingen de komst van de messias kunnen bespoedigen, anderen menen dat dit niet het geval is.

 

.

Christendom

 

Na het leven van Jezus ontstonden er verschillende strekkingen in het christendom. In het jaar 325 na Christus behaalde de strekking van Paulus het overwicht en werd op het Concilie van Nicea beslist dat Jezus zelf God en Zoon van God was. Het Concilie vestigde meteen ook de doctrine van de Heilige Drievuldigheid. Het christendom vereerde Jezus voortaan tegelijk als God en Zoon van God. Maria wordt vereerd als de Moeder van Jezus, de Moeder van God.

.

.

DE ISLAM IS DE GOEDSCHIKSE

TEGENBEWEGING VAN SATAN,

ALS ENGEL VAN HET LICHT,

TEGEN HET WARE CHRISTENDOM

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

                                                           

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA