Tagarchief: bisschop

Martelaren bij de eerste christenen

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Een martelaar (vrouwelijk: martelares; meervoud: martelaars, martelaren; Latijn:martyr = getuige) is iemand die om een idee, met name om zijn geloof, marteling of dood ondergaatHet woord bloedgetuige  is een oud synoniem van martelaar. Het lijden van een martelaar is immers niet zelden een bloedig levenseinde.

 

 

Christenvervolging in de arena

Christenvervolging in de arena

 

 

Opb 17:6 En ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. …

.

 

Openbaring hoofdstuk 17

Openbaring hoofdstuk 17

 

pasteltekening van John Astria

 

 

Martelaars heten de oudste belijders van het geloof in Jezus Christus die, als zij door hun vijanden wreedaardig omgebracht werden, hierdoor een getuigenis van het geloof aflegden. Uit het Griekse woord voor getuigenis (martyrion) ontwikkelden zich de woorden martelaar, martelen.

Thans noemt men bij uitbreiding allen, die zich voor een zaak opofferen of opgeofferd worden, martelaars. Het zijn van een martelaar wordt martelaarschap of marteldom genoemd.  De marteldood is de dood van een martelaar. De martelkroon is de eer van het martelaarschap.

De Heer Jezus heeft aan het eind van zijn aardse leven de zijnen voorbereid op het martelaarschap:

Joh 16:1 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u niet ten val komt.
Joh 16:2 Zij zullen u uit de synagoge bannen; ja, het uur komt, dat ieder die u doodt, zal menen God een dienst te bewijzen.
Joh 16:3 En dit zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet hebben gekend noch Mij.
Joh 16:4 Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat wanneer, hun uur gekomen is, u zich zult herinneren dat Ik ze u heb gezegd; maar deze dingen heb Ik u niet van het begin af gezegd, omdat Ik bij u was.

.

 

Andrea_Mantegna_Sint_Sebastiaan.jpg

Sint Sebastiaan,

schilderij van Andrea Mantegna,
1457-1458

 

 

De meeste martelaren in deze tijd zijn christen. Het aantal christelijke martelaren lag anno 2011 op zo’n 100.000 per jaar. Dat zijn er 270 per dag.  Volgens een godsdienstsocioloog van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), sterft er gemiddeld iedere vijf minuten een christen voor zijn of haar geloof. In 1970 waren dat er nog 377.000 per jaar; in 2000 ongeveer 160.000. Het aantal christenen dat vanwege het geloof de marteldood sterft, neemt (anno 2011) steeds verder af.

“Als deze aantallen niet wereldkundig worden gemaakt, als aan deze slachting geen halt wordt toegeroepen en als niet erkend wordt dat de vervolging van christenen wereldwijd de voornaamste noodsituatie is als het gaat over religieus geweld en discriminatie, zal de dialoog tussen de godsdiensten slechts mooie conferenties opleveren, maar geen concrete resultaten.”

(Massimo Introvigne, godsdienstsocioloog van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), op een interreligieuze conferentie in Hongarije in (2011))

 

 

 

Eerste christen martelaren

.

Na de onthoofding van Johannes de Doper en de kruisdood van Christus, hebben in de eerste tijd hun leven gegeven tot de dood toe :

  • Stefanus, de diaken, gestenigd c. 34 na Chr. De eerste christenmartelaar.
  • Jacobus, de zoon van Zebedeüs, onthoofd c. 45 na Chr.
  • Jacobus, de zoon van Alfeüs, doodgeslagen c. 63 na Chr.
  • Barnabas, te Salamis verbrand in 63 of 64 na Chr.
  • Marcus, de evangelist, buiten Alexandrië gesleep om verbrand te worden, en onderweg gestorven, in c. 64 na Chr.

Na de begintijd kan men  bloedige vervolgingen van de christenen onder de heidense keizers van Rome onderscheiden.

 

 

steniging Stefanus

steniging Stefanus

 

 

 

Martelaren onder keizer Nero

.

Tijdens de bloedige verdrukking en vervolging van christenen onder Nero, die Romeins keizer was van

37 – 68 n.C., zijn onder meer de volgende gelovigen omwille van hun geloof in Jezus Christus omgebracht:

  • Simon Petrus, apostel, gekruisigd te Rome, onder keizer Nero
  • Paulus van Tarsen, apostel, c 63 na Chr. te Rome onthoofd onder keizer Nero
  • Andreas, de apostel te Patris, in Achaje gekruisigd
  • Filippus, de apostel, te Hiërapolis gemarteld
  • Bartholomeüs de apostel, in Albanië in Armenië gekruisigd en de huid afgestroopt
  • Thomas, de apostel, in Indië door de wilden vermoord
  • Mattheüs, de apostel en evangelist
  • Simon Zelotes, de apostel
  • Judas Alpheus, de apostel
  • Matthias, de apostel
  • Lukas, de evangelist
  • (Johannes, de apostel en evangelist, veel geleden, doch in vrede gestorven c. 101 n.Chr.)
  • Prochorus, één van de zeven eerste diakenen
  • Nikanor, één van de zeven eerste diakenen
  • Parmenas, één van de zeven eerste diakenen
  • Olympus, medereiziger van de apostel Paulus
  • Onesiforus, opziener te Colophon of Coronia
  • Porphyrius, mede-dienstknecht van Onesiforus
  • Karpus, opziener te Troas
  • Trofimus, een leerling van Paulus
  • Apollinaris, een leerling van Petrus
  • Maternus, één van de zeventig discipelen
  • Egistus, één van de zeventig discipelen
  • Marianus, diaken
  • Hermagoras, opziener te Aquila
  • Onesimus
  • Dionysis de Areopagiet

 

 

Kruisdood van Petrus

Kruisdood van Petrus

 

 

 

Martelaren onder keizer Domitianus

.

Tijdens de bloedige verdrukking en vervolging van christenen onder Domitianus, Romeins keizer van 81 – 96 n.C., zijn onder meer de volgende gelovigen omwille van hun geloof in Jezus Christus omgebracht:

  • Timotheüs, een leerling van Paulus
  • Lucianus. opziener te Bellovaco, Frankrijk
  • Maximianus en Julianus, ouderlingen
  • Nicasius, een opziener te Rouaan
  • Quirinus, een ouderling
  • Scubiculus, een diaken
  • Patientia, een maagd
  • Romulus, opziener in Fesula, Italië
  • Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus (Opb 2:13)

 

 

 

Martelaren onder keizer Trajanus

.

Tijdens de bloedige verdrukking en vervolging van christenen onder Trajanus, Romeins keizer van 98 – 117 n.C., zijn onder meer de volgende gelovigen omwille van hun geloof in Jezus Christus omgebracht:

 

  • Simeon, opziener te Jeruzalem, gestorven in 109 n.C.
  • Ignatius, bisschop van Antiochië
  • Ptolemeüs en Lucius, gestorven in 144 n.C.

 

 

Dood van Ignatius

Dood van Ignatius

 

.

 

Martelaren onder keizers Antoninus, Marcus Aurelius en Commodus

.

Onder het bewind van Antonius, Romeins keizer van 138 – 161 n.C., Marcus Aurelius, keizer van 161 – 180 n.C., en Commodus, keizer van 197-192 n.C., zijn onder meer de volgende gelovigen omwille van hun geloof in Jezus Christus omgebracht:

  • Justinius de Wijsgeer, gestorven in 168 n.C.
  • Germanicus, gestorven in 174 n.C.
  • Meliton
  • Polycarpus
  • Felicitas en haar zeven zonen
  • Vetius Epagathus
  • Sanctus, een diaken
  • Attalus, Blandina, Ponticus
  • Photinus, opziener te Lyon
  • Appolonius, gestorven in 188 n.C.

 

 

Martelaarschap van Justinus de Wijsgeer

Martelaarschap van Justinus de Wijsgeer

 

 

 

Martelaren onder keizer Septimius Severus

.

Onder het bewind van Septimius Severus, Romeins keizer van 193 – 211 n.C., zijn onder meer omwille van hun geloof in Jezus Christus omgebracht:

  • Leonidas, de vader van de kerkleraar Origenes
  • Ireneüs, opziener
  • Plutarchus, Sereni en Hero

Kerkleraar Origenes onderwees zijn leerlingen zo krachtig in het geloof, dat later velen hun leven voor de christelijke godsdienst hebben overgegeven. Onder deze waren de eerste Plutarchus, twee mannen, waarschijnlijk gebroeders, Sereni genaamd en Hero.

Toen Plutarchus naar de strafplaats werd geleid, om gedood te worden, was Origenes aan zijn zijde om hem te troosten, waarom hij voorzeker door de woedende schare zou doodgeslagen zijn geworden, zo de goddelijke Voorzienigheid hem niet had beschermd.

 

 

 

Terechtstelling

.

Door allerlei wijzen van terechtstelling zijn martelaren om het leven gebracht, zoals steniging, onthoofding en de brandstapel. Tijdens de Inquisitie (Rooms-katholiek geloofsonderzoek) eindigden veel martelaren op de brandstapel.

Vaak getuigden zij op de brandstapel ‘vurig’ van hun geloof en brachten daardoor omstanders in verwarring. Om dat te verhinderen werd een tongschroef, die de tong vasthechtte aan de kin, aangebracht. In de ashoop van brandstapels zijn verschillende van deze tongschroeven aangetroffen.

Op 5 oktober 1573 stierf de gelovige Mayeken Wens op de brandstapel. In de laatste brief die zij aan haar 15-jarige zoon Adriaen zond, schreef zij: „Och, mijn lieve zoon, al ben ik je hier ontnomen, vrees God van jongs af aan en je zult je moeder terugzien, hier boven in het nieuwe Jeruzalem.”

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 John Astria

John Astria

De Maria verschijningen in Banneux

Standaard

categorie : religie

 

 

 

.

 

Onze-Lieve-Vrouw, Maagd der armen te Banneux

 

 

Banneux, België

Mariaverschijning 15 januari – 2 maart  1933

Aan Mariette Beco

 

.

Banneux (ook wel Banneux Notre-Dame) is een dorp bij Louveigné in de gemeente Sprimont in de Belgische provincie Luik. Het ligt tussen Luik en Spa.

Van 15 januari tot 2 maart 1933 verscheen de Maagd Maria acht keer aan Mariette Beco, een meisje van 11 jaar oud. Mariette Beco werd geboren als oudste van een gezin van zeven kinderen op 25 maart 1923. Het gezin woonde in een bescheiden arbeiderswoning aan de bosrand, buiten het dorp van Banneux.

.

.

.

.

.

De verschijningen

.

.

Eerste dag

Op 15 januari 1933 om 19:00u ’s avonds verschijnt een mooie Dame in de tuin van het huis. Zij wenkt Mariette om naar buiten te komen, maar de moeder van Mariette is bang en verbiedt het kind naar buiten te gaan.

.

.

Tweede dag

Woensdag 18 januari, 19:00 uur, Mariette is in de tuin. Zij knielt en bidt. Plotseling gaat Mariette van de tuin de weg op, terwijl ze de Dame volgt. Tot twee keer toe valt ze op de knieën. Een derde keer knielt ze dicht bij een kleine bron die door de hoge wegberm sijpelt. De Dame zegt: “Steek uw handen in het water.” Mariette doet het. Zij herhaalt de woorden die de Dame tegen haar zegt: “Deze bron is Mij voorbehouden.” De verschijning verdwijnt dan met de woorden: “Goede avond. Tot ziens.”

.

.

Derde dag

Donderdag 19 januari is het slecht weer. Mariette knielt rond 19:00 uur op het tuinpad. De Dame verschijnt. Mariette vraagt haar: “Wie bent u, mooie Dame?” “Ik ben de Maagd der Armen” Daarop leidt Maria het kind langs de weg naar de bron. Mariette vraagt nog: “Mooie Dame, gisteren hebt u gezegd: deze bron is aan mij voorbehouden. Waarom aan mij?” Terwijl zij dit vraagt, duidt Mariette zichzelf aan. Met een glimlach antwoordt O.-L.-Vrouw: “Deze bron is voorbehouden voor alle naties… voor de zieken…” Mariette antwoordt met “dank u”. Maria voegt er nog aan toe: “Ik zal voor je bidden. Tot ziens.”

.

.

Vierde dag

Vrijdag 20 januari blijft Mariette de hele dag in bed, ze heeft die nacht slecht geslapen. Even voor 19:00 uur staat ze op, kleedt zich aan en gaat naar buiten. Wanneer O.-L.-Vrouw verschijnt, roept Mariette: “Daar is zij!” Zij vraagt: “Wat verlangt u, mooie Dame?” Glimlachend antwoordt O.-L.-Vrouw: “Ik zou een kleine kapel willen.” Maria strekt dan de handen uit en zegent het kind.

Gedurende drie weken onderbreekt Maria haar bezoek. Mariette blijft echter trouw: elke avond om 19:00 uur gaat ze bidden in de tuin.

.

.

Vijfde dag

Zaterdag 11 februari is Mariette weer neergeknield in de tuin. Plots staat het meisje op en begeeft zich op weg naar de bron. Ze knielt weer twee keer en steekt de handen in het water. Ze maakt een kruisteken. Ze loopt plots terug naar huis en huilt. Zij begrijpt niet wat de Dame heeft gezegd: “Ik kom het lijden verlichten. Tot ziens” Ze begrijpt het woord ‘verlichten’ niet.

.

.

Zesde dag

Weer gaan drie dagen voorbij. Op woensdag 15 februari verschijnt O.-L.-Vrouw voor de zesde keer. Mariette brengt de vraag van kapelaan Jamin over: “Heilige Maagd, mijnheer kapelaan heeft me gezegd u een teken te vragen.” Maria antwoordt: “Geloof in Mij, Ik zal in u geloven.” Zij voegt er nog aan toe: “Bid veel. Tot ziens.” O.-L.-Vrouw vertrouwt het kind ook nog een geheim toe.

.

.

Zevende dag

Op maandag 20 februari ligt er sneeuw en ijs: het is bitter koud. Zoals gewoonlijk is de mooie Dame neergedaald en leidt zij het kind naar de bron. Bij de bron gekomen zegt de H. Maagd, glimlachend zoals altijd: “Mijn lief kind, bid veel.” Dan glimlacht zij niet meer en zegt, voordat ze weggaat, met ernstige stem: “Tot ziens!”

.

.

Achtste dag

Mariette wacht tien dagen voor ze Maria  terugziet, en nu voor de laatste keer. Zij verschijnt op donderdag 2 maart. Het regent onafgebroken sinds 15:00 uur. Mariette gaat naar buiten om 19:00 uur. Ze is al aan het derde rozenhoedje bezig wanneer het plotseling ophoudt met regenen. Mariette zwijgt, strekt de armen uit, staat op, zet een stap en knielt weer. Terug thuis brengt ze de Boodschap van de Maagd der Armen over: “Ik ben de Moeder van de Verlosser, Moeder van God!” Maria legt haar de handen op en zegt: “Bid veel. Vaarwel!”

.

 

 

 

 

 

Tussen 15 januari en 2 maart 1933 is Maria acht keer aan Mariette Beco verschenen. Bij de zesde verschijning zou zij aan het twaalfjarige meisje een geheim hebben toevertrouwd, dat die echter nooit bekend gemaakt heeft. Ook wijst Maria haar een geneeskrachtige bron aan “om het lijden te verlichten”, waarvan het water naar Christus verwijst, de bron van levend water.

Bovendien vraagt de verschijning om een kapel. Bij de laatste verschijning zegt Maria: “Ik ben de moeder van de Verlosser, de Zoon van God. Bidt vurig.” Dan spreekt ze het afscheidswoord ‘Adieu’ met een zegen voor Mariette. Het meisje valt flauw en ziet Maria ‘de mooie dame’ niet vertrekken. Toch wist ze dat dit de laatste keer was door het woord ‘adieu’.

De vorige keren had Maria steeds ‘Tot ziens’ gebruikt. Na de verschijningen wordt Mariette enige jaren achtereen onderworpen aan allerlei testen. Dokters en psychiaters onderzoeken haar, maar niemand vindt ook maar een spoor van hysterie of fantaserende leugenachtigheid. In 1943 erkent de bisschop van Luik, mgr. Kerkhofs, de verschijningen.

Maria is daar op de eerste plaats verscheen om de mensen te troosten. Want vandaag is Banneux een aardig dorpje, maar toen was het er straatarm. Voor veel moderne gelovigen, onder wie ook bisschoppen, zijn Maria-verschijningen iets van heel ver weg en lang geleden. En dat moet vooral zo blijven.

Wij menen Maria niet meer nodig te hebben en zouden ons eigenlijk geen raad weten. Ze zou maar storen. Maria maakt zich hier echter in 1933 bekend als de ‘maagd der armen’, op een plaats en tijd dat alle mensen, de gewone gelovigen maar ook hun pastoor en bisschop, nog door en door gelovig zijn. Maria uit bovendien geen kritiek op de Kerk, zoals zij bij eerdere verschijningen gedaan had.

.

.

.

.

 

.

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

.

 

 

De heilige Konrad van Konstanz

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Konrad van Konstanz, Duitsland; bisschop; † 975

 

 

 

 

Hij moet rond 900 te Altdorf bij Konstanz geboren zijn uit het beroemde geslacht der Welfen. Hij was proost aan de dom van Konstanz en hoofd van de Domschool, toen hij in 934 tot bisschop benoemd werd. Hij mocht zich een persoonlijke vriend noemen van keizer Otto I († 973).

In een tijd dat kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zich vooral met de landspolitiek bemoeiden, bleek hij een goed herder en stond hij vanwege zijn heilige levenswandel in hoog aanzien. Zo deelde hij nagenoeg zijn hele persoonlijk vermogen uit aan de armen. Drie keer maakte hij een pelgrimstocht naar het Heilig Land. In zijn diocees stichtte hij meerdere kerken.

 

 

 

Legende

 

Een legende weet nog te vertellen hoe te Einsiedeln (Zwitserland) de inwijding van de Meinradskapel en van de kloosterkerk die aan Maria zou worden toegewijd, in zijn werk is gegaan.

In de dagen die aan de feestelijke wijding voorafgingen, hadden zich vele gasten, pelgrims en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders ter plaatse verzameld. Bisschop Konrad kon in de laatste nacht de slaap niet vatten en begaf zich midden in het pikkedonker naar de kloosterkerk om er te bidden.

Plotseling werd hij omgeven door een hemelse liturgie. Christus zelf verscheen in bisschoppelijk ornaat, juist zoals hij zelf, Konrad, morgen gekleed zou zijn voor de wijdingsplechtigheid. De vier evangelisten assisteerden Hem, evenals Petrus en de grote Paus Gregorius († 604; feest 3 september): ze gaven onze Heer mijter, staf en wijwaterkwast aan.

Talloze andere heiligen woonden de plechtigheid bij. Ook Maria was natuurlijk aanwezig. Tenslotte werd de kerk aan haar toegewijd. Zij troonde boven het hoogaltaar. Engelen deden intussen het werk van misdienaars en acolieten: ze zwaaiden met het wierookvat, droegen toortsen, gaven de nodige antwoorden, musiceerden en zongen hemelse mis gezangen. Konrad neuriede mee.

Toen het schouwspel ten einde was, raakte bisschop Konrad in verlegenheid. Nu de kapel door de Heer Jezus zelf was ingewijd, kon hij dat morgen toch niet nog eens over doen? Hij verkeerde zolang in tweestrijd, dat hij door de monniken tot spoed moest worden gemaand. De openingsgezangen waren al aan de gang en de bisschop was nog niet eens met de voorbereidingen begonnen. Ze reikten hem zijn tabberd, mijter en staf; ze droegen wijwater en wierookvat mee.

Plotseling klonk luid en duidelijk dwars door de liturgische gezangen heen een stem van boven: “Laat maar, broeders; het hoeft niet meer. De kapel is al ingewijd door God zelf.” Iedereen viel stil. Toen vertelde bisschop Konrad wat hij die nacht had meegemaakt. Uit dankbaarheid voor dit grote wonder werd een prachtig genadebeeld van Maria gemaakt en boven op het hoofdaltaar geplaatst, juist zoals Konrad het had gezien. Jaarlijks komen er nog duizenden pelgrims naar deze plek; en elk jaar wordt op de gedenkdag van dit wonder, 14 april, de zogeheten ‘engelenwijding’ gevierd.

Na veertig jaar het ambt van bisschop bekleed te hebben overleed hij; hij werd te Konstanz begraven in de door hem gestichte Mauritiuskerk. Later werd hij bijgezet in de domkerk.

 

 

 

 

 

Verering & Cultuur

 

Mede op grond van de vele wonderen die er na zijn dood rond zijn graf gebeurden, werd hij door paus Callistus II († 1124) in 1123 heilig verklaard. Tijdens de Reformatie werden zijn relieken in de Bodensee gegooid, alleen zijn hoofd werd gered; het bevindt zich thans in de schatkamer van de dom. Hij is patroon van het aartsbisdom Freiburg en van het bisdom Konstanz.

Koenraad van Konstanz wordt vaak afgebeeld met een kelk, waarop een spin zit. Volgens een middeleeuwse legende zou Koenraad toen tijdens een mis een spin, die in de miswijn was gevallen, met de wijn opgedronken hebben. De reden hiervoor was dat hij niet de reeds geconverteerde wijn wilde weggooien. Later is de spin weer ongeschonden uit zijn mond gekomen en vrijgelaten.

Zijn feestdag is op 26 november.

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

† 1253 Clara van Assisi

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Clara (ook Chiara, Clare of Klara) van Assisi, Italië; abdis; † 1253

 

 

SaintClare

 

.

 

 

Feest 11 (& 12) augustus

 

Volgens de jongste onderzoekingen werd zij geboren in 1195 en was afkomstig uit een adellijke familie te Assisi. Ze was een jaar of achttien op het moment dat Franciscus daar met zijn aanstekelijke beweging begon. Naar diens voorbeeld brak ze met thuis, wist aan de greep van haar familie te ontsnappen, huwde net als Franciscus met Vrouwe Armoede en liet zich door hem het kloosterhabijt aantrekken.

Spoedig voegden zich andere vrouwen bij haar, onder wie haar zus Agnes die zij op spectakulaire wijze had helpen ontsnappen uit het ouderlijk huis. Veertig jaar lang stond zij aan het hoofd van het kloostertje van San Damiano, even buiten Assisi. Intussen groeide er tussen Franciscus en haar een hechte en diepe geestelijke vriendschap. Als hij niet zeker was van een bepaalde beslissing of niet wist hoe te handelen, liet hij zuster Clara om raad vragen, ook in zaken van gebed, boete, geestelijke leiding en apostolaat.

Franciscus stierf al in 1226 op 42-jarige leeftijd, luid beweend door zuster Clara en haar medezusters. Zij ging voort in de geest van Broeder Franciscus. Zo wist zij rond 1240 door het innige gebed dat ze deed geknield voor een monstrans met de Heilige Hostie erin, een dreigende inval van de Saracenen in Assisi te verhinderen. Vanaf dat moment wordt zij beschouwd als de redster van Assisi en van San Damiano.

Latere legendes weten zelfs te vertellen, dat zij bij die gelegenheid met de monstrans in de hand, onverschrokken de Saracenen tegemoet gegaan zou zijn, waarop dezen onverwijld de vlucht zouden hebben genomen. Zij stierf op 59-jarige leeftijd.

 

.

 

Legende

 

Dit alles vinden wij als volgt terug in een middeleeuws legendeboek Passional, uitgegeven te Augsburg in 1471-1472.

In de stad Assisi woonde een rijke edelman met een zalige, vrome vrouw; zij heette Torculana. Zij werd zwanger van het heilige kind Clara. Toen de tijd van baren nabij was, stapte zij een kerk binnen en ging voor een kruisbeeld staan en bad in grote ernst tot God dat Hij haar zou helpen bij de komende geboorte. Toen klonk er een stem: “Vrouwe, u zult een heilzaam licht baren dat de wereld verlichten zal.”

Daar was die vrouw heel blij over. En toen het kind eenmaal geboren was, wilde zij dat het Clara zou heten, want zij leefde in de hoop dat het de wereld zou verlichten, zoals de stem in de kerk haar beloofd had. Toen het kind de volwassen leeftijd had bereikt, leidde het een deugdzaam leven; ze nam een minimum aan voedsel tot zich.

De kleren die zij droeg, waren aan de buitenkant heel elegant en sierlijk, maar op het lijf droeg zij een ruw haren hemd. Haar hart was zuiver en haar lichaam kuis. Ze leidde kortom een goed leven. Toen kwam de tijd dat haar vrienden voor haar een geschikte huwelijkspartner gingen uitzoeken, maar zij deed er niet aan mee.

Sint Clara hoorde van de heilige levenswandel van Sint Franciscus. Ze verlangde ernaar hem eens te zien. Op zijn beurt hoorde Sint Franciscus van haar heilige levenswandel. Ook hij verlangde ernaar haar eens te zien en met haar te kunnen spreken. Hij zocht haar dus op.

Zij was daar blij mee. Sint Franciscus sprak heel vriendelijk met haar. Hij maakte haar duidelijk dat zij de wereld de rug moest toekeren en God tot echtgenoot moest kiezen. Zij hield ijverig vast aan dit woord. Ze zocht hem regelmatig op om nog meer van hem te leren. Aldus begon ze ernaar te verlangen alleen God te dienen; voor de wereld had ze geen oog.

Zo was Clara eens bij Franciscus in het bos bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk, die Portiuncula heet. Ze spraken met elkaar over het zielenheil. Bij die gelegenheid zagen de mensen dat vurige stralen uit de hemel op hen neerdaalden. Het was toen vlak voor Palmzondag. Hij zei tot haar: “Op Palmzondag moet je in je mooiste kleren naar de kerk gaan, maar diezelfde avond moet je je vaders huis verlaten en je aan God toewijden.”

Clara deed wat hij zei: zij ging in haar mooiste kleren naar de kerk. Terwijl iedereen naar voren liep om een palmtakje in ontvangst te nemen, bleef zij heel devoot op haar plaats zitten. Dat zag de bisschop. Hij kwam het altaar af en gaf haar het palmtakje persoonlijk in de hand.

Diezelfde avond ontglipte zij uit het huis van haar vader. Zij liet al haar vrienden achter en kwam bij het Onze-Lieve-Vrouwekerkje van Portiuncula. Daar werd zij opgewacht door de broeders, die haar vol vreugde ontvingen.

Ze schoren haar de haren af. Vervolgens geleidde hij haar naar de Pauluskerk en beval haar daar voorlopig te blijven. Maar toen dit alles tot haar vrienden begon door te dringen, werden zij heel kwaad. Ze zochten haar daar op en zeiden: “Je moet de schande die je op je geladen hebt, onmiddellijk opheffen, want zoiets past niet bij een familie van adel!”

Daarop zei Sint Clara: “Niemand kan mij afbrengen van de dienst aan de almachtige God.” Ze liet hun zelfs haar afgeschoren haren zien. Kortom, ze voegde zich niet naar de woorden van haar vrienden. Hoopvol richtte zij haar hart op God en bad dat de woede bij haar vrienden zou wegebben.

Toen verhuisde zij op aanraden van Franciscus naar het kerkje van San Damiano. Daar bracht zij een groep tezamen en zette een orde op van veel vrouwen. Van toen af prees ieder haar zalig; haar roep drong overal door, zodat hertoginnen en gravinnen door haar heiligheid werden bewogen en intraden in haar orde.

Sint Clara was een nederige vrouw. Zij was vol lof over Franciscus en gehoorzaamde hem altijd. Zij droeg hem in haar hart, maar niet op de wereldse manier. Ze stond klaar voor al haar zusters, ze droeg eenvoudige kleren, ze waste haar zusters de voeten en bediende ze aan tafel. Ook vroeg ze aan de paus, Innocentius, of hij haar orde officieel wilde goedkeuren. Die was daar heel blij mee. Hij schreef haar eigenhandig de gevraagde brief.

Eens op een vastenavond had Sint Clara heel graag haar medezusters iets lekkers voorgezet. Zij riep dus de kelderzuster en vroeg of ze nog iets hadden. Maar zij zei: “Ik heb niets.” Toen dekte Sint Clara toch de tafel en knielde erbij neer; vervolgens vroeg zij God in haar gebed of Hij iemand de gedachte in wilde geven een brood en twee vissen naar het kloostertje te brengen.

Op datzelfde moment verscheen er inderdaad een vrouw; haar aangezicht straalde als de zon. Ze ging goed gekleed en ze droeg een mandje op haar hoofd. Dat mandje overhandigde zij aan de portierster met de woorden: “Geef dit maar aan Sint Clara.” De zuster vroeg haar toen: “Wie heeft u hierheen gestuurd?” Waarop die vrouw antwoordde: “Clara weet wel wie dit naar jullie gestuurd heeft.”

Toen verdween de mooie vrouw. De portierster bracht nu het mandje naar Sint Clara, en vertelde haar wat de mooie vrouw erbij gezegd had. Toen Sint Clara het mandje openmaakte, vond zij er twee gebraden vissen in en wat brood. Ze was heel blij en dankte God om zijn goede gaven. Vervolgens deelde zij het onder haar zusters uit; ze hadden meer dan genoeg.

De lieve maagd Sint Clara at alleen maar water en brood, terwijl ze op maandag, woensdag en vrijdag nooit schoenen droeg. Ze sliep ook niet in een bed met zachte veren, maar gewoon op de grond. In plaats van een hoofdkussen had ze een stuk hout.

Dat deed ze zo gedurende de lange vasten. Na Sint Maarten vastte ze elke dag door alleen water en brood te eten, terwijl ze drie dagen in het geheel niets at. Ze tuchtigde haar lichaam dermate dat ze er doodziek van werd.  Daarop schreef de bisschop van Assisi haar voor, tezamen met Franciscus, dat ze geen enkele dag meer geheel in vasten door mocht brengen.

De heilige maagd besteedde veel tijd aan de lof van God; ze bad heel vurig en langdurig, waarbij ze vaak huilde. Toen ze eens ’s nachts zo aan het bidden was, verscheen haar de duivel in de gedaante van een zwart kindje met de woorden: “Je moet niet zoveel huilen, anders word je nog blind.” Waarop zij antwoordde: “Wie God wil zien, is niet blind.” Toen verdween de boze geest.

In die tijd had je een graaf, die Vitalis heette en heel flink was in het vechten. Hij had het op de stad Assisi gemunt. Hij had gezworen dat hij haar zou veroveren, en nu trok hij tegen haar op. De burgers waren doodsbenauwd. Toen Sint Clara ervan hoorde, sprak zij tot al haar dochters: “Wij hebben veel aan de stad te danken; we moeten dus vurig tot God bidden dat Hij haar spaart.”

Ze strooide as op haar hoofd; dat deden de anderen ook. “Nu bidden we allemaal vurig tot God, dat Hij de stad spaart voor haar vijanden.” Zij baden vurig. En God verhoorde hun gebed. Hij kwam te hulp, zodat de vijanden meteen al de dag erop ertussenuit gingen.

Sint Clara had een zus die rijk was en van wie ze veel hield. Zij bad nu vurig voor die zus bij Onze Lieve Heer dat Hij haar zou weten te bewegen tot een geestelijk leven. Dat deed Onze Lieve Heer. Op de zestiende dag koos zij voor het klooster. Die zus, Agnes, werd door de Heilige Geest geroepen en ze meldde zich bij haar zus met de woorden: “Mijn allerliefst zusje, ik wil van nu af Onze Lieve Heer dienen.” Daar verheugde Sint Clara zich over. Zo kwam Agnes bij haar in het klooster.

Toen dat doordrong tot haar vrienden, kwamen er twaalf van hen naar het klooster. Ze spraken haar heel vriendelijk aan: “Waarom ben je hier naar toe gegaan? Kom vlug weer met ons mee, terug naar huis!” Daarop zei Agnes: “Ik wil niet meer weg bij mijn lief zusje. Daarop werd één van de ridders zo kwaad dat hij handtastelijk werd en haar een vuistslag toediende.

Desnoods zou hij haar het klooster uitslepen, waarop hij haar aan haar haren vastpakte. Doodsbenauwd smeekte zei: “Toe lief zusje, help mij!” Sint Clara riep nu vurig de hulp in van Onze Heer. Nu bleek Sint Agnes ineens zo zwaar te zijn geworden, dat een hele mensenmenigte haar nog niet over het kleinste beekje zou hebben kunnen dragen.

Toen ze dat bemerkten, begonnen ze de spot met haar te drijven: “Ze heeft natuurlijk lood gegeten; daarom is ze zo zwaar.” Een neef hief al de vuist om haar desnoods een doodklap te verkopen. Toen vloeide er een ontzettende pijn in zijn arm. En dat bleef zo. Daarop smeekte Sint Clara dat ze zouden verdwijnen en haar zusje Agnes rustig bij haar zouden laten.

Die lag intussen voor lijk op de grond. Grommend gingen haar vrienden inderdaad weg. Toen stond ze vrolijk op. En Sint Franciscus gaf ook haar zijn zegen om in de orde te treden. Eens was Sint Clara ziek. Ze liet zich rechtop zetten met een steuntje in de rug. Ze vouwde een doek uit, waaruit men vijftig corporales moest maken ter ere Gods.

In de kerstnacht gingen alle vrouwen naar de metten, maar Sint Clare was er te ziek voor en bleef alleen achter. Toen bracht zij zich voor ogen hoe het kleine kind, onze Heer Jezus Christus, geboren werd. Ze had ook dolgraag de metten bijgewoond om God lof te brengen. Op datzelfde moment klonk het gezang dat de broeders van Franciscus ten gehore brachten, haar in de oren.

En ook het orgel hoorde ze, terwijl de kerk toch ver weg was. De volgende ochtend vertelde zij het haar dochters. En ze weende veel tranen, toen ze dat vertelde. Sint Clara had veertig jaar in het klooster doorgebracht, toen God besloot haar uit de wereld weg te nemen. Een maagd uit het Sint-Paulusklooster ontving er een visioen over: het was haar alsof zij zich in het klooster van Sint Clara bevond en ze zag hoe al haar dochters om haar huilden.

Toen verscheen er een bijzonder mooie vrouw aan het hoofdeinde van Sint Clara’s ziekbed met de woorden: “Je hoeft niet te huilen om Sint Clara, want zij zal niet sterven, totdat God zelf komt met zijn leerlingen.” Daarop verscheen de paus die haar het Lichaam van Christus uitreikte. Nu vroeg Sint Clara aan hem of hij zich persoonlijk het lot van de zusters zou willen aantrekken. Dat beloofde hij, en hij heeft zijn belofte ook gehouden. Zo lag zij daar doodziek achterover. Haar dochters zeiden haar dat ze iets moest eten.

Daarop antwoordde zij: “Als er wat kersen waren, zou ik het proberen.” Maar het was kerstmis. Dus die hadden ze niet. De broeder had een kersenboom, en hij zag er een tak aan vol met rijpe kersen. Die brak hij af en bracht hem haar. Zij at ervan, en liet er ook van brengen aan andere zieken. Hoewel zij alles bijeen zeventig dagen zo ziek gelegen had zonder te eten, wist zij toch haar zusters te bemoedigen en haar broeders te bevestigen in de dienst aan God en ze gaf ze allen haar zegen.

Spoedig daarna verschenen er vele maagden in witte gewaden aan haar bed met gouden kruisjes op. Onder hen bevond zich Onze Lieve Vrouw; ze droeg een kroon; er ging een zachte lichtglans van haar uit, met het gevolg dat het kloostertje midden in de nacht hel verlicht was. Toen boog Onze Lieve Vrouwe zich tot Clara voorover. Op dat moment gaf zij de geest; deze werd opgevoerd naar de eeuwige vreugde.

Haar dochters waren zeer verdrietig, ja alle mensen in de stad die ervan hoorden. Er kwamen veel mensen toelopen. Zes dagen daarna kwam de paus met zijn kardinalen; ze bezongen Sint Clara met grote devotie, en droegen haar naar de Sint-Joriskerk. Dan hadden de burgers van de stad haar dichter bij zich. Daar werd ze met grote plechtigheid begraven.

Later hoorde paus Alexander de Vierde van alle wondertekenen die Sint Clara bewerkstelligde. Hij kwam dus met het kollege van kardinalen, bisschoppen en priesters en verhief haar plechtig tot de eer der altaren. Dat gebeurde twee jaar na haar dood. Er werd vastgelegd dat men haar elk jaar zou vieren op de derde dag na Sint Laurentius.

 

.

 

Verering & Cultuur

 

Haar lichaam is nog steeds te zien in een glazen schrijn in haar basiliek te Assisi. Zij is medepatrones van Assisi (Italië) en van Santa-Clara op Cuba; in Nederland is er een St-Claraziekenhuis in Rotterdam; in Gorkum zijn een tehuis en een school naar haar genoemd. In Californië zijn er een plaats, een gebergte (‘sierra’) en een rivier naar haar genoemd; Bahia kent een stadje Santa Clara; Ecuador een eiland Isla Santa Clara en Utah een rivier.

 

 

08-11-1253-clara_6

 

 

Zij wordt afgebeeld als claris (met bruin- of zwartwollen habijt, dat om het middel enigszins is opgebonden), met de staf van de abdis, met een kruis, een lelie (symbool van maagdelijkheid), regelboek, en zeer vaak met een monstrans en soms met een brandende lamp (verwijzing naar haar naam en naar Jezus’ verhaal van de wijze maagden).

Zij is patrones van de wasvrouwen, naaisters en borduursters, en van de vergulders. Zij wordt ook aangeroepen tegen oogkwalen en koorts (zelf had zij daar 27 jaar last van). In 1958 werd zij door Paus Pius XII uitgeroepen tot patrones van de televisie: in het jaar voor haar dood was zij al zo verzwakt dat zij zelfs met kerstmis haar cel niet kon verlaten om in Assisi, drie kilometer verderop, de nachtmis bij te wonen.

Het verhaal vertelt dat zij vanaf het ziekbed in haar cel voor haar ogen de kerstplechtigheden in de kerk van Assisi zag gebeuren. Mede op grond van deze legende wordt haar voorspraak ingeroepen tegen oogkwalen; daar wordt ook de betekenis van haar naam (‘klaar’, ‘helder’) mee in verband gebracht. Zij helpt ook koortslijders; dat komt omdat het water uit haar bron, de ‘Fontaine de Sainte Claire’ in het Franse plaatsje Guéret geneeskrachtige werking bleek te hebben vooral voor koortspatiënten.

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

                                                          

mijne kop a4 JOHN ASTRIA