Tagarchief: insecten

Witte klaver : Trifolium repens

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_0623-gr-witte-klaver

 

 

Goed te herkennen aan
– het ronde bloemhoofdje met (room)witte vlinderbloemen en
– de halvemaanvormige lichte vlek op de bladeren

 

 

bloemen-witte-klaver1

 

 

 

Algemeen

 

Witte klaver is een zeer algemeen voorkomende soort, die groeit op vochtige tot natte, voedselrijke of brakke tot zilte grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Witte klaver bloeit vanaf mei tot in de herfst. De bloemhoofdjes staan op lange bladerloze stelen en ruiken zoet. Ze zijn (room)wit met soms een roze waas. Ze verwelken van (room)wit via roze naar bruin. De uitgebloeide bloemen gaan hangen, de onderste het eerst. Aan de basis van het door de kroonbladen gevormde buisje wordt vrij veel nectar afgescheiden. De bloemen vormen daarom voor langtongige insecten, zoals bijen, een waardevolle nectarbron.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn lang gesteeld, 3-tallig (zelden 4) en voorzien van een halvemaanvormige lichte vlek. Omdat witte klaver een lange liggende stengel heeft, die op elke knoop kan wortelen, is ze moeilijk uit te roeien. Snel woekerend kan ze andere planten verdringen en soms hele tapijten vormen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 5 tot 25 cm

Bloem
– roomwit, soms met een roze waas
– vanaf mei tot in de herfst
– hoofdje
– vlinderbloem
– 7 tot 12 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– op lange steel, meestal 3-tallig,
zelden 4-tallig
– samengesteld
– rond tot eirond, met
halvemaanvormige lichte vlek
– top stomp of uitgerand
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– bovengronds kruipend
– wortelend op knopen
– glad en kaal of behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

witte-klaver

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Rode klaver : Trifolium pratense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

rodeklaver

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze tot rozerode bloemhoofdjes
– met stengelbladeren direct onder het hoofdje en
– de eironde tot langwerpige bladeren met V-vormige, lichte vlek en behaarde onderkant

 

 

bloeiende-rode-klaver

 

 

 

Algemeen

 

Rode klaver is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant van vochtige, voedselrijke grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met oktober met paarsrode tot roze, ronde bloemhoofdjes, die geuren naar nectar. Ze worden alleen bezocht door insecten met een lange tong, zoals hommels en vlinders; insecten met een korte tong kunnen niet bij de nectar komen. Verwelkte bloemen worden bruin, maar gaan niet hangen. Dit in tegenstelling tot de uitgebloeide bloemen in het bloemhoofdje van basterdklaver, die wel gaan hangen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Het blad is samengesteld en bestaat uit 3 (soms 4) eironde tot langwerpige deelblaadjes, elk met een duidelijke, V-vormige, lichte vlek. Verder zijn de bladeren vooral aan de onderkant behaard en is de rand gewimperd. ’s Nachts vouwen de bladeren zich samen. De onderste bladeren zijn lang gesteeld, de bovenste kort gesteeld of zittend. De stengels zijn liggend, aan het einde opstijgend en behaard.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 15 tot 50 (80) cm

Bloem
– roze tot rozerood en wit
– vanaf mei t/m oktober
– hoofdje
– vlinderbloem
– 12 tot 15 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top stomp
– rand gaaf en gewimperd
– voet afgerond
– veernervig
– met V-vormige lichte vlek
– vooral de onderzijde behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– behaard
– rolrond
– niet wortelend

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Gele lis.

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

32-gele-lis

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote gele bloemen en
– haar groeiplaats : aan de waterkant

 

 

9200000011470843

 

 

 

Algemeen

 

Gele lis is een zeer algemeen voorkomende overblijvende oeverplant, die groeit in stilstaand of langzaam stromend, zoet, ondiep water in moerassen, broekbossen en langs waterkanten. Ze kan tot 1,20 meter hoog worden. De plant heeft een forse ondergronds vertakkende wortelstok, waardoor ze grote bestanden kan vormen.
Vermeerdering vindt plaats via de wortelstok of via zaden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf mei tot en met juli. De grote gele bloemen zijn opvallend van bouw. Ze hebben 6 bloemdekbladen. De 3 grote buitenste bladen zijn eirond, hebben een honingmerk en hangen naar beneden.

Ze dienen als landingsplaats voor bezoekende insecten. De 3 binnenste bloemdekbladen vallen nauwelijks op. Ze zijn veel kleiner en staan omhoog, maar komen niet boven de stijlen uit. De 3 stijlen hebben zich kroonbladachtig ontwikkeld, staan (schuin) omhoog en hebben een top met 2 lobben.

 

 

 

 

 

Blad en vrucht

 

De bladeren zijn zwaardvormig, iets blauwgroen van kleur en ruiken niet onaangenaam bij doorbreken. De schijfvormige zaden zijn bruin en komen in de herfst vrij. Ze blijven goed drijven en kunnen daarom ver verspreid worden door het water.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Gele lis is in staat om afvalwater schoon te filteren. Ook handig voor de tuinvijver. De wortel werd vroeger in combinatie met ijzerzouten gebruikt om stoffen zwart te kleuren. Alle delen van de plant zijn giftig.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

lissenfamilie (Iridaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 40 tot 120 cm

Bloem
– geel
– mei en juni
– alleenstaand
– 5 tot 12 cm
– 6 bloemdekbladen, vergroeid
– 3 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– in twee rijen
– enkelvoudig
– zwaardvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallelnervig
– iets blauwgroen

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

gele-lis

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

John Astria

Asperge / Liggende asperge : Asparagus officinalis

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

Goed te herkennen aan

– de kleine, licht geelgroene, klokvormige, hangende bloemetjes en
– de lijnvormige “bladeren” aan
– een sterk vertakte, struikvormige plant

 

 

gewone asperge

gewone asperge

 

 

 

liggende asperge

liggende asperge

 

 

 

Algemeen

 

Er komen twee soorten asperge voor : asperge en liggende asperge. De eerste soort wordt ook als groente gekweekt. De beide soorten lijken veel op elkaar. De foto met de groene vruchten is van liggende asperge, de andere van asperge.

Asperge en liggende asperge behoren tot de oorspronkelijke flora van de lage landen. Omdat asperge al eeuwen lang verbouwd wordt als groente, is het niet altijd vast te stellen of een in de natuur voorkomende aspergeplant oorspronkelijk wild dan wel een ontsnapte cultuurplant is. Men neemt aan dat de exemplaren langs de rivieren en in de duinen wilde planten zijn.

Asperge is algemeen voorkomend in de duingebieden en in Limburg. Elders is ze plaatselijk vrij algemeen. Ze groeit op droge tot vochtige, vaak geroerde zandgrond in duinstruikgewas, grindbanken en aan oevers.
Liggende asperge groeit op open plaatsen met droge, kalkrijke, grazige zandgrond in de duinen, vooral nabij bebouwing.

 

 

liggende asperge met bessen

 

.

 

Bloem

 

Beide asperge-soorten zijn overblijvende, sterk vertakte, struikvormige planten, die tot 2 meter hoog kunnen worden. Ze bloeien van mei tot en met juli met kleine, klokvormige, licht geelgroene, hangende bloemetjes.
Asperge is tweehuizig. Dat betekent dat een bloem mannelijk of vrouwelijk is en er aan een plant maar 1 soort bloem zit; er zijn mannelijke en vrouwelijke aspergeplanten.

 

 

asperge

 

 

 

liggende asperge

 

 

 

asperge

 

 

 

Blad en stengel

 

De naaldvormige “blaadjes” zijn geen blaadjes maar takjes. De eigenlijke bladeren zijn de kleine, schubvormige, driehoekige vliezen, die onderaan de stengel wat groter en daar duidelijker zichtbaar zijn.
In de herfst wordt de plant strokleurig en kleuren de bessen mooi oranjerood.

 

 

 

 

 

Insecten

 

De kleurrijke aspergehaantjes of aspergekevertjes (Crioceris asparagi) kunnen grote schade aanrichten. Zowel de volwassen kevers als de larven eten de groene delen van asperge en kunnen zo een hele plant kaal eten. Aspergetelers zijn daar uiteraard niet blij mee en bestrijden de kevers direct. De kevers zetten zwarte eitjes af loodrecht op de verschillende delen van de plant. Binnen een week komen de eitjes uit en zit de plant vol met grijze larven.

 

 

aspergekevertje

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Zoals gezegd lijken asperge en liggende asperge erg op elkaar. De verschillen zitten in de stengel en de kleur en de lengte van de takjes. De stengel van liggende asperge is aan de voet geknikt, de takjes zijn grijsgroen en 5 tot 10 mm lang. Asperge heeft een rechtop staande stengel en de groene takjes zijn 5 tot 25 mm lang.

 

 

Algemeen

 

aspergefamilie (Asparagaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer  zeldzaam
– 0,2 tot 2 meter

Bloem
– licht geelgroen
– vanaf mei t/m juli
– alleenstaand
– klokvormig
– 4 tot 6,5 mm
– 6 bloemdekbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– schubvormig
– top spits
– rand gaaf
– vliezig

Stengel
– rechtop of liggend
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-gr-asperge

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

Onkruid soorten in ons land – letter M,O en P

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Madeliefje (Compositae)

 

Een van de meest algemene en bekende planten in ons land is het Madeliefje (Bellis perennis). De bladeren liggen in een rozet op de grond; ze zijn glanzend en ovaal tot spatelvormig. Aan de top zijn ze breed en rond, aan de basis lopen ze uit in een korte, brede bladsteel. De behaarde bloeistengel is bladerloos en eindigt in een enkele, rood aangelopen knop die uitgroeit tot een bloemhoofdje met talrijke witte straalbloempjes rond een kussentje heldergele buisbloempjes. Het wit is van onderen rood (soms ook aan de bovenkant enigszins rood).

Madeliefje bloeit vaak het hele jaar door, tot zelfs onder de sneeuw! Kinderen vlechten graag slingers van de bloemen. De kruisvaarders gebruikten de plant om wonden te genezen. Veel legenden zijn verbonden met het Madeliefje en het is een van de voorboden van de lente. In Engeland zegt men dat het geen lente is zolang je niet op twaalf madeliefjes tegelijk kan staan! Dat laatste geeft dan tevens aan in welke aantallen dit plantje kan voorkomen. Door de grondrozetten verstikt het het gras in het gazon en hoe lieflijk het plantje ook is, je kunt ook te veel van het goed hebben!

 

 

 

 

 

 

 

De Ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae)

 

De inheemse leden van deze familie behoren tot de geslachten Reigersbek en Ooievaarsbek, die beide hun naam te danken hebben aan de lange snavel waarvan de vruchtjes zijn voorzien. Reigersbekken (Erodium) zijn te onderscheiden van Ooievaarsbekken (Geranium) doordat ze veervormig ingesneden of geveerde bladeren hebben, schermvormige bloeiwijzen met meestal drie tot negen bloemen en veel langere snavels. De wilde Geraniums moeten niet verward worden met de sierplanten uit het geslacht Pelargonium, die gewoonlijk – foutief – eveneens Geraniums worden genoemd.

 

 

Gewone reigersbek

 

gewone reigersbek

 

gewone reigersbek

 

 

gewone reigersbek

 

 

 

Gewone ooievaarsbek

 

gewone ooievaarsbek

 

 

 

 

 

 

Slipbladige Ooievaarsbek

 

De onderste bladeren van de SLIPBLADIGE OOIEVAARSBEK (Geranium dissectum) staan twee aan twee op lange bladstelen en zijn diep ingesneden tot 5-9 slippen. Deze slippen zijn op hun beurt ook nog weer ingesneden. De vijf purperkleurige (soms roze) bloemblaadjes zijn gekerfd, zodat het lijkt alsof er tien zijn. Het is een een- of tweejarige plant, met dichtbehaarde stengels die vertakt zijn, waardoor het uiterlijk vaak nogal onregelmatig is. De bloeitijd is van mei tot en met september. Deze soort komt voor in Europa en West-Azië en verwilderd in Amerika. In ons land plaatselijk vrij algemeen op kleigrond, aan wegen en dijken. De aanwezigheid van deze plant wijst op een voedselrijke grond.

Alle Ooievaarsbekken zijn betrekkelijk goed bestand tegen selectieve onkruidbestrijdingsmiddelen. Zo nodig kan het best gespoten worden als de kiemplantjes nog klein zijn. Overigens zijn ze gemakkelijk voor wieden onder de duim houden.

 

 

 

slipbladige ooievaarsbek

 

 

 

 

Robertskruid

 

ROBERTSKRUID (Geranium robertianum) is een plant met een aantrekkelijk uiterlijk. Gemakkelijk te herkennen door de ronde stengels, die sappig en behaard zijn, door de sterk verdeelde bladeren, die in de herfst eveneens rood kleuren en door de roze bloemen met vijf niet-ingesneden bloemblaadjes. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De hele plant heeft een sterke geur. Het is een een- of tweejarige plant met aan de basis vertakte stengels die 10 tot 50 cm lang worden. De tegenoverstaande bladeren hebben 3-5 slippen die aan de rand zijn ingesneden. Robertskruid komt voor in geheel Europa, in Noord- en Midden-Azië en in Noord-Amerika; verwilderd in Zuid-Amerika. In een groot deel van ons land algemeen op vochtige beschaduwde plaatsen, soms tegen muren.

 

robertskruid

 

klein robertskruid

 

robertskruid

 

 

 

 

Gewone Reigersbek

 

De GEWONE REIGERSBEK (Erodium cicutarium) is een slordig groeiende plant met liggende, behaarde stengels. De violet-roze (soms witte) bloemen zijn naar verhouding groot en staan met meestal 5-7 bijeen in een schermpje. Van de bloembladeren hebben er gewoonlijk twee een donkere vlek aan de basis. De snavels van de vruchtjes hebben een lengte van 25-35 mm. De plant kan zowel een- als tweejarig zijn en wordt 8 tot 60 cm hoog. De geveerde bladeren variëren in lengte van 2 tot 20 cm. Ze zijn tegenoverstaand en de blaadjes waaruit het blad is opgebouwd staan afwisselend en zijn ook weer ingesneden. De bloeitijd strekt zich uit van april tot in de herfst. Inheems in Europa, Azië en Noord-Amerika. In ons land algemeen op zandgronden, vooral wanneer die rijk aan stikstof is.

 

 

gewone reigersbek

 

gewone reigersbek

 

 

gewone reigersbek

 

 

 

Paardenbloem (Compositae)

 

De PAARDENBLOEM (Taraxacum officinale) is ongeveer net zo algemeen als het Madeliefje maar heel wat lastiger. Aan de andere kant echter is de plant uitstekend te gebruiken in de keuken: hij bevat meer vitaminen A en C dan bijna elke andere groente of vrucht en de enigszins bittere bladeren verrijken iedere salade. Paardenbloem is verder ook een zeer heilzame plant: hij stimuleert de bloedsomloop, de lever, de spijsverteringsorganen en speciaal de nieren en de blaas.

Als tuinonkruid moet men er echter mee oppassen, want de plant neemt ongeveer driemaal zoveel ijzer uit de grond op als andere planten en ook koper en andere voedingsstoffen. Vandaar zijn waarde in een salade! Het is ook een slechte buur voor andere planten, doordat hij ethyleengas uitscheidt dat deze in hun groei belemmert. We kunnen de stoffen die hij uit de grond haalt ten nutte maken door de plant te composteren. Op die manier komen de ‘gestolen zaken’ weer in de grond terug, waar ondieper wortelende planten ze kunnen opnemen. Men kan van de plant ook een vloeibare meststof maken die op de bladeren van tuinplanten wordt gespoten en tegelijkertijd dient als afweermiddel tegen insecten.

De bladeren van de Paardenbloem met hun tandvormige slippen zitten in een grondrozet die groeit uit een al dan niet vertakte penwortel. De bloemen kunnen onder gunstige omstandigheden het hele jaar door verschijnen, maar de hoofdbloei valt in mei. De gele bloemhoofdjes staan afzonderlijk op een holle, onbebladerde, soms rode stengel, die een wit melksap bevat. Ze worden bezocht door een grote verscheidenheid aan insecten. Na de bloei ontstaan de bekende pluizenbollen, waaruit als men er tegen blaast de parachuutjes met daaraan de zaden tevoorschijn komen. De bloemhoofdjes openen zich ’s morgens tussen zes en zeven. Het verspreidingsgebied omvat het gehele gematigde en koude deel van het noordelijk halfrond. In ons land algemeen op allerlei plaatsen en alle grondsoorten.

 

paardenbloem

 

paardenbloem

 

 

 

 

 

Papegaaiekruid (Amaranthaceae)

 

PAPEGAAIEKRUID (Amaranthus retroflexus) is oorspronkelijk afkomstig uit Amerika, maar is tegenwoordig verspreid over bijna de gehele wereld. De stevige stengel, grijsgroen en dicht kortbehaard, is meestal vertakt, vooral aan de top. De voet van de stengels is vaak roodachtig. De hoogte van de plant varieert van 15 cm tot 1 m. De enigszins hangende bladeren staan afwisselend en zijn langgesteeld; ze zijn ruitvormig-eirond en naar de top en de voet enigszins versmald. De bladeren zijn behaard en hebben opvallende nerven, vooral aan de onderkant. Onder de kleine groene bloempjes zitten stijve, scherp gepunte schutblaadjes.

De bloemen vormen dichte aren in de bladoksels van 1-5 cm lang. De bloeistengel wordt bekroond door een dicht groepje van deze aren ter lengte van 5-20 cm. De bloeitijd is juli tot en met oktober. Papegaaiekruid bevat soms buitengewoon veel stikstofverbindingen, waardoor hij giftig is voor het vee. Varkens eten deze plant echter graag (vandaar de Engelse naam Pigweed ofwel Varkenskruid). In ons land is deze plant thans vrij algemeen, behalve in het noorden en in Zuid-Limburg.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blaassilene : Silene vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

blaassilene-jpg_595

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de opgeblazen kelk met 20 fijne, onderling verbonden nerven en
– de 5, stervormig uit de kelk stekende, witte kroonbladen

 

 

 

blaassilene

 

 

 

Algemeen

 

De blaassilene is een plant uit de anjerfamilie. Het is een in België en Nederland vrij zeldzaam voorkomende, 30-60 cm hoge plant die kan worden aangetroffen op matig voedselrijke, iets droge zand-, klei- en leemgrond, in bermen en tegen hellingen, in de duinen en op grazige grond. De plant prefereert een zonnige standplaats.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Blaassilene bloeit vanaf mei tot en met september met witte bloemen, waarvan de kelk sterk opgeblazen is. De kelk bestaat uit 5 vergroeide kelkbladen met driehoekige kelkslippen, is kaal, witachtig of roodbruin en heeft 20 fijne, onderling verbonden, paarsrode tot geelgroene nerven.

De knikkende bloemen hebben 5 witte (zelden roze), diep ingesneden kroonbladen. Ze zijn mannelijk of vrouwelijk, soms tweeslachtig. Ze zijn dag en nacht geopend, maar beginnen pas tegen de avond zoet te geuren. De bestuiving wordt dan ook door nachtvlinders verzorgd.

Die kunnen, in tegenstelling tot kleinere insecten, met hun lange roltong de honing onder in de bloem bereiken. Hommels knagen de kelk van buiten af open en kunnen zo ook bij de honing. Bestuiving blijft dan uiteraard uit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werden de jonge bladeren in salades verwerkt. Ook zijn ze na vijf tot tien minuten koken geschikt voor gebruik in soep.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam
– 30 tot 60 cm

Bloem
– wit, zelden roze
– vanaf mei t/m september
– bijscherm
– stervormig
– 1 tot 2 cm
– 5 ingesneden kroonbladen,
niet vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– 1-nervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria