Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
1 Samuel 6 |
1 – 21 |
De ark teruggebracht naar het land van Israël |
|---|---|---|
1 Samuel 7 |
2 – 17 |
De Filistijnen verslagen te Mizpa |
1 Samuel 6-7 – Skip Heitzig


1 Samuel 6 |
1 – 21 |
De ark teruggebracht naar het land van Israël |
|---|---|---|
1 Samuel 7 |
2 – 17 |
De Filistijnen verslagen te Mizpa |


.
1 Samuel 5 |
1 – 12 |
De ark in het land der Filistijnen |
|---|---|---|
1 Samuel 6 |
1 – 21 |
De ark teruggebracht naar het land van Israël |


1 Samuel 2 |
1 – 11 |
Hanna’s lofzang |
|---|---|---|
12 – 26 |
Eli’s zonen |
|
27 – 36 |
Eli’s val voorspeld |
|
1 Samuel 3 |
1 – 21 |
Samuël geroepen |
1 Samuel 4 |
1 – 17 |
Israël door de Filistijnen geslagen. De ark genomen |
18 – 22 |
Eli’s dood |


Pasteltekening van John Astria
Hierna kreeg ik opnieuw een boodschap van de HERE:
2 “Waarom gebruiken de mensen in Israël het spreekwoord: De kinderen worden gestraft voor de zonden die hun vaders begaan?
3 Zo waar Ik leef, zegt de Oppermachtige HERE, u zult dit spreekwoord niet meer gebruiken in Israël.
4 Want alle zielen behoren Mij toe (zowel van vaders als van zonen) en dit is mijn stelregel: Een mens zal uitsluitend om zijn eigen zonden sterven.
5 Maar als een man rechtvaardig is en doet wat wettig en goed is,
6 als hij niet naar de bergen gaat om offers te brengen aan de afgoden van Israël en hen te aanbidden; als hij geen overspel pleegt of met een ongestelde vrouw naar bed gaat;
7 als hij niemand afperst en onderpanden op tijd weer teruggeeft aan arme schuldenaars; als hij geen dief is, maar voedsel aan de hongerigen en kleding aan de noodlijdenden geeft
8 en als hij leent zonder rente te berekenen, de zonde uit de weg gaat, eerlijk en onbevooroordeeld is in zijn oordeel over anderen
9 en als hij mijn wetten trouw gehoorzaamt; dan is die man rechtvaardig, zegt de HERE, en zal hij zeker leven.
10 Maar als die man een zoon heeft, die een vechtersbaas of een moordenaar is en die al die dingen doet die zijn vader niet heeft gedaan;
11 als hij iemand is die weigert de wetten van God na te leven, maar afgoden aanbidt in de bergen en overspel pleegt,
12 de armen en noodlijdenden onderdrukt, zijn medemensen berooft en weigert schuldenaars hun onderpanden terug te geven, van de afgoden houdt en hen aanbidt
13 en zijn geld uitleent tegen te hoge rente; zal die man dan leven? Nee! Hij zal zeker sterven, door zijn eigen schuld.
14 Maar het kan zijn dat deze zondige man, op zijn beurt, een zoon heeft, die alle goddeloosheid van zijn vader ziet en desondanks God gaat vrezen en zelf besluit niet zo’n leven te gaan leiden.
15 Als die zoon niet de bergen ingaat om offers te brengen aan de afgoden en hen te aanbidden; als hij geen overspel pleegt
16 en eerlijk is tegenover hen die van hem lenen, zonder hen te bestelen, maar in plaats daarvan de hongerigen voedsel en de noodlijdenden kleding geeft;
17 als hij de armen helpt, zijn geld niet tegen rente uitleent en hij mijn wetten gehoorzaamt; dan hoeft hij niet te sterven om zijn vaders zonden. Hij zal zeker leven.
18 Maar zijn vader zal door zijn eigen zonden sterven, omdat hij wreed is, anderen besteelt en onrecht doet.
19 ‘Wat?’ zegt u, ‘moet een zoon niet voor zijn vaders zonden boeten?’ Nee! Want als de zoon het goede doet en mijn wetten naleeft, zal hij zeker leven.
20 Degene die zondigt, is degene die sterft. De zoon zal niet worden gestraft voor de zonden van zijn vader, noch de vader voor de zonden van zijn zoon. Een rechtvaardig mens zal worden beloond voor zijn rechtvaardigheid, maar een goddeloos mens zal voor zijn goddeloosheid worden gestraft.
21 Maar als een goddeloos mens zich van al zijn zonden bekeert, mijn wetten gehoorzaamt en rechtvaardig leeft, zal hij zeker blijven leven en niet sterven.
22 De zonden uit zijn verleden zullen worden vergeten en hij zal leven vanwege zijn rechtvaardigheid.


.
.
Laat ik mezelf aan u voorstellen. Ik ben mgr. John Esseff, priester uit het bisdom Scranton, Pensylvania, gewijd in het jaar 1953. In 1959 werd pater Pio mijn geestelijk leidsman. Ik ben bevoorrecht om geestelijk leider te mogen zijn van honderden zielen op alle niveaus van het geestelijk leven. Sommigen zijn beginnelingen, anderen zijn gevorderden en sommigen zijn mystici.

Msgr John Esseff

Maria Domina Animarum
Pasteltekening van John Astria
.
Maria:
Waarom zou ik mijn licht achterhouden? Waarom zou ik een tel uitstellen, terwijl de Prins der Duisternis zijn kwaad uitbraakt en de hoogst mogelijk gewelddadige middelen gebruikt? De middelen, die hij bezit, zal hij ook gebruiken. Hij zoekt altijd nieuwe vernietigingsmiddelen, en zodra hij ze verwerft, gebruikt hij ze. Van zijn kant is er geen uitstel.
Het Westen beweegt zich steeds dichter naar een Iraans nucleair verdrag, dat in werkelijkheid helemaal geen verdrag is. Er zijn al vele beperkingen opgeheven. Iran verheugt zich in een nieuwe vrijheid en een nieuwe plaats aan de onderhandelingstafel, alsof dit een ware onderhandeling is. Iran kan deze grote ommekeer van de gebeurtenissen niet geloven. Haar vijanden, zoals Israël, zijn aan de kant geschoven. Ze hebben geen plaats aan deze tafel. De stemmen, die waarschuwen tegen dit verdrag, worden afgewezen.
Dit zijn mijn woorden. Wanneer het verdrag is getekend en Iran zijn nieuwe vrijheden krijgt, dan zullen de machten der duisternis zich verheugen. Voor het eerst zullen nucleaire wapens een deel worden van hun arsenaal. Satan zal niet uitstellen. Zodra deze wapens in zijn hand zijn, zal hij handelen en diegenen bewegen, die het gebruik ervan in elke mogelijke vorm controleren, zelfs als dit hun eigen vernietiging betekent.
Het gebruik van nucleaire wapens zal een enorme reactie geven. Vuren zullen overal branden, veel groter dan welke huidige brand ook. De nieuwe staat van de wereld zal volledig onherstelbaar worden. Daarom spreek ik voort tot de hele wereld en waarom ik niet kan wachten. Alles is dringendheid. De klok tikt sneller dan enig wereldleider vermoedt. Allen slapen. Niemand ziet.
Dus moet ik alleen handelen en mijn kleine leger bewegen. Lees hoe Gideon de Midjanieten versloeg door de omvang van zijn leger te reduceren (Rechters 7, 1-22) zodat alle glorie naar God ging. Ik heb geen grote aantallen nodig. Ik heb alleen maar mensen nodig, die zullen geloven en bidden.
Door hen kan ik handelen en de hele wereld zal het plan van de Vader zien om de Vrouw Bekleed Met De Zon te gebruiken.
De Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament en de Bijbel. Het werd geschreven door de apostel Johannes op het eiland Patmos, een eiland in de Egeïsche Zee vlakbij Turkije. Het boek is gedateerd in 96 NC, alhoewel er ook argumenten zijn voor een vroegere datum. Omdat de teksten in het Grieks geschreven zijn, noemt men het boek ook de Apocalyps. Hedendaags gebruikt men dit woord wanneer men de klemtoon wil leggen op een grote ramp. Het is een profetisch boek en bevat 22 hoofdstukken. God openbaart Johannes via een visioen geheimen over de eindtijden, gebeurtenissen die de mens zijn verstand te boven gaan.
Dit zijn citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Het is aan de mens om de eerste stap te zetten. Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar. In het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft. Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren kennen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toekomst tegemoet kunnen gaan.
-zijn doel met deze wereld
-de toekomst van Israël en de wereld
-het mysterie van het goede en het kwade
-de bestraffing van het goede en de bestraffing van het kwade
-de toekomstige natuurrampen en oorlogen
-de wederkomst van de Messias
-de dag des oordeel
-het uitzicht in de hemel en zijn troon
-de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
De openbaring is moeilijk te begrijpen door de vele mystieke symbolen in de teksten en de verwijzingen naar het Oude Testament. De geschiedenis van Israël is een leidraad doorheen de 22 hoofdstukken. Jeruzalem wordt het centrum van Goddelijke theocratie voor gans de wereld.
.


.
| Jozua 23 | 1 – 16 | Jozua vermaant het volk tot onderhouding van de wet |
|---|---|---|
| Jozua 24 | 1 – 28 | Jozua vernieuwt het verbond met Israël te Sichem |
| 29 – 33 | Jozua’s dood |


Wie het getal twaalf noemt herinnert vanzelfsprekend aan de twaalf zonen van Jacob, de stamvaders van Israël en aan de twaalf discipelen van Jezus. Hieronder een veelvoud van voorbeelden:
We zouden het getal twaalf het best kunnen omschrijven als :
Israël, een volk in zijn geheel met een perfect bestuur!
Het is logisch, dat het getal twaalf ook telkens te voorschijn komt als het gaat over de vertegenwoordiging van het volk. Als de kinderen Israëls na door de Schelfzee getrokken te zijn, in de oase Elim aankomen vinden ze daar niet minder dan twaalf bronnen. Eenzelfde karakter als de twaalf heeft ook zijn verdubbeling de vierentwintig. De priesterschare is verdeeld in vierentwintig afdelingen en er zijn vierentwintig zanggroepen van elk twaalf Levieten. Vierentwintigduizend Levieten houden toezicht op werk in het huis des Heren.
De vermelding van de twaalf manden voor het overgeschoten brood in de geschiedenis van de eerste wonderbare spijziging wordt door velen terecht verstaan als een verwijzing naar de messiaanse maaltijd met het gehele volk.
Als Jezus bij zijn gevangenneming zinspeelt op de mogelijkheid dat twaalf legioenen engelen zullen te hulp komen, dan is dit getal wel gekozen met het oog op de twaalf die bedreigd worden.
Een belangrijke rol speelt het getal twaalf ook in het boek van de Openbaring van Johannes. We horen over de vrouw met de krans van twaalf sterren, de dochter van Sion, het volk Israël of de gemeente van God. Zij is geheel Israël. In de beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem worden twaalf poorten getekend met twaalf engelen en namen, ‘welke zijn die van de twaalf stammen van de kinderen Israëls’. ‘De muur der stad had twaalf fundamenten en daarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam’. Lengte, breedte en hoogte van de stad zijn twaalfduizend stadiën.
In Exodus 25:8,9 lezen we het volgende: ‘En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen. Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al het gerei’.
Dit heiligdom heeft in Exodus 27:21 als naam ” tent der samenkomst”. In het latijn heeft het de naam tabernakel. Het woord wordt ook gebruikt voor ‘vaste tijden’.
In Genesis 1:14-16 zegt God:
‘dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijdenals van dagen en jaren’. Die lichten zijn voor de dag de zon en in de nacht de maan en de sterren. Hier zijn de zon, de maan en de sterren dus aanwijzingen voor vaste tijden!
Dus zoals we zagen gaat het in Genesis om de verschijning van zon, maan en sterren op vaste tijden.
In Leviticus 23:2 en 4 lezen we het volgende: Daar zegt God tegen Mozes:
‘De Feesttijden des Heren, die gij zult uitroepen als heilige samenkomsten, zijn Mijn Feesttijden. Dit zijn de Feesttijden des Heren, heilige samenkomsten, die gij uitroepen zult op de daarvoor bepaalde tijd’.
We zien hier dus dat de vaste tijden ook Feesttijden des Heren zijn, en die Feesttijden vallen op vaste tijden in de loop van het jaar.
God’s feestkalender
Israëls Feesten onderscheiden we als volgt:
Deze vaste Feesttijden leiden tot heilige samenkomsten op de plaats van ontmoeting, zoals God zegt in Exodus 29:42, 43: ‘Ik zal daar samenkomen met de Israëlieten’. “Daar” betreft dan de tent der samenkomst.
Dus eerst zagen we de vaste tijden, die verklaart worden vanuit de hemellichamen (zon, maan en sterren). Vervolgens de vaste tijden, die tegelijk Feesttijden des Heren zijn, en plaatsvinden op precieze data. En al deze betekenissen lopen uit op de plaats van ontmoeting.
Zo kunnen we verstaan dat de tent der samenkomst (tabernakel), vaste tijden van hemellichamen, en vaste tijden van de Feesttijden, drie in het Hebreeuws gelijkluidende termen zijn, die tezamen de bedoeling aangeven, dat het volk Israël zijn God ontmoet op vaste tijden!
Om weer terug te keren naar het hemelse getal 12 stellen we vastdat vanaf de oprichting van de staat Israël op 14 mei 1948 er 3 x 4 {tetrad} dus 12 bloed rode manenzich manifesteerden in het hemels uitspansel op de vaste tijden, de ‘Feesttijden des Heren’.
Als volgt weergeven: Lunar eclipses
We zien hier in de eerste kolom bij de Lunar eclipses 4 opeenvolgende {tetrad} bloed rode manen in de jaren 1949 en 1950 op Passover (Peseach) en Sukkot (Loofhuttenfeest) nadat op 14 mei 1948 de staat Israel werd uitgeroepen.
Vervolgens 4 in de jaren 1967 en 1968 als Jeruzalem op 7 juni 1967 heroverd wordt en nu de ondeelbare hoofdstad van Israel is (Luk. 21:24)!
In 2014 en 2015 was er opnieuw een tetrad te zien zijn van bloed rode manen. Het religieuze jaar begon dan met een totale zonsverduistering op de 1e Nisan, met twee weken later gevolgd door een bloed rode maan op Passover. Het burgelijk jaar opende met een zonsverduistering op de 1e Tishri/RoshHasjana gevolgd door weer een bloed rode maan op Sukkot in 2015.
Geen 4 {tetrad} opeenvolgende bloed rode manen deden zich voor in de 16e – 17e – 18e – en 19e eeuw.
De demonische uitroeiing van een groot deel van het Joodse volk en het schouwspel van een uit alle delen van de wereld naar Palestina/Israël toestromend en onweerstaanbaar oprijzend overblijfsel van Israël, heeft veler ogen weer geopend voor de wonderlijke invloed van de oudtestamentische profetie.
Een moderne staat als Israël belet velen nog verband te leggen tussen de oude profeten en het hedendaagse denken, maar wie de profetie kent weet dat Israël in geloof (Messiaanse gelovigen) terug zal keren om later als volk zijn God (Jesjoea, de Messias) te ontdekken. De terugkeer van Juda uit de verstrooiing is vanouds door alle insiders als de ouverture tot de eindtijd der menselijke geschiedenis beschouwd!
Het theocratisch interim-rijk op aarde, ofwel het messiaanse rijk, is geen christelijk rijk, maar een Christus-rijk,waarin Messias Jesoea (Jezus) mét zijn aan hem verbonden Lichaam, de gemeente, als Koning en Rechter over de dan levende mensheid regeert.
Het apocalyptische visioen van een tijdelijk Godsrijk, waarin de duivelse machten zijn uitgeschakeld en een bepaalde orde in de hemel opgenomen gelovigen met Christus over de volken regeert, plaatst de oudtestamentische profetie over een messiaans rijk in een bepaald nieuwtestamentisch kader en het verklaart vooral de tijdelijke en nog zondige elementen in dit rijk.
De profetie over een messiaans rijk profeteert van het tijdelijke ( 1000 jaar ) naar het eeuwige rijk heen, maar bevat toch elementen van onvolkomenheid, die onmogelijk toepasselijk kunnen zijn op het eeuwige rijk. De mensen zijn er nog sterfelijk, hoewel zij zeer oud worden en een 100-jarige nog een jongeling genoemd wordt (Jes. 65, 20a), er zijn vijanden die zich geveinsd onderwerpen (Zach. 14, 17-19; Ap. 20, 7-10), en mensen kunnen gedood worden om hun zonden (Jes. 65, 20b).
Andere profetieën spreken:
over de tempeldienst te Jeruzalem en een ‘hoeden der heidenen’ met een ‘ijzeren scepter’ (Jes. 66, 21-23; Ps. 2, 9; Ap. 2, 26, 27),
‘Leiders van wetenschap en verstand’ zullen de volken in Godskennis onderrichten (Jer. 3, 15; Jes. 30, 20-21; 11, 9; Hab. 2, 14),
Israel zal het religieus-culturele centrum van dit wereldrijk zijn (Jes. 60, 2, 10-22; 61, 5; 62, 1-2; Zach. 8, 13, 22-23; 14, 16),
Christus is hier de theocratische Koning over de wereld waarin alles aan hem onderworpen is (Ps. 95, 10; Jes. 2, 4; 3, 13; 51, 5; Ap. 2, 26-27; 12, 5; 19, 15),
Zijn gezag is bemiddeld aan de Davidische messias (Jes. 16, 5; 55, 3-4; Jer. 30, 9; Ez. 34, 23-24; 37, 25),
de mensheid leeft onder een wettig regiem (Ps. 9, 9; 67, 5; 95, 10; 96, 10; 98, 9; Jes. 2, 1-5; 42, 1, 15-17; Zach. 14, 16-21).
Men behoeft slechts met enkele trekken het beeld uit deze profetie te schetsen om het onderscheid met de tegenwoordige gemeente van gelovigen en het eeuwige Godsrijk te onderkennen. Het kan alleen ‘geplaatst’ worden in de tijd die volgt op de verschijning van de antichrist (Ap. 20, 1-3 verg. Ap. 12, 9; 13, 1-5, 11-18; verg. Dan. 7, 19-27), en de wederkomst van Christus (2 Thess. 2, 1-4), een historisch tijdperk dat voorafgaat aan het eeuwig Koninkrijk Gods (1 Kor. 15, 23-28).
Het Messiaanse Rijk zal, na een laatste poging van de duivelse machten om Gods heilswerk te vernietigen, overgaan in het eeuwige Volkomen Koninkrijk. Satan, de demonen en de onbekeerden zullen dan voor eeuwig in de vuurpoel gegooid worden.
De korte tijd van de duivelse uitbarsting toont in de eerste plaats de consequente volharding van het kwaad na een 1000 jarige periode van passiviteit (Ap. 20, 1-2, 3, 5, 7), en dienst vervolgens als een laatste selectie onder de dan levende mensheid. Want ondanks de paradijselijke staat waarin de mensheid gedurende het messiaanse rijk op aarde onder leiding van de Messias Jesjoea leeft, zal blijken dat velen zich geveinsd aan deze theocratische wereldorde hebben onderworpen (Ap. 20, 7-8).
De ‘plasregens’ van zegen en kennis van Jahweh (Ik ben die Ik ben – Ex. 3:14) hebben het volkomen Godsrijk op aarde zeer nabij gebracht, maar desondanks zullen bepaalde volken zich toch laten verleiden om dit alles ongedaan te maken. Wanneer deze opzet neergeslagen is en de duivelse machten met hun volgelingen voor eeuwig buiten het Koninkrijk Gods gestoten worden, volgt het laatste oordeel over de doden en wordt het heilsplan voleindigd in de dubbele gestalte van het Koninkrijk Gods: een hemels rijk en een aards rijk.
Deze rijken zijn echter niet gescheiden. Ofschoon het hemels Godsrijk de gehele kosmos omvat, wordt de hemel met de aarde verbonden door de ‘schakel’ van het Nieuwe Jeruzalem, een voor beide rijken gemeenschappelijk ‘centrum’, waar de communicatie plaats vindt ( Ap. 21, 1-5, 10-27; 22, 1-5).
De categorieën als transcendentie en immanentie, eeuwigheid en tijd, heden en toekomst, hemel en aarde, gemeente en wereld, gemeente en Israël, zijn in de structuur van het Koninkrijk Gods dus geen tegenstellingen die elkaar uitsluiten, maar elkander inhoudende, insluitende en aanvullende elementen!
Samenvattend kunnen wij het Koninkrijk Gods in zijn wijdste betekenis omschrijven als dat deel der schepping, dat Hij zich eeuwig toeeigent. Een deel van de schepping staat ‘tegenover God’, zowel in de mensenwereld als in de wereld van kosmische machten. Ook dit deel is ‘eigendom’ van de schepper. Het kan uitsluitend door de scheppingskracht van God bestaan, maar na de afsluiting van het heilproces is het gedoemd voor eeuwig ‘buiten’ God en zijn Rijk te bestaan. Het is het ‘niets’ buiten God, zoals een schaduw ook ‘niets’ is maar toch ‘bestaat’.
Datgene wat in de schepping beantwoordt aan de liefde Gods is het Koninkrijk Gods en als het voltooid is, is ook aan de zin van de schepping voldaan.
De mens is ooit geopenbaard dat hij het gezag zal hebben over al de schepselen op aarde. Dit gezag valt hem toe als hij de volkomen mens is geworden, het beeld en de gelijkenis van de Volkomen Mens in God. Evenals in de engelenwereld scheidt zich een deel van de mensheid af om uiteindelijk in eeuwige Gods vijandigheid buiten het Koninkrijk Gods te verteren. Het deel dat God in liefde volgt is evenwel niet eenvormig en van gelijke hoedanigheid. Er zijn ‘niveaus’ en ‘geledingen’ in de volkomen mensheid. Zij die positief reageren op de openbaring Gods worden wel allen volkomen mens, maar niet alle in gelijke ‘rang’ of hoedanigheid. Men krijgt wat men verdient.
Voor het aardse rijk zijn alle heidenen bestemd die niet tot de gemeente ofwel het Lichaam van Jesjoea behoren, maar wél in het Boek des Levens bij het Laatste Oordeel worden gevonden (Ap. 20, 11-15).
Het Koninkrijk der hemelen ofwel het Messiaanse rijk is de erfenis van allen die tot het Lichaam van Jesjoea behoren en allen die in het anti-christelijke tijdperk uit de grote verdrukking de Messias alsnog hebben aangenomen (Ap. 7, 9-17), waaronder ook de ‘verzegelden’ uit het overblijfsel van Israël in die dagen (Ap. 14, 1-5 verg. Ap. 7, 1-8).
‘Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde: bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voor die dag van de Heere komt, die grote en ontzagwekkende’ (Joel 2:30-31; Hand. 2:16-21).
| Jozua 7 | 1 – 9 | Israël voor Ai geslagen |
|---|---|---|
| 10 – 26 | Achans misdaad en straf | |
| Jozua 8 | 1 – 29 | Inneming en verwoesting van Ai |
| 30 – 35 | Jozua bouwt een altaar op de berg Ebal |

